4 De beoordeling
Inleidende overwegingen: juridisch kader
4.1.
Als uitgangspunt dient in deze zaak dat toewijzing van de vorderingen van [eiser] een beperking zou inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM1 neergelegde grondrecht van vrijheid van meningsuiting van BIND en [gedaagde 3] en van VPRO en Human. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de Podcast of de Film onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen.
4.2.
Het belang van [eiser] is erin gelegen dat zijn persoon niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan beschuldigingen die zijn eer en goede naam (kunnen) aantasten.
4.3.
Anders dan [eiser] heeft betoogd is zijn rol als journalist geen factor die bij de afweging van de genoemde belangen extra gewicht in de schaal legt. Het betoog van [eiser] over de bescherming van journalisten bij een gestelde onrechtmatige publicatie is immers ontwikkeld om de uitingsvrijheid van een journalist te waarborgen – waarin groot belang wordt gehecht aan de rol van journalistiek in een democratische rechtsstaat. Dit betekent echter niet dat een publicatie over een journalist aan zwaardere eisen zou moeten voldoen dan wanneer over een ander persoon wordt gepubliceerd. Een dergelijk verschil is in beginsel niet gerechtvaardigd in een democratische rechtsstaat.
4.4.
Het belang van BIND , [gedaagde 3] , VPRO en Human is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. De Deventer Moordzaak is door [eiser] zelf beschouwd als misstand die de samenleving raakt. De rol van de media in de nasleep van de Deventer Moordzaak – waarbij een persoon die niet is verdacht door het Openbaar Ministerie (OM) in de media als mogelijke dader is aangewezen – is evenzeer een misstand die de samenleving raakt en waarover BIND , [gedaagde 3] , VPRO en Human moeten kunnen publiceren.
4.5.
Uit de Europese en nationale rechtspraak zijn de volgende niet-limitatieve gezichtspunten ontwikkeld voor de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van een publicatie zoals de Podcast of de Film – in deze procedure toe te passen binnen de hiervoor omschreven kaders:
- -
de mate waarin de uitlatingen steun vinden in de beschikbare feiten;
- -
de mate waarin de openbaarmaking een bijdrage levert aan een (publiek) debat van algemeen belang;
- -
de mate van bekendheid van de betrokken persoon en het eerder gedrag van de betrokken persoon in verhouding tot de media;
- -
de inhoud, vorm en gevolgen van de publicatie.
Daarnaast heeft [eiser] gesteld dat in dit geval sprake is van bijkomende omstandigheden: hem is geen wederhoor gegund wat betreft de Podcast en zijn portret is zonder zijn toestemming gebruikt in de Film.
4.6.
Van groot belang is dat de Podcast en de Film niet alleen aandacht besteden aan de Deventer Moordzaak zelf, maar vooral gaan over de wijze waarop deze in de media is gebracht, de rol van [eiser] daarin en de gevolgen van die media-aandacht voor de klusjesman en zijn vriendin. Dit blijkt voor de Podcast vooral uit de beschrijving van de Podcast op de websites van BIND en NPO Radio 1 als opgenomen onder 2.7.1. De gemiddelde geïnteresseerde in deze kwestie zal op basis van die informatie redelijkerwijs hebben begrepen dat de Podcast juist betreft de gevolgen van de media-aandacht (of mediahype) voor de klusjesman en zijn vriendin.
4.7.
In deze zaak staat dus niet ter beoordeling of BIND , [gedaagde 3] , VPRO en Human terecht de veroordeling van [naam verdachte] . hebben verdedigd. Daarom is ook niet belang of zij voldoende aandacht hebben besteed aan de voor [naam verdachte] . ontlastende omstandigheden die [eiser] heeft gesteld in zijn dagvaarding. De vraag of [eiser] terecht de onschuld van [naam verdachte] . heeft verdedigd is ook niet aan de orde in deze zaak. Zijn stellingen over voor [naam verdachte] . ontlastende omstandigheden blijven daarom onbesproken in dit vonnis.
4.8.
Evenmin staat in deze zaak ter beoordeling of BIND , [gedaagde 3] , VPRO en Human terecht de onschuld van de klusjesman hebben bepleit. Daarom is ook niet van belang of zij voldoende aandacht hebben besteed aan voor de klusjesman belastende omstandigheden die [eiser] heeft gesteld in zijn dagvaarding.
4.9.
Wel is van belang of [eiser] goede gronden heeft om aan te nemen dat de klusjesman de moord heeft gepleegd. Dit is echter slechts van belang voor zover in de Podcast of de Film over bepaalde volgens [eiser] belastende omstandigheden wordt gesteld dat daarvoor geen feitelijke grondslag is
4.10.
Vast staat dat [eiser] in de media zeer stellige uitspaken heeft gedaan over de onschuld van [naam verdachte] . en dat hij met grote stelligheid heeft beweerd ervan overtuigd te zijn dat de klusjesman de ‘echte’ moordenaar is. Het is vooral deze handelswijze en het herhaalde mediaoptreden van [eiser] en de gevolgen daarvan voor de klusjesman en zijn vriendin die in de Podcast en de Film aan de orde zijn en eerder ook onderwerp was van het boek van [naam journalist] (zie onder 2.6).
4.11.
Bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] in deze procedure dient te worden uitgegaan van de stand van zaken op het moment van het publiceren van de Podcast en de Film: de boekhouder is veroordeeld voor moord en de klusjesman wordt door het OM niet als verdachte gezien. Bovendien is [eiser] strafrechtelijk veroordeeld wegens smaad jegens de klusjesman en zijn vriendin en is [eiser] civielrechtelijk op straffe van een dwangsom verboden om de klusjesman en zijn vriendin nog langer van moord c.q. betrokkenheid daarbij te beschuldigen.
4.12.
