vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
zaaknummer / rolnummer: C/16/494537 / HA ZA 20-15
1. de maatschap
[eiser 1]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
4. [eiser 3],
wonende te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat mr. O.R. van Hardenbroek te 's-Gravenhage,
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde,
advocaten mr. R.S.E.C. Moulen Janssen en mr. E.H.C. Verstraaten te Utrecht.
Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers c.s.] genoemd worden (mannelijk enkelvoud) en afzonderlijk: de maatschap en vader, moeder en zoon [eisers c.s.] . Gedaagde zal Rabobank genoemd worden.
2 Waar gaat het over?
2.1.
Vader, moeder en zoon [eisers c.s.] exploiteren samen, via hun maatschap, een melkveebedrijf in [vestigingsplaats] , Noord-Brabant. Vanaf 2012 was [eisers c.s.] bezig met zijn plan om de stal te vernieuwen en de benodigde vergunningen daarvoor aan te vragen. Niet alleen was de oude melkveestal aan vervanging toe, maar ook bood de aankomende afschaffing van het melkquotum mogelijkheden tot uitbreiding. In 2014 hebben vader en moeder [eisers c.s.] - op basis van een door de zoon opgesteld bedrijfsplan - een financieringsovereen-komst gesloten met Rabobank voor een bedrag van € 1.175.000. Dit bedrag was bedoeld voor het bouwen van een nieuwe ligboxenstal die plaats zou moeten bieden aan 199 melkkoeien, de aankoop van een mestscheider en de aankoop van grond. Het aantal van 199 melkkoeien was een verdubbeling ten opzichte van de capaciteit van de oude stal. De nieuwe stal is uiteindelijk in december 2015 gerealiseerd.
2.2.
Op 1 april 2015 is het melkquotum afgeschaft. Op 1 januari 2018 heeft de wetgever een fosfaatrechtenstelsel ingevoerd voor de melkveesector. [eisers c.s.] heeft op 5 januari 2018 voor 5.768 kg aan fosfaatrechten gekregen. Deze hoeveelheid was berekend op basis van de hoeveelheid melkkoeien (111) en jongvee (114) die [eisers c.s.] op de peildatum 2 juli 2015 had. [eisers c.s.] heeft tegen de toekenning van de fosfaatrechten bezwaar aangetekend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De RVO heeft dat bezwaar afgewezen bij besluit van 27 augustus 2019. [eisers c.s.] is hiervan in beroep gegaan bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
2.3.
[eisers c.s.] stelt dat Rabobank hem vóór het aangaan van de financierings-overeenkomst in 2014 had moeten waarschuwen voor de mogelijke invoering van het fosfaatrechtenstelsel en de gevolgen die dat zou hebben voor de rentabiliteit van de financiering. Doordat de fosfaatrechten zijn toegekend op basis van het aantal koeien dat hij op de peildatum 2 juli 2015 had, was het niet mogelijk voor hem om te groeien naar het beoogde aantal van 199 melkkoeien zonder aanvullende investeringen te doen in de vorm van aankoop van fosfaatrechten. Hij stelt dat hij de financieringsovereenkomst met Rabobank nooit zou zijn aangegaan, als hij had geweten dat er kort daarna een fosfaatrechtenstelsel of andere productiebeperkende maatregel zou worden ingevoerd. Doordat Rabobank hem niet op dit risico heeft gewezen en hem daarvoor ook niet heeft gewaarschuwd, heeft [eisers c.s.] nadeel dan wel schade geleden ter hoogte van in ieder geval € 253.607, zijnde de kosten van de koeplaatsen die leeg zijn blijven staan nadat [eisers c.s.] zijn schade heeft beperkt door fosfaatrechten bij te kopen. Juridisch gezien zegt hij dat de financieringsovereenkomst tot stand gekomen is onder invloed van dwaling (artikelen 6:228 lid 1 sub b en 6:230 BW), dat Rabobank haar zorgplicht als bank niet is nagekomen en dat de overeenkomst moet worden gewijzigd op grond van onvoorziene omstandigheden (artikelen 6:258 en 6:260 BW).
2.4.
