RECHTBANK Den Haag
Zaaknummer / rolnummer: C/09/647979 / HA ZA 23-461
de rechtspersoon naar buitenlands recht
COTY BEAUTY GERMANY GMBH,
te Darmstadt (Duitsland),
eiseres,
advocaat: mr. P.S. Trapman te Rotterdam,
PRESTIGE PERFUMES B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat: mr. P.L. Tjiam te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Coty en Prestige genoemd worden. De zaak is voor Coty inhoudelijk behandeld door mr. Trapman voornoemd en mr. W.J.H. Leppink, advocaat te Rotterdam, en voor Prestige door mr. Tjiam voornoemd en mr. E.R. van der Velde, advocaat te Amsterdam.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 mei 2023 met producties EP1 t/m EP25;
- de conclusie van antwoord met producties GP01 t/m GP06;
- de akte overlegging productie EP26 van 31 augustus 2023 van Coty;
- het tussenvonnis van 24 november 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging aanvullende producties EP27 t/m EP36 van 15 februari 2024 van Coty;
- de akte houdende nadere toelichting producties van 18 februari 2024 van Coty;
- de akte overlegging aanvullende productie GP08 van 25 februari 2024 van Prestige;
- de akte overlegging aanvullende productie EP37 van 26 februari 2024 van Coty;
1.2.
Op 27 februari 2024 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden, waarbij partijen hebben gepleit aan de hand van hun pleitaantekeningen, vragen van de rechtbank hebben beantwoord en hebben gere- en gedupliceerd.
1.3.
Vonnis is bepaald op heden.
2. De feiten
2.1.
Coty is onderdeel van de Coty Groep, een internationale onderneming die zich bezighoudt met de handel in parfum en cosmeticaproducten. Coty is binnen de groep verantwoordelijk voor de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten.
2.2.
Coty verhandelt parfumflessen voorzien van onderstaande merken (hierna: de Coty-merken). Een deel daarvan brengt Coty bewust buiten de Europese Unie (EU) op de markt. Via een trackingsysteem met productcodes houdt Coty bij waar zij haar producten voor het eerst op de markt brengt.
;
- -
het op 21 september 2005 onder nummer 003683661 ingeschreven Uniewoordmerk ‘CHLOE’;
- -
het op 27 januari 1982 onder nummer 0467510 ingeschreven internationale woordmerk ‘DAVIDOFF’ met gelding in onder andere de Benelux;
- -
het op 26 maart 2008 onder nummer 000049254 ingeschreven Uniewoordmerk ‘HUGO BOSS’;
- -
het op 19 juni 2020 onder nummer 018198063 ingeschreven Uniewoordmerk ‘HUGO’;
- -
het op 17 januari 2006 onder nummer 004233003 ingeschreven Uniewoordmerk ‘JIL SANDER’;
- -
het op 27 augustus 2014 onder nummer 012754611 ingeschreven Uniewoordmerk ‘JIL SANDER’;
- -
het op 16 februari 1999 onder nummer 006216592 ingeschreven Uniewoordmerk ‘JOOP!’;
- -
het op 7 november 2003 onder nummer 002786713 ingeschreven Uniewoordmerk ‘JOOP!’;
- -
het op 5 juli 2005 onder nummer 006222046 ingeschreven Uniewoordmerk ‘JOOP!’;
- -
het op 2 september 2010 onder nummer 008779639 ingeschreven Uniewoordmerk ‘CAVALLI’;
- -
het op 2 november 2011 onder nummer 009937699 ingeschreven Uniebeeldmerk
;
- -
het op 22 december 2009 onder nummer 873938 ingeschreven Benelux beeldmerk
;
- het op 30 juli 1999 onder nummer 000752196 ingeschreven Uniebeeldmerk
;
- het op 22 april 2005 onder nummer 003450764 ingeschreven Uniewoordmerk ‘ZINO DAVIDOFF’.
2.3.
Prestige is een Nederlandse onderneming die behoort tot de [bedrijfsnaam] Group en die zich bezig houdt met de wereldwijde import en export van originele parfums, waaronder parfums van de Coty-merken.
2.4.
Prestige heeft op 10 februari 2022, 12 mei 2022, 16 juni 2022 en 28 juni 2022 in totaal 4.196 flessen parfum voorzien van de Coty-merken verkocht en geleverd aan Romscent Trading SRL (hierna Romscent).
2.5.
