Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBDHA:2025:3272

Rechtbank Den Haag
05-03-2025
05-03-2025
NL25.8545
Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Bewaring TRI -opheffing / eiser was niet in staat om te worden gehoord en wordt in bewaring gesteld omdat “voor medische verzorging en toegang tot rechtsbijstand de bewaring voor deze vreemdeling een passende maatregel is.” / inspanningsplicht om te horen geschonden / verweerder had -zelf- moeten nagaan of eiser detentie(on)geschikt is, Afdelingsjurisprudentie niet onverkort van toepassing in onderhavige procedure / onvoldoende onderzoek naar en motivering van de vraag of de maatregel onevenredig bezwarend is en dit vergt bovendien een voortdurende beoordeling gedurende de gehele tenuitvoerlegging van de maatregel – drie zelfstandige redenen om de maatregel van aanvang af onrechtmatig te achten – beroep gegrond, opheffing & invrijheidstelling & SV & PKV.

Rechtspraak.nl
JV 2025/85

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.8545


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer],

gestelde geboortedatum [geboortedatum] 1978,

gestelde Algerijnse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),

en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Faddach)

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.

Eiser heeft tegen de oplegging van de maatregel beroep ingesteld, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen om in persoon te worden gehoord over zijn vrijheidsontnemende maatregel, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lotfi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In een meeromvattende beschikking van 8 februari 2016, waarbij de asielaanvraag van eiser van 2 oktober 2015 buiten behandeling is gesteld, is een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod met een duur van twee jaar uitgevaardigd. In het terugkeerbesluit is geen land van bestemming benoemd, maar in het besluit is wel vermeld dat eiser de Algerijnse nationaliteit heeft. Op 17 november 2021 is de opvolgende aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. In dit besluit is verwezen naar het terugkeerbesluit en het inreisverbod van 8 februari 2016. In dit terugkeerbesluit is geen land van bestemming genoemd en is vermeld dat de nationaliteit van eiser onbekend is. Op 21 februari 2025 is wederom een terugkeerbesluit opgelegd. Dit terugkeerbesluit is door verweerder niet als “aanvullend terugkeerbesluit” aangemerkt en alleen in de motivering van de gronden is gerefereerd aan de eerder genomen terugkeerbesluiten. In het terugkeerbesluit is vermeld dat eiser geboren zou zijn in Algiers, Algerije en dat zijn nationaliteit onbekend is. In dit terugkeerbesluit is Algerije aangemerkt als land van bestemming.

2. De rechtbank overweegt dat eiser voorafgaand aan de oplegging van het terugkeerbesluit op 21 februari 2025 niet is gehoord. Er is geen separaat proces-verbaal van gehoor TKB/IRV opgemaakt, zodat de rechtbank er van uit gaat dat het gelijktijdig over een op te leggen terugkeerbesluit en bewaringsmaatregel is gehoord, hoewel dit niet blijkt uit de M110. Er zijn geen vragen gesteld over een terugkeerbesluit en aan eiser is niet uitgelegd wat de rechtsgevolgen zijn van een terugkeerbesluit en dat hij zich tot een advocaat kan wenden om rechtsbijstand te verkrijgen. De motivering van het terugkeerbesluit is niet gebaseerd op door eiser afgelegde verklaringen, maar op gegevens die de Adjudant-onderofficier der Koninklijke Marechaussee -kennelijk- in het dossier heeft aangetroffen. In het terugkeerbesluit is vermeld dat “Heden 21 februari 2025 constateren twee HoVJ's van de KMAr dat de vreemdeling niet in staat (lijkt) is om de vragen inhoudelijk te beantwoorden. Vreemdeling geeft aan dat hij ziek is in zijn hoofd en aan WA WA lijdt. Vreemdeling zit apathisch in de ruimte naar een punt in de verte te staren. HoVJ's achten vreemdeling niet in staat om aan een gehoor deel te nemen.” In het terugkeerbesluit is voorts gemotiveerd waarom de maatregel van bewaring moet worden opgelegd en is geconcludeerd dat “voorts niet is gebleken afgezien zou moeten worden van het opleggen van dit terugkeerbesluit”.