[eisers c.s.] vordert dat Rabobank hem een nader te bepalen bedrag betaalt (op te maken bij staat) voor het nadeel dat hij heeft geleden door de dwaling of dat Rabobank hem een ander nog te bepalen bedrag betaalt als schadevergoeding voor de schending van de zorgplicht. Ook vordert [eisers c.s.] een voorschot (€ 253.623, te vermeerderen met wettelijke rente) op het nog nader te bepalen bedrag aan compensatie of schadevergoeding. Verder vordert hij vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten en de nog te maken nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
2.5.
Rabobank stelt zich op het standpunt dat [eisers c.s.] te laat is met zijn vordering. Volgens haar had [eisers c.s.] eerder moeten klagen over de schending van de mededelingsplicht en de zorgplicht, en zijn de vorderingen met betrekking tot de dwaling ook verjaard. Verder is zij van mening dat zij geen mededelingsplicht of waarschuwingsplicht had. Ook betwist zij het causaal verband, de hoogte van de schade en stelt zij dat [eisers c.s.] eigen schuld heeft aan zijn schade.
3 De beoordeling
3.1.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers c.s.] af. Kort gezegd komt het oordeel van de rechtbank erop neer dat op Rabobank geen verplichting rustte om [eisers c.s.] te wijzen op het risico op invoering door de overheid van productiebeperkende maatregelen, en ook geen plicht had om hem daarvoor te waarschuwen. Deze beslissing wordt hieronder nader toegelicht.
3.2.
In de kern gaat het geschil tussen partijen over het antwoord op de volgende vragen:
-
Wist Rabobank ten tijde van het afsluiten van de financieringsovereenkomst in 2014 meer dan [eisers c.s.] over het bestaan van een risico op invoering door de overheid van productiebeperkende maatregelen in de melkveesector (zoals het fosfaatrechtenstelsel dat uiteindelijk in 2018 is ingevoerd, met als peildatum 2 juli 2015)?
-
Zo ja, was het voor Rabobank kenbaar of moest het voor haar kenbaar zijn dat zij daarover meer wist dan [eisers c.s.] ? en
-
Zo ja, had Rabobank over dat risico ten tijde van het afsluiten van de financieringsovereenkomst mededelingen moeten doen aan [eisers c.s.] , of [eisers c.s.] zelfs daarvoor moeten waarschuwen?
Datum totstandkoming financieringsovereenkomst
3.3.
Voor de beoordeling van deze geschilpunten is het als eerste van belang om vast te stellen op welke datum de financieringsovereenkomst tussen partijen is gesloten. Daarover verschillen partijen van mening. [eisers c.s.] stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst tot stand is gekomen op 20 augustus 2014, omdat hij toen met de toenmalige accountmanager van Rabobank, de heer [a] , de financieringsofferte heeft besproken, zij na afloop elkaar een hand hebben gegeven en [a] heeft gezegd dat de financiering akkoord was. [eisers c.s.] zou daarna alleen nog (vóór 6 november 2014) terugkomen op de rente die hij wilde hebben.
3.4.
Volgens Rabobank is 23 oktober 2014 de datum van totstandkoming van de financieringsovereenkomst, omdat op 20 augustus één van de essentialia (de hoogte van de rente) nog moest worden bepaald. Op 23 oktober 2014 heeft [eisers c.s.] de rente aangekruist die hij wilde hebben en de overeenkomst getekend. Op 20 augustus 2014 kan de accountmanager volgens Rabobank niet al hebben toegezegd dat de financiering er zou komen; daar gaat de Kredietcommissie over.
3.5.
Een overeenkomst komt tot stand door aanvaarding van een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst waarin alle essentiële kenmerken van die overeenkomst zijn opgenomen. Bij een financieringsovereenkomst is één van die essentiële kenmerken de rente die over de financiering moet worden betaald. Als de renteopties in de overeenkomst zijn beperkt tot een aantal mogelijkheden, en het aan de wederpartij wordt overgelaten om daaruit een keuze te maken, is het zo dat de hoogte van de verschuldigde rente pas vaststaat, als de wederpartij zijn keuze heeft gemaakt. Dat is gebeurd op 23 oktober 2014, zodat die datum als datum van het afsluiten van de financieringsovereenkomst moet worden aangemerkt. Dit betekent ook dat Rabobank tot die datum de mogelijkheid had om – als zij daartoe verplicht zou zijn – mededelingen aan [eisers c.s.] te doen over bepaalde risico’s of hem daarvoor te waarschuwen.
Vraag a) kennis Rabobank over toekomstige productiebeperkende maatregelen
3.6.
