2 De feiten
2.1.
O1 International is een Nederlands bedrijf dat op 24 oktober 2017 is opgericht en op 26 oktober 2017 is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. O1 International heeft volgens haar oprichtingsakte ten doel: de handel, import en export van machines en materiaal voor de wegenbouw, water en groene energie en de olie industrie, alsmede alle wat met het bovenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, in de ruimste zin des woords.
2.2.
Het Iraanse bedrijf Oil Industries Engineering and Construction (hierna: “OIEC”) is enig aandeelhouder van O1 International, via de holding O-One International Holding B.V. De heer [bestuurder] is ingeschreven als bestuurder van O1 International.
2.3.
Omroepvereniging BNNVARA is een publieke omroep die onder meer het tv-programma Zembla uitzendt. Zembla is een actualiteitenprogramma dat gebruik maakt van onderzoeksjournalistiek.
2.4.
Op 16 maart 2023 heeft Zembla op televisie de aflevering “Sluiproute Iran” uitgezonden (hierna: ‘de uitzending’). Op de website van Zembla wordt de uitzending als volgt aangekondigd:
“Al maanden is Iran het toneel van heftige protesten. Burgers gaan met gevaar voor eigen leven de straat op omdat ze niet langer willen leven onder het juk van de ayatollahs. Het regime reageert met keiharde repressie. Honderden demonstranten zijn al doodgeschoten, vele anderen verdwenen in de gevangenis. Ze lopen het risico gemarteld te worden of geëxecuteerd.
Al jaren probeert het Westen Iran te isoleren met strenge handelssancties. Maar die lijken weinig effect te hebben op de mensenrechtensituatie in het land. Het bewind zit nog altijd in het zadel en heeft manieren gevonden om sancties te ontduiken en zo toch aan geld te komen. Daarmee wordt onder meer de Revolutionaire Garde gefinancierd, de ‘bewakers van de Islamitische revolutie’, die betrokken is bij het neerslaan van de protesten. Hoe zien deze verborgen geldstromen eruit?
Zembla onderzoekt het internationale netwerk van Iraanse sanctieontduiking.”
2.5.
In de eerste minuten van de uitzending wordt het volgende beeld geschetst: Burgers in Iran gaan met gevaar voor eigen leven de straat op omdat ze protesteren tegen de verstikkende regels van de ayatollahs. Het regime reageert met keiharde repressie. Er wordt geschoten op demonstranten. Demonstranten krijgen de doodstraf, waarbij een ophanging aan een hijskraan wordt getoond. Wereldwijd klinken scherpe veroordelingen. Ook wordt aandacht besteed aan de rol van de Iraanse Revolutionaire Garde (hierna: “de Revolutionaire Garde”, die inmiddels is uitgegroeid tot een leger van bijna 200.000 man, met eigen veiligheidsdiensten, en die de motor is achter het raket- en droneprogramma van Iran. In dat kader komt ook [de voormalige CIA-specialist] aan het woord (hierna: “ [de voormalige CIA-specialist] ”), voormalig analist bij de CIA en (later) onderzoeker voor het Amerikaanse congres, die in de Verenigde Staten als een van de belangrijkste kenners van de Revolutionaire Garde geldt.
2.6.
De uitzending gaat hierna in op de sancties die door de Verenigde Staten zijn opgelegd aan Iran, waardoor vrijwel alle handel met Iran is verboden. Hierbij wordt al benoemd dat Zembla in contact is gekomen met een anonieme bron die zegt dat de Iraanse ambassade in Den Haag zou samenwerken met Nederlandse bedrijven om de sancties te ontduiken. Voordat de uitzending daarop verder ingaat, komt eerst [santierecht-advocaat] (hierna: “ [santierecht-advocaat] ”) aan het woord, een Nederlandse advocaat die is gespecialiseerd in Europese sanctieregels. Hij licht toe dat er twee verschillende categorieën Europese sancties zijn: sancties ten aanzien van het nucleaire programma van Iran en sancties ten aanzien van de mensenrechtenschendingen. Vervolgens komt aan de orde dat een deel van de sancties in 2016 is opgeheven en dat toen handelsmissies naar Iran werden gestuurd, ook door Nederland, omdat men graag zaken wilde doen met Iran. Hiernaar gevraagd, verklaart [santierecht-advocaat] daar in de uitzending het volgende over:
(11:38) Voice-over Zembla: ‘Voor die handel geldt nog altijd een belangrijke beperking, vertelt [santierecht-advocaat] . Zaken doen met de Revolutionaire Garde valt nog steeds onder de sancties'.’
(11:51) [santierecht-advocaat] : ‘Dat betekent primair dat je geen zaken mag doen met de Revolutionaire Garde. Maar ook niet met een partij die in eigendom is of onder zeggenschap staat van de Revolutionaire Garde.’
(12:01) Voice-over Zembla: 'Nederlandse bedrijven moeten zelf onderzoeken of hun Iraanse klanten banden hebben met de Garde. Daarvoor kunnen ze de sanctielijst raadplegen. Staat het Iraanse bedrijf daarop, dan mag er geen handel worden gedreven.’
(12:15) [santierecht-advocaat] : ‘Ja dan is het strafbaar, absoluut.’
(12:17) Voice-over Zembla: 'Maar dat is niet het enige. Want Iraanse bedrijven die niet op de lijst staan, kunnen toch geld doorsluizen naar de Garde. En ook dan is zakendoen strafbaar.'
(12:30) Interviewer: ‘Maar misschien weten bedrijven dat niet?’
[santierecht-advocaat] : ‘Nee, maar als dat vastgesteld zou worden, dus stel, het Openbaar Ministerie vindt dat uit en ziet dat dat een overtreding oplevert van de sanctiewet, ja dan is het een strafbaar feit.'
Interviewer: ‘Want welke straffen staan daarop?’
[santierecht-advocaat] : ‘Er staat 6 jaar gevangenisstraf op, en voor bedrijven 900.000 euro boete.’
2.7.
Hierna gaat Zembla in de uitzending nader in op de eerder al genoemde ontvangen tip van een anonieme bron. Volgens Zembla heeft deze bron verteld dat de Iraanse ambassade in Den Haag samenwerkt met een Iraans handelscentrum op een industrieterrein in Leiderdorp, om sancties te ontduiken. De uitzending zoomt nader in op dit handelscentrum en haar directeur, en laat een bezoek van een verslaggever van Zembla aan het handelscentrum in Leiderdorp zien, waarbij de directeur in een interview met de verslaggever ontkent betrokken te zijn bij het ontduiken van sancties. Na dit interview schakelt de uitzending, vanaf minuut 17:09, over op het volgende fragment:
(17:09) Voice-over Zembla: 'Maar volgens onze bron, zouden er via Leiderdorp wel degelijk sancties zijn overtreden. Dat zou te maken hebben met Iraanse Oliebedrijven. Juist bij die bedrijven heeft de Revolutionaire Garde een stevige vinger in de pap, zegt advocaat [santierecht-advocaat] .’
(17:26) Interviewer: 'Die aanwijzingen zijn sterk, zegt u?'
[santierecht-advocaat] : 'Die zijn er, ja, ja, ja, zeker. Ze bepalen ook voor een groot deel wat er gebeurd bij overheidsbedrijven. En dan met name waar de belangrijke inkomsten van Iran binnenkomen, dus vooral de olie- en gasindustrie.'
(17:41) [de voormalige CIA-specialist] : 'It does get involved with smuggling extra oil, and oil-parts and infrastructure, port operations, you know it does it does get involved with the oil industry and to other sects with other government and particularly to avoid sanctions it does get involved.'
(18:05) Voice-over Zembla: ‘Maar hoe worden die sancties ontdoken? Wie sluiten de oliedeals waarmee de Garde wordt gefinancierd? We spreken met iemand die zeer goed de weg weet in de oliehandel.'
(18:30) Voice-over Zembla: [de veiligheidsexpert] (hierna: “ [de veiligheidsexpert] ”, toev. rechtbank) is veiligheidsexpert en werkt al dertig jaar voor grote oliebedrijven in het Midden-Oosten. Hij is vaak bij oliedeals betrokken.'
(18:42) [de veiligheidsexpert] : 'Er zijn officiële handelaren die proberen om via bekende netwerken te kijken of dat ze Iraanse olie kunnen afzetten"
Interviewer: 'Dat gaat om sanctieontduiking.’
[de veiligheidsexpert] :'Ja, ja.'
