Vanaf 29 december 2022 heeft verzoeker een rechtspositie volgens de Wvggz, maar zijn er ook (door de Wvggz) delen van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (hierna: Bvt) van toepassing verklaard, namelijk de hoofdstukken V (Controle en geweldgebruik), VI (Bewegingsvrijheid binnen de inrichting) en VII (Contact met de buitenwereld). Dit is gelegitimeerd middels artikel 6:4 lid 5 Wvggz. Het nemen van vrijheidsbenemende beslissingen jegens verzoeker zal in de praktijk daarmee een combinatie betreffen van beslissingen genomen op grond van de Wvggz en beslissingen genomen op grond van de Bvt. De drie genoemde klachten zijn allen beheersbevoegdheden genomen op basis van voornoemde hoofdstukken uit de Bvt, waardoor we niet toekomen aan verplichte zorg op grond van de Wvggz. De rechter heeft verzoeker immers ook in het [naam zorgaanbieder] laten verblijven, waar doorgaans meer beheers- en beveiligingsbevoegdheden benodigd zijn. Het van toepassing zijn en het gebruiken van deze bevoegdheden op grond van de Bvt schuift de Wvggz terzijde. De klachten dienen dan ook beoordeeld te worden op grond van de Bvt.
Klacht 1: Insluiting
Verzoeker is in de periode van 29 december 2022 tot 19 januari 2023 meermaals overdag ingesloten. Hij stelt dat dit niet in de zorgmachtiging als vorm van verplichte zorg is opgenomen. Tevens stelt hij dat de Bvt daartoe geen ruimte biedt, nu de insluiting werd veroorzaakt door personeelsgebrek en niet was gelegen in (wan)gedrag van verzoeker.
De Bvt geeft basisrechten, waarbij men, als daar niet aan voldaan wordt, een maatregel uitgereikt zou moeten worden. Er is in dit geval geen sprake geweest van een beperking van de bewegingsvrijheid in de zin van artikel 31 Bvt, want verzoeker heeft het recht behouden om in ieder geval vier uren met medepatiënten door te brengen. Dat is ook zijn basisrecht, waar niet aan getoornd is. Dat betekent dat dit op grond van de Bvt geen beklagwaardige beslissing is, waardoor wij vragen om deze klacht niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten overvloede staat het vast dat verzoeker zich nog steeds bevond in beveiligingsniveau 4, het [naam zorgaanbieder] , ondanks de zorgmachtiging. Om de handhaving van de orde en veiligheid in de inrichting mogelijk te maken, moet af en toe de afweging gemaakt worden of het verantwoord is om patiënten op de afdeling te hebben. Dit kan resulteren in een insluiting, wat uiteraard tot een minimum beperkt is.
Klacht 2: Begeleid bezoek
Verzoeker heeft in de periode van 29 december 2022 tot 19 januari 2023 eenmaal bezoek gehad, hetgeen in begeleide vorm heeft plaatsgevonden. Hij stelt dat dit een verdergaande maatregel is dan in zijn zorgmachtiging als vorm van verplichte zorg is opgenomen. Verzoeker voert verder aan dat er mogelijk minder verstrekkende maatregelen hadden kunnen worden genomen en dat artikel 37 Bvt geen toezicht toelaat, nu uit niets is gebleken dat bezoek zonder toezicht gevaar zou kunnen opleveren voor het bezoek.
Verzoeker is beperkt op basis van de Bvt, waardoor we niet toekomen aan verplichte zorg op grond van de Wvggz. Op grond van artikel 37 Bvt: Hoofdstuk VII ‘Contact met de buitenwereld’, wordt het bezoek van patiënt (reeds geruime tijd) begeleid. Dit toezicht kan uitgeoefend worden, indien dit noodzakelijk is met het oog op een in artikel 35, derde lid, van de Bvt genoemd belang. Ook legitimeren de huisregels toezicht op bezoek op grond van het belang van voorkoming van strafbare feiten, bescherming van de maatschappij tegen verzoekers gevaarlijkheid voor de veiligheid van anderen en de handhaving van de orde of de veiligheid in de kliniek. Gelet op hetgeen uit het dossier naar voren komt - met name de mogelijke relatie met verzoekers delictgedrag - is de beslissing om toezicht te houden op verzoekers bezoek begrijpelijk omdat het behandelteam (te) weinig zicht op verzoeker en de risico’s heeft.
