15
Use of the CC Eurocontainers and repair/maintenance
(…)
15.2.
The CC Eurocontainers may not be used outside the Customer’s business in distribution to and from any third party not participating in the CC Eurocontainer System, unless the CC Eurocontainers in question are immediately used for loading/unloading on the premises of such third party and then returned to the Customer or the Customer obtains written consent of the regulations set out in these GTC from the relevant third party prior to any such use of the CC Eurocontainers. The Customer will in such case be directly liable towards CC for any misuse, damage, loss or cost of recovery resulting from such third-party-use.
2.19.
Net als de CC Containers zijn EC Containers onderling op het oog niet van elkaar te onderscheiden.
2.20.
Quality Plants Europe B.V. (hierna: QPE ) hield zich bezig met het exploiteren van een groothandel in bloemen en planten. Zij hield zich onder meer bezig met het winkelklaar verpakken van bloemen en planten voor haar klanten. Deze producten werden op plantencontainers, waarvoor vaak Deense containers worden gebruikt, van en naar het bedrijfsterrein van QPE vervoerd.
2.21.
QPE was geen contractant van Container Centralen en nam om die reden geen deel aan (één van) de poolsystemen van Container Centralen.
2.22.
QPE is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2022 in staat van faillissement verklaard, in welk vonnis de curator als zodanig is aangesteld.
2.23.
De curator heeft op het bedrijventerrein van QPE drie soorten plantencontainers aangetroffen, te weten ‘kale’ Deense containers, CC Containers en EC Containers . Het gaat (naar schatting) om 614 CC Containers en 463 EC Containers .
2.24.
Na het faillissement van QPE hebben diverse contractanten van Container Centralen en ook Container Centralen zelf zich tot de curator gewend met het verzoek de CC Containers en EC Containers aan hen te retourneren.
Intellectuele eigendomsrechten van Container Centralen
2.25.
Container Centralen is houdster van het hierna weergegeven Uniebeeldmerk (hierna: het Merk), aangevraagd op 15 augustus 2008 en op 9 april 2009 geregistreerd onder registratienummer 007164981 , voor waren en diensten in klassen 6 (voor o.a. transportable buildings of metal), 12 (voor o.a. vehicles; apparatus for locomotion by land, air or water; wheel carriers), 20 (voor o.a. containers, not of metal (storage, transport), including transport units in the form of boxes) en 39 (voor o.a. transport; packaging and storage of goods; rental of storage containers, rental of mobile containers).
2.26.
Container Centralen is houdster van de volgende drie Gemeenschapsmodellen (hierna gezamenlijk aangeduid als: de Modellen ):
- het op 21 september 2018 aangevraagde en geregistreerde Gemeenschapsmodelrecht, met registratienummer 005652609-0001 , voor ‘ Identification tags, Identification tag holders’. Van deze registratie maken onderstaande afbeeldingen deel uit.
- het op 21 september 2018 aangevraagde en geregistreerde Gemeenschapsmodelrecht, met registratienummer 005652609-0002 , voor ‘ Identification tags, Identification tag holders’. Van deze registratie maken onderstaande afbeeldingen deel uit.
- het op 21 september 2018 aangevraagde en geregistreerde Gemeenschapsmodelrecht, met registratienummer 005652609-0003 , voor ‘ Identification tags, Identification tag holders’. Van deze registratie maken onderstaande afbeeldingen deel uit.
2.27.
Container Centralen is houdster van Europees octrooi EP 3 637 392 (hierna: het Octrooi), verleend met gelding in onder meer Nederland op 26 mei 2021 op een aanvrage van 11 oktober 2019 en getiteld ‘RFID LABEL TAG FOR AUTHENTICATION OF A PLANT CONTAINER’.
2.28.
Het RFID-label (ook wel: ‘tag’ of CC TAG 5-label genaamd), waarvan de vormgeving is beschermd door de hiervoor weergegeven modelrecht registraties en waarvan de techniek onder bescherming is gesteld in het Octrooi, is bedoeld om een container als CC Container te kunnen herkennen en om het zogenoemde freeriden tegen te gaan, zoals beschreven onder 2.11. Het gebruik van de CC Container wordt middels het RFID-label niet bijgehouden.
Correspondentie tussen partijen en minnelijke regeling
2.29.
Na een eerste schrijven van Container Centralen op 23 maart 2022, hebben partijen gecorrespondeerd over de claims van Container Centralen op de bij QPE aangetroffen CC Containers. Op 1 april 2022 heeft de curator zijn voornemen geuit de bij QPE aangetroffen CC Containers voorzien van Identificatietekens (openbaar) te verkopen. De curator schrijft in dit bericht ook dat hij het verwijderen van de Identificatietekens zou willen bespreken. Op 8 april 2022 heeft Container Centralen de curator verzocht van verkoop af te zien.
2.30.
Op 14 april 2022 heeft (de advocaat van) Container Centralen de curator verzocht om opgave van de aantallen bij QPE aangetroffen EC Containers , zodat Container Centralen het ophalen van die containers kan inplannen. In een e-mailbericht van 19 april 2022 heeft de curator meegedeeld dat het veilingtraject van de containers op zeer korte termijn zal starten.
2.31.
Container Centralen heeft op 25 april 2022 aan de curator een kort geding dagvaarding doen betekenen voor een mondelinge behandeling op 6 mei 2022. In die dagvaarding is – kort gezegd – gevorderd dat het de curator wordt verboden de CC Containers te verkopen.
4.2.
