Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBDHA:2024:7823

Rechtbank Den Haag
15-05-2024
24-05-2024
C/09/643952 HAZA 23-214
Verbintenissenrecht
Bodemzaak,Eerste aanleg - enkelvoudig

anderbeslag; depotovereenkomst; artikel 94a lid 3 Sv (oud) of artikel 94a lid 4 Sv?; verhaalsfrustratie?; andere procedure: klaagschriftprocedure 552 Sv

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/643952 / HA ZA 23-214

Vonnis van 15 mei 2024

in de zaak van

[eiseres] te [woonplaats] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) te Den Haag,

gedaagde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.

1 Inleiding: waar gaat deze zaak over?

1.1.

De Staat heeft in 2010 strafvorderlijk beslag gelegd (zogeheten “anderbeslag”) op het (onverdeelde) aandeel van [eiseres] in een woning waarvan zij en haar partner ieder voor de helft eigenaar zijn. Dit beslag heeft de Staat gelegd om verhaal veilig te stellen van de aan de partner van [eiseres] opgelegde maatregel ter ontneming van door hem met de handel in verdovende middelen wederrechtelijk verkregen voordeel. Om de verkoop en levering van de woning aan een derde mogelijk te maken is in december 2022 tussen [eiseres] en de Staat een overeenkomst gesloten op grond waarvan het anderbeslag is opgeheven en het aandeel van [eiseres] in de verkoopopbrengst (€119.242,78) in depot onder de notaris is gesteld. [eiseres] maakt nu aanspraak op dit bedrag. De Staat voert verweer. Volgens hem is de woning voor de helft op naam van [eiseres] gezet om later verhaal daarop te frustreren en komt het bedrag in depot daarom toe aan de Staat.

2 De procedure

2.1.

Het procesdossier bestaat uit:

- de dagvaarding van 2 maart 2023, met producties 1 tot en met 10;

- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;

- het tussenvonnis van 12 juli 2023 waarin een mondelinge behandeling is bevolen;

- de akte overlegging producties, tevens wijziging van eis, ingekomen bij de griffie op 14 maart 2024, met 1 productie.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2024. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die zijn toegevoegd aan het griffiedossier.

2.3.

De datum waarop vonnis wordt gewezen is bepaald op vandaag.

3 De feiten

3.1.

[eiseres] is sinds 1984 de partner van de heer [naam] . [naam] is in de periode van 6 februari 1997 tot en met 5 februari 2001 gedetineerd geweest wegens de handel in verdovende middelen. Aan hem is in verband hiermee een ontnemingsmaatregel opgelegd van fl. 600.000. [naam] heeft dit bedrag aan de Staat voldaan.

3.2.

Op 1 februari 2007 hebben [eiseres] en [naam] samen een woning gekocht aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning) voor een bedrag van € 325.000. Zij zijn ieder voor de helft eigenaar van die woning geworden. Voor de betaling van de koopprijs van de woning hebben zij een hypothecaire lening van € 356.000 afgesloten. Het betreft een zogeheten aflossingsvrije hypotheek.

3.3.

Enige tijd daarna is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen [naam] wegens – kort gezegd – de verdenking van handel in verdovende middelen, deelname aan een criminele organisatie en witwassen. Omdat er aanwijzingen waren dat [naam] door het plegen van deze strafbare feiten wederrechtelijk voordeel had verkregen, is eveneens een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) gestart. Dat onderzoek richtte zich op het voordeel dat in de periode tussen 1 januari 2007 en 24 februari 2009 door [naam] was verkregen.

3.4.

Met het oog op de ontneming van het door [naam] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het openbaar ministerie (OM) op 16 juni 2010 conservatoir anderbeslag gelegd als bedoeld in artikel 94a lid 3 Wetboek van Strafvordering (oud) (hierna Sv), nu artikel 94a lid 4 Sv, op het onverdeelde aandeel van [eiseres] in de woning.

3.5.

Op 21 april 2011 is [naam] door de rechtbank Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar wegens, kort gezegd, handelen in strijd met de Opiumwet, leiding geven aan een criminele organisatie en witwassen. De rechtbank heeft daarin onder meer vastgesteld dat het salaris dat [naam] vanaf 1 oktober 2006 van [bedrijfsnaam] B.V. (hierna [bedrijfsnaam] ) ontving op basis waarvan de in 3.2 genoemde hypothecaire geldlening kon worden verkregen, feitelijk door hemzelf werd betaald via een gekunstelde constructie “waarbij geldbedragen werden gestort en overgeboekt door middel van buitenlandse vennootschappen”. In dit strafvonnis oordeelt de rechtbank dat de geldbedragen waarmee [bedrijfsnaam] in staat werd gesteld de (zogenaamde) salarisbetalingen aan [naam] te doen, van misdrijf afkomstig waren.

