vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
in zaak C/09/550209 / HA ZA 18-338 van
1. de rechtspersoon naar vreemd recht Abbott Diabetes Care Inc, te Alameda, Verenigde Staten,
2. de rechtspersoon naar vreemd recht Abbott Laboratories, te Illinois, Verenigde Staten,
3. Abbott B.V., te Hoofddorp,
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
procesadvocaat: mr. J.A. Dullaart, te Naaldwijk,
behandelend advocaten: mr. S.C. Dack en mr. L.E. Fresco, te Amsterdam.
3 De beoordeling
3.1.
In de hoofdzaak hebben Abbott cs naast Kamstra cs en [gedaagde sub 3] ook HTG, die geen partij is in de incidenten, in rechte betrokken. Daarmee is in de hoofdzaak en in de incidenten sprake van subjectieve cumulatie van verschillende, voor afzonderlijke berechting vatbare rechtsvorderingen, die vanwege hun onderlinge samenhang in één procedure zijn samengevoegd. Deze samenvoeging ontneemt aan de desbetreffende afzonderlijke zaken echter niet hun zelfstandigheid. Conclusies en akten die worden genomen en producties die worden overgelegd in de ene zaak, gelden niet van rechtswege als genomen respectievelijk overgelegd in de andere zaak.2 Dit geldt ook voor de standpunten van partijen in de verschillende zaken, die ieder op hun eigen merites moeten worden bezien. Dat laat onverlet dat geschilpunten die in alle zaken spelen, tezamen kunnen worden behandeld.
3.2.
De hoofdzaak gaat over (parallel)handel in Abbott Freestyle bloedglucose teststrips, ten aanzien waarvan Abbott cs een aantal merken houden. Abbott cs verkopen en distribueren de Freestyle teststrips in Europa tegen lagere prijzen dan in de Verenigde Staten. Abbott cs stellen dat gedaagden betrokken zijn bij levering aan het Amerikaanse bedrijf H&H Wholesale Services Inc. (hierna: H&H) van oorspronkelijk voor andere markten bestemde Freestyle strips, die zijn herverpakt en voorzien van bijsluiters die lijken op de verpakkingen en bijsluiters die voor de Amerikaanse markt worden gebruikt. Kamstra cs worden aangesproken in de hoofdzaak omdat uit het door Abbott cs eind mei 2017 in de Verenigde Staten gelegde bewijsbeslag bij onder meer H&H volgde dat de Freestyle teststrips van Kamstra afkomstig waren. Abbott cs stellen dat [gedaagde sub 3] , een werknemer van Kamstra, op persoonlijke titel een verwijt kan worden gemaakt ter zake van inbreuk op de Uniemerkrechten van Abbott cs. [gedaagde sub 3] is voor het eerst in rechte betrokken door Abbott cs met het instellen van de vordering in de hoofdzaak. De andere partijen in de hoofdzaak hebben (kort geding) procedures gevoerd over het voorafgaand aan de hoofdzaak gelegde bewijsbeslag onder Kamstra cs en HTG.
3.3.
Kamstra cs en [gedaagde sub 3] gronden hun incidentele vorderingen op artikel 843a Rv. Daarin is bepaald dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grond van het vierde lid van dit artikel is degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Verder kan de vordering afgewezen worden indien sprake is van misbruik van recht, misbruik van bevoegdheid, strijd met de goede procesorde of wegens gebrek aan belang.
in het door Kamstra cs opgeworpen incident
3.4.
Kamstra cs stellen dat zij de gevorderde bescheiden nodig hebben (i) voor het opwerpen en substantiëren van hun reconventionele eis, (ii) de onderbouwing van de stellingen en weren in conventie en (iii) de onderbouwing van de stellingen in de vrijwaringszaak teneinde het onrechtmatig handelen van [A] en Prämie aan te tonen.
(i) en (ii) Vordering van bescheiden met het oog op de hoofdzaak (verweer in conventie en voorgenomen reconventionele vordering)
3.5.