Te verrichten handelingen (in het kader van overdracht)
Indien en zodra de opschortende voorwaarde van artikel 4.1
(Machtiging Rechter-Commissaris)
is vervuld, zullen Partijen de volgende handelingen verrichten:
a. Container Centralen maakt een bedrag gelijk aan de Koopprijs over aan Stichting Beheer Derdengelden Windt Le Grand Leeuwenburgh onder vermelding van
"Koopprijs containers QPE ".
Partijen zullen Stichting Beheer Derdengelden Windt Le Grand Leeuwenburgh instrueren om de Koopprijs in depot te houden voor Partijen gezamenlijk totdat aan een Opschortende Voorwaarde is voldaan en uit te betalen aan Container Centralen respectievelijk de Curator onder de voorwaarden zoals uiteengezet in de depotovereenkomst aangehecht als
Bijlage
I bij deze Overeenkomst(de
"Depotovereenkomst");
b. Container Centralen trekt de Procedure
3
in;
c. Container Centralen zal binnen 4 weken na ondertekening van de Overeenkomst een bodemprocedure jegens de Curator aanhangig maken ten einde vast te laten stellen of wel of niet aan de Opschortende Voorwaarde is voldaan; en
d. De Curator draagt zorg voor de Overdracht van de Activa aan Container Centralen overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.4
(Levering Activa).
(…)
4.4.
Levering Activa
Onder de voorwaarde dat de handelingen beschreven in artikel 4.2.a en artikel 4.2b
(Overdrachtshandelingen)
zijn verricht, levert de Curator de Activa aan Container Centralen door bezitsverschaffing - waarbij Container Centralen de Activa zal ophalen op de voormalige bedrijfslocatie van QPE te Bergschenhoek aan de Schreyrackseweg 1-3 - overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:90 lid 1 jo. 3:114 BW (feitelijke machtsverschaffing) op uiterlijk 20 mei 2022.
2.33.
Op 20 mei 2022 heeft de curator, ingevolge artikel 4.4 van de Koopovereenkomst, de bij QPE aangetroffen CC Containers en EC Containers aan Container Centralen geleverd.
2.34.
Ter uitvoering van artikel 4.2 sub c van de Koopovereenkomst heeft Container Centralen deze bodemprocedure aanhangig gemaakt.
4
De beoordeling
4.1.
Voor zover de vorderingen zijn gegrond op gestelde inbreuk op het Merk, is de rechtbank internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van dit geschil vanwege de vestigingsplaats van de curator in Nederland (artikelen 123 lid 1, 124 onder a en 125 lid 1 UMVo
5
in combinatie met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk). Deze bevoegdheid strekt zich overeenkomstig artikel 126 lid 1 onder a UMVo uit tot de gehele Europese Unie.
4.2.
Voor zover de vorderingen zijn gegrond op gestelde inbreuk op de Modellen , is de rechtbank internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van dit geschil vanwege de vestigingsplaats van de curator in Nederland (artikelen 80 lid 1, 81 onder a en 82 lid 1 GModVo
6
in combinatie met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmodellen). Deze bevoegdheid strekt zich overeenkomstig artikel 83 lid 1 GModVo uit tot de gehele Europese Unie.
4.3.
Voor zover de vorderingen zijn gegrond op gestelde inbreuk op het Nederlandse deel van het Octrooi, is de rechtbank internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van dit geschil op grond van artikel 80 lid 2 onder a) ROW 1995
7
.
4.4.
Ten aanzien van de overige grondslagen is de rechtbank eveneens bevoegd om van het geschil kennis te nemen, alleen al omdat die bevoegdheid niet is bestreden.
4.5.
Zoals reeds vastgesteld is, hebben partijen op 18 mei 2022 een minnelijke regeling getroffen, ter uitvoering waarvan de curator op 20 mei 2022 de bij QPE aangetroffen CC Containers en EC Containers aan Container Centralen geleverd heeft. Partijen zijn overeengekomen dat Container Centralen de Koopprijs is verschuldigd onder de opschortende voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 3.2. van de Koopovereenkomst. Deze zaak draait om de vraag of één van de opschortende voorwaarden van artikel 3.2. van de Koopovereenkomst in vervulling is gegaan, dan wel in vervulling kan gaan. Ten behoeve van de leesbaarheid roept de rechtbank deze bepaling in herinnering:
4.6.
Niet in geschil is dat de opschortende voorwaarden zoals onder (i) (a) en onder (ii) verwoord, niet in vervulling zijn gegaan.
4.7.
In deze procedure zijn partijen verdeeld over de vraag of de opschortende voorwaarde zoals verwoord in onderdeel (i) (b) uit artikel 3.2. van de Koopovereenkomst is (of: kan worden) vervuld. Deze opschortende voorwaarden valt in twee onderdelen uiteen. Het ene betreft het goederenrecht en het andere de intellectuele eigendomsrechten van Container Centralen. In artikel 3.2. (i) (b) is bepaald dat Container Centralen de overeengekomen koopprijs aan de curator verschuldigd is, als in rechte komt vast te staan dat de curator op grond van het goederenrecht niet gehouden is (inmiddels: niet gehouden
was
; de curator heeft de containers immers op 20 mei 2022 aan Container Centralen geleverd) tot afdracht van de (in de Koopovereenkomst gedefinieerde) Activa en – als dat het geval is – de intellectuele eigendomsrechten van Container Centralen niet in de weg staan aan de koop en verkoop van die Activa door de curator. De rechtbank begrijpt dit tweede deel van de opschortende voorwaarde aldus, dat de door haar te beantwoorden vraag is of de intellectuele eigendomsrechten van Container Centralen in de weg
zouden hebben gestaan
aan te koop aanbieding en verkoop van de Activa, al dan niet voorzien van de Identificatietekens, door de curator. Partijen hebben immers inmiddels een minnelijke regeling getroffen en (openbare) verkoop van de containers door de curator is niet meer aan de orde, evenmin verwijdering van de Identificatietekens. Voorts wordt in de bepaling gesproken over een gerechtelijk uitspraak die kracht van gewijsde heeft tussen partijen. Het vonnis dat de rechtbank in dezen wijst heeft niet onmiddellijk kracht van gewijsde. De rechtbank kan daarom alleen beoordelen of het relevante deel van de opschortende voorwaarden in vervulling
kan gaan
.
