Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBAMS:2025:851

Rechtbank Amsterdam
11-02-2025
12-02-2025
81/200081-22
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Een 57-jarige man is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk omdat hij belastingfraude pleegde, door feitelijke leiding te geven aan het niet voldoen aan verzoeken van de belastingdienst tot het geven van inzage in stukken en het opzettelijk indienen van onjuiste belastingaangiften door vier bedrijven, gedurende meerdere jaren. Daarnaast zette hij anderen in als stroman, om zelf uit beeld te blijven. Uit het dossier blijkt voorts dat personeel slecht betaald werd, of soms helemaal niet betaald kreeg.

Rechtspraak.nl
NLF 2025/0528
NDFR Nieuws 2025/587

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 81/200081-22

Datum uitspraak: 11 februari 2025

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1967,

wonende op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 januari 2025 en 28 januari 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. O.J.M. van der Bijl, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. O.N.J. Maatje, naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding en tenlastelegging

2.1.1. Achtergrond van de zaak

In 2019 is de Belastingdienst een boekenonderzoek gestart naar [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] (hierna telkens aangeduid zonder de toevoeging “B.V.”). Deze ondernemingen hebben op dat moment personeel in dienst, die ze beschikbaar stellen aan inleners in de horeca. De Belastingdienst schrijft in het dossier dat boekenonderzoek niet mogelijk bleek, vanwege een gebrek aan administratie. Uit onderzoek naar de bankrekeningen en na navraag bij de klanten van deze ondernemingen (de inleners), zou er vervolgens blijkens het dossier een groot verschil bestaan tussen de verloonde uren en de theoretisch gemaakte uren en zou er verwevenheid zijn tussen de vier ondernemingen. In 2021 is de FIOD een onderzoek gestart naar deze ondernemingen en is onder andere een aanvullende verdenking gerezen tegen [bedrijf 5] De FIOD verdenkt de ondernemingen van (kort gezegd) belastingfraude en verdenkt verdachte ervan dat hij, ondanks dat hij formeel geen bestuurder of aandeelhouder is van de ondernemingen, wel de feitelijke leidinggever hiervan is geweest. Verdachte wordt daarnaast verdacht van witwassen. Dit onderzoek heeft geleid tot de volgende tenlastelegging.

2.1.2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – allereerst ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het (medeplegen van het) feitelijke leidinggeven aan het tussen 2015 en 2022

1. door [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] opzettelijk niet voor raadpleging beschikbaar stellen van (kort gezegd) boeken, bescheiden en/of andere gegevens aan de Belastingdienst, terwijl deze ondernemingen daar ingevolge de belastingwet wel toe verplicht waren;

2. door [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften.

Tot slot is aan verdachte ten laste gelegd dat

3. hij zich in de periode van 2015 tot en met 2020 heeft schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) gewoontewitwassen van in totaal € 3.629.426,- aan contant geld.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Het ten laste gelegde kan niet worden bewezen en verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 kan niet worden vastgesteld dat verdachte een leidende functie heeft gehad binnen de ondernemingen en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van deze ondernemingen. Het witwassen van het geld, dat te weinig aan loonheffing en omzetbelasting is opgegeven, kan daarom ook niet worden bewezen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Samenvatting oordeel

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 bewezen, maar spreekt verdachte wel gedeeltelijk vrij van feit 2. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt als volgt.

3.3.2.

Bewijsmotivering feiten 1 en 2

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de onder 1 en 2 tenlastegelegde strafbare gedragingen door de verschillende ondernemingen. Daarna zal de rechtbank ingaan op het feitelijke leidinggeven door verdachte.

Feit 1 – niet beschikbaar stellen van gegevens

De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast.1

De Belastingdienst heeft aan [bedrijf 4] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 1] op 18 en 23 oktober 2019 schriftelijk een boekenonderzoek aangekondigd op verschillende adressen en per e-mail. In de aankondigingsbrieven werd onder andere verzocht om de gevraagde administratie uiterlijk vóór 30 oktober 2019 beschikbaar te stellen. In het bijzonder is gevraagd om jaarstukken, kasadministratie, loonadministratie, urenstaten en in- en verkoopfacturen.2 De Belastingdienst heeft, hoewel niet inhoudelijk, van drie van de vier ondernemingen (alle behalve [bedrijf 1] ) een reactie ontvangen op de hiervoor bedoelde verzoeken.3 Daaruit maakt de rechtbank op dat deze ondernemingen de verzoeken ontvangen hebben.

