3.2.
Op 16 september 2021 is het akkoord ter stemming aangeboden aan [schuldeiser 3] ( [schuldeiser 3] klasse), [schuldeiser 6] (de super senior klasse) en een groep schuldeisers (de senior klasse), die voor het overgrote deel worden vertegenwoordigd door [schuldeiser 2] , als de stemgerechtigde schuldeisers. Het akkoord voorziet er kort gezegd in dat de stemgerechtigde schuldeisers van [schuldenares] en haar groepsmaatschappijen volledig worden voldaan met een vergoeding voor het uitstel van de (rente)betalingen. [schuldeiser 3] heeft voor het akkoord gestemd. De groep schuldeisers in de senior klasse hebben alle tegen het akkoord gestemd. [schuldeiser 6] heeft zich onthouden van stemming. [schuldeiser 6] is op grond van de beschikking van 5 augustus 2021 van deze rechtbank wel stemgerechtigd , maar ziet zichzelf niet als (super senior) schuldeiser van [schuldenares] en haar groepsmaatschappijen, nu zij haar vordering heeft doen overgaan naar [schuldeiser 2] .
[schuldeiser 8] en [schuldeiser 10] zijn geen onderdeel van de
senior klasse, maar zij hebben desondanks een (tegen)stem uitgebracht. De stemmen die de
herstructureringsdeskundige namens hen heeft ontvangen beschouwt hij als ongeldig. De herstructureringsdeskundige merkt daarbij op dat de (on)geldigheid van deze (tegen)stemmen geen invloed heeft op de stemuitslag van de senior klasse. Onder verwijzing naar het ter griffie neergelegde stemverslag van 27 september 2021 blijkt het volgende:
Om privacy redenen is de afbeelding verwijderd.
3.3.
De beschikkingen van deze rechtbank van 5 augustus 2021 en 2 september 2021, de liquiditeitsprognose ten aanzien van [schuldenares] en haar groepsvennootschappen van 16 september 2021, het Debt Advisory Report van 14 september 2021 dat is opgesteld door BFI en de wensen van partijen hebben tezamen geleid tot het akkoord van de herstructureringsdeskundige. Het akkoord voorziet erin dat:
- De (uiteindelijke) aandeelhouders van [schuldenares] € 4 miljoen aan aanvullende liquiditeit aan [schuldenares] beschikbaar stellen op grond van de Restructuring Plan Support Letter van 16 september 2021, te voldoen binnen drie dagen na homologatie.
- De belastingschulden worden gewijzigd, zodat de hoofdelijke belastingschulden op 1 januari 2023 voor het eerst moeten worden terugbetaald in 57 termijnen en uiterlijk op 1 oktober 2027 volledig moeten zijn voldaan, zoals uiteengezet in artikel 2.2 (b) van Deel 2 van het akkoord.
- De rechten van de schuldeisers onder de Kredietovereenkomst worden gewijzigd, door een wijziging van de Kredietovereenkomst, zoals aangehecht als bijlage 22 bij het akkoord.
3.4.
De belangrijkste wijzigingen in de Kredietovereenkomst worden door de herstructureringsdeskundige als volgt samengevat:
( i). Bijdrage aandeelhouders: de (uiteindelijke) aandeelhouders zullen op grond van de Restructuring Plan Support Letter van 16 september 2021 tot een bedrag van
€ 4 miljoen aanvullende liquiditeit aan [schuldenares] ter beschikking stellen om de liquiditeitspositie van [schuldenares] en haar groepsvennootschappen te steunen. De bestaande verplichting om aanvullend € 2 miljoen beschikbaar te stellen aan [schuldenares] wanneer de liquiditeit van [schuldenares] minder dan € 1 miljoen is, blijft ook bestaan. Het niet of niet tijdig beschikbaar stellen van deze liquiditeit vormt een verzuim onder de gewijzigde Kredietovereenkomst.
( ii). Rentebetalingen [schuldeiser 2]: omdat er onzekerheid bestaat over de terugbetalingsverplichting van [schuldenares] ten aanzien van de NOW bedragen, is [schuldenares] blijkens de liquiditeitsprognose niet in staat in de periode vanaf homologatie tot 31 december 2022 de rente in contanten aan [schuldeiser 2] te voldoen zonder het risico te lopen in liquiditeitsproblemen te raken als de NOW bedragen moeten worden terugbetaald. Om die reden is er in de gewijzigde Kredietovereenkomst in voorzien dat rentebetalingen aan de senior schuldeisers vanaf homologatie voor de periode 2021 en 2022 worden opgerold en omgezet in PIK-rente (payment in kind), waarbij een verhoogde rente geldt van 9,75% per jaar ter zake de renteverplichtingen die zijn ge-PIK-ed. Verder is er – kort gezegd – ook in voorzien dat als mocht blijken dat [schuldenares] (een deel van) de NOW bedragen niet hoeft terug te betalen, [schuldenares] (een gedeelte van) een bedrag gelijk aan deze opgerolde rente alsnog in contanten moet voldoen (catch-up). Die verplichting is dan beperkt tot maximaal de NOW bedragen die niet hoeven te worden terugbetaald. De hoogte van de basisrente blijft 6,75% per jaar. De herstructureringsdeskundige is in dat verband afgegaan op de aanbevelingen in het Debt Advisory Report.