Rabobank heeft niet betwist dat zij op de hoogte was van de afschaffing van het melkquotum per 1 april 2015, en dat de Staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de Staatssecretaris) in 2013 en 2014 plannen ontwikkelde om ervoor te zorgen dat ook na die afschaffing nog steeds zou worden voldaan aan de Europese Nitraatrichtlijn1. Zij volgde het wetgevingsproces op dit punt op de voet.
3.7.
De rechtbank zegt nu eerst iets over de achtergrond van de Nitraatrichtlijn. Deze Europese Richtlijn heeft tot doel om waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen, en verdere verontreiniging van dien aard te voorkomen (Artikel 1). Voor de melkveesector ging het dan met name om de beperking van de hoeveelheid fosfaat uit mest die maximaal op de bodem zou mogen worden gebracht. Nederland had van de Europese Commissie - in afwijking van de Richtlijn, wat “derogatie” wordt genoemd - toestemming gekregen om fosfaat uit te stoten tot een maximumplafond van 172,9 miljoen kg per jaar. Voor de melkveehouderij betekende dit dat de jaarlijkse fosfaatproductie niet boven de 84,9 miljoen kg mocht uitkomen2. Het was van groot belang voor Nederland om dat plafond niet te overschrijden, omdat men anders weer terug zou vallen op het lagere maximumniveau dat de Richtlijn voorschrijft.
3.8.
In 2013 en 2014 heeft de Staatssecretaris daarom plannen ontwikkeld om overschrijding van het plafond in de melkveesector te voorkomen. Om vast te stellen wat Rabobank wist over de plannen van de Staatssecretaris, moeten de Kamerbrieven en wetsvoorstellen worden bestudeerd die de Staatssecretaris voorafgaande aan totstandkoming van de financieringsovereenkomst met [eisers c.s.] aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. Daarbij gaat het in het bijzonder om de volgende kamerstukken:
-
de Kamerbrief van 12 december 2013, vergaderjaar 2013-2014, 33037, nr. 80
-
het wetsvoorstel verantwoorde groei melkveehouderij, ingediend op 30 juni 20143: “Regels ten behoeve van een verantwoorde groei van de melkveehouderij”, vergaderjaar 2013-2014, 33979, nr. 2 en de daarbij behorende Memorie van Toelichting, nr. 3
de Kamerbrief van 3 oktober 2014, vergaderjaar 2014-2015, 33979, nr. 6.
i. i) de Kamerbrief van 12 december 2013
3.9.
In de Kamerbrief van 12 december 2013 kondigt de Staatssecretaris aan dat zij na afschaffing van het melkquotum de groei van individuele melkveehouderijen wil toestaan
“op voorwaarde dat voldoende grond onder het bedrijf ligt om de extra fosfaatproductie die het gevolg is van uitbreiding in zijn geheel te kunnen plaatsen, danwel dat de extra fosfaatproductie in zijn geheel wordt verwerkt” (p. 6).
Zij zegt hierover verder:
“Ondernemers die willen groeien, kunnen kiezen uit twee strategieën: grondgebondenheid door verwerving van extra grond of door extra mestverwerking. Of natuurlijk een combinatie van die twee. Daarnaast kunnen ondernemers de fosfaatproductie beperken door het nemen van voermaatregelen.” (p. 6)
en
“Om uitwerking te kunnen geven aan de voorwaarde dat groei van het bedrijf niet mag leiden tot extra druk op de mestmarkt worden voor elk veehouderijbedrijf met melkvee de fosfaatproductie en het fosfaatoverschot in 2013 vastgelegd als referentie. (…) Vervolgens zal, beginnend per 2015, aan het einde van elk jaar de feitelijke fosfaatproductie worden vastgesteld en vergeleken met het bedrijfsspecifieke referentieniveau van 2013. Ondernemers waar de fosfaatproductie is toegenomen ten opzichte van de referentie moeten aantonen dat zij aan de aanvullende voorwaarde (grond of verwerking) voldoen.”(p. 7)
3.10.