Kamstra es stellen dat Abbott cs in hun verzoekschrift van 25 juli 2017 voor het leggen van ex parte bewijsbeslag, in de daarop volgende kort gedingprocedures en in de hoofdzaak ten onrechte hebben vermeld dat zij pas als gevolg van het op 25 mei 2017 onder H&H in de Verenigde Staten gelegde bewijsbeslag op de hoogte is geraakt van de betrokkenheid van Kamstra cs bij de in de hoofdzaak aan de orde gestelde merkinbreuk en dat Abbott es ten onrechte niet ingaan op de hen bekende betrokkenheid van [A] en Prämie. Volgens Kamstra cs volgt uit de door hen in het incident overgelegde producties dat Abbott cs in februari en maart 2017 reeds de beschikking hadden gekregen over documenten waaruit de betrokkenheid van Kamstra cs bleek en dat zij in december 2016 op de hoogte waren geraakt van de betrokkenheid van [A] en Prämie.
3.6.
Kamstra cs verwijten Abbott es dat zij op basis van onvolledige voorlichting (a) bewijsbeslag hebben gelegd en inzage hebben gekregen in een grote hoeveelheid out-of-scope documenten van Kamstra cs, terwijl zij al over relevante informatie over hun vorderingen beschikten, (b) hebben gedreigd met (draconisch) hoge dwangsommen, waardoor Kamstra cs gedwongen waren tegen hoge kosten verweer te voeren in procedures daarover en (c) door stil te zitten onnodige schade hebben laten ontstaan bij Kamstra cs, die stellen onmiddellijk te zijn gestopt met de handel in Freestyle teststrips toen zij op de hoogte geraakten van het counterfeit karakter ervan en de betrokkenheid van [A] en Prämie daarbij, terwijl in dat geval de door Abbott cs gestelde schade voor de volksgezondheid voorkomen had kunnen worden. Daarmee is deze schade als gevolg van de in de hoofdzaak aan de orde gestelde merkinbreuk volgens Kamstra cs een selfinflicted wound.
3.7.
Kamstra cs stellen dat Kamstra in het kader van vertrouwelijke kennisname van documenten uit een Amerikaanse procedure inzage heeft gekregen in meer documenten waaruit nader en duidelijker volgt dat Abbott cs voor 25 mei 2017 op de hoogte was van de betrokkenheid van [A] , Prämie en Kamstra cs bij de in de hoofdzaak aan de orde gestelde merkinbreuk. Volgens Kamstra cs is het voor hun verweer in conventie en hun voorgenomen vordering in reconventie nodig dat ‘het volledige verhaal’ dat nog niet bekend is, boven water komt. Ze doelen daarmee op (i) het exacte moment waarop Abbott cs wetenschap hadden over de betrokkenheid van Kamstra cs, (ii) het exacte moment waarop Abbott cs besloten gerechtelijke acties tegen Kamstra cs te ondernemen, (iii) het exacte moment waarop Abbott cs wetenschap had van betrokkenheid van [A] en Prämie en de exacte voornemens van Abbott cs omtrent het wel of niet optreden tegen deze partijen en (iv) de besluitvorming van Abbott cs omtrent de acties die zij nu heeft ondernomen, bijvoorbeeld omtrent de vraag waarom Abbott cs pas eind mei 2017 actie heeft ondernomen tegen alleen Kamstra cs en niet eerder tegen [A] en/of Prämie.
3.8.
Partijen twisten over de gevolgtrekkingen die Abbott cs hadden kunnen en/of moeten maken uit de documenten waarover zij in februari en maart 2017 de beschikking hebben gekregen en Abbott cs bestrijden de verwijten van Kamstra cs. Of en in hoeverre de voorgenomen reconventionele vordering van Kamstra cs in de hoofdzaak kansloos is, zoals Abbott cs betogen, laat de rechtbank onbesproken. Hetzelfde geldt voor de kans van slagen van het voorgenomen verweer van Kamstra in conventie. Dat moet in de hoofdzaak worden beoordeeld.
