Overwegingen
1. De zaak gaat over de omgevingsvergunning die het college op 6 maart 2023 heeft verleend voor het plaatsen van vier zonnepanelen aan de voorkant van een rijksmonumentale woning op het adres [adres 1] in [woonplaats]. Met het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten als beslissing op het bezwaar van eiseres.
2. Eiseres woont aan de [adres 2] in [woonplaats]. Haar woning ligt schuin tegenover de woning van de vergunninghouder, hemelsbreed op een afstand van ruim 52 meter. Tussen beide woningen ligt de [locatie] met aan weerszijden een straat en een stoep. Eiseres heeft vanaf haar woning zicht op de vier zonnepanelen die inmiddels op het dak van de woning van de vergunninghouder zijn gerealiseerd.
Zorgvuldigheid van de aanvraagprocedure
3. Eiseres voert aan dat sprake is van een onzorgvuldige aanvraagprocedure omdat er geen vooroverleg heeft plaatsgevonden en omdat er geen second opinion mogelijk is bij onenigheid met de behandelende ambtenaar. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van onzorgvuldigheid. Het college heeft de vergunningprocedure in overeenstemming met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) uitgevoerd en bij de bezwaarprocedure de regelgeving van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevolgd. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college in strijd met de beleidsregel gehandeld?
4. Eiseres voert aan dat het college in strijd met zijn eigen beleid heeft gehandeld, omdat de zonnepanelen op grond van de beleidsregel zonne-energie voor beschermde monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten in de gemeente Utrecht 2021 (de beleidsregel) uit het zicht hadden moeten worden geplaatst. Dat is niet gebeurd. Eiseres stelt dat het college de beleidsregel ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
5. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de zonnepanelen op de woning van de vergunninghouder vanaf de [straat] en dus vanaf de openbare weg zichtbaar zijn. Indien de zonnepanelen niet uit het zicht vanaf de openbare weg kunnen worden geplaatst, gelden voor plaatsing van de panelen de in artikel 7 van de beleidsregel vier genoemde kwalitatieve plaatsingsvoorwaarden. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de zonnepanelen op de [adres 1] aan deze voorwaarden voldoen. Eiseres bestrijdt dit niet. Het college heeft dus niet in strijd met de beleidsregel gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiseres beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Zij voert daartoe aan dat het college heeft toegestaan dat de vergunninghouder zonnepanelen aan de voorzijde van de woning heeft geplaatst die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn. Dit terwijl de zonnepanelen op de woning van eiseres niet zichtbaar mochten zijn.
7. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet er sprake zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Eiseres heeft eerder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van zonnepanelen op haar woning. Na overleg met de betreffende ambtenaren heeft eiseres haar aanvraag aangepast zodat de zonnepanelen op haar woning niet zichtbaar zouden zijn vanaf de openbare weg. Daarna is een omgevingsvergunning aan eiseres verleend.
8. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat er geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Het is namelijk niet zo dat in het geval van de vergunninghouder wel een omgevingsvergunning is verleend en in het geval van eiseres een omgevingsvergunning is geweigerd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.
9. Eiseres verzoekt om vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden omdat er drie à vier minder zonnepanelen dan mogelijk en gewenst op haar dak zijn gelegd. Er is geen sprake van een onrechtmatig besluit. Er is dan ook geen reden voor toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding.
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de vier zonnepanelen aan de voorkant van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] mogen blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en heeft ook geen recht op schadevergoeding. Zij krijgt het griffierecht niet terug en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.