De Staatssecretaris wilde dus een stelsel van grondgebondenheid en mestverwerking invoeren. Zij wilde niet overgaan tot het invoeren van een stelsel van dierrechten, een productiebeperkende maatregel, waarbij van de fosfaatquota wordt teruggerekend naar het aantal dieren dat maximaal gehouden mag worden. Volgens haar zou dat “een enorme achterstand betekenen in de concurrentiepositie op Europees niveau omdat die alleen zou gelden voor de Nederlandse ondernemers”. Een dierrechtenstelsel zou ook niet nodig zijn, omdat uit een rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving en Wageningen University & Research bleek dat ook in een situatie zonder dierrechten de kaders van het mestbeleid zouden worden gerespecteerd en invoering van een dierrechtenstelsel maar zou leiden tot een beperkte afname van de melkveestapel (p. 5 van nog steeds de Kamerbrief). In dit rapport werd ook de verwachting uitgesproken dat de fosfaatproductie in 2020 nog steeds onder het fosfaatplafond zou liggen, mede door de daling van de fosfaatproductie door lagere fosfaatgehaltes in het voer (p. 7).
Verder zou de keten een aantal maatregelen nemen om zeker te stellen dat de productie binnen de randvoorwaarden zou plaatsvinden (early warning systeem, aanscherping van de fosfaatgehaltes in voer, en invoering van een Kringloopwijzer als managementinstrument) (p. 6).
Wel spreekt de Staatssecretaris uit:
“Wanneer uit de monitoring van de mestmarkt blijkt dat de feitelijke fosfaatproductie in enig jaar het plafond van 2002 overschrijdt, zijn nadere productiebegrenzende maatregelen aan de orde.” (p. 7)
ii) het Wetsvoorstel verantwoorde groei melkveehouderij
3.11.
Op 30 juni 2014 heeft de Staatssecretaris het wetsvoorstel verantwoorde groei melkveehouderij ingediend. Hiermee wordt voorgesteld om de melkveehouderij te stimuleren om te groeien, en de fosfaatproductie na afschaffing van het melkquotum te sturen met het (al in de brief van 12 december 2013 aangekondigde) stelsel van grondgebondenheid en mestverwerking.
Over de invoering van een stelsel van dierrechten zegt het kabinet in de Memorie van Toelichting (p. 6):
“Het eerder aangehaalde rapport van PBL en Wagening-UR biedt vertrouwen dat in een situatie zonder dierrechten de kaders van het mestbeleid worden gerespecteerd, omdat verwacht wordt dat de voorziene groei van de melkproductie, door verhoogde efficiëntie per dier en door de effecten van het voerspoor, op termijn (2020) niet leidt tot toename van de fosfaatproductie. Daarom kiest het kabinet nu niet voor invoering van dierrechten voor melkvee. Dat zou ook geen recht doen aan de zelfsturende initiatieven die nu al lopen vanuit het bedrijfsleven.”
Het wetsvoorstel is door de Eerste en Tweede Kamer aangenomen en in werking getreden op 1 januari 20154.
iii) de Kamerbrief van 3 oktober 2014
3.12.
In deze Kamerbrief informeert de Staatssecretaris de Tweede Kamer over een onderzoek van het Landbouw Economische Instituut (LEI) naar de mogelijke neveneffecten van het stelsel van verantwoorde groei van de melkveehouderij voor de periode 2015–2020.
Dit instituut concludeert dat bij groei van de melkveehouderij de fosfaatproductie zal toenemen ten opzichte van het niveau van 2013 (dat nog onder het plafond ligt), en wel tot 90 miljoen kg in 2020 zonder realisatie van de doelstellingen van het voerspoor, en tot 85 miljoen kg als die doelstellingen wel gerealiseerd worden. Een en ander leidt tot een extra mestverwerkingsplicht van respectievelijk 9 en 4 miljoen kg fosfaat.
De Staatssecretaris concludeert hieruit (p. 4):
“Ik zie in de ex ante evaluatie door het LEI de bevestiging dat het stelsel verantwoorde groei melkveehouderij, zoals dit thans ter behandeling in uw Kamer ligt, het juiste instrument is om economische ontwikkeling in de melkveehouderij mogelijk te maken en tegelijkertijd te borgen dat de groei binnen de milieurandvoorwaarden kan plaatsvinden. Mocht echter uit monitoringgegevens blijken dat door de groei van de melkveehouderij het nationale fosfaatproductieplafond wordt overschreden waardoor Nederland niet langer voldoet aan de derogatie-voorwaarden zijn, zoals ik in de eerder genoemde brief aan uw Kamer heb gemeld, productiebegrenzende maatregelen aan de orde. Daarbij ligt de introductie van een stelsel van dierrechten voor de melkveehouderij het meest voor de hand. Groei op individuele melkveebedrijven zal daarbij nog steeds mogelijk zijn, maar de totale melkveestapel wordt begrensd. De uitwerking van de maatregel zal er op gericht zijn te voorkomen dat anticiperend gedrag wordt beloond.”