In de Nederlandse democratische rechtsstaat wordt in het strafrecht uitgegaan van het volgende:
- -
een verdachte wordt voor onschuldig gehouden tot de rechter op grond van wettige bewijsmiddelen het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht.
- -
het OM heeft de vervolgingsmonopolie. Dit houdt in dat alleen van overheidswege strafbare feiten worden vervolgd.
4.13.
Het is niet zonder meer zo dat dit betekent dat een burger in het openbaar geen mening kan geven over feiten of omstandigheden die wijzen op de schuld van een bepaalde persoon of dat een burger geen eigen onderzoek zou mogen uitvoeren naar dergelijke feiten of omstandigheden. Maar daarbij past wel terughoudendheid in die zin dat de daadwerkelijke vervolging van verdachten aan politie en justitie moet worden overgelaten. Daarbij past ook terughoudendheid over het trekken van conclusies uit gevonden verdachte omstandigheden, juist omdat het oordeel daarover aan het OM en uiteindelijk aan de rechter is. Het trekken van een eigen conclusie (in dit geval: ik ben ervan overtuigd dat de klusjesman schuldig is) en die mening via voor het grote publiek toegankelijke massamedia (TV, pers, internet) uiten kan het publiek aanzetten tot eigenrichting (‘trial by the media’).
4.14.
Dat deze terughoudendheid geboden is blijkt ook uit het feit dat een dergelijke uiting smaad kan opleveren.
4.15.
[eiser] heeft deze terughoudendheid niet in acht genomen, zoals volgt uit zijn genoemde strafrechtelijke en civielrechtelijke veroordelingen.
In de strafzaak tegen [eiser] naar aanleiding van een aangifte van de klusjesman en zijn vriendin heeft het Gerechtshof Amsterdam in het arrest van 13 oktober 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK0036) het volgende overwogen:
“(…)
De verdachte was in 2006 een bekende Nederlander, onder andere vanwege zijn jarenlange optreden als opiniepeiler van het stemgedrag van de Nederlanders. In die hoedanigheid heeft hij regelmatig in de media opgetreden.
(…)
Voor de moord op mevrouw [ [naam mevrouw] ] was een andere persoon onherroepelijk veroordeeld. Niettemin voerde het openbaar ministerie in het eerste half jaar van 2006 een oriënterend onderzoek uit naar de kwaliteit van de opsporing in deze moordzaak en naar verwaarloosde aanwijzingen voor opsporing in andere richtingen. De gang van zaken in de publiciteit rondom dit onderzoek was op 31 januari 2006 voor de verdachte, zo heeft hij ter terechtzitting verklaard, aanleiding tot het zoeken van de publiciteit. Na afronding van het oriënterend onderzoek van het openbaar ministerie en publicatie van een persbericht daarover op 13 juni 2006 kreeg de verdachte tot zijn teleurstelling het volledige rapport niet in handen en bleek dat het openbaar ministerie hem inhoudelijk niet had gevolgd.
De drijfveer van de verdachte was hier, zo begrijpt het hof, naast zijn dan nog steeds bestaande inhoudelijke betrokkenheid, voor een belangrijk deel gelegen in onvrede over de handelwijze van het openbaar ministerie en van het College van Procureurs-Generaal in het bijzonder.
De aangevers zijn gewone burgers. Anders dan politici, opinieleiders of dragers van openbaar gezag staan zij niet in voortdurende publieke belangstelling. Evenmin hoeft van hen te worden verwacht dat zij accepteren dat zij, zonder daartegen effectief te worden beschermd, steeds het mikpunt van kritiek of verdachtmakingen dan wel beschuldigingen vormen.
De verdachte heeft zich door deze omstandigheden niet laten weerhouden van zijn uitlatingen aan het adres van de aangevers. Ten onrechte, naar het oordeel van het hof. Deze omstandigheden noopten tot terughoudendheid.
In plaats van te kiezen voor een terughoudende opstelling heeft de verdachte zijn positie als bekende Nederlander bewust ingezet, zoals hij ook zelf ter terechtzitting in hoger beroep en elders heeft verklaard. Zijn doel was om op deze wijze extra aandacht op te roepen voor de door hem aan de orde te stellen tekortkomingen van politie en justitie.
In het licht van het voorgaande acht het hof een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van de verdachte door de overheid gerechtvaardigd ter bescherming van de belangen van de aangevers
(…)”
4.16.
Door dit gedrag in samenhang met het feit dat [eiser] een bekende Nederlander is, heeft hij in het kader van de afweging van de belangen te aanvaarden dat voor publieke figuren zoals politici en ook [eiser] geldt: hoge bomen vangen veel wind. Anders gezegd: door in de media vergaande beschuldigingen aan het adres van de klusjesman te uiten heeft [eiser] te accepteren dat hij daarop en op de gevolgen daarvan publiekelijk wordt aangesproken.
4.17.
[eiser] heeft in deze procedure over de door hem gestelde onrechtmatigheid van de Podcast en de Film vele feiten gesteld over de Deventer Moordzaak zelf (zoals de voor [naam verdachte] . ontlastende omstandigheden en de voor de klusjesman belastende omstandigheden) en de mogelijke onjuiste beweringen daarover in de Podcast en in de Film. Daarop zal niet worden ingegaan zoals is overwogen onder 4.7 en 4.8. Hierna zal slechts worden ingegaan op de concrete verwijten van [eiser] waaruit volgens hem de onrechtmatigheid van de Podcast en/of de Film jegens hem moet blijken.
4.18.