De rechtbank gaat ervan uit dat ook [bedrijf 1] het verzoek van de Belastingdienst heeft ontvangen. Het verzoek is naar het postadres verzonden dat is geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dat is hetzelfde adres als dat van [bedrijf 3] .4

[naam 1] is in het handelsregister geregistreerd als aandeelhouder van [bedrijf 4] , [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . [naam 2] is bestuurder van [bedrijf 4] en [bedrijf 2] . Hij heeft verklaard dat dezelfde persoon achter de vier ondernemingen zit.5 [naam 3] is betrokken bij [bedrijf 2] en tevens aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 3] . De vestigingsadressen van de ondernemingen overlappen deels met elkaar, alsmede met het woonadres van [naam 1] .6 Hetzelfde IP-adres wordt daarnaast gebruikt voor toegang tot bankrekeningen door meerdere ondernemingen.7 Bovendien blijkt uit het dossier dat de omzet van [bedrijf 1] is overgenomen door [bedrijf 2] en dat [bedrijf 3] en [bedrijf 4] de omzet van [bedrijf 2] weer geleidelijk hebben overgenomen.8 De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat de vier ondernemingen verweven zijn.

De ondernemingen hebben, ook na herinneringen, niet voldaan aan het verzoek van de Belastingdienst om de administratie beschikbaar te stellen.9 Ook een bedrijfsbezoek aan [bedrijf 3] heeft niet tot het aantreffen en/of overleggen van de (volledige) administratie geleid.10 Bij doorzoeking van de bedrijfspanden van de ondernemingen is de administratie die verwacht mocht worden, ook niet aangetroffen. Onder andere ontbraken bij alle ondernemingen een kasboek, een inkoopboek, loon- en personeelsadministratie en (op één jaar bij één onderneming na) jaarrekeningen.11

Mede gelet op de verwevenheid van de ondernemingen, oordeelt de rechtbank dat de ondernemingen willens en wetens niet aan de verzoeken van de Belastingdienst hebben voldaan. De rechtbank acht opzet daarom ook bewezen.

De rechtbank overweegt tot slot dat dit feit naar haar aard en in het algemeen geschikt is teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Daarom is ook aan het strekkingsvereiste voldaan.

Feit 2 – onjuiste belastingaangiften

Loonheffing – bewijsoverweging en gedeeltelijke vrijspraak m.b.t. [bedrijf 5]

Om inzicht te verkrijgen in de lonen en het aantal uren van individuele werknemers waarvoor de ondernemingen [bedrijf 4] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 1] aangifte loonheffing hebben gedaan is onderzoek gedaan naar de verzamelloonstaten van de ondernemingen. Hieruit blijken de volgende aantallen uren:12

Ook zijn facturen opgevraagd bij inleners (de horeca-ondernemingen) die facturen hebben betaald aan de ondernemingen. Hieruit blijkt (verdeeld over de vier ondernemingen) een totaal van 361.003 gewerkt uren.13 Dit levert een verschil op van 81,74%.14

De ondernemingen hebben de volgende bedragen opgegeven in de aangiften loonheffing:15

Dit betreft voor [bedrijf 1] aangiften over januari tot en met december 2015, voor [bedrijf 2] aangiften over maart 2015 tot en met december 2018,16 voor [bedrijf 3] aangiften over januari 2017 tot en met juli 2019 en voor [bedrijf 4] aangiften over december 2017 tot en met december 2019.17

Aangezien deze aangiften zijn gebaseerd op de onjuiste verzamelloonstaten, stelt de rechtbank vast dat de aangiften loonheffing door [bedrijf 4] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 1] onjuist zijn gedaan.

In de tenlastelegging is opgenomen dat ook [bedrijf 5] onjuiste aangiften loonheffing gedaan heeft. Uit het dossier volgen aanwijzingen dat [bedrijf 5] onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan, maar dat zij ook daadwerkelijk onjuiste aangiften loonheffing heeft gedaan, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. Anders dan bij de hiervoor genoemde ondernemingen, zijn de aan afnemers gefactureerde uren door [bedrijf 5] niet vergeleken met de in de aangiften loonheffing opgegeven uren. Dit feit kan dan ook niet worden bewezen en de rechtbank spreekt verdachte hiervan vrij.