(19:53) Voice-over Zembla: 'Maar schimmige oliedeals zijn niet de enige manier waarop Iran sancties ontduikt horen we. Teheran is ook voortdurend op zoek naar onderdelen voor de olie industrie.
(20:05) [de voormalige CIA-specialist] : ‘They need to keep the refineries active and intact and so they need a lot of maintenance and so Teheran knows what here is what we need go look for and see who can sell. Who, how can we buy equipment’s.’
(20:23) Voice-over Zembla: 'Dat is precies wat we ook te horen krijgen over Leiderdorp. Ook daar zou het gaan om een sluiproute om onderdelen voor Iraanse oliebedrijven te kopen. Maar de eigenaar van het centrum ontkent daar iets mee te maken te hebben.'
2.8.
Hierna laat de uitzending beelden zien van een internationale olie- en gasbeurs die in 2017 in de RAI in Amsterdam is gehouden, waarbij ook het handelscentrum uit Leiderdorp aanwezig was. Vervolgens is in de uitzending het volgende fragment te zien:
(23:14) Voice-over Zembla: 'Dan gebeurt er iets opvallends. Twee weken na de oliebeurs wordt op het adres in Leiderdorp een nieuw bedrijf opgericht, 01 International B.V. Ons onderzoek levert een aantal opmerkelijke zaken op. O1 is actief in de olie- en gasindustrie. Een van de Iraanse Bestuurders wordt in 2018 staatssecretaris van Oliezaken.'
(23:39) [de veiligheidsexpert] : 'Dat daar dus een directe aansturing is vanuit Teheran, ja, dat is een rode vlag’
(23:45) Voice-Over Zembla: 'De staatssecretaris wordt in 2020 op de Amerikaanse sanctielijst gezet wegens financiering van de Revolutionaire Garde. (…)’
2.9.
Vervolgens gaat de uitzending, vanaf minuut 25:10, nader in op de relatie tussen O1 International, haar moederbedrijf OIEC en het Iraanse Staatsoliebedrijf National Iranian Oil Company (hierna: “NIOC”). In de uitzending is hierover het volgende te zien:
(25:10) Voice-over Zembla: 'In Nederland heeft de BV maar een paar Iraanse werknemers. Het echte kantoor zit in Teheran, O1 is namelijk de internationale tak van een groot Iraans Concern, OIEC. Dat legt pijpleidingen en boorstations aan de olie-industrie.’
(25:31) Interviewer: ‘We stuiten ook op het bedrijf OIEC. Zegt dat u iets?’
[santierecht-advocaat] : ‘Ja, zeker ja'
Interviewer: ‘Dat kent u?
[santierecht-advocaat] : ‘Ja, we hebben daar meermaals mee te maken gehad. Dus Nederlandse bedrijven die zaken wilden doen, direct of indirect, met OIEC.'
(25:42) [de veiligheidsexpert] : ‘Er zijn voldoende links te leggen tussen OIEC en de partijen waar de IRGC in zit.’
Interviewer: ‘De Revolutionaire Garde.’
[de veiligheidsexpert] : ‘Ja.’
(25:56) Voice-over Zembla: ‘OIEC is op zijn beurt eigendom van het grote staatsoliebedrijf van Iran, de NIOC. Ook dat laat alarmbellen rinkelen.’
(26:07) [santierecht-advocaat] : ‘Het is in de markt bekend dat de NIOC gelieerd is aan de Revolutionaire Garde, zeker.’
(26:13) Voice-over Zembla: ‘Uit onderzoek van de Amerikaanse overheid blijkt dat het bedrijf nauw samenwerkt
met de Revolutionaire Garde, Bijvoorbeeld door voor honderden miljoenen aan olie door te sluizen.’
(26:28) [santierecht-advocaat] : ‘Dan moet je NIOC dus ook behandelen als een gesanctioneerde partij.’
Interviewer: ‘En ook alle bedrijven die eigendom zijn van NIOC.’
[santierecht-advocaat] : ‘Ja, of onder zeggenschap staan van NIOC, ja.’
(26.38) Voice-over: “Dat geldt dus ook voor O1 International, de BV die werd opgericht in Leiderdorp. Zakendoen met 01 zou ten goede kunnen komen aan de Revolutionaire Garde en daarmee bijdragen aan de brute repressie van de Iraanse bevolking.
(26:54) Journalist Zembla: ‘Is het dan strafbaar?’
[santierecht-advocaat] : ‘Ja, dan is het strafbaar, absoluut. En dat is het gewoon een overtreding van de wet op economische delicten, wat leidt tot gevangenisstraf en hele hoge boetes.’
2.10.
Direct hierna volgt opnieuw een fragment van het interview dat de verslaggever van Zembla in Leiderdorp heeft gehad met de directeur van het handelscentrum. Hierin zegt de interviewer van Zembla tegen de directeur: ‘The parent company of O1 International BV is an affiliate of the Revolutionary Guard.’ De directeur ontkent dat en belt met zijn echtgenote, die als jurist heeft geholpen bij het oprichten van O1 International, waarbij hij de telefoon op de speaker zet. Vervolgens volgt het volgende gesprek:
(27:40) Interviewer: ‘O1 lijkt betrokken te zijn bij het ontduiken van sancties. En nu is de vraag. Wat was uw rol bij 01 International BV?’
Echtgenote: ‘Nou die sancties waren opgeheven op het moment dat het bedrijf werd opgericht.’
Interviewer: ‘Alle sancties die gericht waren op de Revolutionaire Garde zijn altijd van kracht gebleven. Specifiek.’
Echtgenote: ‘Niet tegen de oliebedrijven, want ik heb alles gezocht om te kijken, op het moment dat deze BV werd opgericht of zij nog steeds onder de sancties staan en zij stonden onder sancties.’
(28:27) Voice-over Zembla: ‘Maar volgens Advocaat [santierecht-advocaat] had het handelscentrum in Leiderdorp grondiger onderzoek moeten doen.’
(28.33) [santierecht-advocaat] : ‘Juist vanwege die Revolutionaire Garde, ze staan zelf niet op de sanctielijst maar ik weet wel dat er heel veel aanwijzingen zijn dat de NIOC door de Revolutionaire Garde wordt aangestuurd en dat je dus die banden moet aannemen, ja.'
2.11.
Nadat de uitzending vervolgens eerst kort ingaat op de rol van de Nederlandse politiek en het Openbaar Ministerie ten aanzien van Iran, laat de uitzending een fragment zien waarbij de verslaggever van Zembla het (verhuisde) kantoor van O1 International in Den Haag bezoekt. Te zien is dat de aanwezige manager aan de verslaggever te kennen geeft dat hij geen vragen kan beantwoorden en doorverwijst naar het algemeen bestuur van OIEC/O1 International. Hierna gaat de uitzending nader in op de vraag waar O1 International haar inkomsten vandaan haalt. In dat kader benoemt Zembla dat zij op een vonnis in een Britse rechtszaak is gestuit, waaruit zou volgen dat O1 International geld betaald heeft gekregen voor de levering van olie. Hierbij laat Zembla heel kort gearceerde passages uit het vonnis zien, waaruit dit zou blijken. In de uitzending wordt hier het volgende over gezegd:
(31:30) Voice-over Zembla: ‘De manager van O1 wil niet verder met ons praten en dreigt de politie te bellen. We moeten een e-mail sturen, zegt hij. Na ons bezoek sturen we O1 International per mail al onze vragen over de activiteiten van het bedrijf. We willen graag weten hoe O1 aan geld komt. Doordat banken geen transacties met Iran uitvoeren is het bijna onmogelijk om geld van Iran naar Nederland te sturen en andersom. Toch had de BV in 2020 170 miljoen euro op de balans staan.
(32:05) [de voormalige CIA-specialist] : ‘Could be evasion of cut outs to use the banking system and avoid sanctions on banking, Certainly there is a lot of that.’
(32:13) Voice-over Zembla: ‘Hoe O1 precies wordt gefinancierd blijft een raadsel. Totdat we op een Britse rechtszaak stuiten. Die gaat over een schimmige oliedeal waarin ook O1 International opduikt. We lezen dat 01 miljoenen krijgt betaald voor de levering van olie uit een gesanctioneerd land.’
(32:39) [santierecht-advocaat] : ‘Dat bevestigt wel mijn beeld. Door in olie te handelen komen er significante inkomsten binnen. En die kunnen worden gebruikt voor het doen van uitgaven ten behoeve van de infrastructuur van Iran en dan bedoel ik de infrastructuur voor de olie- en gasindustrie.’
2.12.