3. Eiser is in bewaring gesteld ter fine van terugkeer naar zijn land van herkomst. De rechtbank stelt vast dat verweerder nimmer heeft beoordeeld of terugkeer naar Algerije een refoulementrisico oplevert. Het op 21 februari 2025 opgelegde terugkeerbesluit, alsmede de twee eerdere terugkeerbesluiten bevatten geen enkele beoordeling van een refoulementrisico, maar behelzen uitsluitend de vaststelling van onrechtmatig verblijf en de motivering van een onttrekkingsrisico.

4. De onderhavige procedure is ingeleid met een beroep tegen de bewaringsmaatregel en dus beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel. Door het in bewaring stellen en houden ter fine van uitzetting wordt de terugkeerrichtlijn tenuitvoergelegd. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 onder meer uitgelegd dat het refoulementbeginsel in alle fasen van de terugkeerprocedure moet worden geëerbiedigd (Arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892, punt 35).

5. Eiser heeft ter zitting desgevraagd aangegeven geen beroep te hebben ingesteld tegen het terugkeerbesluit dat op 21 februari 2025 is opgelegd. De termijn om beroep in te stellen tegen het terugkeerbesluit is echter nog niet verstreken. Eiser is dus nog in de gelegenheid om een rechtsmiddel aan te wenden om de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit te laten beoordelen door de rechtbank. Indien de rechtbank de rechtmatigheid van een bewaringsmaatregel die strekt tot effectuering van een terugkeerbesluit beoordeelt, dient de rechtbank zich evenwel ook van de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit te vergewissen omdat het terugkeerbesluit de grondslag is van de vrijheidsontnemende maatregel. Indien er geen sprake is van een rechtmatig terugkeerbesluit, dient de bewaringsrechter na te gaan of het met de maatregel beoogde doel dan wel kan worden bereikt. Indien de gedwongen terugkeer niet kan plaatsvinden omdat er geen sprake is van een rechtmatig terugkeerbesluit, kan de maatregel ook niet ter effectuering van het terugkeerbesluit worden opgelegd. De eerdere twee opgelegde terugkeerbesluiten staan in rechte vast omdat hier geen rechtsmiddelen tegen zijn aangewend. Het Hof heeft in het bovengenoemde arrest Ararat evenwel het Unierecht aldus geduid dat “artikel 5 van richtlijn 2008/115/EG […] het de administratieve autoriteit die een aanvraag voor een verblijfsvergunning waarin het nationale recht voorziet afwijst en bijgevolg vaststelt dat de betrokken derdelander illegaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft, verplicht om zich ervan te vergewissen dat het beginsel van non-refoulement in acht is genomen, door het terugkeerbesluit dat eerder in het kader van een procedure voor internationale bescherming tegen die derdelander is vastgesteld en waarvan de opschorting na die afwijzing is beëindigd, opnieuw te onderzoeken in het licht van dat beginsel.” De rechtbank overweegt dat uit deze verklaring voor recht ook volgt dat indien er een nieuw dan wel aanvullend terugkeerbesluit wordt genomen zonder dat er een aanvraag om een (reguliere of asiel)vergunning is ingediend, verweerder verplicht is om zich er van te vergewissen dat het beginsel van non-refoulement in acht is genomen.

6. De rechtbank overweegt dan ook dat indien oplegging van de maatregel gerechtvaardigd zou zijn, de rechtbank óók een oordeel zou hebben gegeven over de vraag of een van de drie terugkeerbesluiten als grondslag voor de bewaringsmaatregel kan dienen. De rechtbank is bekend met de Afdelingsjurisprudentie met betrekking tot wat de bewaringsrechter wel en niet mag beoordelen van een terugkeerbesluit als er geen zelfstandig beroep tegen het terugkeerbesluit ter toetsing voorligt. De rechtbank overweegt echter dat een rechtmatig opgelegd en rechtsgeldig uitgereikt terugkeerbesluit een rechtmatigheidsvereiste is voor een bewaringsmaatregel en daarom de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit voor zover dat ten grondslag ligt aan de maatregel (zo nodig ambtshalve) moet worden beoordeeld. In de onderhavige procedure komt de rechtbank echter tot het oordeel dat het bewaringsbesluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, zoals ook door eiser naar voren is gebracht in de beroepsgronden. Dit betekent dat er geen rechtmatige oplegging en tenuitvoerlegging van de bewaringsmaatregel heeft plaatsgevonden. Omdat de rechtbank de bewaringsmaatregel opheft, stopt de terugkeerprocedure tijdelijk in die zin dat de terugkeer thans niet vanuit de bewaring kan plaatsvinden. De rechtbank zal mede daarom nu geen verdere beoordeling verrichten van de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. In dit geval volstaat het om vast te stellen dat eiser de rechtmatigheid van het op 21 februari 2025 opgelegde terugkeerbesluit kan laten beoordelen door alsnog beroep in te stellen tegen het terugkeerbesluit.

