3.3.2.
Bewijsmotivering feiten 1 en 2
De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de onder 1 en 2 tenlastegelegde strafbare gedragingen door de verschillende ondernemingen. Daarna zal de rechtbank ingaan op het feitelijke leidinggeven door verdachte.
Feit 1 – niet beschikbaar stellen van gegevens
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast.1
De Belastingdienst heeft aan [bedrijf 4] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 1] op 18 en 23 oktober 2019 schriftelijk een boekenonderzoek aangekondigd op verschillende adressen en per e-mail. In de aankondigingsbrieven werd onder andere verzocht om de gevraagde administratie uiterlijk vóór 30 oktober 2019 beschikbaar te stellen. In het bijzonder is gevraagd om jaarstukken, kasadministratie, loonadministratie, urenstaten en in- en verkoopfacturen.2 De Belastingdienst heeft, hoewel niet inhoudelijk, van drie van de vier ondernemingen (alle behalve [bedrijf 1] ) een reactie ontvangen op de hiervoor bedoelde verzoeken.3 Daaruit maakt de rechtbank op dat deze ondernemingen de verzoeken ontvangen hebben.
De rechtbank gaat ervan uit dat ook [bedrijf 1] het verzoek van de Belastingdienst heeft ontvangen. Het verzoek is naar het postadres verzonden dat is geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dat is hetzelfde adres als dat van [bedrijf 3] .4
[naam 1] is in het handelsregister geregistreerd als aandeelhouder van [bedrijf 4] , [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . [naam 2] is bestuurder van [bedrijf 4] en [bedrijf 2] . Hij heeft verklaard dat dezelfde persoon achter de vier ondernemingen zit.5 [naam 3] is betrokken bij [bedrijf 2] en tevens aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 3] . De vestigingsadressen van de ondernemingen overlappen deels met elkaar, alsmede met het woonadres van [naam 1] .6 Hetzelfde IP-adres wordt daarnaast gebruikt voor toegang tot bankrekeningen door meerdere ondernemingen.7 Bovendien blijkt uit het dossier dat de omzet van [bedrijf 1] is overgenomen door [bedrijf 2] en dat [bedrijf 3] en [bedrijf 4] de omzet van [bedrijf 2] weer geleidelijk hebben overgenomen.8 De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat de vier ondernemingen verweven zijn.
De ondernemingen hebben, ook na herinneringen, niet voldaan aan het verzoek van de Belastingdienst om de administratie beschikbaar te stellen.9 Ook een bedrijfsbezoek aan [bedrijf 3] heeft niet tot het aantreffen en/of overleggen van de (volledige) administratie geleid.10 Bij doorzoeking van de bedrijfspanden van de ondernemingen is de administratie die verwacht mocht worden, ook niet aangetroffen. Onder andere ontbraken bij alle ondernemingen een kasboek, een inkoopboek, loon- en personeelsadministratie en (op één jaar bij één onderneming na) jaarrekeningen.11
Mede gelet op de verwevenheid van de ondernemingen, oordeelt de rechtbank dat de ondernemingen willens en wetens niet aan de verzoeken van de Belastingdienst hebben voldaan. De rechtbank acht opzet daarom ook bewezen.
De rechtbank overweegt tot slot dat dit feit naar haar aard en in het algemeen geschikt is teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Daarom is ook aan het strekkingsvereiste voldaan.
Feit 2 – onjuiste belastingaangiften
Loonheffing – bewijsoverweging en gedeeltelijke vrijspraak m.b.t. [bedrijf 5]
Om inzicht te verkrijgen in de lonen en het aantal uren van individuele werknemers waarvoor de ondernemingen [bedrijf 4] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 1] aangifte loonheffing hebben gedaan is onderzoek gedaan naar de verzamelloonstaten van de ondernemingen. Hieruit blijken de volgende aantallen uren:12
Ook zijn facturen opgevraagd bij inleners (de horeca-ondernemingen) die facturen hebben betaald aan de ondernemingen. Hieruit blijkt (verdeeld over de vier ondernemingen) een totaal van 361.003 gewerkt uren.13 Dit levert een verschil op van 81,74%.14
De ondernemingen hebben de volgende bedragen opgegeven in de aangiften loonheffing:15
Dit betreft voor [bedrijf 1] aangiften over januari tot en met december 2015, voor [bedrijf 2] aangiften over maart 2015 tot en met december 2018,16 voor [bedrijf 3] aangiften over januari 2017 tot en met juli 2019 en voor [bedrijf 4] aangiften over december 2017 tot en met december 2019.17
Aangezien deze aangiften zijn gebaseerd op de onjuiste verzamelloonstaten, stelt de rechtbank vast dat de aangiften loonheffing door [bedrijf 4] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 1] onjuist zijn gedaan.