In aanvulling op hetgeen onder 4.6 is overwogen is ook van belang dat krachtens vaste rechtspraak2, zoals onweersproken aangehaald door VPRO en Human, een journalist een grote mate van vrijheid heeft hoe verslag wordt gedaan van het journalistiek onderzoek. Verder rust er op een journalist geen verplichting om alle standpunten van alle belanghebbenden mee te nemen in de publicatie. Dit kan anders worden indien in de publicatie lichtvaardige verdachtmakingen worden geuit tegen een bepaald persoon, hier dus [eiser] .
4.19.
VPRO en Human (integraal overgenomen door BIND en [gedaagde 3] ) hebben aangevoerd dat in de Podcast geen lichtvaardige verdachtmakingen over [eiser] worden geuit. Zij hebben betoogd dat de Podcast op zorgvuldige en evenwichtige wijze tot stand is gekomen, waarin de standpunten, meningen of drijfveren van betrokkenen over de media-aandacht die de Deventer Moordzaak na januari 2006 heeft gekregen aan de orde komen. Alle geïnterviewden praten over hun eigen handelen en hun bijdrage aan de berichtgeving over de nasleep van de Deventer Moordzaak in het algemeen en over de beschuldigingen aan het adres van de klusjesman in het bijzonder. Daarbij vertellen zij ook in welke mate de mening en uitingen van [eiser] een bijdrage heeft geleverd aan hun handelen, aldus VPRO en Human.
4.20.
Gezien dit betoog, dat [eiser] niet gemotiveerd heeft weersproken, behoeft de rechtbank geen algemeen oordeel te geven over de Podcast als geheel. De rechtbank zal wel ingaan op concrete passages waarvan [eiser] heeft gesteld dat daar over hem beschuldigingen worden geuit of dat hij wordt zwart gemaakt zonder dat daarvoor enige aanleiding bestaat in het beschikbare feitenmateriaal. [eiser] heeft specifiek gewezen op de volgende uitingen:
4.20.1.
In aflevering 6 van de Podcast vertelt de schrijver van het boek ‘De Deventer Moordzaak’ (zie 2.6):
“Hij [ [eiser] , rb] kwam op die site met een beschrijving van de moord. Tot in detail alsof hij erbij was geweest. Hoe [naam 1] (…) van achteren de weduwe had neergestoken en wat hij dacht en voelde en waarom. Alsof het feiten waren. De meest waanzinnige feiten werden de wereld in geslingerd over alcoholisme, over strafbladen van de klusjesman. Echt de meest gore, grote onzin werd door hem als een feit op die site gepresenteerd en die site werd een steeds lelijker heksenjacht tribunaal, waarin hij zichzelf presenteerde als zowel de grote verzetsheld die opkwam tegen het vermaledijde justitie systeem, maar wat in die in werkelijkheid deed, is denk ik echt de meest onintegere campagne voeren die ik ooit in mijn carrière heb gezien.”
4.20.2.
In aflevering 5 heeft een geïnterviewde gezegd:
“Alle stukken die meneer [eiser] heeft aangedragen, bijna allemaal, die zijn niet op feiten gebaseerd. Maar op een hele rijke fantasie. Hij wil zo graag dat deze man vrijgesproken wordt, omdat hij dan de ontdekker is. Hij is de man die hem vrij gekregen heeft. Hij is een narcistisch type dus hij kan daar niet los van komen.”.
4.20.3.
In aflevering 4 heeft een andere geïnterviewde gezegd:
“ [eiser] schreef mailtjes naar mij van nou als we nu samen naar de politie gaan of naar het O.M., dan ga jij vertellen waarom die het niet gedaan heeft.”.
4.20.4.
De stelling van [eiser] dat uit deze uitspraken de onrechtmatigheid van de Podcast blijkt, wordt niet gevolgd. [gedaagde 3] heeft voor de Podcast personen geïnterviewd die een rol hebben gespeeld in de media over de Deventer Moordzaak, en zij vertellen daarover. Daarbij is ook de rol van [eiser] een belangrijk onderdeel omdat hij een prominente rol heeft gespeeld in de media over de Deventer Moordzaak. De Podcast is in die zin dus op feiten gebaseerd. De wijze waarop de geïnterviewden praten over [eiser] is hun mening over hoe in 2006 de grote media-aandacht voor de klusjesman tot stand is gekomen, en ook hun eigen rol daarin. Dit is dus niet de mening van [gedaagde 3] (maker), BIND (producent), VPRO of Human (financiers). Hetgeen door die personen is gezegd, kan niet worden vereenzelvigd met een uiting van [gedaagde 3] als maker, BIND als producent of VPRO en Human als financiers.
4.21.
Hetzelfde geldt voor de opmerkingen in de Podcast van de advocaat van de klusjesman, die het volgende heeft gezegd in respectievelijk aflevering 3 en aflevering 4:
“Ja, ik had alleen [eiser] elke avond op tv die zei de klusjesman heeft het gedaan.”
“Ja weet je, ik kan me nog herinneren we hebben hem een keer gesommeerd. Toen belde die op en zei nou prima kort geding heel goed, ik kom met vier cameraploegen. Toen dacht ik: ja zie je, ja het middel is erger dan de kwaal.”
“En ja, verder, ik kon ook niet zo heel veel. Ik kon alleen een beetje tegenspreken, uhhh, hè, de dingen die hem allemaal in de schoenen werden geschoven. Dat ie een leugenaar was, en een drugsgebruiker, een patiënt van de dokter, en hij sliep met een mes onder z’n kussen en weet ik niet wat voor een idioterie er allemaal ge… Dat kon ik een beetje tegenspreken in de media.”
4.21.1.
[eiser] heeft hierover betoogd dat het derde citaat spreekt van “idioterie” wat niet zo is omdat [eiser] zich heeft gebaseerd op feiten waarvoor hij bewijs had. Over het tweede citaat heeft [eiser] betoogd dat daarin een leugen wordt verteld want hij heeft de advocaat van de klusjesman niet gebeld. Het eerste citaat is eveneens onwaar omdat [eiser] in januari en februari 2006 slechts twee keer op televisie over dit onderwerp heeft gesproken, aldus steeds [eiser] .