Hierna is een fragment te zien waarin de verslaggever van Zembla belt met OIEC en het Iraanse Ministerie van Olie. In beide gevallen komt het antwoord erop neer dat zowel OIEC als het Ministerie geen informatie heeft over sanctieontduiking via OIEC of over het bestaan van financiële banden tussen OIEC en de Revolutionaire Garde. Vervolgens vermeldt Zembla dat de naam van O1 International wel terugkomt in jaarverslagen en contracten en dat Zembla erachter is gekomen dat OIEC via Nederland onderdelen koopt voor de olie- en gasinstallaties die het bedrijf bouwt in Iran. Zembla zoomt daarbij ter illustratie in op de inkoop van onderdelen door OIEC bij een in Zeeland gevestigd bedrijf.
2.13.
Aan het eind van de uitzending wordt nog ingegaan op de door de politiek en het OM genomen maatregelen om financiering van de Revolutionaire Garde te blokkeren. Daarbij komt ook ter sprake dat OIEC in 2016 niet op de sanctielijst stond en volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken met OIEC dus zaken konden worden gedaan. Zembla laat [santierecht-advocaat] hierover aan het woord, die daar het volgende over zegt:
(37:15) [santierecht-advocaat] : ‘Toen kregen wij te horen: OIEC staat zelf niet op de sanctielijst, dus je kunt daar zaken mee doen. Dat vonden wij toen een hele opmerkelijke analyse en dat was niet de analyse die wij zelf zouden maken, maar met...’
Interviewer: ‘Waarom zegt Buitenlandse Zaken dan zoiets, denkt u?’
[santierecht-advocaat] : ‘Nou, we zagen in die tijd dat de tendens heel erg was dat we zaken wilden doen met Iran omdat de atoomdeal met Iran op dat moment vorm kreeg en de grenzen open gingen. Dat was onderdeel van de deal. Tegen die achtergrond heeft men gedacht waarschijnlijk: Dan moet je OIEC gewoon als niet gesanctioneerd kunnen beschouwen.
Interviewer: ‘Was op dat moment dat staatsoliebedrijf ook al onder invloed van de Revolutionaire Garde?’
[santierecht-advocaat] : ‘Ja, zeker, ja dat was toen ook al bekend. Ja hoor. Daar is daar is niks in veranderd, nee.’
2.14.
Zembla heeft voorafgaand aan de uitzending (na het bezoek op het kantoor van O1 International) een e-mail met een elf vragen aan O1 International gestuurd. Dit gebeurde op 15 februari 2023, met het verzoek om uiterlijk op 22 februari 2023 op de vragen te reageren. De door Zembla aan O1 International gestelde vragen hielden onder meer het volgende in:
“(…)
* UK court documents [1]show that O1 International was in 2020 involved in an oil deal. O1 International is named in the court documents as a counterparty, that had to provide funds to pay an outstanding debt. This because oil was never delivered. According to statements made during the court proceedings, the oil came from 'a sanctioned country'’. What was the role of O1 International in this deal? ls it correct that this deal was about the sale of Iranian oil?
(…)
* O1 International is a subsidiary of the Iranian Oil company OIEC. OIEC is owned (majority share) by the Iranian state oil company NIOC.
Experts, non-governmental organizations and the US government have concluded that NIOC is intertwined with the Islamic Revolutionary Guard Corps (IRGC). According to these sources NIOC finances the IRGC, NIOC personnel has been closely collaborating with the IRGC and NIOC has had business dealings with companies owned by the IRGC. What is your response to this?
* Experts we spoke to state that sanctions are evaded through O1 International. These are US sanctions and potentially also European sanctions relating Iran. O1 International is said to have been set up to circumvent sanctions. What is your response to this?
(…)”
2.15.
Op 9 maart 2023 heeft de advocaat van O1 International aan Zembla gemeld dat hij eerst nog een eigen dossieronderzoek moet verrichten voordat hij Zembla van antwoord kan voorzien, maar dat Zembla op korte termijn een inhoudelijke reactie zal ontvangen. Zembla heeft O1 International daarna tot uiterlijk 10 maart 2023 de tijd gegeven om antwoord te geven op haar vragen. Nadat Zembla niets meer van (de advocaat van) O1 International heeft gehoord, ook niet na een herinneringsmail op 13 maart 2023, is Zembla op 16 maart 2023 tot uitzending overgegaan.
2.16.
Bij brief van 28 maart 2023 heeft de advocaat van O1 International Zembla gesommeerd om de uitzending niet te herhalen en van het internet te verwijderen, omdat de in de uitzending jegens O1 International geuite beschuldigingen ongefundeerd zijn en niet door feiten worden ondersteund. In de brief schrijft de advocaat van O1 International onder meer dat niet NIOC, maar een pensioenfonds de grootaandeelhouder van OIEC is. Ook wordt betwist dat O1 International handelt in olie of betrokken is bij een procedure in Engeland.
2.17.
Zembla heeft bij brief van 30 maart 2023 de door O1 International gemaakte verwijten van de hand gewezen. Wel heeft Zembla bevestigd af te zien van de geplande herhaling van de uitzending, in afwachting van de uitspraak in een kort geding procedure, waarin de directeur van het handelscentrum en zijn echtgenote een publicatieverbod hadden gevorderd. De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft die vordering bij vonnis van 14 april 2023 afgewezen.
2.18.
Op 30 mei 2023 heeft Zembla een podcast over de uitzending gepubliceerd getiteld “31 – Schimmige constructies via een Nederlandse meubelwinkel: de ontmaskering van een Iraans netwerk (S08)” (hierna: “de podcast”). De tekst onder de podcast luidt als volgt:
"Een goed ingevoerde bron tipt Zembla over illegale activiteiten van Iraanse staatsoliebedrijven. Die zouden via Nederland sancties ontduiken, met de opbrengsten daarvan zouden ernstige mensenrechtenschendingen door het regime in Teheran worden gefinancierd.
Journalisten [journalist 2] en [journalist 1] onderzochten illegale geldstromen en schimmige constructies waarin een Iraans handelscentrum annex meubelwinkel uit Leiderdorp een sleutelrol speelde. In de podcast vertellen de journalisten over de geheime afspraak met de tipgever, de ontrafeling van het netwerk en de confrontatie met de eigenaar van de meubelwinkel.”
2.19.
In de podcast zelf zijn onder meer de volgende fragmenten te horen:
(11:40) [journalist 2] : ‘En O1 International is eigendom van het Iraanse bedrijf OIEC. OIEC is op haar beurt weer eigendom van het Iraanse staats oliebedrijf NIOC. Van NIOC is algemeen bekend dat dat bedrijf heel nauwe banden onderhoudt met de Garde.’
(13:15) Voice-over Zembla: ‘En zo hebben [journalist 2] en [journalist 1] de verdachte constructie ontrafeld. Ze krijgen hiermee hard dat Iraanse bedrijven via Nederland sancties ontduiken en een handelscentrum annex meubelzaak in Leiderdorp daar een sleutelrol in speelde.’
(18:50) [journalist 1] (fragment uit de uitzending): ‘O1 lijkt betrokken te zijn bij het ontduiken van sancties.’
(21:13) [journalist 1] (fragment uit de Uitzending): ‘O1 International as we learned is involved in Iranian oil industry.’
2.20.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 19 november 2024
(ECLI:NL:GHARL:2024:7015) in het hoger beroep van het kort geding tussen de directeur van het handelscentrum en zijn echtgenote enerzijds en Zembla anderzijds, de vorderingen van eerstgenoemden alsnog toegewezen, en bevolen dat Zembla de uitzending van het internet moet verwijderen en verwijderd moet houden, wat Zembla vervolgens heeft gedaan.
4 De beoordeling
De standpunten van partijen
4.1.
O1 International stelt dat Zembla in de uitzending en de daarmee samenhangende publicaties beschuldigingen aan het adres van O1 International heeft geuit, die ongefundeerd zijn en geen steun vinden in de feiten. Zo wordt in de uitzending volgens O1 International zonder deugdelijke feitelijke basis de conclusie getrokken dat O1 International sancties zou ontduiken en dat enkel zaken doen met O1 International gelijk staat aan sancties ontduiken. O1 International stelt dat Zembla met de publicaties op onrechtmatige wijze de reputatie van O1 International heeft geschonden.
4.2.
