RECHTBANK Den Haag
Zaaknummer: C/09/669968 / KG ZA 24-692
Vonnis in kort geding van 9 september 2024
de rechtspersoon naar buitenlands recht
COMITÉ INTERPROFESSIONNEL DU VIN DE CHAMPAGNE,
te Épernay (Frankrijk),
eisende partij,
hierna te noemen: het CIVC,
advocaat: mr. T. Cohen Jehoram te Amsterdam,
de rechtspersoon naar buitenlands recht
FERMINADAZA LLC,
te Los Angeles, Californië (Verenigde Staten van Amerika),
gedaagde partij,
hierna te noemen: Ferminadza,
advocaat: mr. L.C. Zanting te Amsterdam.
2 De feiten
2.1.
Het CIVC, opgericht bij Franse wet van 12 april 19411, is belast met een openbare dienstverleningstaak: de behartiging van de gezamenlijk economische en juridische belangen van Champagneboeren, -producenten en huizen.
2.2.
Eén van de taken van het CIVC is ingevolge bedoelde Franse wet het tegengaan van misbruik van de aanduiding ‘Champagne’. Champagne is een regio in Noordoost-Frankrijk. De precieze ligging van het wijnbouwgebied voor de bekende mousserende wijn met dezelfde naam werd in 1927 bij Franse wet vastgelegd en beslaat ongeveer 34.000 hectare. In dit gebied zijn ongeveer 16.000 Champagnewijnboeren actief en ongeveer 3.300 Champagnehuizen gevestigd. Die Champagnewijnboeren en Champagnehuizen zijn verplicht geregistreerd bij het CIVC.
2.3.
Sinds 18 september 1973 is ‘Champagne’ door de Europese Commissie geregistreerd als beschermde oorsprongsbenaming (hierna: BOB) voor wijn. Op grond van de aanwijzing als BOB mag de aanduiding ‘Champagne’ enkel gebruikt worden voor wijnen die zijn geproduceerd in de Champagne-regio op de wijze als vastgelegd in het productdossier behorende bij de BOB-registratie.
2.4.
De (betaalde) online versie van de Dikke Van Dale vermeldt de volgende definities van ‘champagne’:
2.5.
In het Algemeen Handelsblad van 16 mei 1907 is een artikel verschenen waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“(…)
Witte handschoenen vallen dit jaar te Nice niet in den smaak, zelfs niet bij avondtoilet. Bij diner- en baltoilet worden handschoenen gedragen van zeer lichte champagnekleur; des morgens en namiddags ziet men beige en grijs in alle mogelijk tinten.
(…)”
2.6.
In het Algemeen Handelsblad van 4 juni 1932 leest men onder meer het volgende:
“(…) Zeer dikwijls kiest men de een of andere pastel-tint voor de totiletten [sic] der bruidsmeisjes, zooals zachtblauw, rose, champagne, zeegroen…..Men kan daarbij schoentjes nemen in de kleur der jurken en desgewenscht witte handschoenen.”
2.7.
De online versie van het Franse woordenboek ‘Larousse’ vermeldt de volgende betekenissen van het woord ‘champagne’:
2.8.
Ferminadaza is een dochteronderneming van de Amerikaanse rechtspersoon Cult Gaia LLC dat zich bezighoudt met het ontwerp en de productie van kleding die zij onder het merk ‘Cult Gaia’ in de handel brengt. Ferminadaza importeert en verhandelt kledingstukken, waaronder jurken, van Cult Gaia in de Europese Unie.
2.9.
Op 30 mei 2024 informeerde de Nederlandse douane het CIVC dat zij een zending jurken van Cult Gaia had tegengehouden. Deze jurken waren geadresseerd aan Ferminadaza. De zending betrof een tiental jurken in verschillende maten. Verschillende stickers op de verpakkingen en de labels die aan de jurken waren bevestigd vermeldden het woord ‘champagne’, op de wijze zoals hieronder weergegeven:
2.10.
Nadat Ferminadaza had voorgesteld het woord ‘champagne’ van de betreffende jurken te verwijderen door de betreffende labels en stickers te verwijderen, is het CIVC akkoord gegaan met vrijgave van de jurken. Ferminadaza heeft zich echter niet bereid getoond toe te zeggen geen jurken of andere kledingstukken van Cult Gaia voorzien van de vermelding (op stickers en/of labels) van het woord ‘champagne’ te importeren, te distribueren en/of te verhandelen binnen de Europese Unie.
2.11.
Het CIVC heeft vervolgens onderhavige kortgedingprocedure ingeleid.
3 Het geschil
3.1.
Het CIVC vordert - samengevat – Ferminadaza te veroordelen, onder dreiging van verbeurte van een dwangsom, zich te onthouden van het importeren, distribueren en verhandelen binnen de Europese Unie van kledingstukken, waaronder jurken, waarbij gebruik wordt gemaakt van de aanduiding ‘champagne’, met veroordeling van Ferminadaza in de op de voet van artikel 1019h Rv2 te begroten proceskosten.