In de tenlastelegging is opgenomen dat ook [bedrijf 5] onjuiste aangiften loonheffing gedaan heeft. Uit het dossier volgen aanwijzingen dat [bedrijf 5] onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan, maar dat zij ook daadwerkelijk onjuiste aangiften loonheffing heeft gedaan, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. Anders dan bij de hiervoor genoemde ondernemingen, zijn de aan afnemers gefactureerde uren door [bedrijf 5] niet vergeleken met de in de aangiften loonheffing opgegeven uren. Dit feit kan dan ook niet worden bewezen en de rechtbank spreekt verdachte hiervan vrij.
Omzetbelasting
De Belastingdienst heeft geconstateerd dat daarnaast door [bedrijf 4] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 1] tussen 2015 en 2019 aangiften omzetbelasting zijn gedaan waarop ook daadwerkelijk omzetbelasting is opgevoerd. Deze aangiften zijn echter niet onderbouwd met administratie of facturen waaruit de juistheid van de voorbelasting blijkt.18 Dit betrof voor [bedrijf 1] aangiften over januari 2015 tot en met juni 201619, voor [bedrijf 2] aangiften over januari 2015 tot en met december 201820, voor [bedrijf 3] aangiften over januari 2017 tot en met juli 201921 en voor [bedrijf 4] aangiften over januari 2018 tot en met december 201922.
De rechtbank oordeelt dat, omdat er geen correcte administratie is bijgehouden, niet is voldaan aan de voorwaarden voor het opvoeren van omzetbelasting die betaald is aan leveranciers. De aangiften omzetbelasting zijn dan ook onjuist ingediend.
Opzet
De rechtbank oordeelt dat opzet op het doen van onjuiste aangiften kan worden bewezen. Met betrekking tot de aangiften loonheffing overweegt de rechtbank allereerst dat een zeer groot gedeelte van de uren die werknemers gewerkt hebben, niet is opgegeven. Daarnaast geldt voor beide soorten aangiften dat er geen volledige administratie aanwezig was, maar desondanks aangiften zijn ingediend. Hieruit maakt de rechtbank op dat het niet anders kan dan dat de aangiften willens en wetens onjuist zijn ingediend.
Strekkingsvereiste
De rechtbank stelt tot slot vast dat gezien het voorgaande ook kan worden vastgesteld dat de gedragingen teweeg konden brengen (en ook daadwerkelijk teweeg hebben gebracht) dat te weinig belasting werd geheven.
Feitelijke leidinggeven
Verklaringen van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat [naam 1] zijn broer is en dat zij samen voor de ondernemingen gewerkt hebben.23 Hij heeft verklaard dat hij werkte als voorman. Hij zou het aanspreekpunt zijn geweest voor de schoonmakers en vanuit die rol verschillende werkzaamheden hebben verricht. Zijn rol was niet groter dan dat. Hij gaf leiding aan het personeel maar niet aan het bedrijf. Hij is naar eigen zeggen bovendien niet betrokken geweest bij de administratie of het doen van belastingaangiften.