Omzetbelasting

De Belastingdienst heeft geconstateerd dat daarnaast door [bedrijf 4] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 1] tussen 2015 en 2019 aangiften omzetbelasting zijn gedaan waarop ook daadwerkelijk omzetbelasting is opgevoerd. Deze aangiften zijn echter niet onderbouwd met administratie of facturen waaruit de juistheid van de voorbelasting blijkt.18 Dit betrof voor [bedrijf 1] aangiften over januari 2015 tot en met juni 201619, voor [bedrijf 2] aangiften over januari 2015 tot en met december 201820, voor [bedrijf 3] aangiften over januari 2017 tot en met juli 201921 en voor [bedrijf 4] aangiften over januari 2018 tot en met december 201922.

De rechtbank oordeelt dat, omdat er geen correcte administratie is bijgehouden, niet is voldaan aan de voorwaarden voor het opvoeren van omzetbelasting die betaald is aan leveranciers. De aangiften omzetbelasting zijn dan ook onjuist ingediend.

Opzet

De rechtbank oordeelt dat opzet op het doen van onjuiste aangiften kan worden bewezen. Met betrekking tot de aangiften loonheffing overweegt de rechtbank allereerst dat een zeer groot gedeelte van de uren die werknemers gewerkt hebben, niet is opgegeven. Daarnaast geldt voor beide soorten aangiften dat er geen volledige administratie aanwezig was, maar desondanks aangiften zijn ingediend. Hieruit maakt de rechtbank op dat het niet anders kan dan dat de aangiften willens en wetens onjuist zijn ingediend.

Strekkingsvereiste

De rechtbank stelt tot slot vast dat gezien het voorgaande ook kan worden vastgesteld dat de gedragingen teweeg konden brengen (en ook daadwerkelijk teweeg hebben gebracht) dat te weinig belasting werd geheven.

Feitelijke leidinggeven

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat [naam 1] zijn broer is en dat zij samen voor de ondernemingen gewerkt hebben.23 Hij heeft verklaard dat hij werkte als voorman. Hij zou het aanspreekpunt zijn geweest voor de schoonmakers en vanuit die rol verschillende werkzaamheden hebben verricht. Zijn rol was niet groter dan dat. Hij gaf leiding aan het personeel maar niet aan het bedrijf. Hij is naar eigen zeggen bovendien niet betrokken geweest bij de administratie of het doen van belastingaangiften.

Verdachte heeft daarnaast verklaard dat zijn roepnaam [roepnaam 1 verdachte ] is. Aangezien dit lijkt op de naam [roepnaam 2 verdachte ] , zijn er ook mensen die hem bij die naam noemen.24

Verklaringen van anderen

[naam 2] is blijkens het handelsregister algemeen directeur geweest van [bedrijf 2]25 en [bedrijf 4]26. Hij heeft over [bedrijf 2] verklaard dat hij door [naam 1] is gevraagd om directeur te worden van de onderneming. Hij mocht zich echter niet bezighouden met loonheffing en btw. Feitelijk had hij dan ook een andere taak dan op papier.27 Volgens [naam 2] maakte [roepnaam 1 verdachte ] de facturen en contracten met nieuwe klanten.28 Hij gaf de urenstaten aan [naam 1] en [roepnaam 1 verdachte ] . Zij waren altijd bij elkaar volgens hem, dus het is niet te zeggen of hij ze aan de één of aan de andere gaf. Hij heeft ook verklaard dat hij de uitbetaling aan het personeel niet deed, maar alleen de uren doorgaf aan [naam 1] en [roepnaam 1 verdachte ] . Zij waren ook verantwoordelijk voor de financiële administratie. [roepnaam 1 verdachte ] had het programma voor loonadministratie op zijn computer. Als er al belastingaangiften zijn gedaan, zijn deze opgemaakt door [roepnaam 1 verdachte ] .29