Zembla betwist dat sprake is van een onrechtmatige publicatie. Volgens Zembla vinden de in de publicaties gedane uitlatingen voldoende steun in het feitenmateriaal en is aan de uitzending een voldoende uitgebreid en zorgvuldig (feiten)onderzoek vooraf gegaan, waarbij ook voldoende ruimte is gegeven voor wederhoor. De publicaties betreffen een onderwerp van maatschappelijk belang (sanctieontduiking) en van lichtvaardige verdachtmakingen is geen sprake, aldus Zembla.
4.3.
De vraag die moet worden beantwoord is of de uitlatingen in Zembla’s publicaties onrechtmatig zijn jegens O1 International in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In deze zaak is sprake van twee botsende rechten: het recht op de vrijheid van meningsuiting van Zembla en het recht op bescherming van de reputatie van O1 International. Het eerste recht wordt beschermd door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat betrekking heeft op de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken. Het recht op bescherming van de reputatie, ook van commerciële ondernemingen, valt onder het recht op privacy van artikel 8 EVRM.1 Het is niet zo dat een van de twee rechten in het algemeen zwaarder weegt dan het andere. De vraag aan welke van beide rechten in een concreet geval meer gewicht toekomt (en dus of al dan niet sprake is van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW), moet worden gevonden door een afweging van de omstandigheden van het geval.2
4.4.
In uitspraken van het EHRM en van de Hoge Raad zijn voor deze afweging gezichtspunten ontwikkeld. In dit geval acht de rechtbank in ieder geval de volgende algemene omstandigheden (gezichtspunten) van belang:
-
de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;
-
de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;
-
de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
-
e inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a) tot en met c) bedoelde factoren;
-
de omvang van het publiek dat met de uitlatingen wordt bereikt (het gaat hier om een televisie-uitzending en een podcast, die ook online zijn te raadplegen);
-
het gezag dat derden zullen toekennen aan een journalistiek programma als Zembla;
-
de persoon over wie de uitlatingen gaan (grote commerciële ondernemingen hebben in het algemeen meer kritisch commentaar op hun handelen te dulden dan natuurlijke personen).3
4.5.
De rechtbank neemt ook in ogenschouw dat het hier gaat om uitlatingen van de pers (Zembla). In het kader van de vrijheid van meningsuiting komt aan de pers bijzondere betekenis toe. De pers heeft een belangrijke maatschappelijke functie, met name als publieke waakhond die zaken blootlegt, en kan voorzien in het recht van het publiek om (kritische) informatie te ontvangen. Wat betreft de wijze waarop de pers daarbij te werk gaat geldt de journalistieke vrijheid als belangrijk uitgangspunt. Dat betekent onder meer dat niet alleen een objectieve en ingetogen wijze van verslaglegging wordt beschermd, maar dat ook een bepaalde mate van overdrijving of zelfs provocatie is toegestaan. Daarbij dient echter wel de journalistieke zorgvuldigheid in acht te worden genomen: journalisten moeten voor een accurate en betrouwbare berichtgeving zorgen, in het bijzonder wanneer beschuldigingen worden geuit, met in achtneming van de journalistieke ethiek.4 Bij de te maken afweging dient dus ook te worden gekeken naar de totstandkoming van de publicaties en (de zorgvuldigheid van) de wijze waarop Zembla hierbij te werk is gegaan.
De kern van de uitzending en het maatschappelijke belang daarvan
4.6.
O1 International stelt in de dagvaarding dat Zembla onrechtmatig handelt door het uiten van een drietal ernstige en volgens O1 International ongefundeerde beschuldigingen, te weten:
-
de beschuldiging dat O1 International een geheim vehikel van de Revolutionaire Garde is;
-
de beschuldiging dat O1 International sanctiewetgeving zou overtreden door in het geheim geld te verdienen ten behoeve van de Revolutionaire Garde;
-
de beschuldiging dat O1 International strafbaar handelt door sanctieontduiking en dat ook alle relaties van O1 International strafbaar handelen.
Een kernstelling van O1 International is dat de genoemde beschuldigingen onrechtmatig zijn, omdat deze zijn gebaseerd op een aantal feitelijke missers (door O1 International in de dagvaarding drie ‘centrale fouten’ genoemd). Het gaat dan om de conclusie van Zembla dat:
-
O1 International eigendom zou zijn van het Iraanse staatsoliebedrijf NIOC;
-
O1 International in olie handelt en dat zou blijken uit een Engels vonnis;
-
een bestuurder van O1 International op de sanctielijst zou staan.
4.7.
Zembla voert aan dat de door O1 International omschreven beschuldigingen niet in de uitzending zitten althans niet (precies) in die woorden zijn gezegd. Evenmin is volgens Zembla sprake van feitelijke missers. Voor zover in de uitzending een bepaalde indruk over het handelen van O1 International ontstaat, dan is dat het gevolg van uitlatingen die voldoende steun vinden in de feiten, aldus Zembla.
4.8.
De rechtbank zal hierna meer specifiek op door Zembla gedane uitlatingen in de uitzending en de daarvoor gepresenteerde feitelijke basis ingaan. Hierbij wordt vooropgesteld dat de uitlatingen niet op zichzelf staan, maar deel uitmaken van een televisie-uitzending waarmee Zembla een bepaalde, volgens haar belangrijke kwestie van publiek belang aan de orde heeft willen stellen. De kern van de uitzending komt naar het oordeel van de rechtbank op het volgende neer.
4.9.
De uitzending van Zembla moet worden geplaatst tegen de achtergrond van de mensenrechtenschendingen in Iran, de rol die de Revolutionaire Garde daarbij heeft en de (mede) daarom aan de Revolutionaire opgelegde (bancaire) sancties, die beogen te voorkomen dat het Iraanse regime - primair via de olie-industrie - inkomsten verkrijgt. De uitzending brengt onder de aandacht dat door het Iraanse regime de sancties probeert te ontduiken door buitenlandse dochterondernemingen op te richten, waardoor vervolgens via die dochterondernemingen financiële en andere middelen (zoals machines en onderdelen die Iraanse oliebedrijven nodig hebben) worden doorgesluisd naar de oliebedrijven die gelieerd zijn aan de Revolutionaire Garde.
4.10.
Volgens Zembla wordt in de uitzending onthuld hoe Iran ook sancties ontduikt in Nederland en hoe de Nederlandse overheid daaraan heeft bijgedragen door haar eigen wetgeving niet effectief te handhaven. Hierbij is van belang om inzichtelijk te maken hoe de Iraanse bedrijven die zijn opgericht om sancties te ontduiken zich hebben kunnen vestigen in Nederland en wat hun rol is bij het ontduiken van de sancties. Dat heeft Zembla gedaan aan de hand van de casus van O1 International, aldus Zembla.
4.11.
Als het aankomt op de rol van O1 International, komt naar het oordeel van de rechtbank uit de uitzending het volgende beeld naar voren. Volgens Zembla lijkt O1 International te zijn opgericht om de aan het Iraanse regime opgelegde sancties te ontduiken. Er bestaan namelijk banden tussen het moederbedrijf van O1 International (OIEC) en het Iraanse staatsoliebedrijf (NIOC), dat op haar beurt onder zeggenschap staat van de Revolutionaire Garde. Via O1 International kunnen middelen (zoals onderdelen voor de olie-industrie) worden doorgesluisd naar NIOC, waarmee de Revolutionaire Garde dan wordt ondersteund. De Revolutionaire Garde is altijd als gesanctioneerde partij blijven gelden, ook na de gedeeltelijke opheffing van de sancties in 2016. Volgens deskundigen moeten gezien de banden tussen NIOC en de Revolutionaire Garde niet alleen NIOC, maar ook alle partijen die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van NIOC worden behandeld als gesanctioneerde partij. Dat geldt gezien de banden tussen NIOC en OIEC dus ook voor OIEC en haar dochterbedrijf O1 International, ook al stond OIEC in 2016 zelf niet meer op de sanctielijst. Zaken doen met O1 International zou ten goede kunnen komen aan de Revolutionaire Garde. Dat kan dan door het Openbaar Ministerie als een strafbare overtreding van de sanctiewetgeving worden gezien, waarop gevangenisstraffen en hoge boetes staan, aldus het door Zembla geschetste beeld in de uitzending.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat de kwestie die Zembla met de uitzending onder de aandacht wil brengen - sanctie-ontduiking door het Iraanse regime - een onderwerp van maatschappelijk belang is, dat in de belangstelling staat van het publiek en de politiek. Dat betekent dat er op grond van de uitingsvrijheid voor Zembla veel ruimte moet zijn om dit onderwerp aan de orde te stellen.