7. De rechtbank zal het bewaringsberoep gegrond verklaren, de maatregel opheffen en eiser in vrijheid stellen en motiveert dit als volgt.

8. Eiser is op 21 februari 2025 om 10:00 uur overgenomen van de Duitse autoriteiten en opgehouden. Eiser is tijdens de ophouding niet gehoord. Op 21 februari 2025 om 12:40 uur is gestart met een poging om eiser te horen over een mogelijk op te leggen bewaringsmaatregel. In de M110 is vermeld dat eiser hieraan voorafgaand tussen 12:17 uur en 12:35 uur telefonisch contact heeft gehad met zijn gemachtigde en dat de gemachtigde bij de HOVJ’s heeft aangegeven dat hij zich afvraagt of zijn cliënt de vragen kan begrijpen en opmerkt dat zijn cliënt overal “ja ja” op antwoordt. In de M110 is vervolgens het navolgende opgenomen:

(…)

Verbalisanten, [xxx] en [xxx], constateren dat vreemdeling totaal apathisch tegenover hun zit en naar een punt in de verte staart. Vreemdeling geeft op enkele gestelde vragen omtrent zijn identiteit en medische toestand verwarde antwoorden. Hij geeft aan dat hij wel gehoord kan worden maar voor verbalisanten is uit de antwoorden duidelijk dat hij de vragen niet

inhoudelijk kan beantwoorden. Vreemdeling verklaard dat hij ziek in zijn hoofd is en de naam van de ziekte is WA WA, wat dit verder inhoudt kan hij niet uitleggen.

Verbalisanten merken op dat in het dossier van de vreemdeling reeds een medisch advies zit uit 21 juli 2021 waaruit blijkt dat bij de vreemdeling verslavingsproblematiek speelt en hij op dat moment niet in staat is om gehoord te worden. Verbalisanten constateren dat vreemdeling op dit moment niet, of dusdanig doet voorkomen, dat hij niet in staat is om vragen inhoudelijk te beantwoorden.

Overleg senior van Dienst IND: [xxx].

Vreemdeling inderdaad niet verder horen, wel kan de maatregel van bewaring toegepast worden. Voor vreemdeling is de bewaring een beter alternatief dan dat hij buiten op straat moet leven. Vreemdeling geeft ook aan dat hij niet weet waar hij zich bevindt en regelmatig de realiteit kwijt is. Voor medische verzorging en toegang tot rechtsbijstand is de bewaring voor deze vreemdeling een passende maatregel. Immers vreemdeling heeft geen vaste woon- of verblijfplaats geen middelen van bestaan en geen netwerk dat hem kan verzorgen. Het is duidelijk dat hij zorg nodig heeft.

9. De rechtbank overweegt dat het overnemen en aantreffen van een vreemdeling in deze conditie, degenen die moeten gaan horen en beslissen over een mogelijk op te leggen maatregel in een zeer complexe situatie brengt. De rechtbank kan uit de inhoud van de M110 afleiden dat de betrokken hulpofficieren zorgvuldig en met zorg voor eiser hebben willen handelen en dat de oplegging van de maatregel als ware is ingegeven uit zorgen over eiser. De rechtbank overweegt dan ook uitdrukkelijk dat de rechtbank niet twijfelt aan de intentie waarmee is gehandeld. Desalniettemin stelt de rechtbank vast dat niet juist is gehandeld.