4.8.
De rechtbank zal bij het bespreken van de vraag of de opschortende voorwaarde van artikel 3.2. (i) (b) in vervulling kan gaan, onderscheid aanbrengen tussen de CC Containers en de EC Containers .
Ten aanzien van de CC Containers
4.9.
Container Centralen stelt dat zij, zeker nu QPE geen eigenaar is van de CC Containers, gerechtigd is deze bij de curator te revindiceren. De rechtbank volgt Container Centralen hierin niet en overweegt daartoe als volgt.
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat de casus in het door de curator aangehaalde arrest Texeira de Mattos
8
niet, althans niet één op één, vergelijkbaar is met de situatie die zich tussen partijen voordoet. QPE is, anders dan Texeira , immers nooit eigenaar geweest van de na haar faillissement op haar bedrijventerrein aangetroffen containers. Dat laat echter onverlet dat, voor zover Container Centralen pretendeert dat de CC Containers haar eigendom zijn, zij alleen met succes de CC Containers van de curator kan terugvorderen, indien zij stelt, en zo nodig bewijst, op welke individueel bepaalde CC Containers haar eigendomsrecht rust.
9
Daartoe is Container Centralen echter niet in staat. Tussen partijen staat immers vast dat in het CC Containersysteem zowel containers rouleren die eigendom zijn van Container Centralen als containers waarvan het gebruiksrecht wordt ingebracht door contractanten van Container Centralen die de eigendom daarvan behouden. Daarnaast zijn partijen het erover eens dat de situatie zich kan voordoen dat de eigendom van CC Containers als gevolg van oneigenlijke verkoop bij een derde, niet-contractant, berust. (De CC Container maakt dan feitelijk onderdeel uit van de pool, terwijl er geen contractant (meer) is die daarvoor de Poolbijdrage betaalt, het zogenoemde ‘freeriden’, zie onder 2.11). De eigendom van de CC Containers is dus niet in één hand, maar rust bij diverse partijen, te weten in ieder geval Container Centralen en contractanten die een eigen Deense container in de pool hebben ingebracht.
4.11.
Container Centralen kan niet aantonen welke individuele CC Containers haar eigendom zijn, omdat de CC Containers naar het oordeel van de rechtbank zijn aan te merken als soortzaken. Daartoe is van belang dat beide partijen er, gelijk deze rechtbank in een vonnis van 31 oktober 2012
10
, van uit gaan dat de kale Deense karren soortzaken zijn. CC Containers zijn in wezen Deense karren die voorzien zijn van metalen plaatjes met daarop het Merk en hangsloten met RFID-label en waarop ook het Merk staat. Deze Identificatietekens zijn op elke CC Container op gelijke wijze aangebracht, waardoor de ene CC Container niet van de andere te onderscheiden is. Ook de informatie die geregistreerd is op de aan de CC Containers bevestigde RFID-labels geeft geen duidelijkheid over de vraag aan wie de betreffende CC Container in eigendom toebehoort. Gesteld noch gebleken is dat de CC Containers nog van andere markeringen zijn voorzien waaruit de eigendom ervan kan blijken. Het voorgaande maakt dat de in het CC Containersysteem roulerende CC Containers niet individualiseerbaar zijn en dat per CC Container niet is vast te stellen wie de eigenaar is.
4.12.
Volgens Container Centralen staat het voorgaande niet in de weg aan revindicatie door haar van alle bij QPE aangetroffen CC Containers. Zij stelt dat alle in het CC Containersysteem ingebrachte CC Containers onderdeel zijn van een gemeenschap, althans dat zij een exclusief gebruiksrecht heeft op die containers en dat zij om die redenen gerechtigd is om namens alle poolnemers de CC Containers terug te vorderen (revindiceren) bij derden. Die bevoegdheid is, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Container Centralen, vastgelegd in artikel 11.5. van de AV CC . De rechtbank volgt Container Centralen daarin niet en legt hierna uit waarom.
4.13.
De rechtbank is ten eerste van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat Container Centralen een ‘exclusief gebruiksrecht’ heeft op alle CC Containers die deel uitmaken van het CC Containersysteem, zoals zij stelt en de curator betwist. Dit nog afgezien van de vraag of Container Centralen op grond van een exclusief gebruiksrecht gerechtigd zou zijn om alle CC Containers – ook containers die niet haar eigendom zijn – bij derden, zoals QPE en de curator, op te vorderen. Uit de werking van het CC Containersysteem en de AV CC (bijvoorbeeld de artikelen 11.2., 11.3. en 18.2., aangehaald onder 2.7.1) blijkt immers dat de deelnemers van de pool tegen betaling van een jaarlijkse Poolbijdrage gebruikers worden van de CC Containers, die door Container Centralen worden onderhouden en beheerd. Dit verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met een exclusief gebruiksrecht op die containers van Container Centralen als beheerder van de pool.
4.14.