Voldoende steun in de feiten (gezichtspunt c), de verbanden tussen O1 International, OIEC, NIOC en de Revolutionaire Garde (“centrale fout 1”)
4.13.
Hoewel Zembla op zichzelf terecht opmerkt dat in de uitzending niet door Zembla met zoveel woorden wordt gezegd dat O1 International zich schuldig maakt aan overtreding van de sanctiewet en dat ook niet wordt gezegd dat O1 International ‘een geheim vehikel van de Revolutionaire Garde is’, brengt Zembla O1 International in de uitzending wel duidelijk in verband met sanctieontduiking en legt Zembla in de uitzending ook duidelijke connecties tussen O1 International en partijen in Iran die nauw samenwerken met de Revolutionaire Garde. Immers, in de uitzending en de podcast zegt Zembla onder meer:
“Maar volgens onze bron, zouden er via Leiderdorp wel degelijk sancties zijn overtreden, Dat zou te maken hebben met Iraanse Oliebedrijven.” (minuut 17:09 uitzending),
“O1 lijkt betrokken te zijn bij het ontduiken van sancties” (minuut 27:40 uitzending)”
“En zo hebben [journalist 2] en [journalist 1] de verdachte constructie ontrafeld. Ze krijgen hiermee hard dat Iraanse bedrijven via Nederland sancties ontduiken” (minuut 13:15 podcast),
“The parent company of O1 International BV is an affiliate of the Revolutionary Guard” (minuut 27:06 uitzending).
4.14.
Ter discussie staat of deze uitlatingen van Zembla voldoende feitelijke basis hebben. Zembla heeft allereerst aangevoerd dat het klopt - zoals in de uitzending wordt gezegd - dat een bron aan Zembla heeft verklaard dat via de Iraanse ambassade en bedrijven in Leiderdorp sancties zijn overtreden. Zembla heeft de achtergrond van deze bron zorgvuldig geverifieerd en alle details en informatie die door de bron werden verstrekt bleken te kloppen. De bron had directe kennis van het handelen van de Iraanse ambassade en heeft voor het bezit van die informatie een geloofwaardige verklaring gegeven, aldus Zembla.
4.15.
Volgens Zembla is bij onderzoek nader feitenmateriaal naar boven gekomen dat de verklaring van de bron ondersteunt. Naar de rechtbank begrijpt, gaat het dan in de eerste plaats om de door Zembla gevonden banden tussen O1 International, OIEC, NIOC en de Revolutionaire Garde. Zoals al is overwogen, stelt O1 International dat Zembla ten onrechte en op basis van een te mager feitenonderzoek de conclusie trekt dat OIEC en O1 International iets met NIOC en de Revolutionaire Garde te maken hebben. O1 International voert daartoe aan dat Zembla eenvoudig uit openbare informatie had kunnen en moeten constateren dat O1 International en OIEC in werkelijkheid onderdeel zijn van een privaat pensioenfonds. Daarnaast worden de aandelen van OIEC verhandeld op de beurs en is het op grond van de Iraanse mededingingsregels niet toegestaan dat een staatsbedrijf als NIOC aandelen in een beursgenoteerd bedrijf koopt, aldus O1 International. O1 International heeft Zembla op deze beide omstandigheden gewezen in haar sommatiebrief van 28 maart 2023, die na de uitzending (op 16 maart 2023) is gestuurd maar vóór de podcast, die op 30 mei 2023 is gepubliceerd.
4.16.
Uit het tussen partijen gevoerde debat blijkt dat tussen hen niet ter discussie staat dat er een voldoende stevige feitelijke basis is voor de in de uitzending getrokken conclusie dat het Iraanse staatsoliebedrijf NIOC onder zeggenschap staat van de Revolutionaire Garde en dat NIOC nauw met de Revolutionaire Garde samenwerkt. O1 International vecht die conclusie niet (gemotiveerd) aan. Het geschil richt zich op de door Zembla ingenomen stelling dat het moederbedrijf van O1 International (OIEC) op haar beurt eigendom zou zijn van NIOC, althans onder de zeggenschap zou vallen van NIOC.
4.17.
Vooropgesteld wordt, dat de te beantwoorden vraag niet is of de door Zembla gestelde banden tussen OIEC en NIOC onomstotelijk vaststaan. Waar het om gaat is of die gestelde banden voldoende steun vinden in de feiten waarover Zembla ten tijde van de publicatie kon beschikken. Daarbij geldt dat ook later gebleken feiten die de juistheid van het gepubliceerde ondersteunen, alsnog - achteraf - een rechtvaardiging voor de publicatie kunnen vormen, ook al was de feitelijke basis aanvankelijk te mager. Andersom maken later gebleken feiten, die de juistheid van het gepubliceerde weerspreken, die publicatie niet achteraf onrechtmatig, wanneer de ten tijde van de publicatie beschikbare feiten die publicatie op dat moment wel rechtvaardigden.5
4.18.
Bij de beoordeling is van belang dat uit de uitzending volgt dat het niet uitsluitend erom gaat of NIOC (op papier) de meerderheid van de aandelen in OIEC houdt. In de uitzending licht [santierecht-advocaat] toe dat ook alle bedrijven die onder zeggenschap staan van NIOC, moeten worden behandeld als een gesanctioneerde partij (minuut 26:28).
4.19.
Zembla heeft ter zitting toegelicht dat haar nader onderzoek begon bij deskundigen, die zeiden dat zij wisten dat NIOC meerderheidsaandeelhouder van OIEC is, althans dat OIEC onder de zeggenschap staat van NIOC. Zembla heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van OIEC via de screening tool Nexis Diligence van NexisLexis. Deze screening tool bevat volgens Zembla van het Amerikaanse bedrijf Dun & Bradstreet afkomstige UBO-data over miljoenen ondernemingen wereldwijd. In door Zembla overgelegde informatie van de website van Nexis Diligence valt te lezen dat de gegevens zijn gebaseerd op originele bedrijfsdocumenten die zijn ingediend bij lokale registers. Uit de via Nexis Diligence gevonden informatie volgt dat NIOC 60% van de aandelen van OIEC houdt. Daarnaast wordt NIOC samen met het Oil Industry Pension Fund (“OPIC”) aangemerkt als UBO.
4.20.
De rechtbank volgt O1 International niet in haar betoog dat Zembla als zorgvuldig handelend journalist niet van de juistheid van deze door Dun & Bradstreet gepresenteerde informatie heeft mogen uitgaan, omdat Dun & Bradstreet al jaren hevig onder vuur zou liggen vanwege grove fouten en onjuistheden in de verstrekte rapporten. O1 International presenteert ter onderbouwing van de gestelde onbetrouwbaarheid van Dun & Bradstreet maar één klacht bij de Amerikaanse Federal Trade Commission (FTC), maar die klacht ziet op een dienst van Dun & Bradstreet die bedrijven zou helpen bij het controleren, beheren en opbouwen van hun zakelijke kredietrapport. Uit die enkele klacht (over een andere dienst van Dun & Bradstreet) volgt niet dat de via Dun & Bradstreet gevonden gegevens over aandelenconstructies en UBO’s onbetrouwbaar zijn. Evenmin kan dat volgen uit de door O1 International aangehaalde negatieve reviews van Dun & Bradstreet op de website Trustpilot.
4.21.
Bovendien steunen de door Zembla gestelde banden tussen OIEC en NIOC niet uitsluitend op de via Nexis Diligence gevonden eigendomsgegevens. Zembla heeft ook artikelen van de websites Iranwatch.org en ifmat.org overgelegd, waarin informatie is opgenomen over OIEC. Hierin staat dat 95% van de aandelen van OIEC in handen is van NIOC en OPIC en dat deze partijen de zeggenschap over OIEC hebben. Hoewel de aandeelhouderspercentages niet helemaal overeenkomen met de gegevens van Dun & Bradstreet en hoewel deze webpagina’s slechts zijn bijgewerkt tot 2016, bevestigt dit wel dat NIOC controle over OIEC heeft uitgeoefend. Zembla heeft toegelicht dat Iranwatch samenwerkt met universiteiten en daarom als een voldoende betrouwbare bron kan worden gezien.
4.22.
Bovendien heeft Zembla een verklaring van Bureau Teheran van 14 februari 2024 overgelegd. Bureau Teheran is volgens Zembla een bekroonde nieuwsorganisatie uit de Verenigde Staten met een focus op Iran, die onder meer heeft samengewerkt met de Britse krant The Guardian en het Amerikaanse journalistieke onderzoeksprogramma Frontline. In deze verklaring, waarin wordt verwezen naar verschillende bronnen, valt onder meer het volgende te lezen:
“The NIOC and parastatal entities known as Bonyads (foundations) own various exploration, drilling, extraction, and petrochemical companies and refineries. Bonyads are all supervised and governed by the office of the Supreme Leader, Ali Khamenei, who has the final authority on all matters in the country.