10. Het nodig hebben van medische zorg en rechtsbijstand kan geen reden zijn om de bewaringsmaatregel op te leggen. Ook indien heeft te gelden dat bewaring “minder erg” is dan op straat moeten leven, kan niet vanuit deze “zorggedachte” een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd. Verweerder dient in zijn gehoor te onderzoeken of de oplegging van de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om de uitzetting naar het land van herkomst te effectueren. Verweerder kan dit onderzoek alleen doen als hij eiser kan horen. Indien eiser daartoe niet in staat lijkt, en de rechtbank begrijpt zonder meer waarom de hulpofficieren van justitie deze indruk hebben verkregen, zullen meer en andere inspanningen moeten worden geleverd om informatie te vergaren over de noodzaak om een maatregel op te leggen en om alle betrokken belangen vast te kunnen stellen. De rechtbank begrijpt dat contact wordt gezocht met de IND om te overleggen. De rechtbank begrijpt echter niet waarom geen arts is ingeschakeld om eiser te schouwen zodat een medisch advies kan worden verkregen over het al dan niet kunnen horen.

11. Gelet op de gedragingen van eiser, zoals die zijn beschreven in de M110 en gelet op de indruk van de gemachtigde die ook bekend was bij de hulpofficieren, had voordat werd beslist om het gehoor niet verder voort te zetten, een arts kunnen worden geraadpleegd. Het gehoor is aangevangen om 12:40 uur, zodat niet valt in te zien waarom dit niet is gedaan. Kennelijk hebben de hulpofficieren van justitie kennis kunnen nemen van een medisch advies van 21 juli 2021, welk advies op verzoek van de rechtbank tijdens het onderzoek ter zitting aan het dossier is toegevoegd zodat ook de gemachtigde van eiser en de rechtbank hiervan kennis kunnen nemen. Ook dat advies, dat is opgesteld door een arts, had aanleiding moeten zijn om voorafgaand of tijdens het bewaringsgehoor een arts te raadplegen. In de eerdere twee asielprocedures is eiser niet gehoord, zodat er weinig andere mogelijkheden zijn om kennis te vergaren over eiser en om dus te kunnen beoordelen of een bewaringsmaatregel kan en ook moet worden opgelegd. Eiser is overgenomen van de Duitse autoriteiten. De hulpofficieren hadden ook de Duitse collega’s kunnen bevragen of zij bekend zijn met eiser en met zijn mogelijke medische problematiek. Ook had nogmaals contact kunnen worden opgenomen met de gemachtigde om te overleggen over de te volgen procedure en had aan gemachtigde gevraagd kunnen worden of hij eiser eerder heeft bijgestaan en zodoende over aanvullende informatie beschikt. Dit alles is niet gedaan. Er is gepoogd om eiser te horen en er is vervolgens -uitsluitend- contact gezocht met de IND om vervolgens de maatregel op te leggen. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder onvoldoende inspanningen heeft geleverd om de benodigde informatie te vergaren. De rechtbank verwijst met betrekking tot de inspanningsverplichting voorafgaand aan inbewaringstelling als er duidelijke signalen zijn om te twijfelen of een vreemdeling in staat was om gehoord te worden naar de uitspraak van de Afdeling van uitspraak van 15 juni 2022, (ECLI:NL:RVS:2022:1710) en de verwijzing naar deze uitspraak in de uitspraak van 4 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1877). In de uitspraak van 15 juni 2022 heeft de Afdeling onder meer het navolgende overwogen:

(…)

De Afdeling stelt voorop dat de staatssecretaris zich moet inspannen om voor het opleggen van een maatregel van bewaring voldoende kennis te verzamelen over de betrokken belangen. Daarvoor is het horen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Vb 2000 essentieel. Het stelt de vreemdeling in de gelegenheid zijn zienswijze op de voorgenomen inbewaringstelling te geven en zijn persoonlijke belangen naar voren te brengen.(…)

(…)

5.4.