Of sprake is van een gemeenschap in de zin van artikel 3:166 lid 1 BW,
11
zoals Container Centralen stelt en de curator betwist, kan in het midden blijven. Er kan namelijk niet worden vastgesteld dat de deelnemers aan het CC Containersysteem op grond van artikel 3:168 lid 1 BW het genot, gebruik en beheer van de gemeenschap bij overeenkomst hebben geregeld, in die zin dat contractanten met Container Centralen hebben afgesproken dat Container Centralen alle CC Containers die rouleren in de pool namens zichzelf en alle contractanten bij derden zou kunnen revindiceren.
4.15.
Artikel 11.5. van de AV CC , waarop Container Centralen zich in dit verband beroept (geciteerd onder 2.7.1), bepaalt dat Container Centralen gerechtigd is CC Containers terug te vorderen van iedere ‘ Andere Contractspartij ’. In artikel 1.3. van de AV CC is ‘ Andere Contractspartijen ’ gedefinieerd als: “
andere/derde partijen die een overeenkomst met CC
[rb: Container Centralen]
hebben gesloten met betrekking tot de huur/lease en/of participatie in het CC Containersysteem
”. Uit artikel 11.5. van de AV CC vloeit naar het oordeel van de rechtbank niet voort dat Container Centralen gerechtigd is om, mede namens de pooldeelnemers, alle CC Containers bij derden, niet-contractanten, op te eisen. Artikel 11.5. AV CC biedt dan ook geen grondslag voor een actie van Container Centralen jegens de curator en/of QPE namens alle pooldeelnemers. (De curator in het faillissement van) QPE is immers geen ‘ Andere Contractspartij ’ zoals bedoeld in de AV CC .
4.16.
Container Centralen heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zij gerechtigd zou zijn om namens alle pooldeelnemers tot revindicatie van CC Containers bij een derde over te gaan. Dat Container Centralen gerechtigd is om namens alle pooldeelnemers de CC Containers van de curator op te eisen is dan ook niet komen vast te staan.
4.17.
Voor zover Container Centralen stelt dat zij door de andere partijen die zich tot de curator hebben gewend (zie onder 2.24) gemachtigd is om de bij QPE aangetroffen CC Containers te revindiceren, kan ook deze stelling – voor zover al juist – haar niet baten. Omdat de CC Containers niet van elkaar te onderscheiden zijn en niet achterhaald kan worden wie de eigenaar van een CC Container is, kan immers niet worden vastgesteld dat de bij QPE aanwezige containers aan die betreffende partijen in eigendom toebehoren.
4.18.
De conclusie is dat de CC Containers die zich binnen het CC Containersysteem bevinden oneigenlijk vermengd zijn en Container Centralen jegens (de curator in het faillissement van) QPE geen goederenrechtelijke aanspraak kan maken op de bij QPE aangetroffen CC Containers. In de woorden van de ontbindende voorwaarde van artikel 3.2. (i) (b) van de Koopovereenkomst: de curator was niet gehouden tot afdracht van de CC Containers aan Container Centralen.
Intellectuele eigendomsrechten
4.19.
Nu de curator op grond van het goederenrecht niet gehouden was tot afdracht van de CC Containers aan Container Centralen, komt de rechtbank toe aan de vraag of de intellectuele eigendomsrechten van Container Centralen in de weg zouden hebben gestaan aan verkoop van de bij QPE aangetroffen CC Containers door de curator, al dan niet na verwijdering van de Identificatietekens.
4.20.
Container Centralen heeft zich op het standpunt gesteld dat de curator door het aanbieden en verkopen van de CC Containers voorzien van het Merk (op de metalen plaatjes en op de RFID-labels) inbreuk zou maken op het merkrecht van Container Centralen op grond van artikel 9 lid 2 sub a UMVo. De curator zou bij verkoop ook inbreuk maken op de modelrechten van Container Centralen op grond van artikel 3.16 lid 1 BVIE.
12
Tot slot zou de curator door het te koop aanbieden en verhandelen van de CC Containers met RFID-labels inbreuk maken op het Octrooi op grond van artikel 70 lid 1 jo artikel 53 lid 1 sub a ROW 1995. Daarnaast heeft Container Centralen betoogd dat het verwijderen van de Identificatietekens van de containers een inbreuk makende handeling zou zijn. De curator heeft betwist dat het verwijderen van de Identificatietekens inbreuk zou maken op het merkrecht van Container Centralen. De curator heeft voorts verweer gevoerd en gesteld dat het merkrecht, de gemeenschapsmodelrechten en het octrooirecht van Container Centralen zijn uitgeput, doordat de CC Containers met de RFID-labels en metalen plaatjes met toestemming van en tegen betaling aan Container Centralen in omloop worden gebracht in het CC Containersysteem en daarmee beschikbaar worden gesteld aan derden. Container Centralen betwist dat sprake is van uitputting, omdat Container Centralen de CC Containers met de Identificatietekens niet verkoopt, maar slechts tegen een vergoeding aan derden verhuurt (voor wat betreft de CC Containers die eigendom zijn van Container Centralen) of in gebruik geeft (voor wat betreft de CC Containers die door contractanten in het CC Containersysteem worden ingebracht).
4.21.
Zoals al overwogen onder 4.7 is, gelet op de minnelijke regeling tussen partijen, openbare verkoop van de CC Containers door de curator niet meer aan de orde. Datzelfde geldt voor het verwijderen van de Identificatietekens door de curator. De rechtbank begrijpt de stellingen van partijen verder aldus, dat in het kader van het tweede deel van de opschortende voorwaarden van artikel 3.2. (i) (b) met betrekking tot de CC Containers twee vragen voorliggen. Ten eerste de vraag of de intellectuele eigendomsrechten van Container Centralen die rusten op de op de aan de CC Containers bevestigde Identificatiemiddelen uitgeput zijn, welke vraag zich voor wat betreft het Merk beperkt tot de warenklassen waarvoor dit is ingeschreven. Ten tweede de vraag of het verwijderen van de Identificatietekens van de bij QPE aangetroffen CC Containers inbreuk op het merkrecht van Container Centralen zou opleveren. De rechtbank zal in het hiernavolgende deze vragen beantwoorden.