Romscent is een in Roemenië gevestigde internationale groothandel in parfums en cosmetica en heeft een webshop met de domeinnaam www.romscent.com. In 2019 is Romscent gefuseerd met het bedrijf Le Fragrance en sindsdien exploiteert zij ook een fysieke winkel in Roemenië en een webshop met de domeinnaam www.lefragrance.ro.
2.6.
Romscent heeft de parfumflessen die zij van Prestige heeft gekocht, doorverkocht aan JTG B.V. en F.C.T. B.V., twee in Nederland gevestigde groothandelsondernemingen die zich bezighouden met de import en export van parfum en cosmetica.
2.7.
Op 16 juni 2022 heeft Prestige aan Le Fragrance per e-mail een lijst gestuurd waarin een groot aantal parfumproducten (waaronder van de Coty-merken) en de prijzen daarvan staan vermeld. Ter illustratie is hieronder een deel van deze aanbiedingenlijst weergegeven, waarop te zien is dat producten kunnen worden besteld door het gewenste aantal in te vullen in de rechter kolom:
2.8.
Bij brief van 28 november 2022 heeft Coty Prestige erop gewezen dat zij inbreuk zou hebben gemaakt op de Coty-merken door parfumflessen te verkopen en te leveren aan Romscent terwijl deze parfumflessen niet door Coty voor het eerst in de EU op de markt zijn gebracht en dus niet zijn uitgeput in de zin van artikel 15 lid 1 UMVo1.
2.9.
Bij brief van 29 december 2022 heeft Prestige de merkinbreuk betwist omdat zij de parfumflessen onder T1-status heeft verkocht en geleverd aan Romscent en dus niet in de EU op de markt heeft gebracht.
2.9.1.
Prestige heeft van de betreffende parfumflessen de final loading lists (deels zwartgemaakt) aan Coty verstrekt, waarop onder meer de douanestatus is vermeld waarmee de parfumflessen zijn vervoerd. Zoals ter illustratie op onderstaande final loading list te zien is, staat in de kolom “Customs Status” “T1” vermeld:
Afbeelding verwijderd uit privacyoverwegingen!
2.9.2.
Ook heeft Prestige aan Coty alle administratieve begeleidingsdocumenten verstrekt die door de douane worden afgegeven om het vervoer van de goederen te begeleiden. Zoals ter illustratie op onderstaand begeleidingsdocument te zien is, staat in het vak “REGELING” “T1” vermeld:
k
2.10.
Vervolgens hebben partijen contact met elkaar gehad per e-mail, waarin Coty Prestige erop heeft gewezen dat zij tevens inbreuk zou hebben gemaakt op de Coty-merken door demonstratiemodellen (testers)van parfumflessen aan te bieden terwijl die door Coty in het geheel niet op de markt worden gebracht en dus niet uitgeput zijn in de zin van artikel 15 lid 1 UMVo. In de over en weer verstuurde e-mails zijn partijen bij hun standpunten gebleven, waarna Coty onderhavige procedure is gestart.
3 Het geschil
3.1.
Coty vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
een verklaring voor recht dat Prestige inbreuk heeft gemaakt op de intellectuele eigendomsrechten van Coty, meer specifiek op de Coty-merken, door het aanbieden en/of in voorraad hebben en/of verkopen van de niet-EER-producten en/of demonstratiemodellen, waardoor Prestige schadeplichtig is;
-
een inbreukverbod op de Coty-merken, meer in het bijzonder een verbod op het verhandelen, verkopen, aanbieden, leveren, invoeren en in voorraad hebben van de niet-EER-producten en demonstratiemodellen;
-
Prestige te bevelen tot opgave van:
a) de leveranciers en distributeurs van wie Prestige de niet-EER-producten en demonstratiemodellen heeft verkregen;
b) de geleverde aantallen, nummers, prijzen, leverdata en facturen van niet-EER-producten en demonstratiemodellen;
c) de afnemers, verkochte aantallen, nummers, prijzen, leverdata, afleveradressen en facturen van niet-EER-producten en demonstratiemodellen;
d) de aanwezige voorraad (locatie en hoeveelheid) van niet-EER-producten en demonstratiemodellen;
e) de met niet-EER-producten en demonstratiemodellen gemaakte omzet en winst en de ter berekening daarvan in mindering gebrachte onderbouwde kostenposten;
f) al hetgeen Prestige overigens bekend is omtrent de herkomst en distributiekanalen van de niet-EER-producten en demonstratiemodellen, vergezeld van alle daarop betrekking hebbende stukken, in het bijzonder de gegevens van andere bij de verhandeling betrokken (rechts)personen.