3.6.

Het SFO is op 7 februari 2013 gesloten. In het proces-verbaal van het SFO is onder meer vastgelegd dat [naam] op het moment van aangaan van de hypothecaire lening voor de woning een fictief dienstverband had met [bedrijfsnaam] en dat hij via verschillende buitenlandse rechtspersonen feitelijk zelf zijn salaris betaalde. Dat salaris bedroeg volgens de aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 2007 en 2008 bruto ongeveer € 60.000 per jaar. [eiseres] had volgens de aangiftes in die jaren een jaarloon van ongeveer € 5.000.

3.7.

In de ontnemingsprocedure heeft het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 29 januari 2021 het door [naam] verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 1.213.334,69 en [naam] de verplichting opgelegd om dat bedrag, verminderd met € 100.000 (in verband met de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van deze procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep), derhalve € 1.113.334,69, aan de Staat te betalen.

3.8.

Eind 2022 hebben [eiseres] en [naam] de woning verkocht.

3.9.

Om de verkoop en levering van de woning door te kunnen laten gaan, hebben [eiseres] , het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), dat is belast met de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel, en notaris mr. [naam notaris] op 15 december 2022 een depotovereenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat:

  • -

    het door het CJIB op de woning gelegde beslag wordt opgeheven;

  • -

    de notaris wegens een verschil van mening tussen het CJIB en [eiseres] “inzake de rechtsgeldigheid van het beslag” het aan [eiseres] toekomende aandeel in de netto-verkoopopbrengst van € 119.242,78 onder zich houdt;

  • -

    de notaris slechts tot uitkering aan het CJIB of [eiseres] mag overgaan indien:

o hij van het CJIB schriftelijk bericht ontvangt dat het depotbedrag aan [eiseres] kan worden uitgekeerd; of

o hij van beide partijen een gelijkluidende schriftelijke opdracht tot uitkering ontvangt;

o dat volgt uit een rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan dan wel uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;

- alle kosten die door de notaris in het kader van de depotovereenkomst worden gemaakt, de kosten van doorhaling van het beslag, de kosten van afwikkeling van het depot, en de kosten met betrekking tot het opstellen van de depotovereenkomst voor rekening komen van de partij aan wie het in depot gestelde bedrag uiteindelijk niet betaalbaar wordt gesteld.

3.10.

Verder is in de depotovereenkomst opgenomen dat als er op 15 april 2023 geen opdracht of een schriftelijk bericht door het CJIB en/of [eiseres] aan de notaris is verstrekt, noch een gerechtelijke procedure is aangespannen “omtrent de rechtsgeldigheid van het beslag”, de notaris het depotbedrag aan het CJIB uitkeert.

3.11.

Het aandeel van [naam] in de verkoopopbrengst van de woning is betaald aan het CJIB in mindering op de ontnemingsvordering.

4 Het geschil

4.1.

[eiseres] vordert in deze procedure, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat het in 2010 gelegde beslag onwettig, zo niet onrechtmatig is, nu de onderbouwing en of motivering voor het leggen van dit beslag onjuist en onvolledig is en noch aan de wetsuitleg van voor 2011 noch aan die van na 2011 voldoet;

II. bepaalt dat het beslag moet worden opgeheven, dan wel dat dit met terugwerkende kracht moet worden opgeheven, waarbij de verkoop en levering zonder tussenkomst van de depotovereenkomst had kunnen worden gepasseerd;

III. bepaalt dat het bedrag in depot bij de notaris volledig toekomt aan [eiseres] en dat, zoals afgesproken, de Staat alle kosten en/of financiële verplichtingen zal dienen te dragen;

IV. de Staat in de proceskosten veroordeelt, waarbij de kosten voor rechtsbijstand worden vastgesteld op de reëel gemaakte kosten, althans op het bedrag dat volgens het liquidatietarief verschuldigd is.

4.2.

Aan deze vorderingen legt [eiseres] onrechtmatig handelen van de Staat ten grondslag. Volgens [eiseres] is niet voldaan aan de vereisten voor het leggen van anderbeslag: niet aan de vereisten die artikel 94a lid 3 Sv (oud) stelde en ook niet aan de vereisten die het huidige artikel 94a lid 4 Sv stelt. [eiseres] stelt verder dat, voor zover het beslag al rechtmatig is gelegd, de Staat zich maar kan verhalen op een bedrag van
€ 83.350,02, zijnde het door het gerechtshof aan de woning toegekende wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is in geschil aan wie het bedrag in depot (hierna: het geldbedrag) toekomt. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het geldbedrag aan haar toekomt omdat het anderbeslag destijds ten onrechte is gelegd. Naast bepaling door de rechtbank dat het geldbedrag aan haar toekomt en opheffing van het anderbeslag, vordert zij een verklaring voor recht dat het in 2010 gelegde beslag onwettig dan wel onrechtmatig was. De rechtbank beoordeelt deze vorderingen hieronder.