4.21.2.
Dit betoog van [eiser] kan evenmin leiden tot de slotsom dat de Podcastmaker(s) onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld omdat het niet de mening van BIND, [gedaagde 3] , VPRO of Human is. Bovendien kan over deze uitingen het volgende worden gezegd.
Het eerste citaat is een kennelijke overdrijving, maar vast staat wel dat [eiser] in januari en februari 2006 op televisie heeft gesproken over zijn twijfels over de schuld van [naam verdachte] .; gedurende het jaar 2006 heeft hij vaker over dit onderwerp op televisie gesproken en ook in andere media zijn mening geuit, en uiteindelijk heeft hij daarbij ook over de klusjesman gesproken in dezelfde bewoordingen die de advocaat van de klusjesman in de Podcast heeft gebruikt.
In het tweede citaat is niet van belang of het zo is dat de advocaat [eiser] heeft gebeld of andersom, waar het om gaat is wat er toen gezegd is en dat heeft [eiser] niet weersproken.
Het derde citaat gaat over wat de klusjesman in de schoenen werd geschoven. [eiser] stelt dat hij zich op feiten heeft gebaseerd. Hij bedoelt daarbij kennelijk verklaringen van getuigen. Bij een getuigenverklaring kan niet zonder meer uit worden gegaan van de juistheid daarvan. Dat de advocaat van de klusjesman in 2021 de uitingen van [eiser] uit 2006 als idioterie heeft beschouwd is een waardeoordeel van die advocaat. Dit maakt de Podcast niet onrechtmatig jegens [eiser] .
4.22.
Uitgangspunt is dat de voor de podcast verantwoordelijke partijen niet kunnen worden aangesproken op de uitlatingen van geïnterviewden, tenzij zij ervan op hoogte zouden zijn dat wat de geïnterviewden zeggen onwaar is of als de publicatie eenzijdig bericht over de persoon waarover wordt gesproken of dat die persoon niet in de gelegenheid is gesteld zijn visie te geven. Daarop wordt onder 4.26 en verder nader ingegaan.
4.23.
Verder heeft [eiser] gewezen op een uitspraak van [gedaagde 3] in aflevering 3 waarin zij vertelt dat de klusjesman op een ochtend de krant De Telegraaf heeft gezien met een artikel getiteld “Klusjesman op de korrel”. Volgens [eiser] is er nimmer een artikel geweest in de Telegraaf met die kop. VPRO en Human hebben echter een kopie van een artikel uit de Telegraaf van 3 februari 2006 met die kop in het geding gebracht. Het betoog van [eiser] op dit punt wordt daarom als onjuist verworpen.
4.24.
Evenmin heeft [eiser] gesteld, of is gebleken, dat in de Podcast onnodig grievend over hem, of zijn rol in de media in de nasleep van de Deventer Moordzaak, wordt gesproken.
4.25.
De tussenconclusie is dat de stellingen van [eiser] dat de Podcast zijn goede naam en eer aantast, of anderszins onrechtmatig jegens hem is, niet wordt gevolgd.
Toestemming/wederhoor Podcast
4.26.
[eiser] heeft gesteld dat hem geen hoor en wederhoor is gegund over de inhoud van de Podcast en dat hij geen toestemming heeft verleend voor het gebruik in de Podcast van de informatie die hij heeft gedeeld met [gedaagde 3] .
4.26.1.
Dit is op zich geen reden om de Podcast als onrechtmatig te beschouwen. Vast staat dat [gedaagde 3] met [eiser] heeft gesproken over de Podcast en dat hij in de gelegenheid is gesteld zijn bevindingen over de Deventer Moordzaak aan [gedaagde 3] te presenteren. Hij had kunnen en moeten begrijpen dat die informatie, dan wel delen daarvan, in de Podcast zouden worden gebruikt. Daartoe heeft [gedaagde 3] niet verdere toestemming van [eiser] nodig gehad. Een publicatie behoeft immers geen toestemming vooraf – ook niet van een belanghebbende bij die publicatie, zoals hier [eiser] . Een dergelijke eis is een beperking van de uitingsvrijheid van de publicist die niet is gerechtvaardigd in een democratische rechtsstaat.
4.26.2.
[gedaagde 3] heeft [eiser] geïnterviewd en dit interview ook verwerkt in de Podcast. Zij heeft aan [eiser] bericht welke onderwerpen van dat interview aan de orde zouden komen in de Podcast. Daarop heeft [eiser] gereageerd met “Lijkt mij prima”.
[eiser] heeft niet betoogd dat de e-mail van 11 januari 2021 (zie onder 2.8.3) van [gedaagde 3] achteraf onjuist bleek te zijn omdat bijvoorbeeld andere onderwerpen door haar zijn behandeld dan in die e-mail zijn genoemd, of dat de door haar genoemde onderwerpen niet aan de orde zijn gekomen in de Podcast, of dat de door hem gegeven informatie onjuist is weergegeven in de Podcast. Anders dan [eiser] heeft betoogd, is zijn visie dus wel in de Podcast opgenomen en tot uiting gekomen. Dat daarbij niet alle details zijn opgenomen waarover hij het wilde hebben (de voor [naam verdachte] . ontlastende omstandigheden en de voor de klusjesman belastende omstandigheden) maakt niet dat hem geen wederhoor is geboden door de podcastmakers.
4.26.3.
