RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10677068 \ CV EXPL 23-11855
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
aanvankelijk procederend in persoon, nadien bij gemachtigde: C.J. Wisse,
N.V. WEEKBLAD DE GROENE AMSTERDAMMER,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DGA,
gemachtigde: mr. P. de Leeuwe.
1 De procedure
1.1.
Bij vonnis van 19 september 2024 is de hoofdzaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord. Nadien zijn de volgende stukken ingediend:
- -
de akte van [eiser] van 10 oktober 2024,
- -
de akte van [eiser] van 6 november 2024,
- -
de conclusie van antwoord van 12 december 2024,
- -
het instructievonnis van 2 januari 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- -
de akte van [eiser] van 18 februari 2025, waarbij hij zijn eis heeft gewijzigd.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2025. [eiser] is verschenen met zijn gemachtigde. Aan de kant van DGA zijn verschenen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door
mr. P. de Leeuwe. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de akte die door [eiser] is ingediend op 18 februari 2025 in het kader van de goede procesorde wordt beschouwd als pleitnota. De gemachtigde van DGA heeft ook pleitnota voorgelezen. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Daarna is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1.
[eiser] schrijft artikelen onder andere op zijn eigen website [website] . Hij heeft in het verleden onder meer geschreven over de officiële onderzoeken naar het neerstorten van MH17, en heeft daarbij meermaals de houdbaarheid van de resultaten van die onderzoeken in twijfel getrokken.
2.2.
In 2018 heeft [eiser] samen met [naam 4] (hierna: [naam 4] ) [naam bedrijf] opgericht. [naam bedrijf] heeft onder andere documentaires en digitale content over de officiële onderzoeken naar het neerstorten van MH17 geproduceerd en op haar Youtube-kanaal geplaatst.
2.3.
DGA is een Nederlands opinieweekblad. Op 12 november 2020 heeft zij op haar website een artikel gepubliceerd met de titel: “Nederlandse MH17-activist blijkt schaakstuk voor Russische inlichtingendienst” (hierna: het Artikel). Het Artikel is geschreven door [naam 2] en [naam 1] (hierna: [naam 2] en [naam 1] ).
2.4.
Het Artikel bevat onder meer de volgende zinsneden:
“Een Nederlandse burgerjournalist die jarenlang desinformatie verspreidde over de MH17-ramp, werkte nauw samen met een Russische inlichtingendienst.”
“Nu blijkt dat deze Nederlander, die zijn tijd verdeelt tussen Nederland en de Filipijnen, het afgelopen jaar handelde in opdracht van de Russische militaire inlichtingendienst GROe.”
2.5.
In het Artikel wordt op meerdere plekken verwezen naar een rapport van het internationale collectief van onderzoeksjournalisten Bellingcat met de titel “The GRU’s MH17 Disinformation Operations Part 1: The [naam bedrijf] Project” (hierna: het Bellingcat-rapport).
3 Het geschil
3.1.
[eiser] vordert na eiswijziging - samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. DGA te veroordelen om binnen zeven dagen na het wijzen van dit vonnis over te gaan tot het plaatsen van een rectificatie op haar website en op het voorblad van de papieren editie, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag of dagdeel dat DGA hieraan niet voldoet;
b. DGA te veroordelen tot betaling van de door [eiser] geleden immateriële schade tot een bedrag nader op te maken bij staat, maar maximaal tot € 9.999,00;
c. DGA te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf datum dagvaarding tot algehele betaling;
d. DGA te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De onder 2.4 genoemde zinsneden uit het Artikel bevatten valse beschuldigingen over [eiser] . DGA baseerde zich ten onrechte op een onderzoeksrapport van Bellingcat. Er bestaat voor de beweringen geen enkel feitelijk bewijs. DGA heeft daarmee onrechtmatig jegens hem gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ook voert [eiser] aan dat hij immateriële schade heeft geleden als gevolg van het Artikel, waardoor hij op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW recht heeft op een immateriële schadevergoeding.
3.3.
DGA voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Op dit verweer wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak onder meer om een vordering tot rectificatie van een perspublicatie. [eiser] vordert rectificatie omdat DGA door het publiceren van het artikel zich onrechtmatig jegens [eiser] zou hebben gedragen. Toewijzing van deze vordering houdt een beperking in van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van DGA op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van DGA onrechtmatig zijn (artikel 6:162 BW). Voor beantwoording van de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.
4.2.
Het belang van DGA is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties van algemeen belang. Het belang van [eiser] is erin gelegen dat hij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Welk van deze belangen de doorslag geeft, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. In het onderhavige geval is met name van belang of de uitlatingen van DGA voldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.
4.3.
DGA stelt dat de feitelijke basis van het Artikel met name kan worden gevonden in het Bellingcat-rapport. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de auteurs van het artikel, [naam 1] en [naam 2] , uitgelegd dat het primaire doel van het Artikel was om verslag te doen van het Bellingcat-rapport. Waar nodig hebben zij informatie toegevoegd om enige context bij het rapport te schetsen. Deze informatie kwam hoofdzakelijk uit een artikel dat zij in 2019 voor DGA hebben geschreven met de titel “De invloed van Russische trollen – Het MH17-complot”. Voor dit artikel hebben zij destijds langdurig onderzoek gedaan en met tientallen bronnen gesproken. [eiser] heeft geen vordering tot rectificatie gedaan ten aan zien van dit artikel, evenmin ten aanzien van het onderzoeksrapport van Bellingcat. Bellingcat is volgens DGA een gerenommeerd onderzoekscollectief dat zeer gedegen en betrouwbaar onderzoek gedaan heeft. Van dit onderzoek wordt ook gebruik gemaakt door officiële instanties zoals de AIVD, het JIT en ministeries.