Verdachte heeft daarnaast verklaard dat zijn roepnaam [roepnaam 1 verdachte ] is. Aangezien dit lijkt op de naam [roepnaam 2 verdachte ] , zijn er ook mensen die hem bij die naam noemen.24
Verklaringen van anderen
[naam 2] is blijkens het handelsregister algemeen directeur geweest van [bedrijf 2]25 en [bedrijf 4]26. Hij heeft over [bedrijf 2] verklaard dat hij door [naam 1] is gevraagd om directeur te worden van de onderneming. Hij mocht zich echter niet bezighouden met loonheffing en btw. Feitelijk had hij dan ook een andere taak dan op papier.27 Volgens [naam 2] maakte [roepnaam 1 verdachte ] de facturen en contracten met nieuwe klanten.28 Hij gaf de urenstaten aan [naam 1] en [roepnaam 1 verdachte ] . Zij waren altijd bij elkaar volgens hem, dus het is niet te zeggen of hij ze aan de één of aan de andere gaf. Hij heeft ook verklaard dat hij de uitbetaling aan het personeel niet deed, maar alleen de uren doorgaf aan [naam 1] en [roepnaam 1 verdachte ] . Zij waren ook verantwoordelijk voor de financiële administratie. [roepnaam 1 verdachte ] had het programma voor loonadministratie op zijn computer. Als er al belastingaangiften zijn gedaan, zijn deze opgemaakt door [roepnaam 1 verdachte ] .29
Over [bedrijf 4] heeft [naam 2] in dezelfde zin verklaard. Hij werd op verzoek van [naam 1] directeur van de onderneming, maar was feitelijk niet de bestuurder.30 [naam 1] en [roepnaam 1 verdachte ] hadden de bankpas voor de bankrekeningen van de onderneming. [roepnaam 1 verdachte ] regelde nieuwe klanten en maakte facturen op. [bedrijf 4] was volgens [naam 2] feitelijk een voortzetting van [bedrijf 2] .31 [naam 2] denkt dat [roepnaam 1 verdachte ] binnen [bedrijf 4] ook verantwoordelijk was voor de financiële administratie, de belastingaangiften en de jaarrekeningen.32 Met betrekking tot de ondernemingen die op papier van [naam 2] zouden zijn, heeft hij verklaard dat [roepnaam 1 verdachte ] in werkelijkheid de baas was.33
[naam 2] heeft in reactie op de verklaring van verdachte, dat hij voorman van de schoonmakers is, verklaard dat [roepnaam 1 verdachte ] altijd op kantoor werkte en dat daar geen werk is voor een voorman. Hij is geen voorman, maar werkt achter de schermen op kantoor.34
[naam 2] heeft in een later verhoor nogmaals verklaard dat [roepnaam 1 verdachte ] de baas was en daaraan toegevoegd dat, achteraf bezien, [naam 1] niet de hoofdpersoon was en een beperkte rol had.35
[naam 4] is blijkens het handelsregister algemeen directeur geweest van [bedrijf 3] .36 Hij heeft verklaard dat de persoon op de foto van verdachte, die verbalisanten hem hebben laten zien, [roepnaam 2 verdachte ] is en dat hij de grote baas is. [naam 4] heeft verklaard dat hij niet wist dat hij directeur was van [bedrijf 3] .37 Hij zou daarnaast geen andere werkzaamheden hebben verricht dan afwassen38 en bijvoorbeeld ook geen beschikking hebben gehad over bankpassen. Wie verantwoordelijk was voor de financiële administratie, weet [naam 4] niet.39
Volgens [naam 4] was [roepnaam 2 verdachte ] verantwoordelijk voor alles binnen de onderneming en ook, samen met een ander, voor de administratie.40 Kort gezegd verklaart [naam 4] zelf verder niets te maken te hebben met de administratie en/of het besturen van de onderneming.41
[naam 5] is blijkens het handelsregister algemeen directeur geweest van [bedrijf 1] .42 [naam 5] heeft verklaard dat hij geld heeft gekregen om vanuit Polen naar Nederland te komen. Op het vliegveld zou hij zijn opgehaald door de eigenaar van [bedrijf 1] , namelijk een persoon die zich voorstelde als [roepnaam 2 verdachte ] . [roepnaam 2 verdachte ] heeft voor [naam 5] een bankrekening geopend en een verzekering afgesloten. Een bankpas of documenten van deze rekening en verzekering heeft hij niet gekregen van [roepnaam 2 verdachte ] .43 Daarna is [naam 5] nog samen met [roepnaam 2 verdachte ] naar een instantie gegaan en daarna naar een notaris. [roepnaam 2 verdachte ] liet [naam 5] documenten tekenen en geen vragen stellen. [naam 5] wist niet wat er in de documenten stond. Hij heeft vervolgens geld gekregen en heeft daarna geen contact meer met [roepnaam 2 verdachte ] gehad.44
[naam 5] heeft verklaard dat hij er geen wetenschap van had dat er een bedrijf op zijn naam stond en dat hij dus ook niets weet van belastingaangiften.45
[naam 6] is werkzaam geweest bij [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Volgens [naam 6] was [roepnaam 2 verdachte ] de man die op kantoor leidinggaf. De broer van [roepnaam 2 verdachte ] was er ook, maar wat hij voor werk deed, was onduidelijk.46 [roepnaam 2 verdachte ] was volgens [naam 6] de directeur van deze ondernemingen.47 Nadat de verbalisanten aan [naam 6] hebben verteld dat [naam 7] directeur was van [bedrijf 3] , heeft [naam 6] verklaard dat “de hele show” werd verricht door [roepnaam 2 verdachte ] .48 [naam 6] heeft verklaard dat de persoon op de foto die verbalisanten hem hebben laten zien, [roepnaam 2 verdachte ] (de rechtbank begrijpt: [roepnaam 2 verdachte ] ) is waarover hij heeft verklaard.49 In het verhoor van [naam 8] (dat hierna wordt beschreven) blijkt dat dezelfde foto is getoond en dat dit een foto van verdachte is.