3.9.
De rechtbank stelt vast dat Kamstra cs in staat zijn gebleken in dit incident concreet en met stukken onderbouwd uiteen te zetten dat en waarom zij Abbott cs aansprakelijk houden. Uit de toelichting van Kamstra cs volgt dat de gevorderde exhibitie ziet op het vergaren van meer en duidelijker bewijs van hun stellingen over aansprakelijkheid van Abbott cs en over de omvang en reikwijdte (onder meer de periode) van deze gestelde aansprakelijkheid. Eerst als de door Abbott cs gemotiveerd betwiste aansprakelijkheid is vastgesteld in de hoofdzaak, zijn de omvang en reikwijdte daarvan relevant. In zoverre is het exhibitie-incident ontijdig ingesteld en hebben Kamstra cs geen rechtmatig belang bij verkrijging van de gevorderde bescheiden. Verder is de feitelijke grondslag voor het verweer in conventie en de voorgenomen vordering in reconventie – te weten: Abbott cs waren eerder dan eind mei 2017 op de hoogte van de betrokkenheid van Kamstra cs, [A] en Prämie – bekend aan Kamstra cs en betwisten Abbott cs niet dat zij in februari/maart 2017 de beschikking hebben gekregen over de documenten waaruit Kamstra cs hun wetenschap afleiden. De behoefte van Kamstra cs een en ander verder uit te zoeken, door meer en duidelijker bewijs te verkrijgen en het ‘volledige verhaal’ te kennen, levert geen rechtmatig belang op in de zin van artikel 843a Rv. De ruim geformuleerde vorderingen die een omvangrijke periode beslaan, zijn veeleer een fishing expedition waar artikel 843a Rv geen grondslag voor biedt.
3.10.
Hieruit volgt dat de vorderingen, voor zover ingesteld met het oog op het verweer in conventie en de voorgenomen vordering in reconventie, bij gebrek aan rechtmatig belang dienen te worden afgewezen. Onbesproken kan blijven of aan de andere voorwaarden van artikel 843a Rv is voldaan.
(iii) Vordering van bescheiden ten behoeve van de vrijwaringszaak
3.11.
Artikel 843a Rv biedt in het algemeen een zelfstandige grondslag voor een vordering van degene die daarbij een rechtmatig belang heeft. Deze vordering kan worden gedaan in een afzonderlijke procedure of (als incidentele vordering) in een lopende procedure3 en met uiteenlopende oogmerken, zoals het verkrijgen van informatie in verband met (voorgenomen) onderhandelingen of met het oog op het voeren van of de bewijslevering in een lopende of mogelijke procedure. Een vordering op de voet van artikel 843a lid 1 Rv kan worden ingesteld tegen derden die bij die rechtsbetrekking geen partij zijn.4
3.12.
Incidentele beslissingen strekken tot instructie van de zaak. Als daarop bij afzonderlijk vonnis wordt beslist, is dat een tussenvonnis waarop art. 337 lid 2 Rv van toepassing is en geen eindvonnis waarmee in het dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan het geding.5 Hieruit volgt dat een op art. 843a Rv gebaseerde vordering, die als incident wordt ingesteld in een lopende procedure, moet strekken tot instructie van de zaak. Voor zover Kamstra cs de bescheiden vorderen met het oog op de vrijwaringsprocedure, hebben zij het incident opgeworpen tegen Abbott cs als derden en is het incident niet gericht op enige instructie van de hoofdzaak, maar dient het enkel en alleen de vrijwaringszaak. Dit past niet in het systeem van Rv.
3.13.
