Overwegingen
1. Op 29 maart 2019 heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwplan ingediend. Het bouwplan voorziet in een verbouwing van de eerste verdieping van een bedrijfspand aan de [adres 1] te [plaats] , waar in totaal 54 tweepersoonskamer worden gerealiseerd voor de huisvesting van in totaal 108 arbeidsmigranten voor een periode van maximaal tien jaar. Volgens de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwing dienen hierbij in totaal 54 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. De begane grond van het pand is (en blijft) in gebruik als kantoorruimte. Hiervoor geldt een parkeernorm van (afgerond) 45 parkeerplaatsen. In totaal zijn bij het pand derhalve 99 parkeerplaatsen nodig. Aan de voorzijde van het pand zijn 36 parkeerplaatsen aanwezig. Aan de achterzijde worden 81 parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de overzijde van de straat worden nog 36 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het pand beschikt daarmee (na realisatie) over in totaal 153 parkeerplaatsen.
2. Het tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten is in strijd met het ter plaatse geldend bestemmingsplan “Bedrijventerreinen 2013”, vastgesteld op 26 juni 2013 (het bestemmingsplan).
3. Eiseres is mede-eigenaar van een bedrijfspand aan de [adres 2] te [plaats] . Dit bedrijfspand, dat eiseres momenteel verhuurt, grenst aan de percelen waarop het bouwplan is beoogd.
4. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “het (ver)bouwen van een bouwwerk” en “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarbij heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo (de zogenoemde kruimelgevallenregeling) in samenhang met artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bor).
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit middels een aanvullende motivering gehandhaafd en daaraan een extra voorschrift (voorschrift 17) verbonden.
6. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank zal de beroepsgronden van eiseres hieronder bespreken. Het wettelijk kader is vermeld in de bijlage die onderdeel van deze uitspraak uitmaakt.
Beoordeling beroepsgronden
Verkeerde voorbereidingsprocedure
7. Eiseres betoogt dat het besluit via de verkeerde voorbereidingsprocedure tot stand is gekomen, omdat verweerder geen tijdelijke omgevingsvergunning kon verlenen met toepassing artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, onderdelen 9 en 11, van Bijlage II bij het Bor.
7.1.
Hiertoe stelt eiseres in de eerste plaats dat het bouwplan moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie D 11.2, kolom 1, van de bijlage bij het Besluit milieueffectenrapportage (Besluit mer). Dit brengt met zich dat artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor van toepassing is. Het bouwplan heeft immers in vergelijking met de geldende planologische situatie een geheel andere verkeersaantrekkende werking, omdat er nu een kantoor gevestigd is en na realisering een kantoor en huisvesting voor 108 arbeidsmigranten. Dat is evident niet met elkaar te vergelijken.
7.2.
In de tweede plaats stelt eiseres dat toepassing van de ‘kruimelgevallenregeling’ op grond van artikel 5, eerste lid, van bijlage II bij het Bor niet mogelijk is, omdat het aantal woningen toeneemt. Verweerder heeft weliswaar betwist dat hier sprake is van woningen, maar eiseres werpt de vraag op wat de te realiseren ruimtes dan wel zijn. Ook indien sprake zou zijn van kamers (kamerverhuur) zou de uitgebreide voorbereidingsprocedure toegepast moeten worden, aldus eiseres.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Zij overweegt hiertoe dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)1 het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer afhangt van de concrete omstandigheden van het geval. Uit deze rechtspraak leidt de rechtbank af dat de volgende aspecten een rol kunnen spelen:
- de aard en de omvang van de voorziene wijziging;
- de wijziging van opzet en vormgeving (eventuele uitbreiding bebouwde oppervlakte);
- de vraag of het project is gelegen in bestaand stedelijk gebied;
- mogelijke gevolgen voor het milieu;
- veranderingen van het woon- en leefklimaat (door bijvoorbeeld verkeersaantrekkende werking).
8.1.
Uit het bouwplan volgt dat de aard en omvang van de voorziene wijziging aan het pand gering is, aangezien het een interne verbouwing van een bestaand pand betreft. Er is ook geen sprake van uitbreiding van bebouwd oppervlakte en het project ligt niet in bestaand stedelijk gebied. Niet gesteld, noch gebleken is dat er gevolgen voor het milieu zijn.
