4.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1
Verdachte heeft op 4 april 2016 eenmanszaak [eenmanszaak] opgericht en deze is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd met als activiteit thuiszorg.2
De Financial Intelligence Unit (hierna: FIU) heeft in 2018 meldingen van ongebruikelijke transacties betreffende verdachte en haar eenmanszaak ontvangen en onderzocht.
De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de inspectie) heeft naar aanleiding hiervan onderzoek gedaan naar de inkomsten van verdachte met [eenmanszaak] .
Het administratiekantoor waar verdachte gebruik van maakte, [kantoor] , heeft de inspectie documenten aangeleverd en aan de hand daarvan heeft de inspectie de verkoopfacturen van [eenmanszaak] onderzocht. Hieruit bleek dat [eenmanszaak] van oktober 2016 tot en met augustus 2018 met tussenkomst van het bedrijf [bedrijf 1] voor 81.156,5 zorguren bij diverse zorgverzekeraars heeft gedeclareerd. [eenmanszaak] heeft in 2018 1.007,41 zorguren bij [bedrijf 2] gedeclareerd en in 2016 voor 105,36 uur bij een particuliere partij. In totaal is er in die periode voor 82.269,28 uur verleende zorg gedeclareerd.3
De inspectie heeft vervolgens berekend hoeveel capaciteit aan uren voor zorgverlening [eenmanszaak] in die periode beschikbaar had. Op basis van de bij de Belastingdienst aangegeven loongegevens waren dat 20.131 uren. Verdachte heeft tegenover de inspectie verklaard dat zij zelf zeven dag per week, 20 uur per dag werkte. Uitgaande van deze verklaring zou zij in de die periode 14.000 uur beschikbaar zijn geweest. Met daarnaast nog ingehuurde zorgverleners voor 7.541,48 uur bedroeg de aldus berekende totale capaciteit 41.672,48 zorguren. Het verschil tussen gedeclareerde uren en de capaciteit is 40.596,80 uur.4
De inspectie heeft dit aan de hand van de per partij berekende uurtarieven omgerekend naar een onverklaarbare omzet van in totaal € 1.556.938,19.5
In totaal werd in de onderzochte periode van 16 november 2016 tot en met 2 juli 2020
€ 4.160.156,62 aan zorggelden ontvangen op de bankrekeningen [nummer] ten name van verdachte6 en [nummer] ten name van verdachte h/o [eenmanszaak]7 (later op naam van verdachte h/o [bedrijf 3] ).8
De inspectie heeft ook de uitgaven van verdachte en [eenmanszaak] vanaf deze bankrekeningen onderzocht.
In de onderzochte periode van 17 november 2016 tot en met 2 juli 2020 is vanaf deze bankrekeningen in totaal € 1.688.884,41 in contanten opgenomen.9
Verdachte heeft € 439.079,41 in horecabedrijven geïnvesteerd. Zo is vanaf de rekening, eindigend op -2561, in de periode van november 2017 tot en met maart 2018 per saldo € 185.506,03 voldaan voor de overname van Restaurant [bedrijf 4] . Die vennootschap had verdachte vanaf 21 november 2017, samen met één van haar broers. In diezelfde periode vinden nog overboekingen plaats ter waarde van € 105.795,11 met in de omschrijving de naam [bedrijf 4] en een betaling van € 12.992,22 voor huur.10
Vanaf diezelfde rekening werd op 19 november 2018 € 65.415,44 betaald voor overname van restaurant [bedrijf 5] door Restaurant [bedrijf 3] . Ook werd in de periode oktober 2018 tot en met maart 2019 nog € 39.312,76 aan betalingen gedaan met de omschrijving huur en borg voor dit restaurant.11 Verdachte is in juni 2019 [bedrijf 3] gestart onder hetzelfde Kamer van Koophandel-nummer als dat van [eenmanszaak] .12
Ook is er in totaal € 30.057,85 aan vermoedelijke horecaleveranciers voldaan, onder meer voor [bedrijf 6] . 13 Verdachte was van september 2018 tot en met oktober 2019 een vennoot van die onderneming.14
Verder blijkt uit onderzoek naar de bankrekeningen dat gelden zijn uitgeleend aan privépersonen en aan verdachte gelieerde bedrijven en dat verdachte leningen heeft terugbetaald. Vanaf bankrekening -2561 gaat het om € 790.307,- in totaal.15
Uit het dossier volgt ook dat verdachte op 20 maart 2018 de woning aan de [adres] heeft gekocht voor de koopsom van € 215.000,-.16 Op 14 september 2017 heeft verdachte vanaf rekening -2561 al € 15.000,- betaald aan de verkoper van de woning en op 19 maart 2018 is vanaf die rekening € 205.554,57 overgemaakt naar de bankrekening van de notaris.17
4.3.2.
De bewijsoverweging
Bij witwassen is voor een bewezenverklaring van het in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig bepaald misdrijf. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het afkomstig is uit enig misdrijf. Dit kan bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
In dit geval heeft de inspectie onderzocht of [eenmanszaak] op basis van het personeel, ingehuurde krachten en de arbeid van verdachte over genoeg uren beschikte voor het verlenen van zorg om de gedeclareerde uren te hebben kunnen leveren. Uit de berekening in het dossier blijkt dat dat niet het geval is geweest. Er blijven 40.596,80 uren over die niet uit de beschikbare uren verklaard kunnen worden, hetgeen omgerekend staat voor een omzet van € 1.556.938,19.
De officier van justitie heeft op de zitting uitgelegd dat, mede vanwege capacitaire overwegingen, er niet voor is gekozen op factuurniveau te onderzoeken welk deel van de gedeclareerde uren wel en welk deel niet kan worden gekoppeld aan de beschikbare uren. Om die reden is geen grondfeit (zoals valsheid in geschrift) aan verdachte ten laste gelegd maar enkel het witwassen van de verkregen geleden.