4.22.
Aan de curator kan worden toegegeven dat de modelrechtelijke en octrooirechtelijke grondslagen door Container Centralen zeer beknopt zijn toegelicht. Container Centralen heeft in haar dagvaarding immers vooral aandacht besteed aan de inbreuk op haar merkrecht. De rechtbank zal aan de summiere onderbouwing van deze twee grondslagen in dit geval echter niet het gevolg verbinden dat het beroep op die grondslagen wordt gepasseerd. Voor deze grondslagen is immers, net als voor de merkenrechtelijke grondslag die wel is uitgewerkt, van belang of het beroep op uitputting slaagt.
4.23.
Van uitputting is bij alle drie de intellectuele eigendomsrechten sprake als het voorwerp dat onderwerp is van het betreffende intellectuele eigendomsrecht door of met toestemming van de rechthebbende in de Europees Economische Ruimte ( EER ) in de handel (of in de bewoordingen van het ROW 1995: in het verkeer) is gebracht. De rechtbank zal de vraag of sprake is van uitputting – gelijk partijen in hun stukken hebben gedaan – vanuit merkenrechtelijk oogpunt benaderen, met de opmerking dat dit op gelijke wijze geldt voor het modelrechtelijke en octrooirechtelijke uitputtingsverweer.
4.24.
Op grond van artikel 15 lid 1 UMVo kan een merkhouder zich niet verzetten tegen het gebruik van het merk voor waren die onder dit merk door de merkhouder of met zijn of haar toestemming in de EER in de handel zijn gebracht. Van ”in de handel brengen” is sprake als derden het recht verkrijgen om over de van het merk voorziene waren te beschikken en de merkhouder in staat is gesteld de economische waarde van zijn merkrecht te realiseren.
13
Daarbij is niet van belang of de merkhouder de economische waarde van zijn merk daadwerkelijk heeft gerealiseerd. Het gaat erom dat de merkhouder de mogelijkheid heeft gehad de economische waarde van zijn merk te realiseren.
14
4.25.
De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet aan de vereisten voor uitputting - ten aanzien waarvan de curator de stelplicht en bewijslast draagt - is voldaan en legt hierna uit waarom.
4.26.
Container Centralen laat de CC Containers, voorzien van een metalen plaatje met haar Merk en van haar modelrechtelijk en octrooirechtelijk beschermde RFID-label waarop ook het Merk staat, rouleren in het CC Containersysteem. De door Container Centralen verhuurde CC Containers stelt zij blijkens de artikelen 17.1. (lange termijn huurovereenkomst) en 19.1. (huurovereenkomsten voor bepaalde tijd) van de AV CC (zie onder 2.7.1) aan de contractanten ter beschikking. Voor wat betreft de door pooldeelnemers ingebrachte containers bepaalt artikel 18.1. van de AV CC (geciteerd onder 2.7.2) dat Container Centralen de Identificatietekens (te weten het metalen plaatje en het RFID-label) aan de contractanten ter beschikking stelt en in artikel 18.2. staat dat het recht op gebruik van die containers wordt overgedragen aan Container Centralen en dat die containers onderdeel worden van het CC Containersysteem. De pooldeelnemers zijn op grond van de artikelen 11.2. en 11.3. de AV CC (zie wederom onder 2.7.1) gerechtigd tot het gebruik van de CC Containers; dus zowel containers die eigendom zijn van Container Centralen als containers die zijn ingebracht door pooldeelnemers. Dit gebruik omvat (blijkens artikel 15.2. AV CC ) transport, distributie, opslag en tonen van goederen als onderdeel van de zakelijke activiteiten van de pooldeelnemers. De pooldeelnemers betalen voor hun deelname aan het CC Containersysteem een jaarlijkse Poolbijdrage.
4.27.
Volgens de curator krijgen de contractanten van Container Centralen met dit exploitatiemodel de beschikking over de CC Containers en is Container Centralen in de gelegenheid de economische waarde verbonden aan haar intellectuele eigendomsrechten terzake de aan de CC Containers bevestigde Identificatietekens te realiseren, zoals bedoeld in het Peak Holding arrest.
15
Verder zou een verbod voor de contractanten op - kort gezegd - vervreemding van de CC Containers en de Identificatietekens niet in de weg staan aan uitputting van de intellectuele eigendomsrechten van Container Centralen.
4.28.
Dat Container Centralen in haar AV CC heeft bepaald dat de CC Containers, met uitzondering van containers die door pooldeelnemers zijn ingebracht, en de Identificatietekens eigendom blijven van Container Centralen en dat in de AV CC diverse bepalingen zijn opgenomen die contractanten verbieden de CC Containers te verkopen, handelingen te verrichten die van invloed zijn op de eigendomsrechten van Container Centralen of de CC Containers ter beschikking van derden (niet-pooldeelnemers) te stellen, staat, zoals de curator ook heeft betoogd, op zichzelf niet in de weg aan uitputting van de intellectuele eigendomsrechten die rusten op onderdelen van de CC Containers.
16
Waar het om gaat, is of Container Centralen met het in roulatie brengen van CC Containers voorzien van de Identificatietekens in het CC Containersysteem de CC Containers met Identificatietekens in de handel heeft gebracht, zoals bedoeld in artikel 15.1 UMVo (zie ook onder 4.24).
4.29.