Uit deze omstandigheden blijkt dat er duidelijke signalen waren om te twijfelen of de vreemdeling in staat was om gehoord te worden. De staatssecretaris kan dan niet zonder meer ervan uitgaan dat de vreemdeling zelf zijn belangen adequaat naar voren brengt. De staatssecretaris moet zich in dat geval op een andere manier inspannen om alsnog kennis te verzamelen over de belangen van de vreemdeling. Dat heeft hij ook gedaan. De verbalisant heeft namelijk voor de inbewaringstelling contact gezocht met de gemachtigde van de vreemdeling en heeft haar in de gelegenheid gesteld om namens de vreemdeling belangen naar voren te brengen. Dat heeft zij vervolgens gedaan, door te wijzen op de psychische problemen van de vreemdeling en te betogen dat hij detentieongeschikt is. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 25 januari 2022 dat er voor het gehoor contact is gezocht met een arts, die besloot dat er geen haast was om de vreemdeling te bezoeken. Bovendien heeft de staatssecretaris de vreemdeling al eerder in bewaring gesteld en heeft hij ook de belangen die hem al bekend waren betrokken in de motivering van de huidige maatregel van bewaring. Daarmee heeft de staatssecretaris zorgvuldig gehandeld.

(…)

12. Anders dan in de zaak die bij de Afdeling ter beoordeling voorlag, stelt de rechtbank dus vast dat, ondanks dat er met goede intenties en uit zorg voor eiser is gehandeld, verweerder onvoldoende inspanningen heeft geleverd om voldoende kennis te verzamelen over de betrokken belangen alvorens de maatregel op te leggen. Reeds omdat verweerder niet heeft voldaan aan deze inspanningsplicht, is de maatregel van aanvang af onrechtmatig. De rechtbank overweegt tevens dat verweerder heeft nagelaten om na oplegging van de maatregel, te beoordelen of eiser wel op enig moment in staat was om alsnog te worden gehoord. Er heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden op 25 februari 2025,waarin eiser enige verklaringen heeft afgelegd. Verweerder had op dat moment eiser nogmaals kunnen horen over de maatregel en zodoende een betere beoordeling te kunnen verrichten of het handhaven van de maatregel gerechtvaardigd was.

13. De rechtbank overweegt voorts dat het, gelet op de concrete feiten en omstandigheden van deze procedure, op de weg van verweerder had gelegen om na te gaan of eiser detentie(on)geschikt is. De Afdeling heeft over “detentieongeschiktheid” en wie de bewijslast hiervoor draagt, in haar uitspraak van 11 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1162) onder meer het navolgende overwogen:

(…)

3.2.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van de maatregel van bewaring door een arts had moeten laten onderzoeken. Het is immers aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij detentieongeschikt is, en niet aan de staatssecretaris om het tegendeel te bewijzen (vgl. de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 5 juli 2018 en 5 januari 2018). Uit de omstandigheden dat de vreemdeling heeft gemeld dat hij last heeft van stress en dat hij littekens heeft getoond die wijzen op automutilatie volgt niet dat hij detentieongeschikt is. Daarvan is immers pas sprake indien vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg in het geval van de vreemdeling niet toereikend is. Ook kan sprake zijn van detentieongeschiktheid indien is aangetoond dat de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. De vreemdeling heeft voorafgaand aan zijn inbewaringstelling niet met stukken aangetoond dat van (één van) die omstandigheden in zijn geval sprake is.

(…)

14. De Afdeling heeft onder meer in bovengenoemde uitspraak van 15 juni 2022 verwezen naar deze uitspraak en herhaald dat van detentieongeschiktheid pas sprake is indien vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg niet toereikend is, of indien is aangetoond dat de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, dan wel wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door een gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Zoals ook uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2666) volgt, is het volgens de Afdeling -altijd- aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij detentieongeschikt is en is pas sprake van detentieongeschiktheid als de in detentie beschikbare medische zorg niet toereikend is, of de vreemdeling niet in staat is de vrijheidsontneming op verantwoorde wijze te ondergaan, dan wel wanneer zijn psychische omstandigheden door een gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. De rechtbank overweegt dat deze Afdelingsjurisprudentie in de onderhavige procedure niet onverkort van toepassing kan worden geacht.