4. recall en rectificatie naar alle afnemers van de demonstratiemodellen;
5. afgifte of vernietiging van de voorraad van de niet-EER-producten en demonstratiemodellen;
6. oplegging van een dwangsom van € 25.000,- per overtreding van de onder 2 t/m 5 opgelegde bevelen en van € 10.000 voor ieder(e) dag(deel) dat een overtreding voortduurt, dan wel een dwangsom van € 500,- voor ieder product waarmee een bevel wordt overtreden;
7. schadevergoeding ter grootte van de door Prestige met de verhandeling van niet-EER-producten en demonstratiemodellen gemaakte winst, althans op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente;
8. veroordeling van Prestige in de volledige proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv2, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Coty legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Prestige inbreuk gemaakt op de
Coty-merken in de zin van artikel 9 lid 2 aanhef sub a, lid 3 en lid 4, in samenhang met artikel 15 lid 1 UMVo door parfumflessen voorzien van de Coty-merken aan te bieden, te verkopen en/of te leveren die niet door Coty of met haar toestemming in de EER in de handel zijn gebracht. Ten eerste heeft Prestige parfumflessen aangeboden, verkocht en geleverd aan een in de EU gevestigde partij (Romscent), terwijl deze parfumflessen door Coty buiten de EU op de markt zijn gebracht. Ten tweede heeft Prestige demonstatiemodellen aangeboden, terwijl deze door Coty zijn uitgezonderd van verkoop en dus niet door haar op de markt zijn gebracht.
3.3.
Prestige voert verweer strekkende tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Coty in de volledige proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.4.
Prestige betwist dat sprake is van merkinbreuk omdat zij de parfumflessen niet in de EU in de handel heeft gebracht. Prestige erkent dat zij parfumflessen aan Romscent heeft verkocht en geleverd, maar dit gebeurde onder de douanestatus T1, zodat de parfum niet door haar in de EU in de handel is gebracht. De verkoop en levering aan een in de EU gevestigde partij impliceert niet noodzakelijkwijs dat die parfumflessen in de EU in de handel worden gebracht (zodat niet is voldaan aan het zogenoemde Class-criterium3). Ten aanzien van de demonstratiemodellen stelt Prestige dat zij deze slechts als productsoort heeft vermeld op een ongerichte prijslijst, terwijl dit aanbod niet heeft geleid tot het in de EU in de handel brengen van een demonstratiemodel.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
De rechtbank is internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen op grond van artikel 123 lid 1, 124 aanhef en onder a en c en artikel 125 lid 1 UMVo, in verbinding met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk, aangezien Prestige in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich op grond van artikel 126 lid 1 UMVo uit tot de gehele EU.
4.2.
Een merkhouder kan zich op grond van artikel 9 lid 2 aanhef sub a UMVo verzetten tegen een derde die zonder zijn toestemming in het economische verkeer een teken gebruikt dat gelijk is aan het merk voor waren die gelijk zijn aan de waren waarvoor het merk is ingeschreven. Op grond van lid 3 onder b kan de merkhouder in het bijzonder verbieden dat dergelijke waren worden aangeboden, in de handel worden gebracht of daartoe in voorraad worden gehouden. Uit artikel 15 lid 1 UMVo volgt dat een merkhouder het gebruik van het merk niet kan verbieden voor waren die onder dit merk door de merkhouder of met diens toestemming in de Europese Economische Ruimte (hierna: EER) in de handel zijn gebracht (die zijn “uitgeput”).
4.3.
In het Douanewetboek van de Unie4 (DWU) zijn regelingen opgenomen voor extern douanevervoer (art. 226 DWU) en voor opslag in een douane-entrepot (art. 240 DWU). Goederen die zich op grond van deze regelingen fysiek op het grondgebied van de EU bevinden, worden aangeduid als niet-communautaire goederen met de douanestatus T1. Goederen met T1-status gelden als “niet ingevoerd in de EU” en als “niet in de handel in de EU”. Pas als goederen met een T1-status worden omgezet naar douanestatus T2, worden ze douanerechtelijk ingevoerd en in de EU in de handel gebracht.
4.4.
