1 [eiser sub 1] ,
te [woonplaats] ,
2. [eiseres sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. G.J.J.A. van Zeijl,
[gedaagde]
,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
2 De feiten
2.1.
[eisers] en [gedaagde] hebben op 14 juli 2017 een huurovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:290 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), waarbij [gedaagde] de bedrijfsruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] (hierna: het gehuurde) huurt van [eisers] , tegen een huurprijs van thans € 3.541,52 inclusief btw per maand. De huurprijs is bij vooruitbetaling telkens voor de eerste dag van de maand te voldoen. De algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (hierna: de algemene bepalingen) conform het ROZ model maken onderdeel uit van de huurovereenkomst.
2.2.
[gedaagde] werd ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst bestuurd door [naam bestuurder 1] en [naam bestuurder 2] . Thans is [naam bestuurder 1] de enige zelfstandig bevoegde bestuurder van [gedaagde] .
2.3.
Met ingang van 1 augustus 2017 exploiteert [gedaagde] vanuit het gehuurde een wijnbar die tevens als winkelruimte dient ten behoeve van wijnverkoop en verkoop van aanverwante producten.
2.4.
Bij onder zaaknummer 8595718 CV EXPL 20-2862 gewezen vonnis op tegenspraak van 20 juli 2020 werd [gedaagde] veroordeeld om – samengevat – de huurachterstand van € 9.400,00 aan [eisers] te betalen, evenals de huur tot aan het tijdstip van ontruiming, en tot voorwaardelijke ontruiming van het gehuurde.
2.5.
[gedaagde] is vervolgens een tijd lang haar betalingsverplichtingen nagekomen.
2.6.
Vanaf februari 2023 heeft [gedaagde] opnieuw een huurachterstand laten ontstaan.
2.7.
Bij brief van 6 maart 2023 hebben [eisers] [gedaagde] verzocht en gesommeerd om binnen één week de contractuele huurverplichtingen behoorlijk na te komen. Tevens hebben [eisers] aanspraak gemaakt op de contractuele boete op grond van artikel 18.2 van de algemene bepalingen.
2.8.
In de periode maart 2023 tot en met mei 2023 hebben [gedaagde] en de gemachtigde van [eisers] met elkaar gecorrespondeerd.
2.9.
Per 1 juni 2023 bedraagt de totale huurachterstand € 15.932,60 inclusief btw.
2.10.
[gedaagde] heeft tot op heden niet betaald.
3 Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat en op alle dagen en uren, [gedaagde] zal veroordelen:
-
om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te voldoen € 15.932,60 inclusief btw terzake de huurachterstand over de periode tot en met juni 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente;
-
om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te voldoen € 3.541,52 inclusief btw per maand over de periode vanaf juli 2023 tot aan de dag van algehele ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente;
-
om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen € 1.500,00 vanwege de contractuele boeterente ten aanzien van de huurachterstand van vijf maanden, en € 300,00 voor iedere opvolgende maand vanaf juli 2023 dat zij in verzuim mocht raken;
-
om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen € 1.171,63 ter zake de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
-
om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte op de begane grond, alsmede de opslagruimte in het soutterain, gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] , met de haren en al het hare te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eisers] te stellen;
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder begrepen de noodzakelijke verschotten van de gemachtigde en de nakosten.
3.2.
[eisers] leggen aan hun vorderingen de stelling ten grondslag dat [gedaagde] wederom toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar huurbetalingsverplichtingen en dat zij het gehuurde niet op de juiste manier gebruikt door hantering van zeer beperkte openingstijden waardoor geen sprake is van een rendabele exploitatie.
3.3.
[gedaagde] erkent de huurachterstand en is bereid om het gehuurde te ontruimen nu geen sprake meer is van vertrouwen tussen partijen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
Uit de stukken en de toelichting ter zitting is genoegzaam gebleken dat het gaat om een spoedeisende zaak waarin, gelet op het belang van [eisers] , een onmiddellijke voorziening bij voorraad geboden is.
Huurachterstand, toekomstige huur en contractuele boeterente
4.2.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
4.3.