8.2.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat geen sprake is van een dusdanig verkeersaantrekkende werking dat verweerder het project op grond hiervan had moeten aanmerken als een stedelijke ontwikkeling. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder in het bestreden besluit onbetwist heeft gesteld dat (blijkens de bestektekening) op het perceel al 93 parkeerplaatsen aanwezig zijn, terwijl er voor het kantoorgedeelte maar 45 nodig zijn. Dit betekent dat er voor het onderhavige bouwplan al 39 plaatsen aanwezig zijn en dus nog maar 15 extra gerealiseerd hoeven te worden. In dat kader heeft verweerder ook terecht gesteld dat op het perceel reeds parkeervoorzieningen op grond van het vigerende bestemmingsplan zijn toegestaan en dus ook gerealiseerd en gebruikt kunnen worden. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat een toename in de verkeersintensiteit met 69 vervoersbewegingen per 24 uur (zoals verweerder stelt) dusdanig substantieel is, dat het bouwplan als een stedelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt.
8.3.
De rechtbank is voorts van oordeel dat artikel 5, eerste lid, van bijlage II van het Bor niet van toepassing is. In dat artikel is bepaald dat bij toepassing van onder andere artikel 4, van bijlage II van het Bor het aantal woningen gelijk blijft. Deze eis geldt op grond van artikel 5, eerste lid, onder c, van bijlage II van het Bor echter niet voor de in artikel 4 genoemde onderdelen 9 en 11. Nu de onderhavige omgevingsvergunning mede is gebaseerd op artikel 4, onderdelen 9 en 11, van Bijlage II van het Bor, doet de vraag of hier wel of niet sprake is van realisering van extra woningen niet ter zake.
9. Eiseres betoogt voorts dat de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag onvoldoende is om de gevraagde vergunning te verlenen.
9.1.
Hiertoe heeft eiseres in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte aansluit bij de richtafstanden van de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009’ (VNG-brochure) omdat dit een verouderde versie is en vervangen is door de brochure ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ van 2019.
9.2.
Voor zover verweerder de VNG-brochure toch had mogen gebruiken, dan meent eiseres dat ten aanzien van haar bedrijfspand en andere bedrijfspanden in de directe omgeving niet aan de richtafstanden uit deze brochure zijn voldaan. Verweerder heeft ook niet gemotiveerd welke invloed het bouwplan op de omliggende bedrijven heeft, terwijl verweerder dit wel had moeten doen zoals blijkt uit de jurisprudentie van de Afdeling2. Verweerder heeft bij de beoordeling enkel naar een aanvaardbaar woon-en leefklimaat van de arbeidsmigranten gekeken en is het aspect geluid onvoldoende bij de beoordeling betrokken. Ook stelt eiseres dat zij door het bouwplan onevenredig in haar gebruiksmogelijkheden wordt aangetast. Hierover heeft eiser op zitting gesteld dat de huidige huurder van het pand de huurovereenkomst heeft opgezegd en dit jaar het bedrijfspand zal verlaten. Het zal voor haar onmogelijk zijn om het pand opnieuw te verhuren. Door het bouwplan loopt zij dan ook een groot (financieel) risico. Daarnaast zal de huidige huurder van het pand van eiseres overlast door het bouwplan ervaren. De huurder verzorgt in de avonduren opleidingen en trainingen en heeft vanuit de bedrijfsruimte volledig zicht op de locatie en de parkeerplaatsen. Dat er overlast zal ontstaan, volgt uit de samenstelling van de groep arbeidsmigranten, hun achtergrond, de cultuurverschillen en het gebruik van de parkeerplaats voor ontspanning in de zomer. Ten aanzien van deze vrees voor overlast heeft verweerder naar een sanctiebeleid verwezen. Voor eiseres is het onduidelijk wie bevoegd is om te handhaven.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen aansluiten bij de VNG-brochure. Zoals blijkt uit de jurisprudentie van de Afdeling3 biedt de brochure ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ van 2019 een alternatief naast de VNG-brochure. De nieuwe brochure is bedoeld voor bestemmingsplannen met een verbrede reikwijdte en betreft geen herziening / vervanging van de VNG-brochure. Het is niet gebleken dat het hier gaat om een bestemmingsplan met een verbrede reikwijdte.
10.1.