Het aanbieden of verkopen van niet-uitgeputte merkgoederen met een T1-status levert in beginsel dus geen merkinbreuk op in de zin van de UMVo, omdat zij niet in de EU in de handel worden gebracht. In het Class-arrest5 heeft het Hof van Justitie daarop een uitzondering geformuleerd: indien het aanbieden of verkopen van goederen met een
T1-status noodzakelijkerwijs impliceert dat die goederen in de EU in de handel worden gebracht, levert dat wel merkinbreuk op. De bewijslast ter zake van de inbreuk rust op de merkhouder. Indien dit bewijs wordt geleverd, is het aan de vermeend inbreukmaker om te bewijzen dat de merkhouder toestemming heeft verleend om de goederen in de EU in de handel te brengen.
Merkinbreuk “niet-EER-producten”
4.5.
Het eerste verwijt dat Coty Prestige maakt is dat zij parfumflessen die Coty heeft verkocht aan partijen buiten de EU – en die dus niet zijn uitgeput – in de EU in de handel heeft gebracht, door deze aan een Roemeense onderneming (Romscent / Le Fragrance) te verkopen en leveren. Prestige betwist dat zij de parfumflessen in de EU in de handel heeft gebracht, omdat zij deze op T1-status heeft verkocht en geleverd aan Romscent. De parfumflessen bevonden zich weliswaar fysiek op het grondgebied van de EU, maar zijn niet ingevoerd of in de handel gebracht door Prestige. Dat Romscent, JTG B.V. of F.C.T. B.V. de parfum daarna kennelijk heeft omgezet naar T2-status en deze daarmee in de EU in de handel heeft gebracht, kan Prestige niet worden verweten.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat Prestige met de door haar overgelegde final loading lists (2.9.1) en begeleidingsdocumenten (2.9.2) heeft aangetoond dat zij de parfumflessen op T1-status aan Romscent heeft verkocht en geleverd en dus voldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij deze in de EU in de handel heeft gebracht. Dat de facturen die Prestige aan Romscent heeft gestuurd geen T1-status vermelden en dat Prestige Romscent niet op de hoogte zou hebben gebracht van enig douanerechtelijk voorbehoud doet hier niets aan af en is ook niet vereist.
4.7.
Bovendien is de rechtbank in dit geval van oordeel dat het aanbieden, verkopen en leveren van de parfumflessen op T1-status niet noodzakelijkerwijs impliceert dat deze (toch) in de EU in de handel worden gebracht, zodat niet is voldaan aan het Class-criterium. Het enkele feit dat Prestige de parfumflessen heeft aangeboden, verkocht en geleverd aan een partij die in de EU is gevestigd (Le Fragrance / Romscent) is daartoe onvoldoende. Le Fragrance en Romscent verkopen weliswaar producten direct aan Roemeense c.q. Europese consumenten, maar dit betekent niet automatisch (impliceert niet noodzakelijkwijs) dat zij de parfumflessen die zij van Prestige heeft gekocht, in de EU in de handel zouden brengen. In dit geval is zelfs gebleken dat dit niet is gebeurd; Romscent heeft de parfumflessen immers – als internationale parallelhandelaar – op T1-status doorverhandeld aan JTG B.V. en F.C.T. B.V. Het is niet aan Prestige om toe te zien of haar afnemer of de schakel daarna de producten op T1-status doorverkoopt of invoert in de EU in de handel brengt.
4.8.
Nu Prestige de parfumflessen niet in de EU in de handel heeft gebracht en de verkoop en levering aan het Roemeense Romscent dit ook niet noodzakelijkerwijs impliceerde, is geen sprake van merkinbreuk op in de zin van artikel 9 lid 2 aanhef sub a UMVo en zullen de vorderingen die hierop gegrond zijn worden afgewezen.
4.9.
Coty heeft nog aangevoerd dat het Class-criterium niet meer zo strikt geldt sinds de inwerkingtreding van artikel 9 lid 4 UMVo. Op grond van dit artikel kan de merkhouder optreden tegen namaakgoederen onder T1-status en Coty stelt dat dit artikel ook van toepassing is op parallelimport van originele waren. De rechtbank is echter van oordeel dat de wetgever met de invoering van artikel 9 lid 4 UMVo niet heeft bedoeld ook de legitieme T1-handel in originele merkgoederen te beperken.. Coty komt in dit geval dus geen (analoge) toepassing van artikel 9 lid 4 UMVo toe.
Merkinbreuk demonstratiemodellen
4.10.
Het tweede verwijt dat Coty Prestige maakt, is dat Prestige demonstatiemodellen voorzien van de Coty-merken in de EU te koop heeft aangeboden, terwijl deze door Coty zijn uitgezonderd van verkoop. Coty levert deze slechts onder eigendomsvoorbehoud aan haar depositairs en deze zijn dus niet door de merkhouder in de EER in de handel gebracht.