The oil, gas, and petrochemical subcontractors in Iran, labeled as 'Private Companies' are typically owned by the Bonyads. Even publicly traded companies on the stock market, such as OIEC, are not publicly owned; OIEC's controlling shares are held by NIOC companies. (…) In practice, even a small percentage of ownership by a Bonyad in an ostensibly private company brings the company under the control of state actors like the Bonyads, the Supreme Leader's Office, and/or the IRGC.
(…)
● In our opinion, O1’s claim that OIEC is not owned by NIOC is false. We also believe that OIEC is ultimately owned and controlled by NIOC and therefore by the Ministry of Petroleum.
The OIEC is a subsidiary of the NIOC / Ministry of Petroleum. The nature of its founding structure means it cannot be independent of the Iranian state. On its website in Persian it states:
"The Oil Industries Engineering and Construction (OIEC) company was established in 1366 (Persian calendar) with the aim of rebuilding the damages inflicted on the country's oil industry during the eight-year imposed war. Now, with more than three decades of experience, it is recognized as the
operational arm of the Ministry of Oil
and a leading company in the country's oil, gas, and petrochemical industries.
(…)
Another legal fiction in Iran involves shareholding companies, rather than individuals, being listed as "board members." Through this practice, representatives or delegates serving on the board on behalf of the government can remain anonymous. Case in point: every company on OIEC’s board of directors is an NIOC-owned company, according to public business registries. (…)”
4.23.
Deze verklaring van Bureau Teheran onderstreept te meer dat er een voldoende dragende feitelijke basis is voor de door Zembla ingenomen stelling dat OIEC in eigendom is en/of onder zeggenschap staat van NIOC, ook al is OIEC een privaat beursverhandeld bedrijf en ook al wordt NIOC in het financiële jaarverslag van OIEC uit 2017/2018 en in een door O1 International gepresenteerd Bedrijfsrapport d.d. 18 juni 2024 van The Emerging Markets Information System ("EMIS") niet als aandeelhouder genoemd. Overigens merkt Zembla terecht op dat uit dit laatste rapport niet kan worden geconcludeerd dat NIOC geen aandeelhouder is (in het rapport staat alleen dat Mehr Ayndeghan Financial Development Group Public Shareholding Company 6% van de aandelen uit, wie de andere 94% houden maakt het rapport niet inzichtelijk), terwijl dit rapport ten tijde van de publicaties niet beschikbaar was of door O1 International aan Zembla is gepresenteerd, zodat dit niet aan Zembla kan worden tegengeworpen.
4.24.
Ook overweegt de rechtbank dat uit het financieel jaarverslag van OIEC blijkt dat er meerdere aandeelhouders zijn, die niet allemaal worden geduid. O1 International heeft niet duidelijk gemaakt wie de aandeelhouders van OIEC allemaal zijn. Terecht stelt Zembla dat de algemene stelling van O1 International dat NIOC als staatsbedrijf geen aandelen in een privaat bedrijf kan houden, niet overtuigt, aangezien het Iraanse regime niet volgens de principes van de rechtstaat opereert en het land een staatsgeleide economie en beurs heeft.
4.25.
De conclusies van Zembla over de banden tussen OIEC en NIOC berusten daarnaast niet alleen op de hiervoor bedoelde stukken, maar ook op andere bronnen. Zembla heeft in het kader van haar onderzoek de deskundigen [de veiligheidsexpert] en [santierecht-advocaat] geïnterviewd, die ieder vanuit hun expertise (respectievelijk langdurige ervaringsdeskundige met de oliehandel in het Midden-Oosten en sanctierechtspecialist, ook ten aanzien van sancties tegen Iran) veel kennis hebben over de Iraanse olie-industrie en de banden tussen die olie-industrie en het Iraanse regime. [de veiligheidsexpert] bevestigt in de uitzending dat er voldoende banden zijn te leggen tussen OIEC en de partijen waar de Revolutionaire Garde in zit (minuut 25:42). Ook [santierecht-advocaat] verklaart in zijn interview dat hij het bedrijf OIEC zeker kent (minuut 25:31). In zijn verklaringen in de uitzending klinkt ook door dat hij aanwijzingen ziet voor banden tussen OIEC en NIOC en dat hij daarom kritisch aankijkt tegen het in 2016 door het ministerie van Buitenlandse zaken ingenomen standpunt dat vanaf 2016 weer zaken konden worden gedaan met OIEC, omdat het bedrijf niet langer op de sanctielijst stond (minuut 37:15).
4.26.
De rechtbank is van oordeel dat Zembla een voldoende feitelijke basis had voor de door haar in de publicaties ingenomen stelling dat OIEC eigendom is van het Iraanse staatsoliebedrijf NIOC, althans onder zeggenschap valt van NIOC. Gelet op de (onbestreden) nauwe banden tussen de Revolutionaire Garde en NIOC, kon Zembla dus ook met een voldoende feitelijke basis stellen dat het moederbedrijf van O1 International (OIEC) ‘an affiliate of the Revolutionary Guard’ is. Die uitlating moet worden geplaatst in de context van het Europese sanctierecht, waarin volgt dat niet alleen entiteiten die voor meer dan 50% eigendom zijn van een gesanctioneerde rechtspersoon, maar ook entiteiten die anderszins onder zeggenschap staan van een gesanctioneerde partij, al gesanctioneerd kwalificeren. Gelet op het daaraan voorafgaande deel van de uitzending, is duidelijk dat Zembla hiermee doelt op de geschetste eigendoms- en zeggenschapsbanden tussen OIEC, NIOC en de Revolutionaire Garde.
4.27.
Uit het voorgaande volgt dus ook dat de stelling van O1 International dat Zembla een feitelijke misser heeft gemaakt door verbanden te leggen tussen O1 International, OIEC en NIOC, niet slaagt. Ook volgt uit het voorgaande dat de discussie tussen partijen over de vraag of een aandeelhouder van OIEC (Ahdaf en haar rechtsvoorganger OPIC) onder controle van NIOC staan, verder onbesproken kan blijven. Met het door haar gepresenteerde materiaal heeft Zembla al een voldoende feitelijke basis aangedragen voor haar stelling dat NIOC eigenaar is van en/of zeggenschap heeft over OIEC.
De gesanctioneerde oud-bestuurder van O1 International (‘centrale fout 3’)
4.28.
Zembla stelt dat er ook rechtstreekse lijnen zijn te trekken vanuit O1 International en OIEC naar de Revolutionaire Garde, aangezien een bestuursvoorzitter van O1 International (hierna te noemen: ‘de bestuurder’) in 2018 staatssecretaris van Oliezaken werd. Dit blijkt volgens Zembla uit verschillende artikelen uit de Iraanse media, die Zembla als productie 22 bij conclusie van antwoord heeft overgelegd. Zembla heeft daarmee laten zien wat de feitelijke basis is voor haar stelling en O1 International heeft hiertegenover niet gemotiveerd dat en zo ja, waarom die stelling niet klopt. Anders dan O1 International stelt, heeft Zembla in de uitzending niet gezegd dat de bestuurder tijdens zijn bestuursfunctie bij O1 International al op de sanctielijst stond. Zembla heeft in de uitzending gezegd dat hij in 2018 staatssecretaris van Oliezaken werd en dat hij in 2020 door de Verenigde Staten van Amerika op de sanctielijst is gezet. Zembla heeft ook deugdelijk (en onvoldoende betwist) onderbouwd dat die informatie klopt. Van een feitelijke misser is dus geen sprake.
Uit een Brits vonnis blijkt dat O1 International in olie handelt (“centrale fout 2”)
4.29.
In de uitzending stelt Zembla eveneens dat O1 International betaald heeft gekregen voor de levering van olie uit een gesanctioneerd land. Dit zou volgens Zembla blijken uit een Brits vonnis (minuut 32:13 van de uitzending).
4.30.