Over [bedrijf 4] heeft [naam 2] in dezelfde zin verklaard. Hij werd op verzoek van [naam 1] directeur van de onderneming, maar was feitelijk niet de bestuurder.30 [naam 1] en [roepnaam 1 verdachte ] hadden de bankpas voor de bankrekeningen van de onderneming. [roepnaam 1 verdachte ] regelde nieuwe klanten en maakte facturen op. [bedrijf 4] was volgens [naam 2] feitelijk een voortzetting van [bedrijf 2] .31 [naam 2] denkt dat [roepnaam 1 verdachte ] binnen [bedrijf 4] ook verantwoordelijk was voor de financiële administratie, de belastingaangiften en de jaarrekeningen.32 Met betrekking tot de ondernemingen die op papier van [naam 2] zouden zijn, heeft hij verklaard dat [roepnaam 1 verdachte ] in werkelijkheid de baas was.33

[naam 2] heeft in reactie op de verklaring van verdachte, dat hij voorman van de schoonmakers is, verklaard dat [roepnaam 1 verdachte ] altijd op kantoor werkte en dat daar geen werk is voor een voorman. Hij is geen voorman, maar werkt achter de schermen op kantoor.34

[naam 2] heeft in een later verhoor nogmaals verklaard dat [roepnaam 1 verdachte ] de baas was en daaraan toegevoegd dat, achteraf bezien, [naam 1] niet de hoofdpersoon was en een beperkte rol had.35

[naam 4] is blijkens het handelsregister algemeen directeur geweest van [bedrijf 3] .36 Hij heeft verklaard dat de persoon op de foto van verdachte, die verbalisanten hem hebben laten zien, [roepnaam 2 verdachte ] is en dat hij de grote baas is. [naam 4] heeft verklaard dat hij niet wist dat hij directeur was van [bedrijf 3] .37 Hij zou daarnaast geen andere werkzaamheden hebben verricht dan afwassen38 en bijvoorbeeld ook geen beschikking hebben gehad over bankpassen. Wie verantwoordelijk was voor de financiële administratie, weet [naam 4] niet.39

Volgens [naam 4] was [roepnaam 2 verdachte ] verantwoordelijk voor alles binnen de onderneming en ook, samen met een ander, voor de administratie.40 Kort gezegd verklaart [naam 4] zelf verder niets te maken te hebben met de administratie en/of het besturen van de onderneming.41

[naam 5] is blijkens het handelsregister algemeen directeur geweest van [bedrijf 1] .42 [naam 5] heeft verklaard dat hij geld heeft gekregen om vanuit Polen naar Nederland te komen. Op het vliegveld zou hij zijn opgehaald door de eigenaar van [bedrijf 1] , namelijk een persoon die zich voorstelde als [roepnaam 2 verdachte ] . [roepnaam 2 verdachte ] heeft voor [naam 5] een bankrekening geopend en een verzekering afgesloten. Een bankpas of documenten van deze rekening en verzekering heeft hij niet gekregen van [roepnaam 2 verdachte ] .43 Daarna is [naam 5] nog samen met [roepnaam 2 verdachte ] naar een instantie gegaan en daarna naar een notaris. [roepnaam 2 verdachte ] liet [naam 5] documenten tekenen en geen vragen stellen. [naam 5] wist niet wat er in de documenten stond. Hij heeft vervolgens geld gekregen en heeft daarna geen contact meer met [roepnaam 2 verdachte ] gehad.44

[naam 5] heeft verklaard dat hij er geen wetenschap van had dat er een bedrijf op zijn naam stond en dat hij dus ook niets weet van belastingaangiften.45

[naam 6] is werkzaam geweest bij [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Volgens [naam 6] was [roepnaam 2 verdachte ] de man die op kantoor leidinggaf. De broer van [roepnaam 2 verdachte ] was er ook, maar wat hij voor werk deed, was onduidelijk.46 [roepnaam 2 verdachte ] was volgens [naam 6] de directeur van deze ondernemingen.47 Nadat de verbalisanten aan [naam 6] hebben verteld dat [naam 7] directeur was van [bedrijf 3] , heeft [naam 6] verklaard dat “de hele show” werd verricht door [roepnaam 2 verdachte ] .48 [naam 6] heeft verklaard dat de persoon op de foto die verbalisanten hem hebben laten zien, [roepnaam 2 verdachte ] (de rechtbank begrijpt: [roepnaam 2 verdachte ] ) is waarover hij heeft verklaard.49 In het verhoor van [naam 8] (dat hierna wordt beschreven) blijkt dat dezelfde foto is getoond en dat dit een foto van verdachte is.