4.11.
De rechtbank overweegt dat vast staat dat Prestige per e-mail aan Romscent een lijst heeft gestuurd waarop parfumflessen en de bijbehorende prijzen zijn vermeld, waarmee deze producten kunnen worden besteld (zoals opgenomen onder 2.7). Op deze aanbiedingenlijst staan ook demonstratiemodellen (aangeduid met “tester”) van de Coty-merken die goedkoper worden aangeboden dan het normale product. Omdat Coty deze demonstratiemodellen in het algemeen uitzondert van verkoop, zijn deze niet door de merkhouder in de EER in de handel gebracht en betreft het dus waren die niet zijn uitgeput in de zin van 15 lid 1 UMVo.
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat het versturen van deze aanbiedingenlijst kwalificeert als inbreukmakend gebruik van de Coty-merken. Uit de lijst blijkt immers niet dat de demonstratiemodellen worden aangeboden op uitsluitend douanestatus T1, noch dat deze uitsluitend bestemd zijn voor de niet-EER markt en niet in de EU mogen worden aangeboden of verkocht. Wanneer niet dergelijke voorbehouden zijn gemaakt, is sprake van een aanbod dat mede is gericht op verkoop in de EU.6 De aanbiedingenlijst die Prestige heeft verstuurd vormt een dergelijk ongeclausuleerd aanbod, zodat met dit aanbod inbreuk wordt gemaakt op de merkrechten van Coty. Dat dit niet heeft geleid tot een daadwerkelijke verkoop en levering van een demonstratiemodel (op T1 dan wel T2), doet hier niet aan af. De in artikel 9 lid 3 aanhef en sub b UMVo opgesomde inbreukmakende handelingen omvatten immers ook ‘aanbieden’, zodat het enkele aanbieden van inbreukmakende (want niet-uitgeputte) producten op de vrije markt in de EU al een voorbehouden handeling is. Voor vaststelling van de schade is uiteraard wel van belang of daadwerkelijk in de EER is geleverd naar aanleiding van het aanbod.
Geldigheid licenties en procesvolmachten
4.13.
Nu vaststaat dat sprake is van merkinbreuk door het aanbieden van demonstratiemodellen, komt de rechtbank toe aan het verweer van Prestige dat Coty niet heeft onderbouwd dat zij van de merkhouders een (exclusieve) licentie heeft verkregen om de merken (genoemd in 2.2) te gebruiken voor waren in de klasse 3 en procesvolmachten heeft verkregen om namens hen in rechte op te treden.
4.14.
De rechtbank stelt vast dat Prestige met de aanbiedingenlijst demonstratiemodellen van de merken Calvin Klein, Davidoff, Burberry, Jil Sander, Joop!, Hugo Boss en Roberto Cavalli heeft aangeboden.
4.15.
Uit de confirmation letters die Coty heeft overlegd, blijkt dat Coty in ieder geval voor de merken Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander een geldige licentie en procesvolmacht heeft verkregen.
- -
Calvin Klein heeft de exclusieve licentie en procesvolmacht weliswaar verleend aan Coty Inc., maar de rechtbank gaat ervan uit dat Coty Beauty Germany GmbH als onderdeel van de Coty Groep toestemming heeft om in dit geval op te treden.
- -
Davidoff heeft weliswaar een wereldwijde licentie verstrekt aan Lancaster B.V., maar uit de confirmation letter blijkt dat Lancaster een sublicentie heeft verstrekt aan Coty en dat Davidoff Coty heeft gemachtigd om de aan haar verleende rechten uit hoofde van de sublicentieovereenkomst in eigen naam geldend te maken in de procedures tegen Prestige. Dat deze procesvolmacht op 14 september 2023 schirftelijk is bevestigd, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de volmacht pas vanaf die datum geldt.
- -
Uit de confirmation letters van Burberry en Jil Sander blijkt weliswaar niet wanneer Coty de licenties op die merken heeft verkregen en (dus) niet of Coty die licenties al had ten tijde van de inbreuk en de dagvaarding. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank echter niet af aan de bevoegdheid c.q. ontvankelijkheid van Coty, aangezien Burberry en Jil Sander Coty hebben gemachtigd om op te treden tegen de inbreuk die Prestige op de merken heeft gemaakt. Ook de omstandigheid dat de procesvolmachten op 5 resp. 6 december 2023 (dus na de inbreuk en dagvaarding) schriftelijk zijn vastgelegd, betekent niet dat de merkhouders pas vanaf dat moment aan Coty het recht geven om namens hen te procederen.