Het – ook bij een voortvarende afhandeling van het incident – enige tijd stilliggen van de hoofdzaak om door middel van dit exhibitie-incident bewijs te vergaren voor de vrijwaringszaak, is bovendien niet te verenigen met de eisen van de goede procesorde, terwijl Kamstra cs in dit geval door een op voorhand zinloze vordering in te stellen, tot slot misbruik van recht hebben gemaakt met de incidentele vordering met het oog op bewijsvergaring voor de vrijwaringszaak. Niet valt namelijk in te zien welk rechtmatig belang Kamstra cs kunnen hebben bij exhibitie met het oog op de vrijwaringszaak, waarin zij reeds een dagvaarding hebben uitgebracht en verstek is verleend tegen de niet verschenen gedaagden. De volgende stap in de vrijwaringszaak is het wijzen van vonnis, dat echter is aangehouden in afwachting van het eindvonnis in de hoofdzaak. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – kan niet worden aangenomen dat enige nadere substantiëring van de vorderingen van Kamstra cs in de vrijwaringszaak procedure aan de orde zal zijn. Dit wordt niet anders door de onzekere, zich mogelijk in de toekomst voordoende omstandigheid dat dit eventueel anders zou kunnen komen te liggen als [A] en Prämie te zijner tijd verweer voeren na het verleende verstek te hebben gezuiverd of in een eventueel verzet of appel.
3.14.
De slotsom luidt dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Nu het entameren van dit incident voor zover het ziet op bewijsvergaring voor de vrijwaringsprocedure als strijdig met de goede procesorde en misbruik van recht is aangemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek van Kamstra cs om de proceskostenveroordeling in het incident aan te houden tot het eindvonnis in de hoofdzaak te honoreren. Zij worden als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident.
3.15.
Nu de met het oog op de vrijwaringszaak ingestelde exhibitievordering als misbruik van recht is gekwalificeerd, is in zoverre plaats voor een volledige proceskostenvergoeding. Volgens de opgave van Abbott cs bedragen haar volledige proceskosten in het incident € 35.729,30. De rechtbank stelt het aan de vrijwaringszaak toe te rekenen deel van het exhibitie incident op 50%, te weten € 17.864,65. De overige 50% van de proceskosten in het incident worden gesteld op 50% van het toepasselijke liquidatietarief, te weten € 4.000. Daarmee komt de totale proceskostenveroordeling in het incident op € 21.864,65.
3.16.
Het uitstelverzoek in de hoofdzaak zag op de niet aan de orde zijnde situatie dat de incidentele vordering zou worden toegewezen en het voorwaardelijk pleidooiverzoek is ‘ingehaald’ door het pleidooi in het incident. Voor zover nog een beslissing moet worden genomen op deze verzoeken, worden zij afgewezen.
in de zaak van [gedaagde sub 3]
3.17.
[gedaagde sub 3] stelt dat hij de gevorderde bescheiden nodig heeft voor zijn verweer in de hoofdzaak, teneinde nader te onderbouwen dat Abbott cs in strijd met artikel 21 Rv hebben gehandeld door het in de hoofdzaak te doen voorkomen dat zij eerst eind mei 2017 op de hoogte zijn geraakt van de betrokkenheid van Kamstra cs, [A] en Prämie bij de in de hoofdzaak aan de orde gestelde merkinbreuk. In zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak heeft [gedaagde sub 3] voorts betoogd dat vanwege deze wetenschap sprake is van eigen schuld aan de zijde van Abbotts cs. [gedaagde sub 3] stelt in het incident dat het er alle schijn van heeft dat Abbott cs het ‘halve verhaal’ vertellen over wat zij op welk moment precies hierover wisten. Tijdens het pleidooi is daar namens hem aan toegevoegd dat het opmerkelijk is dat Abbott cs hierover geen duidelijkheid willen verschaffen.
3.18.
Ook voor [gedaagde sub 3] geldt dat zijn behoefte een en ander verder uit te zoeken, door meer inzicht te verkrijgen in het tot nu toe naar voren gebrachte ‘halve verhaal’ van Abbott cs, geen rechtmatig belang oplevert in de zin van artikel 843a Rv. Ook hier geldt dat de ruim geformuleerde vorderingen een omvangrijke periode beslaan, veeleer een fishing expedition vormen, waarvoor artikel 843a Rv geen grondslag biedt. Daar komt bij dat het in de hoofdzaak gevoerde eigen schuldverweer een schadeverweer is dat pas aan de orde is als de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 3] in de hoofdzaak is vastgesteld. Gezien het gemotiveerd verweer van [gedaagde sub 3] in de hoofdzaak, kan aansprakelijkheid van [gedaagde sub 3] bij deze stand van zaken niet tot uitgangspunt worden genomen.