[naam 8] heeft verklaard dat ene [roepnaam 2 verdachte ] aan hem heeft verteld dat hij directeur was van [bedrijf 3] . [roepnaam 2 verdachte ] heeft hem gevraagd om de jaarrekening over 2017 op te maken voor [bedrijf 3] en [naam 8] heeft dat vervolgens gedaan. Hij had hierover alleen contact met [roepnaam 2 verdachte ] .50 Aan [naam 8] is een foto getoond van verdachte, en verdachte herkent die persoon als [roepnaam 2 verdachte ] van [bedrijf 3] .51

Overweging

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande het volgende vast. Verdachte heeft bij de vier ondernemingen gewerkt, zo verklaart hij onder andere zelf. Gezien de verklaring van verdachte over het gebruik van de naam [roepnaam 1 verdachte ] en [roepnaam 2 verdachte ] en de herkenning door getuigen [naam 4] , [naam 6] en [naam 8] van verdachte op foto’s, gaat de rechtbank ervan uit dat wanneer in de hiervoor beschreven verklaringen wordt gesproken over [roepnaam 1 verdachte ] , [roepnaam 2 verdachte ] , [roepnaam 2 verdachte ] of [roepnaam 2 verdachte ] , verdachte bedoeld wordt. Getuigen [naam 2] , [naam 4] en [naam 5] zijn (op enig moment) op papier directeur van de ondernemingen geweest, maar hebben verklaard dat verdachte degene is die feitelijk de leiding had over de ondernemingen. [naam 2] heeft verklaard dat hij wist dat hijzelf op papier directeur was, maar dat hij niet de taken van een directeur had. [naam 4] lijkt helemaal niet te hebben geweten dat hij op papier directeur was en [naam 5] heeft verklaard documenten te hebben getekend waarvan hij de inhoud niet kende. De verklaringen van deze getuigen, dat verdachte de feitelijke leiding had, ondersteunen elkaar en vinden bovendien steun in de verklaringen van (de niet als verdachte aangemerkte) medewerker [naam 6] en de boekhouder [naam 8] . De hiervoor vastgestelde verwevenheid van de ondernemingen biedt eveneens steun aan deze verklaringen.

De rechtbank stelt op grond hiervan dan ook vast dat [naam 2] , [naam 4] en [naam 5] als stroman fungeerden en dat verdachte feitelijk de touwtjes in handen had binnen de ondernemingen. De broer van verdachte, [naam 1] , had ook een rol binnen de ondernemingen, maar op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte feitelijke leidinggevende was. Specifiek heeft [naam 8] , de boekhouder, verklaard dat hij alleen contact had met verdachte. Dit biedt tot slot steun voor de vaststelling dat verdachte ook daadwerkelijk verantwoordelijk was voor de financiële administratie en de belastingaangiften. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte wist van de strafbare gedragingen die plaatsvonden binnen de ondernemingen. De verklaring van verdachte, dat hij hiervan niets wist en hiermee niets te maken had, is dan ook niet aannemelijk. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verdachte als feitelijke leidinggever aansprakelijk is voor de door de ondernemingen gepleegde strafbare feiten.

3.3.3.

Vrijspraak feit 3

Verdachte wordt ervan verdacht de te weinig opgegeven loonheffing en omzetbelasting (samen met anderen) te hebben witgewassen. Dit is als eigen gedraging van verdachte ten laste gelegd en, anders dan de feiten 1 en 2, niet als gedragingen van de ondernemingen waaraan verdachte feitelijke leiding gegeven zou hebben. Uit het dossier en hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting naar voren heeft gebracht kan niet worden afgeleid welk verwijt verdachte in persoon – en niet als feitelijke leidinggever – wordt gemaakt. Daarbij weegt mee dat enig belastingvoordeel in het vermogen van de vennootschappen lijkt te zijn gebleven. Hoewel de rechtbank vast zou kunnen stellen dat verdachte feitelijke leiding gegeven heeft aan de aanwending van het vermogen, kan de rechtbank dan ook niet zonder meer vaststellen dat verdachte zelf (al dan niet als medepleger) heeft witgewassen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat

1.

[bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , en [bedrijf 4] , op tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 6 december 2022 te Haarlem en Amsterdam en Amstelveen en Kloetinge,

telkens als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken en bescheiden en andere gegevensdragers en de inhoud daarvan,

deze boeken en bescheiden en andere gegevensdragers en de inhoud daarvan telkens opzettelijk niet voor raadpleging beschikbaar heeft gesteld of laten stellen,

immers hebben [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] – zakelijk weergegeven – na een verzoek van de Belastingdienst Hoofddorp in de schriftelijke en per e-mail verstuurde aankondiging op 18 oktober 2019 en 23 oktober 2019 om alle administratie (in de vorm van een volledige administratie waaronder jaarstukken en kasadministratie en loonadministratie en urenstaten en in- en verkoopfacturen) betreffende [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , voor raadpleging beschikbaar te stellen (DOC-019)

telkens geen boeken en bescheiden en andere gegevensdragers en de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar gesteld of laten stellen aan een ambtenaar van de Belastingdienst,

terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven;

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2022 te Haarlem en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Kloetinge en/of Apeldoorn,

telkens opzettelijk, een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

- aangiften voor de omzetbelasting over 1-1-2015 t/m 30-06-2016 (DOC-218) en aangiften voor de loonbelasting over 1-1-2015 t/m 31-12-2015 ten name van [bedrijf 1] (AMB-001, AMB-033-02, AMB-054-01, AMB-063-01, DOC-225)

- aangiften voor de omzetbelasting over 1-1-2015 t/m 31-12-2018 (DOC-219) en aangiften voor de loonbelasting over 1-3-2015 t/m 31-12-2018 ten name van [bedrijf 2] (AMB-001, AMB-033-02, AMB-054-01, AMB-063-01, DOC-224)

- aangiften voor de omzetbelasting over 1-1-2017 t/m 30-06-2019 (DOC-220) en aangiften voor de loonbelasting over 1-1-2017 t/m 31-07-2019 ten name van [bedrijf 3] (AMB-001, AMB-033-02, AMB-054-01, AMB-063-01, DOC-223)

- aangiften voor de omzetbelasting over 1-1-2018 t/m 31-12-2019 (DOC-221) en aangiften voor de loonbelasting over 01-12-2017 t/m 31-12-2019 ten name van [bedrijf 4] (AMB-001, AMB-033-02, AMB-054-01, AMB-063-01, DOC-222)

onjuist heeft gedaan,

immers hebben [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] telkens op de ingediende aangiften

- een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting en/of

- een onjuist bedrag aan belastbaar loon/te betalen loonheffingen opgegeven ,

terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte als enige de zorg heeft voor zijn minderjarige kinderen, waaronder een zoon die lijdt aan een stoornis in het autismespectrum. Daarom verzoekt de verdediging de rechtbank om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een taakstraf, eventueel te vermeerderen met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude, door feitelijke leiding te geven aan het niet voldoen aan verzoeken van de belastingdienst tot het geven van inzage in stukken en het opzettelijk indienen van onjuiste belastingaangiften door vier bedrijven, gedurende meerdere jaren. De Belastingdienst moet kunnen controleren wat in de belastingaangiften is opgenomen en daarnaast moet zij kunnen vertrouwen op de juistheid van de in belastingaangiften opgenomen gegevens. Dit vertrouwen is door de gedragingen van verdachte geschaad. Bovendien hebben deze feiten ertoe geleid dat te weinig belasting werd afgedragen, waardoor niet alleen de Belastingdienst, maar feitelijk de hele samenleving is geschaad. Het belastingnadeel betreft meer dan € 3.000.000,-. Verder heeft met name het minder betalen van loonheffing ervoor gezorgd dat de ondernemingen van verdachte minder kosten hadden en hierdoor hun prijzen lager konden houden dan concurrenten die wel op de juiste manier belastingaangiften deden. Hiermee hadden de ondernemingen dus een oneerlijke voorsprong op concurrenten.

Verdachte heeft daarnaast anderen ingezet als stroman, om zelf uit beeld te blijven. Uit het dossier blijkt voorts dat personeel slecht betaald werd, of soms helemaal niet betaald kreeg. Daarnaast blijkt dat meerdere personen die in een kwetsbare positie zaten, door verdachte zijn overgehaald om geld op hun rekening te laten storten en voor verdachte te pinnen en dat zij in de problemen zijn gekomen mede door de gedragingen van verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 november 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 9 januari 2025.