Wat heeft Rabobank uit deze ontwikkelingen voorafgaande aan het totstandkoming van de financieringsovereenkomst met [eisers c.s.] moeten opmaken?
3.13.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Rabobank uit deze ontwikkelingen in het parlement moeten opmaken:
- -
dat er door de overheid na afschaffing van het melkquotum per 1 april 2015 werd ingezet op groei van de melkveehouderij in Nederland
- -
dat de overheid ter behoud van de derogatie van de Europese Commissie een stelsel zou invoeren van grondgebondenheid en mestverwerking dat - in combinatie met maatregelen die de sector zelf zou nemen - naar alle verwachting voldoende zou zijn om het fosfaatplafond niet te overschrijden
- -
dat de fosfaatproductie zou worden gemonitord, en dat als het plafond zou worden overschreden, er aanleiding zou kunnen zijn voor het invoeren van productiebegrenzende maatregelen, zoals dierrechten
- -
dat de invoering van een dergelijke maatregel niet wenselijk zou zijn in verband met de concurrentiepositie van Nederland op Europees niveau en ook naar verwachting maar beperkt effect zou sorteren.
Verdere kennis Rabobank over de invoering van productiebeperkende maatregelen
3.14.
[eisers c.s.] heeft twee omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgens hem blijkt dat Rabobank niet alleen op de hoogte was van de Kamerstukken, maar nog meer kennis had over het risico op productiebeperkende maatregelen in de melkveehouderij:
- de heer [B] van Rabobank gaf in 2017 in het kader van een deskundigenbijeenkomst in de Eerste Kamer over de gewijzigde wetsvoorstellen Wet grondgebonden groei melkveehouderij en Wet Invoering stelsel van fosfaatrechten5 aan, dat de bank toen al een aantal jaar wist dat er iets in het vat zat. Letterlijk zei hij (pagina 9):
”Ik werk nu bijna op de kop af vijf jaar bij de Rabobank en vanaf het begin was dit een groot onderwerp: mest en mestafzet. Dat wist ook iedereen. Als u even googelt op "mest" bij vakblad Boerderij, dan vindt u tientallen artikelen door de tijd heen. Iedereen had het dus kunnen weten, alleen niet wat de referentiedatum is of wat de consequenties zijn. Maar dat wist helemaal niemand; er is geen categorie die dat wel wist. Over de vraag in welke mate sprake was van pech, geluk of uitstel zal een knelpuntencommissie een helder standpunt moeten innemen. Iedereen wist dat de fosfaat, de mestverwerking, een issue was. Ik kijk ook even naar links, maar ik denk dat al wel tien jaar bekend is dat er iets zou gebeuren.”
- Rabobank wist als marktleider van financiering in de agrarische sector, gegeven de investeringen die zij deed in de schaalvergroting van de melkveehouderij, dat de emissie van afvalstoffen door alle plafonds zou schieten, of had dit moeten weten.
3.15.
De rechtbank is het niet met [eisers c.s.] eens dat hieruit volgt dat Rabobank meer wist over komende maatregelen dan in het parlement is besproken. Dat blijkt niet uit de verklaring van de heer [B] . De heer [B] verklaart alleen dat al 10 jaar (dus sinds 2007) bekend zou zijn “dat er iets zou gaan gebeuren”. Voor zover hij daarmee doelt op productiebeperkende maatregelen, geldt dat die mogelijkheid altijd boven de markt heeft gehangen. In de Kamerbrief van 12 december 2013 zegt de Staatssecretaris hierover:
“Tot nu toe zijn dierrechten de stok achter de deur geweest voor de ontwikkeling van verwerkingscapaciteit. Het definitief vervallen van dierrechten is pas aan de orde op het moment dat we weten dat we die stok achter de deur niet meer nodig hebben.” (p. 3)
Ook de omstandigheid dat Rabobank marktleider is in de agrarische sector en veel financieringen verstrekt voor schaalvergroting, betekent niet dat zij moest zien aankomen dat het fosfaatplafond zou worden overschreden. Zoals blijkt uit de Kamerstukken zijn er veel omstandigheden van invloed op het wel of niet overschrijden van het plafond: in hoeverre boeren extra grond aankopen, extra mest verwerken of bepaald voer gebruiken dat voor minder fosfaatuitstoot zorgt. Op basis van de investeringen alleen kan de bank dus niet weten of het plafond wel of niet in zicht komt.