3.2.
Het CIVC legt – verkort weergegeven – aan haar vordering ten grondslag dat de BOB ‘Champagne’ ingevolge artikel 26 lid 1 onder a Verordening (EU) 2024/11433 bescherming biedt tegen het gebruik van de aanduiding ‘champagne’ door Ferminadaza voor in de Europese Unie geïmporteerde kledingstukken. Volgens het CIVC is bij dat gebruik door Ferminadaza sprake van uitbuiting, althans afzwakking, verwatering dan wel het schaden van de reputatie van de beschermde naam ‘Champagne’, omdat Ferminadaza zonder geldige reden van die reputatie profiteert, hetgeen onrechtmatig is.
3.3.
Ferminadaza voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van het CIVC, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van het CIVC in de op de voet van artikel 1019h Rv te begroten kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of het CIVC ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
De bevoegdheid van de voorzieningenrechter om van de vorderingen van het CIVC kennis te nemen bestaat reeds omdat Ferminadaza is verschenen zonder die bevoegdheid te bestrijden (artikel 26 Brussel I bis-Vo4).
4.3.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen waaraan het CIVC een (dreiging van) onrechtmatig handelen van Ferminadaza door gebruik van de BOB ‘Champagne’ ten grondslag legt. Het (bestaan van) spoedeisend belang is door Ferminadaza overigens niet bestreden.
Gebruik van kleuraanduiding ‘champagne’
4.4.
Het geschil tussen partijen gaat in de kern over de vraag of het gebruik van de term ‘champagne’ als kleuraanduiding op een label of sticker direct of indirect gebruik inhoudt van de BOB ‘Champagne’ dat neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van die BOB en daarom onrechtmatig is. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval.
4.5.
De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat Ferminadaza in deze procedure voldoende aannemelijk heeft gemaakt – zulks is ook niet door het CIVC bestreden – dat het bij kleding verplicht en gebruikelijk is om op het label en/of op een sticker de kleur (een essentiële eigenschap van de waar) van het betreffende kledingstuk aan te duiden op een wijze vergelijkbaar met het hiervoor onder 2.9 getoonde label en de daar getoonde sticker.
4.6.
Daarnaast heeft Ferminadaza voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat de term ‘champagne’ in het gewone spraakgebruik al sinds het begin van de vorige eeuw en nog altijd een gangbare aanduiding is voor een kleur die zich in het ‘crème-/beigekleurige’ spectrum bevindt. Daartoe heeft Ferminadaza niet enkel gewezen op de twee hiervoor onder 2.5 en 2.6 deels weergegeven publicaties uit het Algemeen Handelsblad van respectievelijk 16 mei 1907 en 4 juni 1932 en de laatste druk van de Dikke Van Dale (ook online, zie hiervoor onder 2.4) waarin bij het woord ‘champagne’ tevens “de kleur van champagne hebbend” als betekenis wordt vermeld. Zij heeft er ook op gewezen, door verschillende voorbeelden te tonen, dat op dit moment in de markt veel producten op een gelijke wijze – dat wil zeggen met gebruikmaking van het woord ‘champagne’ ter aanduiding van de kleur van het betreffende product – worden aangeboden.
4.7.
Het CIVC heeft daar tegenover – in de kern – gesteld dat (i) er niet zoiets bestaat als “een champagne-kleur”, omdat champagnewijnen in verschillende tinten (van bijna wit tot zalmroze of nog donkerder) bestaan; (ii) ‘champagne’ geen (officiële) benaming van een Pantone5 kleur is; (iii) er veel marktpartijen zijn die ‘champagne’ niet als kleuraanduiding gebruiken, maar alternatieve benamingen hanteren, zoals beige, ecru, camel, crème, zand, café latte of karamel; en (iv) volgens de definitie die in het Franse woordenboek van Larousse is opgenomen (zie hiervoor onder 2.7) het gebruik van het woord ‘champagne’ als bijvoeglijk naamwoord als misbruik (“abusif”) wordt beschouwd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen die stellingen van het CIVC, ook als van de juistheid daarvan wordt uitgegaan, niet eraan in de weg staan dat de term ‘champagne’ feitelijk óók als kleuraanduiding gangbaar is (geworden), zoals Ferminadaza onderbouwd heeft betoogd.
4.8.