Voor belastingfraude met meer dan € 3.000.000,- belastingnadeel, worden over het algemeen langdurige gevangenisstraffen opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Hierbij weegt de ernst van het feit en de hoogte van het nadeel mee, maar weegt ook mee dat, ondanks dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zichzelf met de belastingfraude verrijkt heeft, wel uit het dossier blijkt dat anderen door hem zijn benadeeld. De rechtbank ziet, net als de reclassering, de zwaarwegende gevolgen van een detentie voor verdachte vanwege de zorg voor zijn minderjarige kinderen. Echter, gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf met een (fors) onvoorwaardelijk deel, de enige passende straf is. De rechtbank legt op alles overwegend een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank bepaalt tot slot dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen die zijn weergegeven op de beslaglijst die aan dit vonnis is gehecht.

De voorwerpen betreffen alle geldbedragen. De geldbedragen genoemd onder 1 tot en met 5 zijn aangetroffen in de woning van verdachte en onder hem in beslag genomen. Deze geldbedragen behoren aan verdachte toe en kunnen niet worden verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. Daarom worden deze aan verdachte teruggegeven.

De geldbedragen genoemd onder 6 tot en met 14 zijn aangetroffen in het bedrijfspand aan de [adres] . Deze geldbedragen zijn weliswaar onder verdachte in beslag genomen, maar niet kan worden vastgesteld dat deze aan verdachte toebehoren. Daarom oordeelt de rechtbank dat deze geldbedragen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van het ingevolge de belastingwet verplicht tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze opzettelijk niet voor dit doel beschikbaar stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5 genoemde voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 6 tot en met 14 genoemde voorwerpen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,

mrs. J.M. van Hall en M.C.H. Broesterhuizen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2025.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (onderzoek Kearsley) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds geschriften. De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven.

2 AMB-001, p. 6 van 24 en DOC-019 p. 1 en 2 van 3.

3 AMB-001, p. 7 van 24.

4 AMB-001, p. 6 van 24.

5 V-002-04, p. 2 van 6.

6 AMB-001, p. 5 en 6 van 24.

7 AMB-025, p. 3 en 4 van 7.

8 DOC-014, p. 5 van 16.

9 AMB-001, p. 6 en 7 van 24.

10 AMB-001, p. 7 van 24.

11 AD-002-01, p. 12 van 72.

12 AD-002-01, p. 50 en 51 van 72; DOC-008; DOC-009; DOC-010; DOC-011.

13 AD-002-01, p. 50 van 72 en AMB-064-01, p. 3 van 3.

14 AD-002-01, p. 51 van 72.

15 AMB-063-01, p. 2 van 3.

16 AMB-063-01, p. 2 van 3.

17 AMB-063-01, p. 3 van 3.

18 DOC-476, p. 3 van 4.

19 DOC-218, p. 2 van 20.

20 DOC-219, p. 2 van 51.

21 DOC-220, p. 2 van 30.

22 DOC-221, p. 2 van 27.

23 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2025.

24 V-020-01, p. 4 van 11.

25 DOC-002-01, p. 3 van 4.

26 DOC-001-03.

27 V-002-01, p. 6 van 14.

28 V-002-01, p. 7 van 14.

29 V-002-01, p. 7 en 8 van 14.

30 V-002-02, p. 2 van 9.

31 V-002-02, p. 3 van 9.

32 V-002-02, p. 4 van 9.

33 V-002-03, p. 14 van 15.

34 V-002-03, p. 11 van 15.

35 V-002-04, p. 2 en 3 van 7.

36 DOC-003-02, p. 1 en 2 van 2.

37 V-004-02, p. 3 van 8.

38 V-004-02, p. 5 van 8.

39 V-004-02, p. 7 van 8.

40 V-004-03, p. 2 van 12.

41 V-004-03, p. 3 t/m 12.

42 DOC-004-02, p. 1 van 3.

43 RHV-001-12, p. 4 van 24.

44 RHV-001-12, p. 5 van 24.

45 RHV-001-12, p. 6 en 7 van 24.

46 G-003-01, p. 2 van 9.

47 G-003-01, p. 4 van 9.

48 G-003-01, p. 6 van 9.

49 G-003-02, p. 3 van 4.

50 G-024-01, p. 1 en 2 van 8.

51 G-024-01, p. 7 van 8 en DOC-422.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.