3.19.
Daarmee luidt de slotsom dat de incidentele vorderingen van [gedaagde sub 3] bij gebrek aan rechtmatig belang moeten worden afgewezen. Onbesproken kan blijven of aan de andere voorwaarden van artikel 843a Rv is voldaan. De rechtbank houdt de proceskostenveroordeling in het incident aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak.
Nadere motivering van de dagbepaling van het pleidooi in het incident
3.20.
Hierbij verschaft de rechtbank de door [gedaagde sub 3] gevraagde nadere motivering van de dagbepaling van het pleidooi in het incident. Dit pleidooi is op 25 juni 2019 met inachtneming van de verhinderdata bepaald op 8 juli 2019, welke datum toen bij alle partijen beschikbaar was. Vanwege de periode die was verstreken tussen het op 12 juni 2019 opgeven van de verhinderdata en de dagbepaling, hebben Kamstra cs en [gedaagde sub 3] om uitstel verzocht. Hierop is de datum van het pleidooi in het incident nader bepaald op 15 juli 2019. Daarbij is wel rekening gehouden met de verhinderdata van Abbott cs en Kamstra cs, maar niet met die van [gedaagde sub 3] .
3.21.
Op grond van artikel 20 lid 1 Rv waakt de rechter tegen onredelijke vertraging van de procedure en treft, zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen. Gezien de vele verhinderingen van alle partijen – niet alleen [gedaagde sub 3] – was het niet mogelijk binnen afzienbare tijd een datum te bepalen voor het pleidooi in het incident waarop alle partijen beschikbaar waren. Rekening houden met alle verhinderingen, zou ertoe hebben geleid dat de procedure in de hoofdzaak maanden zou stilliggen. Dat zou hebben geleid tot een onredelijke vertraging van de procedure in de hoofdzaak. Het belang van [gedaagde sub 3] om de zitting in persoon bij te wonen weegt niet op tegen het belang van het tegengaan van onredelijke vertraging. Bij de nadere dagbepaling met voorbijgaan aan [gedaagde sub 3] ’ verhinderdata is verder in aanmerking genomen dat het gaat om een zitting waarbij de advocaten aan de hand van pleitnota’s de standpunten van partijen mondeling toelichten, hetgeen in [gedaagde sub 3] ’ geval ook is gebeurd.
in de zaak tegen Kamstra cs
3.22.
Door, nadat zij reeds een incident hadden opgeworpen, een nieuw incident te entameren in plaats van voor antwoord te concluderen, eventueel –zoals [gedaagde sub 3] dat heeft gedaan – met daarbij een incidentele conclusie, hebben Kamstra cs zichzelf blootgesteld aan het risico van een akte niet dienen voor de conclusie van antwoord dan wel het risico dat hen in het incidenteel vonnis niet zou worden toegestaan voor antwoord te concluderen. Hoewel de rechtbank deze gevolgtrekking zou kunnen verbinden aan de vastgestelde strijd met de eisen van goede procesorde en misbruik van recht, zal zij dat niet doen vanwege de verstrekkende en zeer nadelige consequenties daarvan voor Kamstra cs, die in dat geval bovendien de mogelijkheid worden ontnomen de voorgenomen vordering in reconventie in te stellen. Kamstra cs worden daarom toegestaan voor antwoord te concluderen in de hoofdzaak. De rechtbank zal hen niet de door Abbott cs voorgestane termijn van twee weken geven, maar gunt hen daarvoor een termijn van vier weken, met de bepaling dat geen uitstel zal worden verleend.
3.23.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.