Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Deze aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € [bedrag] en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € [bedrag] . Daarnaast is bij beschikking € [bedrag] aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 maart 2017 de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € [bedrag]. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.
Eiser heeft daartegen bij brief van 29 april 2017 beroep ingesteld bij rechtbank Midden-Nederland. Dit beroepschrift is op 1 mei 2017 ontvangen door rechtbank Midden-Nederland en zij hebben het op 17 mei 2017 doorgestuurd aan rechtbank Gelderland.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2017.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen J.G.A. de Ruiter en R.N. Gajadhar.
Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Eiser heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.
Overwegingen
1. Eiser is sinds september [jaar] als predikant verbonden aan de Gereformeerde Gemeente van [woonplaats] .
2. Op 6 september 2013 heeft eiser een jacquet gekocht voor een bedrag van € [bedrag] . Dit jacquet gebruikt eiser voor de uitoefening van zijn ambt als predikant.
3. In geschil is of de kosten voor aanschaf van het jacquet in aftrek kunnen worden gebracht op het door eiser in 2013 genoten inkomen in de zin van de Wet IB 2001.
Beoordeling van het geschil
4. Aangeschafte kleding is voor een persoon – als eiser – die resultaat uit een werkzaamheid geniet slechts aftrekbaar indien het werkkleding betreft. Op grond van artikel 3.16, vijfde lid van de Wet IB 2001 is sprake van werkkleding, indien de kleding:
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens predikantswerkzaamheden te worden gedragen; of
zulke uiterlijke kenmerken heeft dat daaruit blijkt dat de kleding uitsluitend tijdens predikantswerkzaamheden gedragen kan worden.
5. Het staat vast dat niet wordt voldaan aan de laatstgenoemde voorwaarde. De rechtbank hoeft daarom alleen te beoordelen of het jacquet uitsluitend of bijna uitsluitend geschikt is voor predikantswerkzaamheden. Eiser vindt dat dit het geval is en dat het jacquet werkkleding is. Naar de mening van verweerder valt een jacquet niet onder het begrip werkkleding. Hij stelt dat het jacquet ook geschikt is om tijdens andere gelegenheden dan tijdens predikantswerkzaamheden te dragen.
6. De rechtbank overweegt dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de zinsnede ‘uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om in het kader van de onderneming te worden gedragen’ een objectief criterium is (Kamerstukken II 1996/97, 25 051, nr. 5, p. 18 en 19). Dat wil zeggen dat er gekeken moet worden naar de objectieve kenmerken van het jacquet zelf. Het is niet van belang dat eiser het jacquet zelf alleen draagt tijdens zijn werkzaamheden als predikant. Het gaat erom of het jacquet geschikt is om tijdens andere gelegenheden te worden gedragen. Dit is volgens de rechtbank het geval. Weliswaar wordt een jacquet tegenwoordig niet vaak meer gedragen, maar het is niet ongebruikelijk dat dergelijke kleding wordt gedragen tijdens onder meer huwelijksfeesten, begrafenissen en andere formele gebeurtenissen. Dit betekent dat het jacquet niet alleen tijdens de predikantswerkzaamheden kan worden gedragen en het dus geen werkkleding is. Eiser kan de kosten zodoende niet in aftrek brengen.
7. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
8. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient het beroep inzake de beschikking belastingrente in zoverre ongegrond te worden verklaard.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.