3.16.
Bovendien heeft de wetgever in wezen binnen een half jaar een draai gemaakt van 180 graden. Op 1 januari 2015 (door invoering van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij) zette zij nog vol in op groei van de melkveehouderij en ging zij ervan uit dat invoering van een stelsel van grondgebondenheid en mestverwerking voldoende was om de fosfaatproductie onder het plafond te houden. Een productiebeperkende maatregel was onwenselijk en niet effectief. Nog geen half jaar later (op 1 juni 20156) constateerde de wetgever dat het plafond wel werd overschreden en dat productiebeperkende maatregelen nodig waren, die vervolgens in 2018 (met als peildatum 2 juli 2015) zouden worden ingevoerd. Als de wetgever, die bij uitstek kan beschikken over actuele informatie over de fosfaatproductie, al verrast was door de snelle dreigende overschrijding van het fosfaatplafond, hoe had Rabobank hiervan dan op de hoogte kunnen zijn?
Wat wist [eisers c.s.] hierover?
3.17.
Om te bepalen of Rabobank meer kennis over het risico op het invoeren van productiebeperkende maatregelen had dan [eisers c.s.] is van belang om te bepalen wat [eisers c.s.] hierover wist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisers c.s.] verklaard dat hij wist dat voor het melkquotum een systeem van verplichte mestverwerking en grondgebondenheid in de plaats zou komen, waarbij voor wat betreft de grondgebondenheid geldt dat hij hiervan pas bij het begin van de bouw van de nieuwe stal (september 2014) op de hoogte raakte. Hiervan hoorde hij van vertegenwoordigers van veevoederbedrijven die om de 1,5 maand langskwamen. Hij was niet op de hoogte van voorstellen om een fosfaatrechtenstelsel in te voeren, en hoorde daar pas van op 3 juli 2015, de dag na de Kamerbrief waarin de keuze voor een fosfaatrechtenstelsel definitief gemaakt werd7. Hij las geen vakbladen, keek hooguit een enkele keer op de website “Boerderij”, en was niet op de hoogte van het bestaan van zogenaamde ‘fosfaatcafé’s’ waarin boeren werden bijgepraat over de ontwikkelingen op het gebied van de fosfaatregelgeving.
3.18.
Daarnaast wist [eisers c.s.] van het bestaan van het fosfaatplafond. Dat volgt uit zijn verklaring tijdens de mondelinge behandeling dat als Rabobank had verteld over de mogelijke invoering van een productiebeperkende maatregel, hij zo’n grote financiering niet had aangedurfd, omdat “de mogelijke overschrijding van het fosfaatplafond (…) dan een te groot risico [is] om van 100 naar 200 koeien te gaan”.
3.19.
Voor zover [eisers c.s.] niet op de hoogte was van de te verwachten gevolgen van overschrijding van het fosfaatplafond, is de rechtbank van oordeel dat [eisers c.s.] als professionele melkveehouder, in ieder geval op hoofdlijnen, bekend mag worden verondersteld met het bestaan van de derogatie en de daaraan verbonden voorwaarden, alsmede met de mestproblematiek die al jaren bestaat. Voor hem moet in algemene zin te voorzien zijn geweest dat een ongeremde groei van de melkveestapel in Nederland tot problemen zou kunnen leiden gezien de aan de derogatie verbonden voorwaarden. Daarmee kon hij ook in algemene zin voorzien dat de groei van zijn eigen bedrijf zou kunnen oplopen tegen de grenzen die door het landelijk fosfaatplafond zijn gegeven. De rechtbank volgt in zoverre het arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 oktober 2017
(ECLI:NL:GHDHA:2017:3067, r.o. 27).
3.20.
Dat bij overschrijding van het fosfaatplafond ook - als uiterst middel - productiebeperkende maatregelen tot de mogelijkheden zouden behoren, volgt hier logischerwijze uit. Het vóór ‘Bevrijdingsdag’ (zoals 1 april 2015, de dag waarop het melkquotum is afgeschaft, in de melkveehouderij wordt aangeduid) geldende stelsel was in wezen ook een productiebeperkende maatregel, maar dan via de hoeveelheid melk die mocht worden geproduceerd. Voor de varkens- en pluimveesector gold een stelsel van varkens- en pluimveerechten8.