I. De gevorderde verklaring voor recht; ontvankelijkheid

5.2.

Omdat [eiseres] aan deze vordering onrechtmatig handelen van de Staat ten grondslag legt, is de civiele rechter bevoegd om van deze vordering kennis te nemen. Maar voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke behandeling van deze vordering, moet zij eerst beoordelen of [eiseres] daarin ontvankelijk is. De Staat heeft als verweer gevoerd dat dit niet het geval is omdat [eiseres] de vraag of het conservatoire beslag toen het werd gelegd onrechtmatig was, door het indienen van een klaagschrift zoals bedoeld in artikel 552a Sv, ter beoordeling aan de bevoegde (straf)rechter had kunnen voorleggen. Bovendien heeft [eiseres] volgens de Staat geen belang bij de vordering, omdat het CJIB, ook al zou het conservatoire beslag niet rechtsgeldig zijn gelegd, alsnog executoriaal beslag op de woning (dan wel de verkoopopbrengst) had kunnen leggen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

5.3.

Voorop staat dat de burgerlijke rechter “restrechter” is. De rechtzoekende is slechts ontvankelijk bij de burgerlijke rechter, als voor hem of haar (i) geen strafrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft open gestaan waarin de inbeslagname getoetst kon worden, of (ii) indien weliswaar een mogelijkheid bestaat of heeft bestaan om het geschil aan de orde te stellen in een bijzondere, daarvoor aangewezen rechtsgang, maar deze rechtsgang niet met voldoende waarborgen is omkleed.

5.4.

Artikel 552a lid 1 Sv biedt de mogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift over de inbeslagneming en over het uitblijven van een last tot teruggave. Het is vaste rechtspraak dat deze beklagprocedure een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is die, gelet op gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het strafrecht, de gang naar de burgerlijke rechter afsluit.

5.5.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat [eiseres] een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ter beschikking heeft gestaan. Dat het niet mogelijk is om in het kader van de klachtprocedure als bedoeld in artikel 552a Sv een verklaring voor recht te vorderen maakt dit niet anders. Het doel van de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht is immers de rechtmatigheid van de inbeslagneming te laten toetsen en diezelfde toetsing zou in de klachtprocedure hebben plaatsgevonden.

5.6.

De stelling van [eiseres] dat zij de klachtprocedure als bedoeld in artikel 552a Sv niet heeft kunnen benutten omdat zij pas eind 2022 in kennis werd gesteld van het beslag, volgt de rechtbank niet. Uit het deurwaardersexploot dat zich in het dossier bevindt, blijkt dat op 21 juni 2010 aan [eiseres] (en aan [naam] ) een machtiging strafrechtelijk onderzoek, een bevel tot inbeslagneming ex artikel 94a Sv van 2 juni 2010 en een proces-verbaal van beslaglegging van 16 juni 2010 zijn betekend op het adres [adres] te [plaatsnaam] , destijds het woonadres van [eiseres] en [naam] . In het exploot heeft de deurwaarder vermeld dat hij, omdat hij op dat adres niemand aantrof aan wie hij het afschrift rechtsgeldig kon laten, het afschrift aan dat adres heeft gelaten in een gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijk voorgeschreven. Dit is in overeenstemming met de wettelijke vereisten als bepaald in artikel 47 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het deurwaardersexploot is een authentieke akte en aan de juistheid van de gedane mededelingen door die gerechtsdeurwaarder in het kader van de uitoefening van zijn ambt hoeft daarom niet te worden getwijfeld. Het exploot levert immers op grond van artikel 157 lid 1 Rv dwingend bewijs op van wat de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid over zijn waarnemingen of verrichtingen heeft verklaard. Daarmee staat, behoudens tegenbewijs door [eiseres] , in rechte vast dat het exploot daadwerkelijk is achtergelaten aan het adres [adres] te [plaatsnaam] en dus dat het daar is aangekomen. De enkele stelling van [eiseres] dat het zeer wel te verwachten is dat de envelop van haar is weggehouden en dat zij het exploot nooit eerder dan in 2022 heeft gezien, is onvoldoende om de juistheid van de verklaring van de deurwaarder in twijfel te trekken. Indien en voor zover het exploot [eiseres] vervolgens desondanks feitelijk niet heeft bereikt (bijvoorbeeld door toedoen van [naam] ), komt dat, behoudens bijzondere omstandigheden die [eiseres] niet heeft gesteld en die overigens ook niet uit de processtukken blijken, voor haar rekening en risico.

5.7.

De conclusie is dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering betreffende de verklaring voor recht als weergegeven onder 4.1.I. Het verweer van de Staat dat [eiseres] geen belang heeft bij deze vordering, behoeft om die reden dan ook geen behandeling.