[naam 8] heeft verklaard dat ene [roepnaam 2 verdachte ] aan hem heeft verteld dat hij directeur was van [bedrijf 3] . [roepnaam 2 verdachte ] heeft hem gevraagd om de jaarrekening over 2017 op te maken voor [bedrijf 3] en [naam 8] heeft dat vervolgens gedaan. Hij had hierover alleen contact met [roepnaam 2 verdachte ] .50 Aan [naam 8] is een foto getoond van verdachte, en verdachte herkent die persoon als [roepnaam 2 verdachte ] van [bedrijf 3] .51
Overweging
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande het volgende vast. Verdachte heeft bij de vier ondernemingen gewerkt, zo verklaart hij onder andere zelf. Gezien de verklaring van verdachte over het gebruik van de naam [roepnaam 1 verdachte ] en [roepnaam 2 verdachte ] en de herkenning door getuigen [naam 4] , [naam 6] en [naam 8] van verdachte op foto’s, gaat de rechtbank ervan uit dat wanneer in de hiervoor beschreven verklaringen wordt gesproken over [roepnaam 1 verdachte ] , [roepnaam 2 verdachte ] , [roepnaam 2 verdachte ] of [roepnaam 2 verdachte ] , verdachte bedoeld wordt. Getuigen [naam 2] , [naam 4] en [naam 5] zijn (op enig moment) op papier directeur van de ondernemingen geweest, maar hebben verklaard dat verdachte degene is die feitelijk de leiding had over de ondernemingen. [naam 2] heeft verklaard dat hij wist dat hijzelf op papier directeur was, maar dat hij niet de taken van een directeur had. [naam 4] lijkt helemaal niet te hebben geweten dat hij op papier directeur was en [naam 5] heeft verklaard documenten te hebben getekend waarvan hij de inhoud niet kende. De verklaringen van deze getuigen, dat verdachte de feitelijke leiding had, ondersteunen elkaar en vinden bovendien steun in de verklaringen van (de niet als verdachte aangemerkte) medewerker [naam 6] en de boekhouder [naam 8] . De hiervoor vastgestelde verwevenheid van de ondernemingen biedt eveneens steun aan deze verklaringen.
De rechtbank stelt op grond hiervan dan ook vast dat [naam 2] , [naam 4] en [naam 5] als stroman fungeerden en dat verdachte feitelijk de touwtjes in handen had binnen de ondernemingen. De broer van verdachte, [naam 1] , had ook een rol binnen de ondernemingen, maar op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte feitelijke leidinggevende was. Specifiek heeft [naam 8] , de boekhouder, verklaard dat hij alleen contact had met verdachte. Dit biedt tot slot steun voor de vaststelling dat verdachte ook daadwerkelijk verantwoordelijk was voor de financiële administratie en de belastingaangiften. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte wist van de strafbare gedragingen die plaatsvonden binnen de ondernemingen. De verklaring van verdachte, dat hij hiervan niets wist en hiermee niets te maken had, is dan ook niet aannemelijk. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verdachte als feitelijke leidinggever aansprakelijk is voor de door de ondernemingen gepleegde strafbare feiten.