Met O1 International is de rechtbank van oordeel dat die conclusie niet uit het vonnis kan worden getrokken. O1 International heeft als productie 22 het Britse vonnis van 1 april 2022 overgelegd, waarop Zembla haar stelling baseert. De rechtbank heeft dit vonnis gelezen. Het vonnis heeft betrekking op de terugbetaling van een som geld. Uit het vonnis blijkt dat aan de zaak het volgende is voorafgegaan:
- -
Het bedrijf ZAD Investment Limited (“ZAD”) sloot op 12 januari 2020 als verkoper een koopcontract met een koper voor de levering van olie, waarbij het bedrijf PTPY zou optreden als financier.
- -
PTPY betaalde in het kader van de kooptransactie een voorschot van 6 miljoen Amerikaanse Dollar aan Exmoor International FZE (“Exmoor”).
- -
De bestuurder van ZAD en Exmoor, genaamd [naam] (hierna: ‘ [naam] ’) stond persoonlijk borg jegens PTPY voor het betaalde voorschot.
- -
Nadat de olie niet werd geleverd, vorderde PTPY het voorschot terug van [naam] .
- -
Ondanks toezeggingen heeft hij het voorschot niet terugbetaald, waarop PTPY een arbitrageprocedure tegen [naam] is begonnen.
- -
[naam] zegde toe dat hij de schuld zou voldoen.
- -
De rechter heeft aan [naam] een bevel gegeven om inzicht te geven in zijn financiële middelen, waarmee hij de schuld kan voldoen,
- -
Tijdens een verhoor op 7 februari 2021 heeft [naam] verklaard dat een partij op korte termijn een som geld aan Exmoor zou betalen, waarmee de schuld zou kunnen worden voldaan, maar [naam] stelde dat hij toestemming nodig had om hierover verdere informatie te geven en [naam] weigerde de naam van de wederpartij van Exmoor te noemen.
4.31.
Vervolgens valt in het vonnis te lezen dat [naam] op 18 maart 2022 opnieuw is verhoord. Tijdens dit verhoor heeft hij – zo blijkt uit paragraaf 22 van het vonnis – gezegd dat “the contract with Exmoor was with O1 International”. De rechter heeft [naam] vervolgens een bevel gegeven om in een beëdigde getuigenverklaring te bevestigen dat O1 International de wederpartij was bij de transactie met Exmoor en de naam van de dochteronderneming te geven die bij die transactie met Exmoor betrokken was (paragraaf 22 van het vonnis, onder ii en iii). Dit laatste gedeelte van het vonnis toont Zembla in de uitzending kort in beeld.
4.32.
O1 International heeft gelijk dat nergens in het vonnis valt te lezen dat O1 International betaald zou krijgen voor de levering van olie uit een gesanctioneerd land. Er is alleen door [naam] gezegd dat O1 International een contract met Exmoor had gesloten en dat O1 International uit hoofde van dat contract op korte termijn een som geld aan Exmoor zou betalen. Nergens is gezegd dat dit contract een oliedeal betrof, laat staan een oliedeal uit een gesanctioneerd land. Waarvoor O1 International zou betalen en waar O1 International haar geld vandaan haalt, blijft in het vonnis onbenoemd. Uit het vonnis blijkt bovendien dat [naam] zijn verklaring over de gestelde transactie met Exmoor, ondanks herhaalde bevelen van de rechter, uiteindelijk niet met enige bewijs heeft onderbouwd en een gevangenisstraf krijgt opgelegd wegens contempt of court.
4.33.
De connectie die Zembla in de uitzending maakt met de levering van olie uit een gesanctioneerd land, volgt kennelijk uit een krantenartikel over de zaak, dat Zembla als productie 26 heeft overgelegd. Hierin valt te lezen dat [naam] tijdens een verhoor van 25 maart 2022 heeft gezegd: “PTPY had requested me to arrange the delivery of a cargo from a sanctioned country.” Dit lijkt te zien op de koopovereenkomst die ZAD sloot, waarbij PTPY betrokken was. Zembla heeft niet onderbouwd hoe hieruit kan blijken dat de gestelde transactie tussen twee andere partijen (Exmoor en O1 International) op de levering van olie uit een gesanctioneerd land zag. Zembla brengt deze passage in de uitzending wel kort in beeld, direct na de eerder aangehaalde passages uit het vonnis over O1 International. Zembla wekt hiermee bij de kijker de indruk dat uit de rechtbankstukken volgt dat O1 International betrokken is bij een oliedeal uit een gesanctioneerd land, maar die conclusie is dus onjuist.
4.34.
Ter zitting heeft Zembla gesteld dat zij het vonnis ook onder meer aan [santierecht-advocaat] heeft voorgelegd en dat [santierecht-advocaat] de link met de levering van olie heeft gelegd. Dat het zo is gegaan, blijkt niet uit de uitzending. In de uitzending zegt Zembla dat zij het vonnis heeft gelezen en dat zij daarin leest dat O1 International miljoenen krijgt betaald voor de levering van olie uit een gesanctioneerd land (“we lezen dat…”). Nergens uit de uitzending blijkt dat Zembla hier de lezing van een door haar geraadpleegde deskundige verkondigt; Zembla presenteert het als haar eigen lezing van het vonnis. De rechtbank is van oordeel dat Zembla op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat Zembla in haar publicaties feitelijke conclusies over handelen van O1 International trekt die, naar ook de journalisten van Zembla bij een zorgvuldige lezing van het vonnis hadden moeten begrijpen, niet door het vonnis en het bijbehorende krantenartikel worden ondersteund.
De publicaties van Zembla zijn niet onrechtmatig
4.35.
Dat Zembla op het hierboven genoemde punt onzorgvuldig heeft gehandeld, leidt echter niet tot de conclusie dat de publicaties van Zembla onrechtmatig zijn. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
4.36.
Van belang is wat de kern van de uitzending is, die de rechtbank hiervoor onder r.o. 4.9 tot en met 4.11 heeft geschetst. Een belangrijk uitgangspunt in de uitzending is dat de Revolutionaire Garde, ondanks gedeeltelijke opheffing van de sancties tegen Iran, altijd gesanctioneerd is gebleven, maar dat ondanks die sancties nog altijd middelen naar de Revolutionaire Garde kunnen worden doorgesluisd. De uitzending toont zo’n potentiële doorsluisroute aan, aan de hand van de casus van O1 International. Zembla laat hiermee zien hoe in Nederland een dochteronderneming wordt opgericht door een Iraans privaat bedrijf dat actief is in de olie-industrie en dat – zo heeft Zembla met een voldoende solide feitelijke basis onderbouwd – banden heeft met het Iraanse staatsoliebedrijf NIOC, dat onder controle van de Revolutionaire Garde staat, waardoor de Garde via een omweg toch aan onderdelen voor de olie-industrie kan komen, zonder dat dat direct zichtbaar is.
4.37.
Het door de uitzending gewekte beeld dat via O1 International sancties worden ontdoken, vindt hiermee voldoende steun in de feiten. De - onjuiste - uitlating van Zembla dat O1 International blijkens een Brits vonnis betaald zou hebben gekregen voor de levering van Iraanse olie, betreft niet de kern van de uitzending, maar is slechts een spreekwoordelijk stukje van de puzzel die Zembla heeft willen leggen. In de uitzending zegt Zembla ook dat het gaat om ‘een sluiproute om onderdelen voor Iraanse oliebedrijven te kopen’ (minuut 20:23 van de uitzending). Het kernpunt van de uitzending is dus niet dat O1 International zelf geld zou verdienen met de oliehandel. Dat O1 International betrokken is bij de handel van onderdelen die kunnen worden gebruikt in de Iraanse olie-industrie, staat op zichzelf ook vast: Zembla heeft als voorbeeld gewezen op het Iraanse olie- en gasproject ‘NGL 3100’, waarvoor O1 International heeft ingekocht, en O1 International is volgens haar statuten mede actief in de olie- en gashandel.
4.38.
Bovendien moet de uitlating over het Britse vonnis worden gezien in de context waarin die uitlating is gedaan. Uit de uitzending volgt dat Zembla dit vonnis heeft achterhaald, omdat onduidelijk was waar een Iraans/Nederlands bedrijf als O1 International haar inkomsten vandaan haalt, ook omdat het vanwege sancties bijna onmogelijk is om geld vanuit Iran naar Nederland te sturen en andersom. De conclusie van Zembla dat onduidelijk is waar O1 International haar geld vandaan haalt blijft overeind staan, aangezien O1 International ondanks schriftelijke vragen hierover van Zembla, in het kader van de publicaties geen inzicht in haar inkomsten heeft willen verschaffen. Zembla heeft bovendien in deze procedure een schriftelijke verklaring van [santierecht-advocaat] overgelegd, die verklaart dat hij ook in zijn eigen praktijk als advocaat in de periode 2019-2020 een geval heeft meegemaakt waarin O1 International als partij naar voren werd geschoven die EUR 80 miljoen zou betalen namens een potentiële klant, terwijl O1 International niet was betrokken bij de betreffende transactie. De herkomst van de gelden bleef volgens [santierecht-advocaat] ook toen, na doorvragen, volstrekt onbekend. Die verklaring ondersteunt het in de uitzending geschetste beeld dat onduidelijkheid blijft bestaan over de geldstromen die naar O1 International gaan.