De stellingen van [eiser] dat zijn visie over het bewijsmateriaal in de Deventer Moordzaak niet, althans onvoldoende, aan bod komt in de Podcast zijn niet van belang in dit geval. De Podcast gaat niet over de Deventer Moordzaak, maar over de media-aandacht in de nasleep daarvan. Onder deze omstandigheden zijn de makers en financiers van de Podcast niet gehouden geweest om het standpunt van [eiser] over de Deventer Moordzaak nadrukkelijker aan bod te laten komen in de Podcast.
4.26.4.
BIND, [gedaagde 3] , VPRO en Human hebben verder onweersproken betoogd dat [eiser] na de e-mail van 11 januari 2021 niet meer heeft gereageerd op e-mails van [gedaagde 3] . Ook niet op haar e-mail waarin zij [eiser] mededeelt dat de eerste aflevering van de Podcast op 12 maart 2021 te beluisteren zal zijn.
4.26.5.
De stelling van [eiser] dat hem geen hoor en wederhoor is gegeven over de inhoud van de Podcast wordt daarom verworpen en vormt in dit geval geen aanleiding om zijn vorderingen tot een verbod op de Podcast toe te wijzen. Evenmin kan worden geconcludeerd dat de Podcast eenzijdig over [eiser] heeft bericht. In de Podcast komen immers andere betrokken personen die indertijd in de media actief waren over de Deventer Moordzaak aan het woord. Daarbij spreken zij allen over [eiser] . Dit is op zich niet onrechtmatig omdat vast staat dat [eiser] een grote en aanjagende rol heeft gespeeld in de media-aandacht over de Deventer Moordzaak na januari 2006 en de rol van de klusjesman en zijn vriendin daarin.
4.27.
In aanvulling op hetgeen onder 4.6 is overwogen is ook van belang dat krachtens vaste rechtspraak, zoals onweersproken aangehaald door BIND en [gedaagde 3] , artistieke uitingen, zoals een speelfilm, extra bescherming genieten wanneer deze bijdragen aan een maatschappelijk debat, zoals de Film3. Verder mag in een film gebaseerd op feiten worden afgeweken van de daadwerkelijke gebeurtenissen, zoals BIND en [gedaagde 3] onweersproken en terecht hebben betoogd. Het staat de makers van een film vrij om aan die feiten een fictief element toe te voegen4. Van belang daarbij is wel dat de gemiddelde kijker erop wordt gewezen dat de film is gebaseerd op feiten die voor de film zijn gedramatiseerd.
4.28.
In de Film wordt in de voor- en aftiteling vermeld dat de film is gebaseerd op feiten en een gedramatiseerde interpretatie is van de gebeurtenissen.
4.29.
Het betoog van [eiser] dat de Film ten onrechte wordt gepresenteerd als objectieve waarheid is dus onjuist. Met de voor- en aftiteling hebben de makers duidelijk gemaakt – in ieder geval voor de gemiddelde kijker – dat de in de Film getoonde gebeurtenissen zijn gebaseerd op feiten die voor de Film zijn gedramatiseerd.
4.30.
Bij de dramatisering van de gebeurtenissen staat het de filmmaker vrij om tijdsperiodes in te korten of te verlengen, dialogen te ensceneren en andere krantenkoppen te tonen dan die in werkelijkheid zijn gepubliceerd, zoals BIND en [gedaagde 3] onweersproken hebben betoogd. Dit alles is op zich niet onrechtmatig, voor zover daarbij in dit geval [eiser] niet op lichtvaardige wijze wordt beschuldigd van de rol die hij in 2006 in de media heeft gespeeld.
4.31.
Het belang van de stellingen van [eiser] dat de schrijver van het boek hem lange tijd heeft geloofd, ontgaat de rechtbank. De Film gaat nu juist over de verandering van mening die de schrijver als journalist heeft doorgemaakt. Eerst geloofde hij het verhaal van [eiser] , later kwam hij tot de conclusie dat wat [eiser] beweerde over het daderschap van de klusjesman niet juist was en dat de boekhouder weldegelijk schuldig was.
4.32.
[eiser] heeft gesteld dat in de Film gebeurtenissen tussen november 2005 en eind 2006 door elkaar heen worden gebruikt, dat er feiten worden aangehaald die verkeerd worden gepresenteerd en/of onwaar zijn. Ook als de film op deze punten niet geheel klopt met de waarheid gaat er om of de film al dan niet terecht [eiser] portretteert als degene die in de winter van 2005/2006 in de media heeft beweerd dat [naam verdachte] . onschuldig zou zijn en dat de klusjesman de dader is. Ook als de manier waarop dat precies gegaan is in de film anders wordt weergegeven dan de werkelijkheid, neemt dat niet weg dat [eiser] dat wel gezegd heeft. Daarom kunnen deze stellingen van [eiser] niet leiden tot toewijzing van zijn vorderingen betreffende de Film.
4.33.
Bovendien heeft [eiser] gesteld dat in Film zou zijn gezegd “(…) dat hij ’s avonds in De Wereld Draait Door zou komen waarbij [eiser] met bewijzen zou komen dat (…) onschuldig is.” Deze zin komt niet voor in de Film, aldus BIND en [gedaagde 3] . Dit heeft [eiser] niet weersproken, zodat zijn stelling hierover als niet onderbouwd wordt verworpen.
4.34.
[eiser] heeft zijn stellingen ook gebaseerd op de scenes in de Film waarin de onderzoeksjournalist ( [naam journalist] ) onderzoek doet naar de bevindingen van [eiser] over de klusjesman. Volgens [eiser] wordt in de Film geprobeerd duidelijk te maken dat zijn onderzoek naar de klusjesman en zijn bevindingen onjuist zouden zijn. Hoewel in deze zaak niet aan de orde is of de bevindingen van [eiser] in 2006 over de klusjesman juist of onjuist zijn geweest, wordt op deze stellingen van [eiser] wel ingegaan omdat zijn goede naam en eer niet lichtvaardig in een kwaad daglicht mag worden geplaatst door de Film, wat het geval zou kunnen zijn als in de Film wordt verteld dat [eiser] zonder goede gronden of feitelijke basis tot zijn overtuiging over de klusjesman heeft kunnen komen (zie ook 4.9).