15. De rechtbank benadrukt allereerst dat het uitgangspunt in bewaringszaken is dat verweerder de bewijslast draagt voor het rechtmatige karakter van de vrijheidsontneming. Verweerder maakt immers door de inbewaringstelling inbreuk op het grondrecht op vrijheid, zodat verweerder de bewijslast draagt dat deze inbreuk rechtmatig is. De omvang van deze bewijslast is bovendien niet afhankelijk van de beroepsgronden. De rechtbank overweegt verder dat gelet op de door verweerder beschreven conditie en gedragingen van eiser en gelet op het ontbreken van andere informatie, behoudens het medisch advies van 21 juli 2021, het niet van eiser verwacht kon worden dat hij voorafgaand aan oplegging van de maatregel (zelf) kon onderbouwen dat hij detentieongeschikt is. Indien de vreemdeling zorgvuldig is gehoord en daarom ook een grondige beoordeling heeft kunnen plaatsvinden van de noodzaak, proportionaliteit en evenredigheid van de maatregel en de oplegging van de maatregel en dus ook het niet volstaan met een lichter middel deugdelijk is gemotiveerd, zou kunnen worden geoordeeld dat het dan aan de vreemdeling is om, in weerwil van een deugdelijk gemotiveerde maatregel, te onderbouwen dat hij detentieongeschikt is. In het onderhavige geval had verweerder echter aanleiding moeten zien om aan arts in te schakelen om eiser te schouwen en zodoende een medisch advies te moeten inwinnen om te kunnen beoordelen waarom eiser niet in staat lijkt om te worden gehoord, of de in detentie beschikbare medische zorg toereikend zal zijn, of eiser in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, dan wel of zijn psychische omstandigheden in detentie door een gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. De “bewijsdrempel” voor eiser om voorafgaand aan oplegging van de maatregel aannemelijk te maken dat hij detentieongeschikt is, is onaanvaardbaar hoog en het leggen van die “bewijslast” bij eiser is onredelijk. Verweerder heeft nagelaten om zich voorafgaand aan oplegging van de maatregel te vergewissen van de detentiegeschiktheid van eiser. In de onderhavige procedure ziet de rechtbank ook hierin aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten.

16. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder bij oplegging van de maatregel niet voldoende heeft onderzocht of de maatregel onevenredig bezwarend is. Verweerder heeft zonder dat hij eiser heeft kunnen horen, 7 zware en 5 lichte gronden opgevoerd in de maatregel om het onttrekkingsrisico te onderbouwen. Indien sprake is van een onttrekkingsrisico dient verweerder echter ook nog te beoordelen of kan worden volstaan met de oplegging van een lichter middel en dus of de maatregel noodzakelijk is om het met de bewaring beoogde doel te bereiken en ook als dat zo is, of de maatregel proportioneel en evenredig is. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:3097). Zoals hiervoor overwogen, is het in bewaring stellen omdat eiser duidelijk (medische) zorg nodig heeft en “binnen beter af is dan buiten”, geen argument om eiser in bewaring te stellen en ook geen argument om geen verdere beoordeling te maken van de evenredigheid van de oplegging van de maatregel. In de maatregel is met betrekking tot het lichter middel het navolgende overwogen:

(…)

De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, te weten (….) welke zouden moeten leiden tot (het voortzetten van) een minder dwingende maatregel maakt diens inbewaringstelling niet onevenredig bezwaarlijk omdat:

Voor wat betreft de daarbij aangevoerde omstandigheden, te weten: Vreemdeling heeft medische bijzonderheden welke hij niet kan benoemen. In het dossier is een medisch advies aanwezig uit juli 2021 waaruit blijkt dat vreemdeling niet gehoord kan worden in verband met verslavingsproblematiek. Heden 21 februari 2025 constateren twee HoVJ's van de KMAr dat de vreemdeling niet in staat (lijkt) is om de vragen inhoudelijk te beantwoorden. Vreemdeling geeft aan dat hij ziek is in zijn hoofd en aan WA WA lijdt.

Vreemdeling zit apathisch in de ruimte naar een punt in de verte te staren. HoVJ's achten

vreemdeling niet in staat om aan een gehoor deel te nemen.

Tevens wordt bij het opleggen van deze maatregel van bewaring het volgende overwogen:

Vreemdeling heeft overduidelijk zorg nodig. Vreemdeling heeft geen netwerk in Nederland en geen financiële middelen. Vreemdeling geeft ook aan regelmatig niet te weten waar hij zich bevindt. Vreemdeling heeft geen identiteitsdocumenten en kan niet op enige wijze in zijn eigen levensonderhoud voorzien.