Er hebben tijdens het behandeltraject van verzoeker meerdere risicotaxaties plaatsgevonden, die allen een hoog recidiverisico vertoonden. Verzoeker heeft een relatie met een 19 jaar jongere vrouw met een verstandelijke beperking, wie in zorg is binnen een instelling voor verstandelijk gehandicapten. Mede hierdoor ontstonden bij de kliniek zorgen over de gelijkwaardigheid van de relatie en de dynamiek tussen verzoeker en zijn vriendin. Om te kunnen beoordelen of onbegeleid bezoek verantwoord was, wilde de kliniek de aard van de relatie verder onderzoeken en nagaan of er sprake is van een gelijkwaardige, gezonde relatie. De kliniek wilde inzien hoe de verhoudingen lagen en zich ontwikkelden voor het waarborgen van veiligheid, nu en in de toekomst. Bovendien achtte de kliniek het noodzakelijk om inzicht te krijgen in het seksueel functioneren van verzoeker, om zo te kunnen inschatten of er mogelijk sprake is van delictgedrag. Verzoeker heeft daarvoor gedurende de jaren verschillende therapieën gevolgd. In alle therapieën komt zijn gebrek aan openheid naar voren. Wanneer gesproken wordt over contact met minderjarigen, trekt verzoeker duidelijk een muur op en kan hij zich moeilijk openstellen. Als er over belangrijke onderwerpen gesproken wordt, reageert hij enkel sociaal wenselijk. Gezien de recidiverende problematiek van verzoeker was en is het van groot belang dat hij volledige openheid biedt, te meer omdat verschillende risicotaxatie-instrumenten een hoog recidiverisico hebben vastgesteld. Door deze houding kreeg het behandelteam (te) weinig zicht op verzoeker en de risico’s. Hij wekte de indruk dat hij structureel geen (volledige) openheid van zaken gaf en is daarmee onvoorspelbaar in gedrag voor het behandelteam. Onbegeleid bezoek werd daarmee nog altijd als risicovol gezien, ook wanneer de vader van verzoeker erbij was. De kliniek draagt de verantwoordelijkheid voor al het bezoek wat binnen de kliniek komt en kan niet die verantwoordelijkheid bij vader neerleggen. Bovendien is voor toezicht houden ook van belang dat er daadwerkelijk gezien wordt hoe de dynamiek is, dat kan niet achteraf aan de vader van verzoeker gevraagd worden. De kliniek dient zelf toezicht te houden om risico’s in te schatten, dat is ook onderdeel van de behandeling.
Het toezicht op het bezoek is verzoeker mondeling medegedeeld, zoals de Bvt en de huisregels dat ook vereisen. De klacht dient daarmee ongegrond verklaard te worden.
Klacht 3: Kamercontrole
Verzoeker heeft in de periode van 29 december 2022 tot 19 januari 2023 eenmaal een kamercontrole gehad, namelijk op 5 januari 2023. Hij stelt dat dit niet in de zorgmachtiging als vorm van verplichte zorg is opgenomen. Hij is voorts van mening dat de zorgmachtiging zwaarder moet wegen dan de huisregels en de Bvt, omdat het individuele belang voorrang moet hebben op het algemene belang.
Op grond van de in de zorgmachtiging van toepassing verklaarde Bvt (artikel 29 Bvt: Hoofdstuk V ‘Controle en geweldgebruik’) en de huisregels kan er een onderzoek persoonlijke verblijfsruimte plaatsvinden. Volgens het formulier kamercontrole is deze controle de periodieke controle geweest, in het kader van algemeen toezicht op de aanwezigheid van verboden voorwerpen in de persoonlijke verblijfsruimte van verpleegde, tevens gelegitimeerd middels de huisregels van de kliniek. Wat er wel of niet in de zorgmachtiging staat ten aanzien van de kamercontrole, is niet van belang, nu de Wvggz opzij wordt geschoven door de van toepassing verklaarde hoofdstukken van de Bvt, verzoeker verbleef immers in het [naam zorgaanbieder] . Zou hij in een Wvggz-accommodatie verblijven (zoals hij nu doet), dan is de Bvt niet langer toepasbaar en is een kamercontrole niet mogelijk. De klacht dient daarom in onderhavige situatie ongegrond verklaard te worden.