De rechtbank merkt in dit verband op dat het Openbaar Ministerie een grote discretionaire bevoegdheid toe komt bij vraag of en zo ja voor welk feit vervolging wordt ingesteld. Dat is in dit geval niet anders.
Uit het dossier volgt derhalve niet uit welk specifiek misdrijf de gelden afkomstig zijn maar op basis van voornoemde feiten en omstandigheden is er wel sprake van een gerechtvaardigd vermoeden dat het geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.
Van verdachte mag dan worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onaannemelijke verklaring geeft over de herkomst van het geld.
Verdachte heeft uiteindelijk verklaard dat alle gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd en dat het verschil te verklaren is doordat zij mensen “zwart” heeft laten werken.
Haar verklaring is echter niet voldoende concreet en verifieerbaar. Verdachte heeft verklaard over in welke periode het ‘zwart werken’ heeft plaatsgevonden, om hoeveel mensen het ongeveer ging en dat zij hen contant geld in enveloppen uitbetaalde. Concreter dan dit heeft zij er echter niet over verklaard. Verdachte heeft geen administratie bijgehouden van de zwarte uitbetalingen. Zij heeft geen namen genoemd van personen om wie het zou gaan, maar ook op vragen over hoe het feitelijk in zijn werk ging, is zij veelal het antwoord schuldig gebleven. Zo kon zij niet verder aangeven hoe de omrekening van ontvangen zorggelden naar een uitbetaling aan een persoon die zwart had gewerkt heeft plaatsgevonden. Deze verklaring van verdachte kan dan ook niet worden aangemerkt als een concrete verklaring over de (legale) herkomst van het geld. De verklaring biedt ook onvoldoende aanleiding tot nader onderzoek door het Openbaar Ministerie en is niet te verifiëren. Verdachte heeft het ernstige witwasvermoeden met deze verklaring niet ontzenuwd.
Verdachte heeft verder op zitting herhaald dat het verschil daarnaast is ontstaan doordat er sprake was van ‘standby-uren’. Daarbij werd volgens verdachte het volledige aantal uren waarvoor een indicatie was afgegeven gedeclareerd, ook als niet alle uren daadwerkelijk waren gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze verklaring echter niet dienen om het witwasvermoeden te ontzenuwen, nu valt in te zien hoe uit het opzettelijk declareren van niet gewerkte uren een legale herkomst van gelden kan volgen. Voor zover verdachte met haar verklaring over standby-uren heeft gedoeld op de vergoeding die zorgverleners kregen om in te kunnen vallen bij ziekte van collega’s , geldt dat de inspectie in de berekening met alle verloonde uren rekening heeft gehouden. Deze uren zijn dus al in de berekening meegenomen en kunnen het verschil dus evenmin verklaren.
Er is dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. Verdachte wist dit ook en heeft vervolgens verschillende handelingen met het geld verricht.
Witwashandelingen
De van misdrijf afkomstige gelden zijn op de bankrekeningen van [eenmanszaak] terechtgekomen. Op die rekening stonden ook gelden met een legale herkomst. Het geld is vermengd geraakt en er kan dus niet voor ieder individueel uitgegeven bedrag worden vastgesteld dat het enkel om gelden gaat die uit misdrijf afkomstig zijn. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 23 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN0578) overwogen dat een vermogen in bepaalde gevallen kan worden aangemerkt als gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk- afkomstig uit enig misdrijf als aan het vermogen van misdrijf afkomstig geld is toegevoegd, ook als dat niet meer kan worden geïndividualiseerd. De rechtbank meent dat hier sprake is van een dergelijk geval. Het gaat hier om een aanzienlijk bedrag in verhouding tot de totale gelden die op de rekening van [eenmanszaak] werden gestort, te weten ongeveer anderhalf miljoen van in totaal ongeveer vier miljoen euro. Dit bedrag is met de overige gelden die op de rekening stonden vermengd geraakt.
De rechtbank stelt vast dat met geld van die bankrekening handelingen zijn verricht ten bedrage van meer dan anderhalf miljoen euro. Uit de bewijsmiddelen volgt dat ervoor ongeveer € 1.688.884,41 aan contant geld is opgenomen van de rekening van [eenmanszaak] , hetgeen omzetting van het geld oplevert. Verder heeft verdachte voor ongeveer € 790.307,- uitgeleend aan diverse aan haar verbonden bedrijven en aan private personen en terugbetalingen verricht. Er is sprake van overdragen en gebruik maken van het geld. Dat heeft verdachte ook gedaan door ongeveer € 439.079,41 te investeren in horecabedrijven. Tenslotte heeft zij ongeveer € 220.000,- gebruikt voor de aankoop van de woning aan de [adres] . Verdachte heeft dit alles gedaan met geld dat gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig was en zij heeft hiermee dit geld omgezet en overgedragen en van dit geld gebruik gemaakt terwijl zij wist dat het uit misdrijf afkomstig was. De rechtbank acht hiermee het tenlastegelegde witwassen bewezen.
Gewoonte
De rechtbank acht ook gewoontewitwassen bewezen vanwege het feit dat verdachte de witwashandelingen over een lange periode door middel van veel transacties en dus stelselmatig heeft uitgevoerd. Het gaat in totaal ook om een omvangrijk bedrag.
Geen medeplegen
De rechtbank heeft in het dossier geen bewijs aangetroffen dat verdachte de bewezen handelingen samen met een ander heeft verricht zodat zij verdachte zal vrijspreken van het bestanddeel “medeplegen”.