II. De gevorderde opheffing van het beslag

5.8.

Ten aanzien van de gevorderde opheffing van het beslag stelt de rechtbank vast dat in de depotovereenkomst – onder meer – is bepaald dat het gelegde beslag tegen zekerheidstelling wordt opgeheven om de levering van de woning aan een derde mogelijk te maken. Vervolgens heeft de levering van de woning plaatsgevonden en is het aan [eiseres] toekomende aandeel in de netto-verkoopopbrengst van de woning als zekerheid in depot bij de notaris gegeven. Aldus is het beslag geëindigd, gelet op het bepaalde in artikel 118a Sv (beslagen voorwerp is teruggegeven onder zekerheidstelling), gelezen in samenhang met artikel 134, tweede lid onder a, Sv (het beslag wordt beëindigd doordat het inbeslaggenomen voorwerp wordt teruggegeven). Opheffing van het beslag is daardoor niet meer aan de orde. Deze vordering zal de rechtbank daarom afwijzen.

III. De vordering met betrekking tot het bedrag in depot bij de notaris

5.9.

De rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de vordering van [eiseres] te bepalen dat het geldbedrag in depot aan haar toekomt, omdat de burgerlijke rechter de bevoegde rechter is in geschillen over de uitvoering, de teruggave daaronder begrepen, van een overeengekomen zekerheidstelling1.

5.10.

Op grond van de depotovereenkomst is het anderbeslag opgeheven en is door [eiseres] de netto-opbrengst van de woning als zekerheid gesteld (artikel 118a Sv). Die zekerheid strekt tot verhaal voor de verplichting tot betaling van het geldbedrag gemoeid met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van artikel 94a Sv. [eiseres] en het OM zijn overeengekomen dat de gestelde zekerheid in depot blijft totdat duidelijkheid bestaat over de rechtsgeldigheid van het anderbeslag. Tegen die achtergrond en gelet op wat partijen daarover over en weer hebben verklaard, begrijpt de rechtbank dat partijen het antwoord op de vraag of en aan wie de notaris het geldbedrag dient uit te keren (bij gebreke van overeenstemming tussen partijen daarover) afhankelijk hebben gesteld van het oordeel van de (civiele) rechter over de volgende vraag: had het conservatoire anderbeslag op het aandeel van [eiseres] in de woning, gelet op de inhoudelijke vereisten die daarvoor gelden, door de Staat (het CJIB) rechtsgeldig kunnen worden uitgewonnen (indien het niet tegen zekerheidstelling was opgeheven)? Indien de rechter die vraag bevestigend beantwoordt, dient de vordering van [eiseres] te worden afgewezen. Indien de rechtbank die vraag ontkennend beantwoordt, moet de vordering van [eiseres] worden toegewezen, met dien verstande dat de notaris pas tot uitkering van het depotbedrag aan [eiseres] mag overgaan indien het desbetreffende vonnis in kracht van gewijsde is gegaan dan wel uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Toetsingskader: oud recht of huidig recht?

5.11.

De vraag is allereerst of de beoordeling moet plaatsvinden naar het recht dat gold ten tijde van het leggen van het anderbeslag (artikel 94a lid 3 Sv (oud)), zoals [eiseres] heeft gesteld, of, zoals de Staat betoogt, het recht ten tijde van het sluiten van de depotovereenkomst (artikel 94a lid 4 Sv), toen het zogenoemde afkomstvereiste (het vereiste dat het voorwerp van beslag afkomstig moet zijn uit het misdrijf in verband waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen) voor anderbeslag was vervallen.

5.12.

Anders dan artikel 1 Wetboek van Strafrecht, bevat artikel 1 Sv geen algemene regel van overgangsrecht bij verandering van wetgeving op het terrein van de strafvordering. In de jurisprudentie wordt echter uitgegaan van de onmiddellijke toepasselijkheid van nieuw strafprocesrecht en dus van de wettelijke regeling zoals die geldt ten tijde van het verrichten van de desbetreffende strafvorderlijke handeling. Als geen depotovereenkomst zou zijn gesloten en het CJIB zou zijn overgegaan tot uitwinning van het gelegde anderbeslag, zou het CJIB het ontnemingsarrest van het Gerechtshof Den Haag van 29 januari 2021 aan [eiseres] hebben laten betekenen. Met die betekening zou het op de voet van artikel 94a Sv gelegde conservatoire beslag zijn overgegaan in een executoriaal beslag. Voor toetsing aan artikel 94a Sv zou dan moeten worden uitgegaan van de wettelijke regeling zoals die gold ten tijde van de aanvang van de executoriale fase.2

5.13.