Tijdens het aan de inbewaringstelling voorafgaande gehoor heeft betrokkene onder meer

gewezen op zijn gezondheidstoestand. Betrokkene heeft aangegeven dat zijn

gezondheidstoestand te wensen over laat omdat hij last heeft van zijn hoofd aan een ziekte genaamd WA WA.

Vreemdeling oogt verward.

Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden

gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Indien er zich onverhoopt medische omstandigheden voordoen kan de behandeling in de detentie- en uitzetcentra worden aangevraagd, aangevangen dan wel worden voortgezet. Nu er sprake is van gelijkwaardige gezondheidszorg maakt dit betrokkene niet detentieongeschikt. In zoverre bezien hoeft hierom niet te worden volstaan met het toepassen van een lichtermiddel dan de inbewaringstelling.

(…)

17. De rechtbank acht deze motivering ontoereikend. Het tekstblok “Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij” betekent niet meer dan dat er in het DTC een medische dienst is tot wie de in bewaring gestelde vreemdeling zich kan wenden bij medische en/of psychische klachten. Deze mededeling in de maatregel, die overigens feitelijk onjuist is, behelst echter geen op de persoon van eiser toegespitste motivering met betrekking tot de vraag of het ondergaan van de maatregel onevenredig bezwarend is. De medische dienst kan weliswaar medicatie verstrekken en eiser toegang bieden tot gesprekken met een psycholoog, maar dit betekent niet dat daarmee het ondergaan van de maatregel door eiser niet meer als dermate zwaar kan worden ervaren dat moet worden geconcludeerd dat het onevenredig bezwarend is om aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en daarom hiervan moet worden afgezien. Of het ondergaan van een bewaringsmaatregel onevenredig bezwarend is, vergt dus een beoordeling die ziet op hoe het voor eiser is, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden en dus ook zijn medische en psychische conditie, om in bewaring te worden gesteld om de terugkeer naar Algerije te bewerkstelligen. De rechtbank begrijpt dat deze beslissing gecompliceerd is omdat eiser niet in staat was om te worden gehoord. Verweerder heeft, zoals hiervoor overwogen, niet voldaan aan zijn inspanningsplicht om informatie te vergaren over eiser en de belangen die met een inbewaringstelling zijn gemoeid. Dit bemoeilijkt het beoordelen of de maatregel onevenredig bezwarend is. In het onderhavige geval is de motivering beperkt tot -kort gezegd- het vaststellen dat eiser zorg nodig heeft en dat in het DTC zorg kan worden geboden. In deze motivering wordt voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de bewaringsmaatregel een administratieve vrijheidsontnemende maatregel is die ertoe strekt om eiser te kunnen uitzetting en niet om eiser zorg te verlenen. Hoewel het hebben van een slaapplaats, maaltijden, sanitaire voorzieningen en medische zorg voor eiser “buiten” niet zonder meer vanzelfsprekend zal zijn, is niet gemotiveerd waarom aan eiser alleen zorg zou kunnen worden verleend door hem in bewaring te stellen. Verweerder had zich er rekenschap van moeten geven hoe eiser het ondergaan van een vrijheidsontnemende maatregel zou ervaren.