Volgens DGA volgt uit dat rapport dat [naam bedrijf] , waarvan [eiser] samen met [naam 4] oprichter is, in feite een speciaal desinformatieproject is dat nauw samenwerkt met de Russische militaire inlichtingendienst GROe. Ook wordt in het rapport beschreven hoe die samenwerking en de coördinatie tussen GROe en [naam bedrijf] plaatsvond.
4.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft DGA voldoende aannemelijk gemaakt dat voor de door haar in het Artikel geuite beschuldigingen steun kan worden gevonden in het onderzoeksrapport van Bellingcat en uit feiten en omstandigheden op grond waarvan zij haar eerdere artikel heeft geschreven. DGA mocht uitgaan van de betrouwbaarheid van het Bellingcat-rapport en was gerechtigd daaraan conclusies en commentaren te verbinden. Van DGA kan bovendien niet worden verlangd dat zij bewijst dat stellingen onomstotelijk vaststaan, maar enkel dat deze een voldoende feitelijke basis hebben.
4.5.
Wat verder van belang is in het voordeel van DGA is dat zij met het Artikel een bijdrage levert aan het debat over zaken van algemeen belang en dat [eiser] als een ‘public figure’ kan worden aangemerkt. De naam van [eiser] wordt ook genoemd in het rapport van Bellingcat.
4.6.
Bovendien staat vast dat [eiser] zich in het verleden veelvuldig heeft uitgelaten over de officiële onderzoeken naar MH17. [eiser] omschrijft zichzelf in zijn akte van 6 november 2024 als “burgerjournalist inzake MH17” en stelt dat hij daarbij “alles behalve een kleine jongen” was. Als gevolg daarvan is [eiser] een ‘public figure’ geworden. Dat brengt mee dat hij zich, in het bijzonder rondom dit onderwerp, meer publiciteit moet laten welgevallen dan een willekeurig ander persoon.
4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat het neerschieten van MH17 een gevoelig onderwerp betreft waar in de samenleving veel aandacht aan wordt besteed. Het Artikel bespreekt de Russische inmenging in het verspreiden van desinformatie rondom het onderzoek naar MH17 en de rol van een Nederlander daarbij. Dit is een kwestie die leidt, althans kan leiden, tot een publiek debat. Ook tal van andere media hebben op min of meer dezelfde wijze aandacht besteed aan de uitkomsten van het Bellingcat-rapport en de beschuldigingen aan het adres van [eiser] , zoals blijkt uit de door DGA in het geding gebrachte producties. Er kan dan ook niet worden gesproken van lichtvaardige verdachtmakingen door DGA aan het adres van [eiser] .
4.8.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen valt de onder 4.1. bedoelde belangenafweging in het voordeel uit van DGA. De vrijheid van meningsuiting van DGA weegt zwaarder dan de belangen waarop [eiser] zich in dit geding heeft beroepen. Een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting is dan ook niet gerechtvaardigd. DGA heeft door het plaatsen van Het Artikel niet onrechtmatig gehandeld. De vordering tot het plaatsen van een rectificatie wordt daarom afgewezen.
4.9.
Nu de door DGA in het kader van de gevorderde rectificatie genoemde uitlatingen niet onrechtmatig worden geacht is de gevorderde immateriële schadevergoeding ook niet toewijsbaar.
4.10.
Bij vonnis in het bevoegdheidsincident van 1 februari 2024 en bij vonnis in het incident tot zekerheidstelling van 19 september 2024 is bepaald dat de beslissing omtrent de proceskosten van deze incidenten wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.
4.11.
In het bevoegdheidsincident wordt DGA als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op nihil.
4.12.
Bij vonnis van 1 februari 2024 is [eiser] veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van € 1.386,00. Hoewel de noodzaak van het stellen van zekerheid nadien is vervallen vanwege de verhuizing van [eiser] naar Nederland, wordt [eiser] als de aanvankelijk in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in dit incident. De proceskosten van DGA worden begroot op:
- salaris gemachtigde
|
€
|
204,00
|
(1 punt × € 204,00)
|
- nakosten
|
€
|
68,00
|
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
|
Totaal
|
€
|
272,00
|
|
4.11.
In de hoofdzaak is [eiser] in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DGA worden begroot op:
- salaris gemachtigde
|
€
|
678,00
|
(2 punten × € 339,00)
|
- nakosten
|
€
|
135,00
|
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
|
Totaal
|
€
|
813,00
|
|
5 De beslissing
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt DGA in de proceskosten van het bevoegdheidsincident die aan de zijde van [eiser] worden begroot op nihil,
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van het incident tot het stellen van zekerheid van € 272,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2025 in tegenwoordigheid van mr. L.W. Oosthoek, griffier.