3.21.
[eisers c.s.] stelt ook niet dat hij niet wist van de mogelijkheid van productiebeperkende maatregelen in zijn algemeenheid, maar dat hij is overvallen door het feit dat de overheid al in 2015 tot (de aankondiging van) een dergelijke maatregel is overgegaan met (bij invoering van het stelsel per 1 januari 2018) een peildatum die teruggreep tot in 2015 en een knelgevallenregeling die hem geen compensatie bleek te bieden.
3.22.
Maar dat wist Rabobank ook niet, en dat kon zij ook niet weten ten tijde van de contractsluiting. In oktober 2014 was er namelijk alleen het plan van de overheid om melkveebedrijven te laten groeien en overschrijding van het fosfaatplafond te voorkomen via grondgebondenheid en mestverwerking. Productiebeperkende maatregelen werden weliswaar als stok achter de deur gehouden, maar niet wenselijk en effectief geoordeeld.
3.23.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Rabobank in oktober 2014 niet meer wist over eventuele toekomstige productiebeperkende maatregelen dan dat de overheid daartoe kon overgaan bij dreigende overschrijding van het fosfaatplafond. Rabobank had dan ook niet meer kunnen doen dan meedelen dat als tijdens de looptijd van de financiering het fosfaatplafond zou worden overschreden, de overheid tot productiebeperkende maatregelen zou kunnen overgaan. Dat is echter kennis die ook [eisers c.s.] had dan wel geacht moet worden te hebben gehad. In ieder geval mocht Rabobank erop vertrouwen dat [eisers c.s.] als professionele melkveehouder die algemene kennis had. Dergelijke algemeen bekende informatie hoeft niet te worden meegedeeld, noch in het kader van het voorkomen van dwaling noch in het kader van de zorgplicht. Voor dit algemeen bekende risico hoeft evenmin te worden gewaarschuwd.
3.24.
Dit betekent dat de vorderingen van [eisers c.s.] , die uitgaan van een mededelings- en waarschuwingsplicht van Rabobank op dit punt, niet kunnen worden toegewezen. De rechtbank zal Rabobank ook niet op grond van artikel 22 Rv bevelen om het kredietdossier van [eisers c.s.] over te leggen, zoals [eisers c.s.] heeft verzocht. Nu er geen mededelings- en waarschuwingsplicht van Rabobank was op dit punt, is de inhoud van dit kredietdossier niet relevant. In het licht van het voorgaande komt de rechtbank evenmin toe aan de beoordeling van het verweer van Rabobank dat [eisers c.s.] niet tijdig heeft geklaagd, en dat zijn vorderingen zijn verjaard.
3.25.
De rechtbank wijst ook het beroep op onvoorziene omstandigheden af. Ten eerste omdat [eisers c.s.] geen wijziging of ontbinding van de overeenkomst heeft gevorderd. Ten tweede komt - gelet op hetgeen hiervoor onder 3.17 en verder is overwogen - de omstandigheid dat na het sluiten van de financieringsovereenkomst een productiebeperkende maatregel door de overheid is ingevoerd, voor rekening van [eisers c.s.] als professionele melkveehouder.
3.26.
De rechtbank wil ten slotte nog wel het volgende opmerken. Hoewel Rabobank ter zake van het aangaan van de financiering in oktober 2014 geen verwijt te maken valt, vindt de rechtbank het wel wrang voor [eisers c.s.] :
- dat hij een financiering is aangegaan in een periode dat groei van zijn bedrijf mogelijk was en zelfs gestimuleerd werd door de overheid,
- terwijl de overheid kort nadien die groei heeft afgeremd en een productiebeperkende maatregel heeft opgelegd met een peildatum in het verleden,
- zonder dat [eisers c.s.] in aanmerking kwam voor een knelgevallenregeling.
Daar kan de rechtbank echter in de verhouding tussen [eisers c.s.] en Rabobank geen verandering in brengen.
3.27.
[eisers c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht € 4.131,00
- salaris advocaat 7.473,00 (3,0 punten × tarief € 2.491,00)
Totaal € 11.604,00
De gevorderde nakosten zijn ook toewijsbaar, en dat geldt ook voor de over de proceskosten en nakosten gevorderde wettelijke rente.