Gelet op het voorgaande staat voor de voorzieningenrechter vast dat het relevante publiek (hier: de consument van kleding) enerzijds bij een kledingstuk een kleuraanduiding op het label (of een sticker op de verpakking) verwacht en, anderzijds, bekend is met de term ‘champagne’ ter aanduiding van een kleur (die zich bevindt in het crème/beigekleurige spectrum). Daaruit volgt dat het relevante publiek het woord ‘champagne’ op het label van een kledingstuk of een sticker op de verpakking van een kledingstuk, op een wijze als hiervoor onder 2.9 weergegeven, zal opvatten als een (gebruikelijke) aanduiding van de kleur van dat kledingstuk, hetgeen de consument bevestigd zal zien in het feit dat het betreffende kledingstuk een kleur heeft die zich in het crème-/beigekleurige spectrum bevindt. Voor de voorzieningenrechter valt niet in te zien waarom de consument in die context het woord ‘champagne’ tevens zal aanmerken als of zal associëren met de BOB ‘Champagne’ of het wijnproduct waarvan de benaming (door die BOB) is beschermd.
4.9.
In een dergelijke situatie is volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) geen sprake van uitbuiting van de reputatie van een oorsprongsbenaming als bedoeld in (thans) artikel 26 lid 1 onder a Verordening (EU) 2024/1143.6
4.10.
Het enkele feit dat de term ‘champagne’ als kleuraanduiding ontegenzeggelijk verband houdt met de (mousserende) wijnen waarvan de benaming door de BOB ‘Champagne’ beschermd wordt (de kleuraanduiding is immers het gevolg van het feit dat de champagnewijnen veelal een bepaalde (crème/beige) kleur hebben), is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om in dit geval tot een andere conclusie te leiden. Daarbij is van belang dat uit de rechtspraak van het HvJ EU blijkt dat de toepasselijke regeling zoals thans neergelegd in Verordening (EU) 2024/1143, beoogt te waarborgen dat het met een BOB aangeduide product afkomstig is uit een bepaald geografisch gebied en (daarom) bepaalde bijzondere kenmerken bezit. Een BOB kan bij de consument een grote vermaardheid hebben en voor de producenten die voldoen aan de voorwaarden om daarvan gebruik te maken, een belangrijk middel zijn om klanten aan zich te binden. De reputatie van oorsprongsbenamingen is afhankelijk van het beeld dat zij oproepen bij de consument. Dat beeld wordt hoofdzakelijk bepaald door de bijzondere kenmerken van het product en, meer in het algemeen, door de kwaliteit ervan. Het is uiteindelijk op deze kwaliteit dat de reputatie van het product berust. In de perceptie van de consument hangt de band tussen de reputatie van de producenten en de kwaliteit van de producten voorts af van diens overtuiging dat de onder de oorsprongsbenaming verkochte producten echt zijn.7
4.11.
Zoals hiervoor overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het relevante publiek het woord ‘champagne’ op een kledinglabel (of sticker op de verpakking van kleding) zal aanmerken als een (gebruikelijke) aanduiding van de kleur van het betreffende kledingstuk. Gelet op de aard van die waar, die op geen enkele wijze verband houdt met de mousserende wijnen waarvan de benaming door de BOB ‘Champagne’ wordt beschermd – valt voor de voorzieningenrechter evenwel niet in te zien waarom voor die consument aanleiding bestaat om daarin (naast de aanduiding van de kleur, tevens) een kwaliteitsgarantie te zien. Het CIVC heeft ook niet nader toegelicht waarom, laat staan onderbouwd dat een consument aan het woord ‘champagne’ op een kledinglabel een dergelijke kwaliteitsgarantie zou (kunnen) ontlenen. Nu de reputatie van de BOB ‘Champagne’ juist nauw samenhangt met de kwaliteit van de onder die naam verhandelde mousserende wijn waarmee de door Ferminadaza verhandelde waren (kledingstukken) geen relevante overeenkomsten vertonen, kan het CIVC naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat Ferminadaza profiteert van de reputatie van de BOB ‘Champagne’.
4.12.
Dat betekent dat de door het CIVC aan haar vorderingen ten grondslag gelegde onrechtmatigheid geen grondslag vindt in artikel 26 lid 1 onder a Verordening (EU) 2024/1143. De voorzieningenrechter zal de vorderingen daarom afwijzen.
4.13.
Het CIVC zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van Ferminadaza (inclusief nakosten) moeten betalen. Die kosten zijn te begroten conform artikel 1019h Rv. Partijen hebben een proceskostenafspraak gemaakt. In navolging daarvan zal de voorzieningenrechter bepalen dat het CIVC de volgende kosten dient te vergoeden :
- griffierecht
|
€
|
688,00
|
|
- salaris advocaat
|
€
|
10.000,00
|
|
- nakosten
|
€
|
178,00
|
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
|
Totaal
|
€
|
10.866,00
|
|
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
5.1.
wijst de vorderingen van het CIVC af,
5.2.
veroordeelt het CIVC in de proceskosten van € 10.866,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als het CIVC niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt het CIVC tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis voor zover het de hiervoor onder 5.2 en 5.3 vermelde beslissingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.J. de Jong, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2024.