In dit geval is er niet overgegaan tot executie van het anderbeslag, maar is in plaats daarvan de depotovereenkomst gesloten, op grond waarvan het anderbeslag werd opgeheven en zekerheid is gesteld voor verhaal door de Staat. De rechtbank is van oordeel dat het sluiten van de depotovereenkomst dan heeft te gelden als de relevante strafvorderlijke handeling. De beoordeling van de vraag of aan de inhoudelijke vereisten van anderbeslag is voldaan, dient daarom plaats te vinden aan de hand van de wettelijke regeling zoals die gold tijdens het aangaan van de depotovereenkomst op 15 december 2022.

5.14.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de in 5.10 geformuleerde vraag beoordelen aan de hand van artikel 94a lid 4 Sv en niet artikel 94a lid 3 Sv (oud). Het afkomstvereiste speelt in die beoordeling daarom geen rol. Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat het CJIB in plaats van de depotovereenkomst aan te gaan ook zonder voorafgaand conservatoir beslag executoriaal anderbeslag had kunnen laten leggen op het aandeel van [eiseres] in de woning. Uiteraard zouden dan ook de op het moment van de executoriale beslaglegging geldende strafprocesrechtelijke bepalingen van toepassing zijn geweest. Uit artikel 6:4:5 Sv in verbinding met artikel 94a lid 4 Sv volgt dat voor het leggen van dat executoriaal anderbeslag dezelfde vereisten zouden hebben gegolden als voor het conservatoire anderbeslag (dus zonder dat voldaan behoeft te zijn aan het voorheen geldende afkomstvereiste).

Toetsing aan artikel 94a lid 4 Sv: verhaalsfrustratie en wetenschap

5.15.

Artikel 94a lid 4 Sv bepaalt dat anderbeslag op voorwerpen mogelijk is als er “voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden”. Deze vereisten worden hierna aangeduid als het vereiste van verhaalsfrustratie (met het kennelijke doel de uitwinning te bemoeilijken of te verhinderen) respectievelijk het vereiste van wetenschap (die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden).

Verhaalsfrustratie

Standpunt van de Staat

5.16.

De Staat stelt dat sprake is van verhaalsfrustratie omdat:

a. a) de woning weliswaar voor de helft op naam van [eiseres] stond, maar feitelijk van [naam] was. [eiseres] had onvoldoende inkomen (€ 360,- per maand) om de hypotheeklast van de woning (€ 1425,- per maand) te dragen, ook niet de helft daarvan, en het is onaannemelijk dat zij iets heeft bijgedragen, gelet op haar overige uitgaven. Dat is een aanwijzing voor het ontbreken van een reëel economisch motief voor gedeeld eigenaarschap;

b) de woning was gefinancierd met behulp van een schijnconstructie, namelijk een fictief dienstverband van [naam] met [bedrijfsnaam] op grond waarvan [naam] via verschillende buitenlandse rechtspersonen feitelijk zelf zijn salaris betaalde;

c) [naam] over de woning beschikte alsof hij daarvan de eigenaar was. Hij regelde de verbouwing en bepaalde alles wat daarmee verband hield;

d) er ook drie auto’s en een scooter op naam van [eiseres] stonden die betaald zijn met wederrechtelijk verkregen geld. Toen deze in beslag werden genomen is [eiseres] daartegen niet opgekomen. Kennelijk vond zij dat deze voertuigen eigendom van [naam] waren;

e) aan [naam] al eerder een ontnemingsmaatregel was opgelegd. Hij was dus bekend met de financiële consequenties van een dergelijke maatregel. Gelet daarop is het aannemelijk dat hij nadien trachtte zijn vermogen te onttrekken aan verhaal. De investeringen in buitenlandse vennootschappen, buitenlands onroerend goed (€125.000), het aanhouden van een buitenlandse bankrekening (€ 345.000) en de aankoop van een boot (€ 411.378) wijzen daarop.

Dit alles tezamen maakt volgens de Staat dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het aandeel van de woning van [eiseres] aan haar is gaan toebehoren met het kennelijke doel verhaal te frustreren.

Standpunt [eiseres]

5.17.