De curator heeft ter onderbouwing van zijn beroep op uitputting onder meer gewezen op de conclusie van Advocaat -Generaal (hierna: AG) Stix-Hackl voor het Peak Holding arrest.
17
Hierin staat de AG voor dat van uitputting sprake is als een derde de “feitelijke beschikkingsbevoegdheid” over de merkenrechtelijk beschermde waren heeft gekregen, “bijvoorbeeld door middel van een verkoop”. Volgens de curator heeft Container Centralen de pooldeelnemers in dezelfde zin feitelijke beschikkingsbevoegdheid over de CC Containers gegeven, waarmee haar intellectuele eigendomsrechten uitgeput zijn. Verkoop van de CC Containers en/of de Identificatietekens is daarvoor niet nodig, aldus de curator. Nog los van de vraag wat de term “feitelijke beschikkingsbevoegdheid” naar Nederlands recht zou betekenen, laat het Hof van Justitie zich in zijn arrest
18
niet uit over dit punt. In vergelijkbare zin heeft de Hoge Raad in het Primagaz arrest
19
geen oordeel gegeven over de door de curator aangehaalde suggestie van AG Van Peursem in diens conclusie voor dat arrest, dat bij verhuur in sommige gevallen ook sprake kan zijn van uitputting.
20
In het Guy LaRoche arrest
21
heeft de Hoge Raad zich evenmin uitgelaten over de vraag of sprake kan zijn van uitputting in situaties anders dan verkoop van beschermde waren door de merkhouder. Nu de CC Containers en de Identificatietekens niet verkocht zijn aan de contractspartijen van Container Centralen, biedt deze door de curator aangehaalde jurisprudentie geen steun voor diens stelling dat Container Centralen met haar exploitatiemodel de door haar intellectuele eigendomsrechten beschermde waren in de EER in de handel heeft gebracht, zoals bedoeld in artikel 15.1 UMVo.
4.30.
In de door de curator aangehaalde conclusie voor het Guy LaRoche arrest
22
schrijft AG Van Peursem dat hij “heel goed voorstelbaar acht” dat in de daar aan de orde zijnde specifieke situatie sprake kan zijn van verwezenlijking van de economische waarde van het merk door de merkhouder zónder verkoop. Het ging hier om een bijzondere vorm van exploitatie van de merken van LaRoche door middel van licentiëring voor een specifieke loyaliteitsactie voor een beperkte periode en een beperkt gebied, en waarbij de merkenrechtelijk beschermde waren speciaal voor deze actie waren geproduceerd. In de eveneens door de curator aangehaalde zaak Davidoff/Doddema
23
had de merkhouder testers van merkenrechtelijk beschermde parfums ter beschikking gesteld aan een derde om te verbruiken als marketing instrument van de betreffende waar. Dit ter beschikking stellen kwalificeerde volgens de voorzieningenrechter in deze rechtbank als uitputting. Dit alles staaft de stellingen van de curator echter ook niet. De CC Containers noch de Identificatietekens zijn geproduceerd en/of ter beschikking gesteld in het kader van een speciale promotieactie of om in het kader van marketing van beschermde waren te
ver
bruiken, zodat de redenering van de AG respectievelijk de voorzieningenrechter geen toepassing vindt op het exploitatiemodel van Container Centralen.
4.31.
Al met al leidt hetgeen de curator heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn beroep op uitputting naar het oordeel van de rechtbank - gezien de huidige stand van de jurisprudentie van zowel de Hoge Raad als het Hof van Justitie - niet tot de conclusie dat Container Centralen met het in roulatie brengen van de CC Containers voorzien van de Identificatietekens in het CC Containersysteem haar recht op eerste verhandeling in de EER heeft verbruikt. Nog los van de vraag of Container Centralen met het innen van de Poolbijdrage de economische waarde van haar merkrecht heeft kunnen realiseren, kan niet gezegd worden dat Container Centralen haar contractanten laat beschikken over de CC Containers en Identificatietekens op een wijze waarop deze in de EER in de handel zijn gebracht, zoals door het Hof van Justitie in het Peak Holding arrest
24
bedoeld. Container Centralen heeft, ook na het in roulatie brengen van de CC Containers met de Identificatietekens in het CC Containersysteem, belang om controle te houden over de van haar merk voorziene – en door haar modelrecht en octrooirecht beschermde – waren. Dit in verband met de herkomstfunctie van het merk, de investeringsfunctie van de intellectuele eigendomsrechten en om de kwaliteit van de waren te verzekeren. Haar intellectuele eigendomsrechten zijn dus niet uitgeput.
4.32.
Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het beroep dat Container Centralen heeft gedaan op artikel 15 lid 2 UMVo (stellende dat zij een gegronde reden heeft om zich te verzetten tegen gebruik van haar Merk).
Verwijderen van de Identificatietekens
4.33.
Voordat partijen een minnelijke regeling troffen, heeft de curator voorgesteld de bij QPE aangetroffen containers te ontdoen van de Identificatietekens en vervolgens te verkopen. Container Centralen heeft daartegen bezwaar gemaakt. In deze procedure stelt Container Centralen, onder verwijzing naar het Mitsubishi/Duma arrest
25
dat het van de CC Containers verwijderen van de Identificatietekens met daarop het Merk een aan de merkhouder voorbehouden handeling is. Het verwijderen van de Identificatietekens zou indruisen tegen de wezenlijke functie van het merk, die erin is gelegen dat de merkhouder het recht heeft om de eerste verhandeling van de van zijn merk voorziene waren in de EER te controleren. De curator heeft aangevoerd dat het Mitsubishi/Duma arrest in dit geval niet van toepassing is en betoogt met een beroep op het Valeo arrest
26
dat het verwijderen van een merk geen merkgebruik is.