18. Verweerder heeft voorafgaand aan de maatregel dus niet goed genoeg onderzocht of de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend zou zijn en heeft in de maatregel onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom niet is volstaan met de oplegging van een lichter middel. De rechtbank overweegt voorts, zoals ook uitgebreid besproken ter zitting, dat de beoordeling of moet worden volstaan met de oplegging van een lichter middel geen eenmalige beoordeling is die moet plaatsvinden voorafgaand aan oplegging van de maatregel. Zolang eiser in bewaring wordt gehouden moet verweerder in de gaten houden of de tenuitvoerlegging van de maatregel nog gerechtvaardigd is, of dat alsnog moet worden volstaan met de oplegging van een lichter middel, dan wel of de maatregel moet worden opgeheven. Verweerder heeft op 25 februari 2025 een vertrekgesprek gehouden. De regievoerder heeft eiser bevraagd over zijn medische problematiek en hem geadviseerd om zich tot de medische dienst te wenden en zijn klachten daar te bespreken. De rechtbank begrijpt dat de regievoerder eiser verwijst naar de medische dienst. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat verweerder na het opleggen van de maatregel zonder eiser te kunnen horen vanwege zijn medische en/of psychische klachten, zich nader heeft vergewist van de vraag of het ondergaan van de maatregel onevenredig bezwarend is voor eiser. De regievoerder heeft geen toegang tot het medische dossier van eiser tenzij hij daarvoor toestemming geeft. Niet duidelijk is of eiser zich inmiddels heeft gewend tot de medische dienst, niet duidelijk is of eiser bij binnenkomst in het DTC een zogenoemde medische intake heeft gehad en wat daar de bevindingen van zijn geweest en niet duidelijk is of verweerder op enig moment heeft overwogen om eiser op een andere locatie, waar méér en andere zorg beschikbaar is, de maatregel te laten ondergaan. De rechtbank concludeert daarom dat niet alleen voorafgaand aan de maatregel onvoldoende is onderzocht of volstaan moest worden met de oplegging van een lichter middel, maar dat gedurende de tenuitvoerlegging van de maatregel ook niet -kenbaar- een nadere actuele beoordeling is verricht van de belastbaarheid van eiser en zijn vermogen om de maatregel te ondergaan zonder dat dit onevenredig bezwarend is. De rechtbank overweegt tot slot dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat eiser zich tot de Directeur van het DTC kan wenden met een verzoek om te laten beoordelen of hij detentiegeschikt is. De rechtbank merkt op dat dit veronderstelt dat eiser wéét dat deze mogelijkheid bestaat en dat verweerder er goed aan doet om dit kenbaar te maken aan vreemdelingen die kampen met forse medische en psychische problematiek, mede gelet op de Afdelingsjurisprudentie over de bewijslast en de bewijsdrempel. Ook veronderstelt dit dat eiser zelf onderkent dat hij mogelijk niet detentiegeschikt is en dat dit kan worden beoordeeld. Indien eiser dit niet onderkent kan immers bezwaarlijk van hem worden verwacht dat hij een hiertoe strekkend verzoek indient. Verweerder zou bovendien ook zelf kunnen verzoeken om een dergelijk onderzoek of hiertoe zelf een arts kunnen inschakelen, gelet op de omstandigheid dat de bewijslast voor het rechtmatige karakter van de oplegging en tenuitvoerlegging van de maatregel op verweerder rust. Voor zover eiser kan verzoeken om een detentiegeschiktheids-onderzoek, betekent dit dus niet dat verweerder niet langer zelf hoeft te bewaken of de verdere tenuitvoerlegging van de maatregel onevenredig bezwarend is geworden.

19. De rechtbank concludeert dat verweerder zijn inspanningsplicht om eiser te horen heeft geschonden, dat verweerder gelet op de concrete feiten en omstandigheden van dit geval, zelf had moeten onderzoeken of eiser “detentiegeschikt” is en dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de maatregel onevenredig bezwarend is en volstaan moest of alsnog moet worden met de oplegging van een lichter middel en bovendien het afzien van een lichter middel ook onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank verduidelijkt hierbij dat deze drie redenen alle drie op zichzelf reeds redengevend zijn voor de rechtbank om de bewaring van aanvang af onrechtmatig te achten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de overige beroepsgronden van eiser en de overige rechtmatigheidsaspecten van de maatregel te beoordelen.

20. De rechtbank zal de opheffing van de maatregel bevelen en de -onmiddellijke- invrijheidstelling van eiser gelasten.

21. De rechtbank zal eiser voorts in aanmerking brengen voor schadevergoeding ten laste van de Staat. De rechtbank zal hierbij de standaardmatig toegekende bedragen hanteren en dus bepalen dat aan eiser een bedrag van € 1.300,- wordt vergoed omdat hij 13 dagen onrechtmatig in bewaring is gehouden, waarbij de rechtbank opmerkt dat eiser op de dag van de inbewaringstelling in het DTC is geplaatst.

22. De rechtbank zal omdat het beroep gegrond is ook een proceskostenveroordeling uitspreken en stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;

- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.300,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A.E. van de Venne, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 maart 2025,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.