Op 6 januari 2010 is verweerder een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2004 tot en met 2007, alsmede een onderzoek voor de omzetbelasting. Op 16 maart 2010 is daarvan een rapport opgemaakt waarin – voor zover van belang – het volgende is opgemerkt:
“Verkoop in 2008 van [L] BV
In [L] BV bevinden zich de panden [A-straat 1] te [Q].
Ultimo 2007 maakte de vennootschap deel uit van de fiscale eenheid. In 2008 is de vennootschap met
hierin de panden verkocht.
Op 15 mei 2008 worden de aandelen van de BV verkocht voor een bedrag van € 848.433.
Bij het bepalen van de overnameprijs van de aandelen is uitgegaan van een waarde van de panden van
€ 7.500.000. Hierop zijn vervolgens o.a. een latentie vennootschapsbelasting en de schulden in mindering
gebracht.
In 2008 heeft [K] BV terzake van de verkoop een honorarium betaald aan [N]
van € 113.605 + € 21.585 omzetbelasting. Het bedrag van € 113.605 betreft o.a. 1,5% van € 7.500.000 =
€ 112.500; het restant betreft overige terzake van de verkoop gemaakte kosten.
De omzetbelasting van € 21.585 is als voorbelasting in aftrek gebracht.
Volgens de ontvangen concept-aangifte over 2008 wordt het bedrag van € 113.605 als kosten in aftrek
gebracht.
Aangezien niet het pand is verkocht maar de vennootschap, neemt de fiscus het standpunt in dat met
betrekking tot de gemaakte kosten sprake is van verkoopkosten van een deelneming. Deze kosten zijn dan
niet aftrekbaar maar komen in mindering op het bedrag dat onder de deelnemingsvrijstelling wordt gebracht
(netto vrijstelling). (…)”