4.34.
Hiervoor is geoordeeld dat de CC Containers met Identificatietekens door het gebruik ervan in het CC Containersysteem niet in de EER in de handel zijn gebracht, zoals bedoeld in artikel 15 lid 1 UMVo. Alleen al hierom gaat het beroep van de curator op het Valeo arrest
27
, waarin het ging om door de merkhouder in de EER in de handel gebrachte en daarna gereviseerde waren, niet op. In de onderhavige zaak stond het de curator niet vrij om de Identificatietekens voorzien van het Merk van de bij QPE aangetroffen CC Containers te verwijderen, alvorens deze containers te koop aan te bieden. Container Centralen zou dan immers het wezenlijke recht worden ontzegd om de van haar merk voorziene waren als eerste in de EER in de handel te brengen.
28
4.35.
De conclusie uit het voorgaande is dat de curator ten aanzien van de CC Containers goederenrechtelijk gezien niet gehouden was tot afdracht aan Container Centralen, maar dat de intellectuele eigendomsrechten van Container Centralen in de weg zouden hebben gestaan aan het te koop aanbieden en verkopen van de CC Containers voorzien van de Identificatietekens en aan het verwijderen van de Identificatietekens door de curator. De opschortende voorwaarde in artikel 3.2. (i) (b) van de Koopovereenkomst kan ten aanzien van de CC Containers dus niet in vervulling gaan, zodat Container Centralen de koopprijs van de CC Containers niet aan de curator verschuldigd zal worden.
Ten aanzien van de EC Containers
4.36.
Container Centralen stelt dat zij op het moment van verhuur eigenaar is van de EC Containers en dat die containers, ook na gebruik daarvan in het CC Eurocontainersysteem, haar eigendom blijven. Dit is met zoveel woorden vastgelegd in artikel 4.1. van de AV EC (zie onder 2.17), die van toepassing zijn op de huurovereenkomsten tussen Container Centralen en haar contractanten die deelnemen aan het CC Eurocontainersysteem. De curator heeft deze uitgangspunten niet betwist, maar heeft aangevoerd dat het CC Eurocontainersysteem geen gesloten systeem is en dat goed denkbaar is dat een derde buiten dit poolsysteem om EC Containers in eigendom heeft verkregen. De curator heeft ter onderbouwing gewezen op een e-mail van een medewerker van een veilingbedrijf.
29
Deze medewerker beantwoordt daarin de volgende namens de curator gestelde vraag:
“Wij zijn benieuwd ernaar of deze specifieke EC Containers weleens op een veiling worden verkocht. Valt dit voor jou te achterhalen?”.
Het antwoord van de medewerker van het veilingbedrijf luidt als volgt:
“Ten aanzien van onderstaand verzoek bericht ik jullie als volgt.
Ik heb hiervoor onze database geraadpleegd maar stuit erop dat dergelijke items in de praktijk veelal onder uiteenlopende benamingen worden verkocht (Deense kar, veilingkar, CC kar, etagewagen, bloemenkar en aller handen verbasteringen hierop). (…)
Ik acht de kans echter groot dat dergelijke karren wel in (faillissements)veilingen verkocht zijn. In de praktijk zien wij ook regelmatig gebeuren dat bruikleen of huurzaken van partijen als Coca Cola of een bierbrouwer worden verkocht omdat deze in de praktijk al van eigenaar c.q. houder zijn gewisseld, verhuurders deze verzaken op te halen of ze op het moment van collecteren vermist zijn en op een later moment alsnog ergens opduiken.”
4.37.
De rechtbank passeert het verweer van de curator en overweegt daartoe het volgende. De curator heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat Container Centralen eigenaar is van de EC Containers die bij QPE zijn aangetroffen. De (theoretische) mogelijkheid dat die EC Containers zonder toestemming van Container Centralen aan derden, niet-pooldeelnemers, zijn verkocht, is onvoldoende onderbouwd. Het hiervoor geciteerde e-mailbericht van de medewerker van het veilingbedrijf biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Deze medewerker heeft immers enkel geschreven dat hij de kans aanwezig acht dat ‘dergelijke karren’ in (faillissements)veilingen zijn verkocht en draagt diverse mogelijke oorzaken van een dergelijke verkoop aan. Nog daargelaten dat onduidelijk is wat deze medewerker bedoelt met ‘dergelijke karren’ (hij verwijst in de voorgaande alinea immers ook naar andere soorten karren), berust deze mededeling enkel op aannames en niet op concrete feiten.
4.38.
Hoewel het in theorie mogelijk is dat van de 500.000 EC Containers in het CC Eurocontainersysteem er wel eens één is gestolen en doorverkocht, bevat het dossier en hetgeen ter zitting is besproken geen aanwijzingen dat dat het geval is ten aanzien van één van de 463 bij QPE aangetroffen EC Containers . Integendeel, uit de door de curator overgelegde brief van 20 mei 2022 van Celieplant B.V.,
30
welke onderneming contractant van Container Centralen is ten aanzien van CC Containers en EC Containers , blijkt dat Celieplant B.V. aanspraak heeft gemaakt op retournering van ten minste 252 van de bij QPE aangetroffen EC Containers en maakt zij melding van de huurprijs die zij voor de containers dient te betalen, als onderdeel van de schade die zij stelt te lijden. Deze brief van Celieplant B.V. staaft veeleer de stellingen van Container Centralen over haar eigendom van de EC Containers en de werking van het CC Eurocontainersysteem, dan de hypothese van de curator, dat het zo zou kunnen zijn dat de bij QPE aangetroffen EC Containers uit het poolsysteem zijn geraakt door oneigenlijke vervreemding en vervolgens bij QPE terecht zijn gekomen.