heeft betwist dat sprake is van verhaalsfrustratie en dat zij daarvan wist. Zij heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij al sinds 1984 de partner is van [naam] , dat de woning hun eerste koophuis was na diverse huurwoningen en dat zij de woning samen als stel hebben gekocht en het daarom op hun beider naam hebben gezet. Zij verdiende weliswaar minder maar betaalde ook aan de hypotheek(rente) en zorgde verder voornamelijk voor de kinderen en het huishouden, terwijl haar partner naar zijn werk ging. In haar vriendenkring was de taakverdeling hetzelfde en stonden de woningen ook op naam van beide partners. Verder wijst [eiseres] erop dat zij vanaf 2009 twee banen had, haar inkomen sindsdien aanzienlijk is gestegen en zij tot de verkoop van het huis in 2022 de hypotheeklasten heeft voldaan. Dat de financiering van de woning is verkregen met behulp van een schijnconstructie is [eiseres] pas later te weten gekomen. Zij wist destijds alleen dat [naam] voor softwarebedrijf [bedrijfsnaam] werkte en daarvoor een vast salaris ontving dat, samen met haar salaris uit haar parttimebaan van 2 dagen, genoeg was om een hypotheek te krijgen. Het salaris van [naam] werd gewoon op de bankrekening gestort. Over de auto’s en de scooters heeft [eiseres] verklaard dat de Alpha Romeo van haar was en de scooter van haar dochter. De overige auto’s waren in haar beleving niet van haar, maar stonden op haar naam omdat het voor [naam] vanwege zijn eerdere veroordeling moeilijk was om een auto te laten verzekeren. [eiseres] wijst er verder op dat zij niet letterlijk heeft verklaard als in het samenvattend proces-verbaal van het SFO is opgenomen, of in ieder geval dat niet zo heeft bedoeld. Ten tijde van het verhoor was zij volledig overdonderd en geïmponeerd: haar partner was meegenomen, haar kinderen waren thuis achtergebleven, en haar was verteld dat niet bekend was hoelang het verhoor ging duren maar dat ze haar pyjama moest meenemen.

Rechtbank: niet voldaan aan het vereiste van verhaalsfrustratie

5.18.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het aan de Staat is om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, waaruit volgt dat voldaan is aan het vereiste van verhaalsfrustratie. Dat betekent dat de Staat, kort gezegd, aannemelijk moet maken dat sprake is van een schijnconstructie, omdat de woning “eigenlijk” volledig aan [naam] in eigendom toebehoorde, maar voor de (onverdeelde) helft op naam van [eiseres] is gesteld met het kennelijke doel uitwinning van de woning door de Staat/het CJIB voor een geldboete, ter voordeelontneming of ten behoeve van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel te frustreren. Hierin is de Staat naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Daarvoor is het volgende redengevend.

5.19.

Aan de Staat kan worden toegegeven dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat als een voorwerp aan een ander is gaan toebehoren zonder dat daarbij sprake is van een reële economische transactie dan wel zonder dat aan die verkrijging een redelijk economisch motief ten grondslag ligt, dit een indicatie kan zijn dat sprake is van verhaalsfrustratie.3Maar deze indicatie geldt niet, althans niet zonder meer, waar het gaat om een woning die wordt verkregen door (huwelijks)partners met het doel om die woning gemeenschappelijk te bewonen (gezinswoning). Het is in die situatie algemeen maatschappelijk aanvaard dat de ene partner (voornamelijk) het geld binnenbrengt waarmee de woning wordt gefinancierd en de andere partner (vooral) zorg draagt voor de opvoeding van de kinderen en het huishouden, en dat bij die taakverdeling (of zo men wil: bij die wederzijdse inbreng) past dat de woning voor gelijke delen in eigendom aan beide partners toebehoort.4 Het enkele feit dat de partner die zorg draagt voor de kinderen en het huishouden niet (of niet in gelijke mate) geldelijk bijdraagt aan de financiering van de woning, brengt dan niet mee dat het toedelen van de helft van die woning aan die partner is aan te merken als een schijnconstructie die kwalificeert als verhaalsfrustratie in bovengenoemde zin.

5.20.

[eiseres] heeft onweersproken gesteld dat de in nr. 5.19 omschreven taakverdeling tijdens en in de eerste periode na de aankoop van de woning op haar en [naam] van toepassing is geweest. Na verloop van de tijd is zij steeds meer uren gaan werken en ook meer gaan bijdragen aan het betalen van de hypotheekrente. Vanaf 2009, toen [naam] in detentie zat en geen inkomen meer had, tot aan de verkoop van de woning heeft [eiseres] volgens haar verklaring de rentelasten (vrijwel) geheel uit haar inkomen voldaan. Dat duidt naar het oordeel van de rechtbank niet op de door de Staat gestelde schijnconstructie.

5.21.