De rechtbank overweegt voorts dat verweerder bij de beslissing of hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken beleidsruimte heeft en dat de bestuursrechter slechts toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden besluit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat en dat de belangen van eiseres niet onevenredig worden aangetast of belemmerd. De rechtbank overweegt hiertoe dat huisvesting op het bedrijventerrein in beginsel mogelijk is, op grond van onder andere de ‘Beleidsnota inzake Planologische afwijkingsmogelijkheden, 1e herziening’. Hierin is bepaald dat tijdelijke huisvesting op een bedrijventerrein voor maximaal 10 jaar is toegelaten. In de ‘Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten gemeente weert 2018’ (beleidsnota) is voorts bepaald dat de voorkeur voor tijdelijke huisvesting naar de transformatie van leegstaande bedrijfsgebouwen uitgaat. In dat laatstgenoemde beleid worden aspecten vermeld waaraan verweerder moet toetsen, zoals het woon- en leefklimaat van een nabijgelegen woonwijk, de gebruiksmogelijkheden van omliggende functie, de verkeersontsluiting en parkeersituatie en milieuhygiënische kwaliteit, waterhuishouding en externe veiligheid.
10.2.
Anders dan eiseres meent, blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat er wel onderzoek is gedaan naar onder andere het woon- en leefklimaat op het perceel en de omliggende bedrijven, in het bijzonder naar de geluidsbelasting. Bij het akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting is uitgegaan van de maximaal toegestane milieucategorieën op de verschillende percelen op het bedrijventerrein zoals bepaald in het bestemmingsplan. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de huisvesting van arbeidsmigranten vanuit het oogpunt van geluidhinder niet ontoelaatbaar is en geen belemmering vormt voor de omliggende bedrijven. Eiseres heeft dit onderzoek niet inhoudelijk weerlegd, maar enkel gesteld dat er onvoldoende onderzoek naar geluid is uitgevoerd. Dit acht de rechtbank onvoldoende en de rechtbank ziet ook geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie uit het akoestisch onderzoek. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet dat de huisvesting van arbeidsmigranten de gebruiksmogelijkheden van het pand van eiseres (of van de huurder van dit pand) onredelijk zou beperken of belemmeren.
10.3.
Wat betreft de belemmering van de gebruiksmogelijkheden van andere bedrijven in de directe omgeving is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond door het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet kan slagen. Dit artikel staat immers eraan in de weg dat eiseres in het kader van een goede ruimtelijke ordening opkomt voor de belangen van andere bedrijven in de omgeving van het plangebied.
10.4.
Ten aanzien van de door verweerder genoemde richtafstanden stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat de directe omgeving van het perceel als een ‘gemengd gebied’ uit de VNG-brochure kan worden aangeduid en dat in de maximaal planologische situatie de richtafstand van 30 meter tussen het onderhavige perceel en dat van eiseres niet wordt gehaald. Verweerder heeft er echter terecht op gewezen dat het om richtafstanden gaat en dat hiervan, gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit heeft verweerder gedaan. Zo heeft verweerder overwogen dat de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten op de eerste verdieping wordt gerealiseerd en het pand van eiseres enkel een begane grond heeft, waardoor weinig tot geen geluidsoverdracht naar de huisvesting van arbeidsmigranten zal plaatsvinden en de kans op hinder zeer beperkt is. De rechtbank is niet gebleken dat deze motivering feitelijk onjuist zou zijn.
10.5.
De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 kan eiseres ook niet baten, nu die uitspraak niet vergelijkbaar is met de onderhavige situatie. In die uitspraak had verweerder de mogelijke geluidsoverlast in het pand als het enige aspect bij de beoordeling van ‘een goede ruimtelijke ordening’ betrokken. De ruimtelijke effecten van bewoning van het pand door verschillende doelgroepen en de effecten van functiemenging voor het woon- en leefklimaat van de bewoners van het pand en voor ter plaatse gevestigde bedrijven waren niet bij de afweging betrokken. In de onderhavige zaak heeft verweerder echter wel een bredere afweging gemaakt. Verweerder heeft aldus voldoende gemotiveerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat.
10.6.
Ten aanzien van de vrees van eiseres dat zij financiële schade zal leiden als gevolg van het bouwplan overweegt de rechtbank dat een eventuele schade als gevolg van de omgevingsvergunning geen ruimtelijk belang is dat verweerder in aanmerking moet nemen bij de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke orde. Eiseres heeft overigens ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij financieel is / zal worden benadeeld.