4.35.
Er is tussen partijen debat gevoerd over verschillende onderwerpen inzake de klusjesman. Dit alles gaat dus niet over [eiser] of zijn onderzoek of zijn mediaoptreden in de nasleep van de Deventer Moordzaak en is daarom niet van belang in dit geschil. Het betreft stellingen van [eiser] over:
- -
het daadwerkelijke beroep of bedrijf van de persoon die door de media-aandacht in 2006 publiekelijk bekend is geworden als de klusjesman;
- -
welke werkzaamheden de klusjesman heeft uitgevoerd voor de weduwe;
- -
het moment waarop de klusjesman is ontslagen uit dienstverband bij een beveiligingsbedrijf;
- -
wat zich heeft afgespeeld tussen twee door [eiser] ingehuurde onderzoeksjournalisten en de vriendin van de klusjesman en wanneer dat was;
- -
het alibi van de klusjesman en zijn mogelijke motief voor de moord op de weduwe;
- -
de daderkennis die mogelijk aanwezig is bij de klusjesman;
- -
hoe [naam journalist] kennis heeft gekregen van het woonadres van de klusjesman;
- -
de layout van de webpagina’s op de website van [eiser] , die anders is dan die in de Film zijn getoond en dat in de Film de titels van de pagina’s zijn aangepast.
Over deze onderwerpen heeft [eiser] niet gesteld, of is daarvan gebleken, dat in de Film wordt gezegd of uitgebeeld dat hij ten onrechte of zonder goede reden tot zijn conclusies over die onderwerpen is gekomen. In de Film wordt over deze onderwerpen anders geconcludeerd dan [eiser] heeft gedaan. Dit is op zich niet onrechtmatig.
4.35.1.
[eiser] heeft gesteld dat hij indertijd in zijn stukken niet heeft gesproken over “drugsgebruik” of over “drugsverslaafde”, of over “aan lager wal geraakt” in relatie tot de klusjesman. Dit komt niet overeen met de brief van 20 januari 2006 (zie onder 2.4) waarvan BIND en [gedaagde 3] onweersroken hebben betoogd dat die brief toen op de website van [eiser] heeft gestaan. In die brief heeft [eiser] ook vermeld dat het snel bergafwaarts is gegaan met de klusjesman. In de Film is dit vertaald naar “aan lager wal geraakt”. Dit is een vorm van artistieke vrijheid die in dit geval niet kan leiden tot toewijzing van de vorderingen van [eiser] .
4.35.2.
In het boek (en dus ook in de Film) wordt over deze onderwerpen andere conclusies getrokken dan [eiser] heeft gedaan. Dit is op zich niet onrechtmatig ook al heeft [eiser] zijn conclusies gebaseerd op verklaringen van bekenden van de klusjesman. Niet gesteld, of gebleken is immers dat in de Film wordt beweerd dat [eiser] geen enkele grond had voor zijn conclusies, maar er wordt in de Film meer waarde gehecht aan andersluidende verklaringen van anderen over deze onderwerpen.
4.35.3.
In de Film wordt een website getoond die volgens partijen door [eiser] werd beheerd en gevuld met informatie. In de Film wordt op die website een video gevonden over de mogelijke oorzaak van een bloedvlek op de blouse van de weduwe. [eiser] heeft gesteld dat op zijn websites geen videofilms heeft gestaan. BIND en [gedaagde 3] hebben erkend dat die video’s niet op de website van [eiser] hebben gestaan. Zij hebben betoogd dat een video een visueel middel is om op bondige wijze duidelijk te maken dat het onderzoek van [eiser] was gebaseerd op een aantal burgeronderzoeken waarover hij op zijn website rapporteerde. Dit blijkt ook uit de tekst van de webpagina (zie onder 2.5.1). Uit dit alles volgt dat de Film op feiten is gebaseerd voor zover het gaat over de vraag waarop [eiser] zijn onderzoek (mede) heeft gebaseerd: burgeronderzoeken. Dat dit is uitgebeeld met video’s in plaats van de daadwerkelijke tekst van de website, is een artistieke vrijheid van de filmmakers. Het betoog van [eiser] dat deze volgens hem amateuristische video’s in de Film niet het werk representeerde van zijn onderzoeksteam, kan daarom niet leiden tot toewijzing van zijn vorderingen over de Film.
4.35.4.
Dat in de Film de door [eiser] beheerde website een andere layout heeft dan de werkelijke website en dat in de Film op die website geraadpleegde pagina’s een andere titel hebben dan de werkelijke pagina’s op de website, zijn omstandigheden die vallen onder de artistieke vrijheid van de filmmaker.
4.35.5.
Uit het bovenstaande volgt dat uit de stellingen van [eiser] over de scenes in de Film betreffende de klusjesman niet kan worden afgeleid dat die scenes in strijd zijn met de werkelijke gebeurtenissen die vanaf eind 2005 in de media (inclusief het internet) hebben plaatsgevonden of dat hem op lichtvaardige wijze wordt verweten dat zijn uitingen in de media zonder goede gronden zijn.
4.36.
Het betoog van [eiser] over de voorpagina van een AD krant uit 2006 die in de Film wordt getoond, baat hem evenmin. Voor de gestelde onrechtmatigheid van de Film spelen dergelijke interpretaties van de feiten geen doorslaggevende rol tenzij die feiten een verkeerd beeld wekken van de werkelijkheid over de rol van [eiser] in de media in de nasleep van de Deventer Moordzaak. Dat is niet zo, omdat de gefingeerde krantenkop de strekking van het mediaoptreden van [eiser] niet onjuist weergeeft.