In de overige door de Staat genoemde omstandigheden ziet de rechtbank evenmin voldoende aanwijzingen voor het bestaan van een schijnconstructie ten aanzien van de woning. Dat [naam] alles regelde met betrekking tot de woning, zoals de verbouwing, past in het beeld van de taakverdeling, waarbij [eiseres] voor de kinderen en het huishouden zorgde en [naam] verantwoordelijk was voor de financiën. De omstandigheid dat de auto’s en een scooter die niet van [eiseres] waren wel op haar naam stonden, heeft [eiseres] ter zitting toegelicht. Uit die toelichting, die de Staat niet heeft weersproken, blijkt dat de reden daarvoor was om de voertuigen te kunnen verzekeren, en geen verband houdt met verhaalsfrustratie. De omstandigheid dat [naam] al eerder een ontnemingsmaatregel is opgelegd en volgens de Staat aannemelijk is dat hij vermogen probeerde te onttrekken aan verhaal omdat hij (zakelijk) heeft geïnvesteerd in buitenlandse vennootschappen, onroerend goed en een boot, en een buitenlandse bankrekening aanhoudt, is op zichzelf evenmin een voldoende aanwijzing om aan te nemen dat de gezinswoning in Nederland doelbewust voor de helft op naam van [eiseres] is gezet om verhaal te bemoeilijken of te verhinderen. Hetzelfde geldt voor de gefingeerde dienstbetrekking met [bedrijfsnaam] : daaruit blijkt weliswaar dat [naam] zich schuldig heeft gemaakt aan hypotheekfraude (hij heeft zich immers bediend van een gefingeerde dienstbetrekking om voor de hypothecaire lening in aanmerking te komen), maar niet dat het op beider naam zetten van de woning is geschied met het kennelijke doel om die woning deels aan verhaal te onttrekken.


De slotsom is dat de stellingen van de Staat, zoals verkort weergegeven in nr. 5.16 a t/m e, afzonderlijk en in onderlinge samenhang beschouwd, niet tot het oordeel kunnen leiden dat aan het vereiste van verhaalsfrustratie is voldaan.

Het vereiste van wetenschap

5.22.

Hoewel het oordeel dat niet voldaan is aan het vereiste van verhaalsfrustratie reeds meebrengt dat het depotbedrag aan [eiseres] dient te worden uitgekeerd, zal de rechtbank, ten overvloede, ook nog beoordelen of aan het wetenschapsvereiste is voldaan.

Standpunt van de Staat

5.23.

Volgens de Staat is voldaan aan het vereiste van wetenschap. Hij wijst in dit verband op het volgende:

a. a) [eiseres] is eerder aangemerkt als medeverdachte, zoals blijkt uit het proces-verbaal;

b) [naam] is al eerder veroordeeld en gedetineerd geweest voor drugshandel. Mede daardoor had [eiseres] kritischer en alerter moeten zijn toen de woning ook op haar naam werd gezet. [eiseres] moet op de hoogte zijn geweest van de mogelijkheid dat een ontnemingsmaatregel kon worden opgelegd, nu deze al eerder aan [naam] was opgelegd. Zij had zich moeten afvragen hoe de woning werd gefinancierd en waarom de woning ook op haar naam werd gezet, temeer nu [naam] niet lang daarvoor een eerdere schuld inzake een ontnemingsvordering van omgerekend € 300.000 had afbetaald;

c) zoals het proces-verbaal vermeldt, maakte [eiseres] zich weleens zorgen over de grote sommen contant geld die haar onder ogen kwamen. Gezien de eerdere veroordeling van [naam] is het onaannemelijk dat Brandt niets wist of geen twijfels had over de herkomst van dat geld. Door niet verder door te vragen aanvaardde zij het risico dat het geld voor haar levensonderhoud en haar woning afkomstig was van een misdrijf.

Het vorenstaande maakt volgens de Staat dat er voldoende aanwijzingen zijn dat [eiseres] wist, althans had moeten vermoeden, dat het huis op haar naam is gezet met verhaalsfrustratie als doel, zodat zij niet te goeder trouw was bij de verkrijging van haar aandeel in de woning.

Het standpunt van [eiseres]

5.24.

Het standpunt van [eiseres] komt er kort gezegd op neer dat zij tijdens de verkrijging van de woning niet beter wist dan dat [naam] werkte voor [bedrijfsnaam] en daarvoor een regulier salaris verkreeg. Het salaris werd maandelijks op de rekening gestort en er werd belasting over betaald. Zij bemoeide zich verder niet met de financiële gang van zaken. Zij wist niet dat sprake was van een schijnconstructie en heeft pas later begrepen hoe de vork in de steel zat.

Rechtbank: niet voldaan aan het wetenschapsvereiste

5.25.

Bij de beoordeling van de vraag of aan het wetenschapsvereiste is voldaan, geldt dat het aan de Staat is om aannemelijk te maken dat [eiseres] wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat haar verkrijging van de helft van de woning een schijnkarakter had en een ongeoorloofde constructie betrof die kennelijk tot doel had om de uitwinning van de woning te bemoeilijken of te verhinderen. Dit betekent dat de Staat aannemelijk dient te maken dat er op dit punt sprake is van kwade trouw van [eiseres] . De rechtbank is van oordeel dat de Staat daarin niet is geslaagd. Daarvoor is het volgende redengevend.

5.26.