10.7.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevreesde (geluids)overlast tot slot dat dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat het hier om een subjectieve vrees lijkt te gaan. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat er gedragsregels in een reglement zijn opgesteld waar de bewoners (de arbeidsmigranten) zich aan moeten houden. Voorts is door middel van vergunningvoorschriften gewaarborgd dat die regels worden nageleefd op straffe van daaraan te verbinden sancties.
Voorschrift omgevingsvergunning
11. Eiseres meent dat verweerder de grondslag van de vergunning heeft verlaten door hieraan in bezwaar een extra voorschrift inzake de verkeersveiligheid te verbinden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres uitgelegd dat de grondslag wordt verlaten, omdat er een nieuwe uitrit gerealiseerd moet worden om dit voorschrift te kunnen nakomen.
12. De rechtbank volgt eiseres ook hierin niet, nu verweerder er ter zitting terecht op heeft gewezen dat het een bestaande uitrit betreft.
13. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte niet heeft gekeken naar alternatieve locaties en dat het niet aan haar is alternatieven aan te dragen. Op basis van de beleidsnota heeft verweerder keuzevrijheid ten aanzien van de locatie. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres nog uitgelegd dat volgens hem uit de beleidsnota blijkt dat huisvesting van arbeidsmigranten als een maatschappelijk probleem wordt gezien en verweerder om die reden zelf uit eigen beweging op zoek moet naar alternatieve locaties. Daarbij heeft hij verwezen naar de in de beleidsnota opgenomen afweging die verweerder bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moet maken.4
14. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling5 blijkt dat verweerder op de aanvraag om een omgevingsvergunning moet beslissen zoals deze is ingediend. Als een bouwplan waarvoor een afwijking van het vigerend bestemmingsplan noodzakelijk is, op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, als op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van een van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
14.1.
Zoals blijkt uit de bovenstaande jurisprudentie is het, anders dan eiseres stelt, niet aan verweerder om uit zichzelf alternatieve locaties te onderzoeken, nu verweerder op de aanvraag moet beslissen zoals die is ingediend. Voorts is niet gebleken van alternatieve locatie waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
14.2.
Anders dan eiseres stelt, blijkt uit de beleidsnota niet dat verweerder ondanks deze jurisprudentie in het onderhavige geval toch zelf onderzoek moet doen. Het afwegingskader waar eiseres naar heeft verwezen is enkel een toetsingskader. Hieruit volgt slechts in welke gevallen een aanvraag dient te worden geweigerd en niet dat verweerder zelf naar alternatieve locaties moet kijken.
15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Bijlage
Wabo
Artikel 2.1
“1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…).”
Artikel 2.12
“1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
(…).”
Bor
Artikel 4, van Bijlage II bij Bor
“Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(…)
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
(...)
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.”
Artikel 5, van bijlage II bij Bor
“1. Bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijft het aantal woningen gelijk. Deze eis is niet van toepassing op de gevallen, bedoeld in:
a. de artikelen 2, onderdelen 3 en 22, en 3, onderdeel 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,
b. artikel 4, onderdeel 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,
c. artikel 4, onderdelen 9 en 11.”
(...)
6. Artikel 4, onderdelen 9 en 11, is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectenrapportage."
Besluit mer
Categorie 11.2 van onderdeel D, kolom 1, bijlage bij Besluit mer
“De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.”
Beleidsnota
“Een aanvraag voor tijdelijke huisvesting wordt in ieder geval geweigerd indien naar het oordeel van het college één of meerdere van de volgende aspecten in onevenredige mate worden aangetast of belemmerd:
• het woon- en leefklimaat van een nabijgelegen woonwijk;
• de gebruiksmogelijkheden van omliggende functies;
• de kwaliteit van het landschap;
• verkeersontsluiting en parkeersituatie;
• milieuhygiënische kwaliteit, waterhuishouding en externe veiligheid.
Tijdelijke huisvesting op een bedrijventerrein wordt in alle gevallen voor maximaal 10 jaar toegelaten. De verwachting is dat overlastsituaties zich bij huisvesting op een bedrijventerrein minder snel zullen voordoen.”