4.37.
Bovendien heeft [eiser] betoogd dat de landelijke dagbladen geen aandacht hebben besteed aan zijn media-optreden eind 2005 en begin 2006. Dit betoog is onjuist, gelet op de vele krantenartikelen van na 31 januari 2006 – BIND en [gedaagde 3] hebben onweersproken aangevoerd dat de Volkskrant 151 artikelen heeft gepubliceerd volgens een zoekopdracht op de website van die krant met de zoektermen “de klusjesman + [eiser] ”. Al die artikelen dateren van na 31 januari 2006, waaruit de onjuistheid van dit betoog van [eiser] volgt, zoals BIND en [gedaagde 3] onweersproken hebben aangevoerd.
4.38.
[eiser] heeft gesteld dat in de Film anders wordt bericht over een uitzending gemaakt door [naam journalist] over zijn gesprek met het OM over zijn bevindingen. De wijze waarop dit in de Film wordt getoond is in strijd met de werkelijkheid, ook omdat anderen in de televisie-uitzending waren betrokken en die delen komen niet voor de Film, aldus steeds [eiser] . Daarover hebben BIND en [gedaagde 3] aangevoerd dat de getoonde fragmenten een combinatie is van archiefbeelden (de televisie-uitzending met [eiser] ) en nieuwe opnames (voor de Film, met een acteur die [naam journalist] speelt) waarin de archiefbeelden niet in een andere context zijn geplaatst. Dat de andere personen niet in de Film voorkomen is een redactionele keuze van de filmmaker, aldus steeds BIND en [gedaagde 3] .
4.39.
Dit alles heeft [eiser] verder niet weersproken. Hij heeft verder ook niet uiteengezet waarom deze specifieke scene in de Film extra kwalijk voor of over hem zou zijn. De stelling van [eiser] over deze scene wordt daarom als onvoldoende gemotiveerd verworpen.
4.40.
Tot slot heeft [eiser] gesteld dat in de Film de indruk wordt gewekt dat hij zijn bevindingen over de klusjesman zou hebben gebaseerd op anonieme getuigen en dat die informatie niet kan worden gecheckt. [eiser] heeft betoogd dat hij zijn bevindingen over de klusjesman voortvloeien uit een zestal niet-anonieme bronnen.
4.41.
Deze stelling komt niet overeen met hetgeen in de Film wordt gezegd, zoals BIND en [gedaagde 3] onweersproken hebben aangevoerd. In de Film wordt gesproken over “vaak anonieme getuigen” en “veel feiten, maar bronvermelding ho maar”, aldus BIND en [gedaagde 3] en ook VPRO en Human. Het gaat daar over de informatie zoals die op de website van [eiser] destijds te vinden was. Dat op de website destijds altijd een bronvermelding te vinden was en dat deze uitlatingen dus in strijd met de waarheid zouden zijn heeft [eiser] niet onderbouwd; het enkel in het geding brengen van niet anonieme verklaringen is daarvoor immers onvoldoende.
Tussenconclusie Film
4.42.
De tussenconclusie is dat de stellingen van [eiser] dat de Film zijn goede naam en eer aantast, niet wordt gevolgd. Daaruit vloeit voort dat de Film dus niet onrechtmatig jegens [eiser] is.
Portretrecht
4.43.
In de Film worden archiefbeelden gebruikt van mediaoptredens van [eiser] . BIND en [gedaagde 3] hebben onweersproken daarover aangevoerd dat zij toestemming hebben gekregen van de auteursrechthebbenden op die beelden. Dit neemt echter niet weg dat [eiser] nog steeds een beroep kan doen op zijn portretrecht – ook al is hij indertijd vrijwillig opgetreden in televisieprogramma’s en in die zin dus toestemming heeft verleend voor het uitzenden van de televisiebeelden.
4.44.
Of het portret van [eiser] ten onrechte wordt vertoond in de Film is ook een afweging tussen de grondrechten als vastgelegd in artikelen 8 en 10 EVRM. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen en betrokken5.
4.45.
[eiser] heeft in 2006 als publiek figuur veelvuldig de media opgezocht om zijn bevindingen over de Deventer Moordzaak kenbaar te maken. Hij heeft ook in televisieprogramma’s opgetreden waarvan de beelden zijn verwerkt in de Film.
4.46.
Zoals al eerder is overwogen gaat de Film over de rol van de media in de nasleep van de Deventer Moordzaak. Vast staat dat [eiser] veelvuldig zijn mening over die kwestie heeft geuit in de media, en dan vooral in televisieprogramma’s. Het belang van de filmmakers om de publiekelijk opgenomen en uitgezonden mediaoptredens van [eiser] te gebruiken in de Film, is daarom een gegeven. Het belang van [eiser] tot bescherming van zijn portret ligt in dit geval minder voor de hand. De gebruikte beelden zijn immers indertijd ook op televisie uitgezonden – in een veel bekeken programma als De Wereld Draait Door – met kennelijke instemming van [eiser] . Verder zijn die televisiebeelden in de Film niet buiten de context van waarin ze indertijd zijn uitgezonden geplaatst en zijn ze niet gemanipuleerd (ook niet in geluid). Onder deze omstandigheden weegt in dit geval het belang van de filmmakers bij het gebruik van die televisiebeelden zwaarder dan het belang van [eiser] bij bescherming van zijn goede naam en eer en dus zijn portretrecht. Dat in sommige scenes de indertijd uitgezonden beelden worden uitvergroot, is een geval van artistieke vrijheid en op zich onvoldoende om de stellingen van [eiser] over de gemaakte inbreuk op zijn portretrecht te ondersteunen.
4.47.