4.39.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de bij QPE aangetroffen EC Containers niet (meer) in eigendom aan Container Centralen toebehoren. Die eigendom blijkt immers in beginsel uit de op het CC Eurocontainersysteem toepasselijke algemene voorwaarden. Voor het scenario dat de bij QPE aangetroffen EC Containers mogelijkerwijs op onrechtmatige wijze het EC Poolsysteem hebben verlaten en de eigendom is overgegaan op een derde, bestaan onvoldoende aanknopingspunten.
4.40.
Dit betekent dat de curator gehouden was tot afdracht van de EC Containers aan Container Centralen. Nu de curator goederenrechtelijk gezien al tot afdracht van de EC Containers aan Container Centralen gehouden is, komt de rechtbank niet toe aan het bespreken van de vraag of de intellectuele eigendomsrechten van Container Centralen in de weg zouden hebben gestaan aan het aanbieden en verkopen van de EC Containers door de curator. Dit betekent dat ten aanzien van de EC Containers de opschortende voorwaarde van artikel 3.2. onder (i) (b) van de Koopovereenkomst niet in vervulling kan gaan en Container Centralen de koopprijs van de EC Containers niet aan de curator verschuldigd zal worden.
Bespreking van de vorderingen
4.41.
De onder I gevorderde verklaring voor recht is, in aangepaste vorm zoals verwoord onder 5.1, toewijsbaar, omdat hiervoor is geoordeeld dat de opschortende voorwaarde van artikel 3.2. (i) (b) ten aanzien van de CC Containers noch de EC Containers in vervulling kan gaan.
4.42.
De curator heeft de bij QPE aangetroffen CC Containers en EC Containers reeds aan Container Centralen afgegeven. Daarom bestaat voor de onder II gevorderde verklaring voor recht, naast het oordeel dat de opschortende voorwaarde van artikel 3.2. (i) (b) niet in vervulling kan gaan en Container Centralen ten aanzien van die containers dus niet de koopprijs verschuldigd zal zijn en de hierna onder 5.1 te geven verklaring voor recht, geen zelfstandig belang. Dit deel van de vordering is dan ook niet toewijsbaar.
4.43.
De onder III tot en met VII gevorderde verklaringen voor recht zijn evenmin toewijsbaar. Container Centralen heeft, naast het oordeel dat de opschortende voorwaarde van artikel 3.2. (i) (b) niet in vervulling kan gaan en de onder 5.1 te geven verklaring voor recht, geen belang bij deze verklaringen voor recht. Deze zien immers op de hypothetische situatie dat de curator de bij QPE aangetroffen CC Containers en EC Containers aan derden zou verkopen en/of de Identificatiemiddelen van de CC Containers zou verwijderen. Daarvan is echter geen sprake, omdat partijen een minnelijke regeling hebben getroffen op basis waarvan de curator de bij QPE aangetroffen containers aan Container Centralen heeft verkocht (zie ook onder 4.7 en onder 4.21).
4.44.
De rechtbank begrijpt de vordering onder VIII aldus, dat Container Centralen stelt schade te hebben geleden als gevolg van inbreuk op haar intellectuele eigendomsrechten door de curator. De rechtbank heeft echter geen daadwerkelijke inbreuk op intellectuele eigendomsrechten vastgesteld en gelet op de reeds getroffen minnelijke regeling bestaat ook geen dreiging daartoe, zodat deze vordering eveneens voor afwijzing gereed ligt. Voor zover Container Centralen deze vordering ook op een andere grondslag heeft willen baseren, is die grondslag onvoldoende onderbouwd.
4.45.
Ten aanzien van de onder IX gevorderde proceskosten overweegt de rechtbank als volgt. Deze zaak berust voor een deel op een goederenrechtelijke grondslag en voor een deel op de handhaving van intellectuele eigendomsrechten. De rechtbank is van oordeel dat 60% van de zaak betrekking heeft op de goederenrechtelijke grondslag en 40% op de handhaving van intellectuele eigendomsrechten.
4.46.
Voor het goederenrechtelijke deel van de zaak worden partijen gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet daarin, en in de voor beide partijen principiële aard van de procedure die wordt gevoerd als onderdeel van een meer omvattende minnelijke regeling (vastgelegd in de Koopovereenkomst), reden om de kosten van partijen voor wat betreft het goederenrechtelijke deel van de zaak te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Tot deze kosten rekent de rechtbank ook het griffierecht en de kosten voor het uitbrengen van de dagvaarding, omdat het grootste deel van de zaak op deze grondslag is gebaseerd.
4.47.
Voor het andere deel zal de curator als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Container Centralen heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de redelijke en evenredige proceskosten overeenkomstig artikel 1019h Rv. Zij heeft haar advocaatkosten terzake gespecificeerd op een bedrag van € 40.747,09.
4.48.
Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, sluit de rechtbank aan bij de Indicatietarieven in IE -zaken (versie april 2017). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Deze zaak valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ‘normale bodemzaak’ met een maximumtarief van € 17.500,-. Van dit bedrag wordt, gelet op de verdeling die is vastgesteld onder 4.37, 40% toegewezen. Dat komt neer op een bedrag van € 7.000,-.
4.49.
Voor een (separate) veroordeling in de gevorderde nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling die onder 5.3 zal worden uitgesproken ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. De nakosten zullen overeenkomstig het per 1 februari 2023 geldende liquidatietarief worden begroot op € 271,- zonder betekening en op € 361,- in geval van betekening.
4.50.
De gevorderde wettelijke rente zal op na te melden wijze worden toegewezen.