4.16.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Prestige met het aanbieden van demonstatiemodellen inbreuk heeft gemaakt op de Coty-merken in de zin van artikel 9 lid 2 aanhef sub a, in samenhang met artikel 15 lid 1 UMVo. Nu voor in ieder geval de merken Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander vast staat dat Coty gerechtigd was om daartegen op te treden, zullen de vorderingen in zoverre worden toegewezen.
4.17.
Het onder 2 gevorderde inbreukverbod zal worden toegewezen voor zover dit ziet op de demonstratiemodellen voorzien van de merken Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander. Coty heeft daarnaast geen belang bij een verklaring voor recht dat Prestige inbreuk heeft gemaakt op de Coty-merken, zodat het onder 1 gevorderde zal worden afgewezen.
4.18.
De onder 3 gevorderde opgave van informatie zal worden toegewezen voor zover dit ziet op de demonstratiemodellen van Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander die Prestige in de EU heeft aangeboden. Aangezien de vorderingen onder 3 c), d) en e) niet zien op het aanbieden van demonstratiemodellen (maar de verkoop of het in voorraad hebben daarvan), zal de vordering in zoverre worden afgewezen. De gevorderde controle en waarmerk door een gediplomeerde, onafhankelijke administrateur zal worden afgewezen, aangezien alle drie deze begrippen onvoldoende concreet zijn omschreven, hetgeen tot executieproblemen zal kunnen leiden.
4.19.
De onder 4 gevorderde recall en rectificatie zal worden afgewezen, nu enkel vast is komen te staan dat Prestige demonstratiemodellen heeft aanboden en niet dat dit heeft geleid tot daadwerkelijke verkoop.
4.20.
De onder 5 gevorderde vernietiging van de voorraad demonstratiemodellen zal worden afgewezen. De rechtbank acht een inbreukverbod voldoende om te voorkomen dat Prestige opnieuw demonstratiemodellen in de EU zal aanbieden.
4.21.
De onder 6 gevorderde dwangsom als prikkel ter nakoming van de bevelen zal worden toegewezen. Omdat de vorderingen slechts worden toegewezen voor zover deze zien op de demonstratiemodellen, ziet de rechtbank aanleiding om de dwangsommen te matigen en maximeren op na te noemen bedrag.
4.22.
De onder 7 gevorderde schadevergoeding zal worden afgewezen, nu enkel vast is komen te staan dat Prestige demonstratiemodellen heeft aanboden en niet dat dit heeft geleid tot daadwerkelijke verkoop.
4.23.
Coty en Prestige zijn over en weer aan te merken als in het ongelijk gestelde partijen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
5 De beslissing
5.1.
beveelt Prestige iedere inbreuk op de merken waarvan Coty (of een aan Coty verbonden onderneming) licentienemer is, met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder door het in de Europese Unie aanbieden van demonstratiemodellen van de merken Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander te staken en gestaakt te houden;
5.2.
beveelt Prestige uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, aan de advocaat van Coty te doen toekomen een schriftelijke opgave van de volgende informatie:
a. de leverancier(s) en distributeur(s), van wie Prestige de demonstratiemodellen van Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander die Prestige in de EU heeft aangeboden, heeft verkregen, onder mededeling van hun adres(sen),
e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s);
de aan Prestige geleverde aantallen, nummers, prijzen en leverdata van de demonstratiemodellen van Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander die Prestige in de EU heeft aangeboden, zulks gerangschikt per leverancier of distributeur van de demonstratiemodellen, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen;
al hetgeen Prestige overigens bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de demonstratiemodellen van Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander die Prestige in de EU heeft aangeboden, vergezeld van alle daarop betrekking hebbende stukken, meer in het bijzonder de (volledige) namen, adressen, e-mailadressen, telefoonnummers van andere bij de verhandeling van die demonstratiemodellen betrokken (rechts-)personen, zoals de voormannen van hun leveranciers;
5.3.
veroordeelt Prestige tot betaling aan Coty van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere overtreding van de onder 5.1 en 5.2 opgelegde bevelen, alsmede een dwangsom van
€ 1.000,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat een overtreding voortduurt, dan wel – zulks ter keuze van Coty - een dwangsom van € 250,- voor ieder product waarmee in strijd met een opgelegd bevel wordt gehandeld;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra, bijgestaan door mr. J.M.N. van Limpt-Schrover, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2024.