Volgens het proces-verbaal van het SFO is [eiseres] in de beginfase van het strafrechtelijk onderzoek nog wel als medeverdachte van [naam] in beeld geweest, maar zij is niet voor enig strafbaar feit vervolgd, laat staan veroordeeld en moet dus voor onschuldig worden gehouden. Aan de omstandigheid dat zij aanvankelijk als medeverdachte werd gezien, kan dus niet het vermoeden worden ontleend dat [eiseres] wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de woning aan haar is gaan toebehoren met als doel verhaalsfrustratie.

5.27.

Dat [naam] eerder was veroordeeld voor drugshandel en aan hem in dat verband al eens een ontnemingsmaatregel was opgelegd, brengt niet mee, anders dan de Staat heeft betoogd, dat [eiseres] zich had moeten afvragen waarom de woning mede op haar naam werd gezet. Zoals hiervoor in nr. 5.19 uiteengezet is, is het niet ongebruikelijk dat een gezinswoning door beide partners in eigendom verkregen wordt. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom [eiseres] in verband met de eerdere veroordeling van [naam] , die tien jaar vóór de verkrijging van de woning had plaatsgevonden, had moeten vermoeden dat sprake was van een schijnconstructie. Dat sprake was van een gefingeerde arbeidsovereenkomst tussen [naam] met [bedrijfsnaam] en met gebruikmaking van die gefingeerde arbeidsovereenkomst de hypothecaire lening kon worden afgesloten, levert ook geen aanwijzing op dat [eiseres] te kwader trouw was bij de verkrijging van de woning, want niet is komen vast te staan dat [eiseres] wist dat er geen reëel dienstverband bestond tussen [naam] en [bedrijfsnaam] en evenmin dat zij weet had van de hypotheekfraude. De in het proces-verbaal van het SFO opgenomen verklaring van [eiseres] dat zij zich wel eens zorgen had gemaakt over de herkomst van het contante geld waarover [naam] beschikte, legt te weinig gewicht in de schaal om wetenschap van verhaalsfrustatie van [eiseres] aan te nemen, nog daargelaten dat [eiseres] ter zitting heeft verklaard dat de hypotheeklasten (rente) altijd via de gezamenlijke bankrekening werden betaald en dat daar geen contant geld aan te pas kwam.

Conclusie: niet voldaan aan de geldende vereisten voor anderbeslag

5.28.

De slotsom is dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de woning voor de helft aan [eiseres] is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van het vermogen van [naam] te bemoeilijken of te verhinderen, en dat [eiseres] dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden. Dit betekent dat niet voldaan is aan de vereisten die gelden voor het conservatoire anderbeslag dat destijds is gelegd op het aandeel van [eiseres] in de woning en dat dit aandeel dan ook niet door de Staat (het CJIB) kan worden uitgewonnen. Zoals in nr. 5.10 overwogen, brengt dit mee dat de vordering van [eiseres] die inhoudt dat de rechtbank zal bepalen dat het geldbedrag dat de notaris in depot houdt volledig aan [eiseres] toekomt, zal worden toegewezen, zoals nader bepaald in de beslissing. De rechtbank zal echter het verzoek van [eiseres] om de uitspraak waarin dit wordt bepaald uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen, omdat die uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet past bij de aard (het declaratoire karakter) van die uitspraak.

Proceskosten

5.29.

De Staat is de partij die hoofdzakelijk ongelijk krijgt en zal daarom in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden veroordeeld.

[eiseres] heeft verzocht om een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor rechtsbijstand ad € 3.982,00. Volgens vaste rechtspraak kunnen werkelijk gemaakte proceskosten alleen worden toegewezen in geval van buitengewone omstandigheden. Dat hiervan sprake is, heeft [eiseres] niet gesteld en is evenmin uit de processtukken gebleken, zodat deze post wordt afgewezen.


De rechtbank begroot de proceskosten daarom als gebruikelijk volgens het Liquidatietarief Civiel, als volgt:

- griffierecht € 314,00

- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × € 614,00)

- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 1.720,00

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering betreffende de verklaring voor recht dat het in 2010 gelegde beslag onwettig, zo niet onrechtmatig is, als weergegeven onder 4.1. onder I.

6.2.

bepaalt dat het bedrag in depot bij de notaris volledig toekomt aan [eiseres] en dat alle kosten en/of financiële verplichtingen die met de depotovereenkomst verband houden conform die overeenkomst voor rekening van de Staat komen;

6.3.

veroordeelt de Staat in de proceskosten van [eiseres] van € 1.720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Staat niet tijdig betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 92 extra aan [eiseres] betalen, plus de kosten van betekening;

6.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2024.

3051

1 Vergelijk Hoge Raad 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9841.

2 Zie Gerechtshof Den Haag 10 januari 1923, ECLI:NL:GHDHA:2023:2, rechtsoverweging 6.3.

3 Kamerstukken II 2001/02, 28 079, nr. 3, p. 18.

4 In gelijke zin A-G Spronken in haar conclusie van 2 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1092, nrs. 3.16 en 3.17.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.