[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de huurachterstand van € 15.932,60 inclusief btw ter zitting erkend. De gevorderde huurachterstand van € 15.932,60 zal daarom worden toegewezen. Ook zal de vordering tot betaling van de toekomstige huurtermijnen vanaf 1 juli 2023 tot aan de dag van algehele ontruiming worden toegewezen nu [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd. Hetzelfde geldt voor de vordering tot betaling van de contractuele boeterente van € 1.500,00 ten aanzien van de huurachterstand van vijf maanden en € 300,00 voor iedere opvolgende maand vanaf juli 2023 dat [gedaagde] in verzuim mocht geraken.
Ontruiming van het gehuurde
4.4.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kort gedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en ten tweede de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.5.
[gedaagde] heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de ontruimingsvordering. Bovendien is de kantonrechter ervan overtuigd dat de omvang van de huurachterstand en het feit dat sprake is van een herhaalde achterstand in een bodemprocedure ertoe zouden leiden dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. De vordering tot ontruiming is daarom toewijsbaar.
4.6.
Tijdens de mondelinge behandelingen zijn partijen overeengekomen dat het gehuurde uiterlijk 15 juni 2023 moet zijn ontruimd. De kantonrechter zal de vordering tot ontruiming dan ook toewijzen met inachtneming van deze datum.
4.7.
[eisers] vordert in het petitum van de dagvaarding de wettelijke rente vanaf de respectievelijke maandelijkse vervaldata c.q. de eerste van de maand tot de dag der algehele voldoening. Uit de dagvaarding valt niet op te maken of de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW of de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW – de wettelijke handelsrente – is bedoeld. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de wettelijke handelsrente niet zal worden toegewezen. In plaats daarvan zal de kantonrechter beoordelen of de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW kan worden toegewezen.
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand tot en met juni 2023, tegen de verschuldigdheid waarvan [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, zal worden toegewezen. Partijen zijn overeengekomen dat de huurprijs verschuldigd is bij vooruitbetaling, telkens voor de eerste dag van iedere maand. Dat is een fatale termijn, zodat [gedaagde] telkens vanaf de eerste dag van iedere (onbetaald gebleven) maand in verzuim verkeert.
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de toekomstige huur zal worden toegewezen zoals gevorderd door [eisers] nu [gedaagde] ook daartegen geen verweer heeft gevoerd.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
[eisers] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Partijen zijn in artikel 17.1 van de algemene bepalingen een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten. De vergoeding is op grond van artikel 17.1 van de algemene bepalingen verschuldigd zodra een sommatie, ingebrekestelling of exploot is uitgebracht aan de huurder. Daaraan is voldaan. Het gevorderde bedrag is echter onjuist berekend. Er is weliswaar aangesloten bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, maar de berekening gaat uit van een verkeerde ‘categorie’ (namelijk hoofdsom tot en met € 10.000,00 in plaats van hoofdsom tot en met € 200.000,00). Uitgaande van de juiste categorie, is een bedrag verschuldigd van € 875 + 1% over (€ 15.932,60 - € 10.000,00), dus € 934,33.
4.11.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eisers] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
|
€
|
129,85
|
|
- griffierecht
|
€
|
693,00
|
|
- salaris gemachtigde
|
€
|
793,00
|
|
- overige kosten
|
€
|
0,00
|
|
Totaal
|
€
|
1.615,85
|
|
4.12.
In dit vonnis hoeft geen aparte beslissing te worden genomen over de gevorderde nakosten (Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
5 De beslissing
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen € 15.932,60 inclusief btw ter zake van de huurachterstand tot en met juni 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke maandelijkse vervaldata van de afzonderlijke huurtermijnen tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen € 3.541,52 inclusief btw per maand voor iedere ingegane maand vanaf 1 juli 2023 tot het tijdstip van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke maandelijkse vervaldata van de huurtermijnen tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen € 1.500,00 ter zake de contractuele boeterente ten aanzien van de huurachterstand tot en met juni 2023, en € 300,00 voor iedere opvolgende maand (vanaf juli 2023) dat [gedaagde] in verzuim mocht geraken,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen € 934,33 terzake de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2023 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] om op uiterlijk 15 juni 2023 de bedrijfsruimte op de begane grond, alsmede de opslagruimte in het soutterain, gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisers] zijn, en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eisers] te stellen,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot dit vonnis vastgesteld op € 1.615,85,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2023.