[eiser] heeft ook een beroep gedaan op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer als vastgelegd in artikel 8 EVRM. In de Film ontbreekt echter enige mededeling over het persoonlijke leven van [eiser] . Zijn stelling dat sprake is van een indringende inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen6.
4.48.
Het beroep van [eiser] op zijn portretrecht kan dus niet leiden tot toewijzing van zijn vorderingen betreffende de Film.
Verdere stellingen van [eiser]
4.49.
Naast bovenstaande stellingen heeft [eiser] in zijn dagvaarding gesteld dat de makers van de Podcast en de Film zonder enig bewijs hem wegzetten als een leugenaar die zijn beweringen niet kan substantiëren, en dat hij wordt betiteld als “schoft” en dat hem “schofterig gedrag” wordt verweten.
4.49.1.
BIND, [gedaagde 3] , VPRO en Human hebben betwist dat die uitingen zijn gedaan in de Film of de Podcast, in ieder geval niet door hen.
4.49.2.
Dergelijke beschuldigingen zouden onrechtmatig jegens [eiser] kunnen zijn, als kan worden vastgesteld dat die uitingen daadwerkelijk zijn gedaan in de Podcast of de Film door BIND, [gedaagde 3] , VPRO of Human.
4.49.3.
Ter zitting is duidelijk geworden dat termen als “schoft” en “schofterig” niet worden gebruikt in de Podcast of de Film.
4.49.4.
[eiser] heeft verder niet concreet gemaakt door wie en op welk moment hij in de Podcast of de Film wordt uitgemaakt voor leugenaar.
4.49.5.
De stellingen van [eiser] als weergegeven onder 4.49 worden dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen.
4.50.
Uit al hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat in de Podcast en de Film geen ongegronde verwijten of verdachtmakingen jegens [eiser] worden geuit. In 2006 heeft [eiser] veelvuldig de publiciteit opgezocht om zijn mening en zijn bevindingen over de Deventer Moordzaak te uiten. Daarbij heeft hij met stelligheid de klusjesman als de dader aangewezen. Ook als hij meende daarvoor goede gronden te hebben, stond hem dat niet vrij, zie onder 4.9-4.16.
De strekking van de Podcast en de Film is duidelijk te maken dat dergelijke beschuldigingen – ook als die niet tot een strafrechtelijke veroordeling leiden – zeer ernstige gevolgen voor die persoon hebben. Omdat het [eiser] is geweest die de beschuldigingen in de media heeft geuit, en daarmee de ‘trial by media’ in gang heeft gezet, heeft hij te dulden dat zijn eigen optreden in deze zaak vervolgens onderwerp wordt van publiciteit.
4.51.
[eiser] heeft tot slot gesteld dat de Podcast en de Film zijn gepubliceerd na lang tijdsverloop sinds de laatste ontwikkelingen in de Deventer Moordzaak, en dat zij zonder bijzondere omstandigheden of een gerechtvaardigd publiekelijk belang zijn gepubliceerd.
4.51.1.
Daarbij gaat [eiser] eraan voorbij dat het onderwerp van de Podcast en de Film niet de Deventer moordzaak zelf is, maar de manier waarop deze in de media is behandeld en in het bijzonder de gevolgen daarvan voor de klusjesman en zijn vriendin. Dit is een thema dat in een tijd waarin nepnieuws en complottheorieën in de belangstelling staan ook los van de ontwikkelingen in de Deventer moordzaak in het publieke debat voldoende actueel is en dus rechtvaardigt dat daaraan in de Podcast en de Film aandacht wordt besteed.
4.52.
Bovendien is de Deventer moordzaak nog steeds niet uit het publieke debat verdwenen. De A-G bij de Hoge Raad is immers sinds 2013 bezig geweest met een nader onderzoek naar de Deventer Moordzaak vanwege de in die tijd aanhoudende berichtgeving over voor [naam verdachte] . ontlastende omstandigheden en daarop gebaseerde herzieningsverzoeken van de veroordelende uitspraken. In 2019 heeft die A-G aan het Cold Case Team Politie Amsterdam gevraagd om de bewijzen in de Deventer Moordzaak, en de wijze waarop die tot stand zijn gekomen, nader te onderzoeken en door te lichten. Dit verzoek is op zich al een bijzondere omstandigheid die de hernieuwde publieke aandacht over de Deventer Moordzaak heeft gewekt.
4.53.
De slotsom is dat de stellingen van [eiser] in deze procedure niet worden gevolgd. Dus kan niet worden vastgesteld dat de Podcast of de Film zijn goede naam en eer aantast. Het belang van BIND, [gedaagde 3] , VPRO en Human bij hun uitingsvrijheid gaat dan ook boven het belang van [eiser] bij de bescherming van zijn goede naam en eer. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Over het toelaten van de onder 3.1.1 besproken eiswijziging hoeft daarom niet te worden beslist.
4.54.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daartoe behoren ook de na dit vonnis te ontstane kosten (Hoge Raad, 22 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853). De proceskosten aan de zijde van BIND en [gedaagde 3] en van VPRO en Human (dus voor ieder) worden tot op heden begroot op:
- griffierecht
|
€
|
676,00
|
|
- salaris advocaat
|
|
1.196,00
|
|
- nakosten
|
|
173,00
|
(plus verhoging als vermeld in de beslissing)
|
Totaal
|
€
|
2.045,00
|
|
4.55.
BIND en [gedaagde 3] en VPRO en Human hebben gevraagd om vermeerdering met de wettelijke rente van de proceskosten. Dit zal worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf veertien dagen nadat zij schriftelijk om naleving van dit vonnis hebben gevraagd aan [eiser] .
4.56.
[eiser] wordt ook in de kosten van Bind Film B.V. veroordeeld. Bind Film B.V. heeft geen eigen kosten gemaakt, zodat die kosten worden begroot op nihil.