4.39.
Ook voor de andere kernbeschuldiging uit de uitzending, waarover tussen partijen wordt gestreden (over de strafbaarheid van zaken doen met O1 International), is de passage over het Britse vonnis van ondergeschikt belang. De kern is dat zaken doen met O1 International ten goede zou kunnen komen aan de Revolutionaire Garde, doordat op die manier geld en middelen voor de olie-industrie naar de Revolutionaire zouden kunnen worden doorgesluisd. Zaken doen met O1 International kan dan een strafbare schending van de sanctieregels opleveren, is de boodschap van de uitzending. Die boodschap steunt in de kern op twee elementen, namelijk de uitleg van de toepasselijke sanctieregels, zoals geschetst door advocaat [santierecht-advocaat] , en de door Zembla vastgestelde banden tussen O1 International, OIEC, NIOC en de Revolutionaire Garde. In de uitzending wordt door [santierecht-advocaat] uitgelegd dat op grond van de Europese sanctierechtwetgeving geen zaken mogen worden gedaan met partijen die in eigendom zijn of onder zeggenschap staan van de (ook na 2016 nog steeds gesanctioneerde) Revolutionaire Garde, ook als die partij zelf niet op de sanctielijst staat. Dat geldt volgens [santierecht-advocaat] dus ook voor partijen die in eigendom zijn of onder zeggenschap staan van het staatsoliebedrijf NIOC, gezien de binnen de markt (en ook bij hem) bekende nauwe banden tussen NIOC en de Revolutionaire Garde. [santierecht-advocaat] is als gespecialiseerd sanctierechtadvocaat een gezaghebbende bron op het gebied van de toepasselijke nationale en Europeesrechtelijke regelgeving rondom de sancties tegen Iran. Zembla mag op zijn expertise op dat gebied afgaan en mag dus ook het publiek tonen hoe de sanctiewetgeving volgens [santierecht-advocaat] moet worden uitgelegd. Dit behoort tot de journalistieke rol van Zembla als doorgeefluik van belangwekkende opinies van derden, waarvoor Zembla volgens vaste rechtspraak op grond van de persvrijheid veel ruimte moet hebben en behoudens zwaarwegende omstandigheden (die zich hier niet voordoen) niet aansprakelijk kan worden gehouden.6 Zembla heeft voldoende onderbouwd dat tussen OIEC en NIOC eigendoms- en zeggenschapsbanden bestaan (zie hiervoor, r.o. 4.19 tot en met 4.28). Gezien de door [santierecht-advocaat] gegeven uitleg over de sanctierechtregels en de rol van NIOC, was er dus een voldoende solide basis voor het in de publicaties uitgedragen standpunt dat zaken doen met O1 International een strafbare schending van de sanctiewetgeving kan opleveren.
De overige gezichtspunten (ernst van de beschuldiging, totstandkoming en inkleding van de uitzending, positie O1 International)
4.40.
Met O1 International neemt de rechtbank in ogenschouw dat het door de uitzending opgeroepen beeld dat O1 International betrokken is bij sanctieontduiking en dat zaken doen met O1 International strafbaar kan zijn, ernstige beschuldigingen omvat, die nadelig kunnen zijn voor O1 International. Uit het voorgaande volgt evenwel dat die beschuldigingen steunen op een voldoende solide fundament en dat geen sprake is van lichtvaardige verdachtmakingen. Weliswaar heeft O1 International gelijk dat Zembla onjuiste conclusies heeft getrokken uit het Britse vonnis, maar dat neemt niet weg dat Zembla, alles bij elkaar genomen, voldoende zorgvuldig te werk is gegaan bij de totstandkoming van haar publicaties, waarbij de kernboodschap van de uitzending een voldoende feitelijke basis kent. Zembla heeft immers voldoende onderbouwd dat zij grondig feitenonderzoek heeft gedaan naar de banden tussen O1 International, OIEC, NIOC en de Revolutionaire Garde, terwijl Zembla in het kader van haar onderzoek meerdere deskundigen heeft geïnterviewd (oud CIA-analist [de voormalige CIA-specialist] , veiligheidsexpert [de veiligheidsexpert] en sanctierechtspecialist [santierecht-advocaat] ) wiens expertise met het door de uitzending belichte onderwerp (sanctieontduiking door het Iraanse regime en sanctiewetgeving) naar het oordeel van de rechtbank gegeven is.
4.41.
Daarnaast heeft Zembla bij de totstandkoming van de publicaties voldoende ruimte gegeven voor wederhoor: alle kernbevindingen uit het onderzoek zijn voorafgaand aan de uitzending aan O1 International voorgehouden en O1 International heeft voldoende tijd gehad om hierop te reageren. Dat O1 International geen gebruik heeft gemaakt van die reactiemogelijkheid, kan niet aan Zembla worden tegengeworpen. Bovendien heeft Zembla, als het aankomt op de discussie of O1 International sancties ontduikt en of zaken doen met O1 International strafbaar is, voldoende nuance in de uitzending aangebracht. Zembla stelt in de uitzending dat zaken doen met O1 International ten goede zou kunnen komen aan de Revolutionaire Garde en dat het dan strafbaar is, terwijl Zembla ook opmerkt dat bedrijven dit misschien niet kunnen weten (minuut 12:30). Ook maakt Zembla in de uitzending duidelijk dat OIEC niet op de sanctielijst staat en dat Buitenlandse zaken vindt dat zaken doen met OIEC is toegestaan (minuut 27:40 en 37:15). Voor de kijker is daarmee duidelijk dat de kwestie ingewikkeld is en genuanceerd ligt en dat het dus niet onmiddellijk is gezegd dat zaken doen met O1 International tot strafrechtelijke vervolging wegens overtreding van de sanctiewetgeving zal leiden. Dat Zembla het standpunt van Buitenlandse Zaken over de positie van OIEC kritisch belicht en de schijnwerpers richt op OIEC en O1 International, is een keuze die Zembla als kritisch journalistiek programma mag maken. Daarbij geldt – ten slotte – ook dat O1 International als commerciële onderneming die actief is binnen (onder meer) de internationale olie- en gas industrie, met oud-bestuurders die later hoge functies zijn gaan bekleden in de Iraanse olie-industrie, in hogere mate heeft te dulden dat zij onderwerp van kritisch journalistiek onderzoek wordt.
4.42.
De rechtbank is, dit alles overwegende, dan ook van oordeel dat Zembla met haar publicaties niet onrechtmatig jegens O1 International heeft gehandeld. De door O1 International ingestelde vorderingen worden dan ook afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering tot rectificatie van de door Zembla gemaakte fout over de inhoud van het Britse vonnis. Op grond van artikel 6:167 lid 2 BW kan ook rectificatie worden gevorderd indien aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad ontbreekt, maar dat geldt alleen als de onjuiste publicatie niet als een onrechtmatige daad is toe te rekenen aan de dader, vanwege zijn onbekendheid met de onjuistheid of onvolledigheid. Dat is hier niet aan de orde.
4.43.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank nog op dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het kort geding tussen de directeur van het handelscentrum en zijn echtgenote enerzijds en Zembla anderzijds wel heeft bevolen dat Zembla de uitzending offline moet halen, maar uit dat arrest volgt dat dit bevel berustte op een voorlopige (belangen)afweging in kort geding tussen het privacyrecht van de eisers en de uitingsvrijheid van Zembla, waarbij vooral doorslaggevend was dat de door het hof vastgestelde rol van de eisers bij de sanctieontduiking veel beperkter was dan de rol die Zembla in de uitzending daaraan had gegeven. Dit betrof dus een wezenlijk andere discussie dan de discussie in deze zaak.
4.44.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt O1 International veroordeeld in de proceskosten, die aan de kant van Zembla worden begroot op € 2.082,00 (€ 676,00 griffierecht en € 1.406,00 (2 punten x Tarief II € 614,00 en € 178,00 nakosten) voor salaris advocaat).
4.45.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de in de beslissing genoemde datum.