( iii). Rentebetalingen Rabobank: de rentebetalingen voor de super senior schuld blijven in de gewijzigde Kredietovereenkomst ongewijzigd. [schuldenares] heeft aan de herstructureringsdeskundige kenbaar gemaakt bereid te zijn na homologatie van het akkoord de overgang van de vordering van [schuldeiser 6] op [schuldeiser 2] alsnog te willen erkennen, waardoor in de gewijzigde Kredietovereenkomst is uitgegaan van een overgang van de super senior schuld.
( iv). Covenant Holiday: de gewijzigde Kredietovereenkomst bevat een periode,
die start vanaf de datum van de homologatie en die loopt tot het einde van het
vierde kwartaal van 2022, waarin de niet-nakoming ten aanzien van de leverage ratio – kort gezegd de verhouding tussen de netto schuldpositie en de EBITDA – niet getest zal worden en schending daarvan niet zal kwalificeren als een verzuim van [schuldenares] en haar groepsvennootschappen en derhalve ook niet tot vervroegde opeisbaarheid zal kunnen leiden (de “covenant holiday”). Deze covenant holiday geldt zowel ten aanzien van de senior schuld als de super senior schuld.
( v). Hernieuwde toepassing en gewijzigde Leverage Ratio na afloop van de
Covenant Holiday: de leverage ratio waaraan [schuldenares] moet voldoen wordt in de Kredietovereenkomst gewijzigd om te voorkomen dat er sprake zal zijn van onnodige voortijdige opeisbaarheid van het krediet. Deze wijziging komt erop neer dat er leverage ratios zullen gelden voor zowel de super senior schuld als de senior schuld. Bij de bepaling van deze ratio’s is ook rekening gehouden met enige marge (de zogenoemde “headroom”), waardoor niet iedere afwijking van de verwachte leverage ratio direct zal leiden tot opeisbaarheid. Voor het bepalen van deze headroom is aansluiting gezocht bij de liquiditeitsprognose en de ontwikkeling van de verwachte inkomsten van [schuldenares] . Onderstaand is de leverage ratio ten behoeve van de senior schuldeisers weergegeven en afgezet tegen de verwachte resultaten van [schuldenares] . Dit is de strengste ratio van de twee ratio’s, nu de senior schuldeisers in feite het meeste risico lopen, doordat de super senior schuldeiser voorrang heeft op de opbrengst.
( vi). Berekening Leverage Ratio: de berekening van de leverage ratio wordt aangepast zodat wanneer de leverage ratio voor het eerst op 31 december 2022 zal worden getest over het laatste kwartaal van 2022 – kort gezegd – slechts wordt gekeken naar de EBITDA over de laatste zes maanden (om te rekenen naar 12 maanden oftewel zal worden vermenigvuldigd met factor 2 voor de berekening van de ratio) en bij de test van de leverage ratio op 31 maart 2022 – kort gezegd – slechts wordt gekeken naar de EBITDA over de laatste negen maanden (om te rekenen naar 12 maanden oftewel zal worden vermenigvuldigd met factor 4/3 voor de berekening van de ratio).
( vii). De introductie van een liquiditeitsconvenant: om [schuldeiser 2] onder de Kredietovereenkomst aanvullende adequate bescherming te bieden, is in de gewijzigde Kredietovereenkomst tevens een liquiditeitsconvenant geïntroduceerd waarbij [schuldenares] op iedere afgesproken testdatum aan bepaalde liquiditeitsvereisten moet voldoen. Deze liquiditeitsvereisten komen er kort gezegd op neer dat [schuldenares] een minimale liquiditeit van € 3 miljoen moet hebben. De covenant holiday geldt niet ten aanzien van dit liquiditeitsconvenant. Het liquiditeitsconvenant wordt wekelijks getest.
( viii). Niet voldane rentebetalingen: de rentebetalingen die [schuldenares] voorafgaand aan homologatie niet heeft voldaan worden opgeteld bij de hoofdsom tegen de in de huidige Kredietovereenkomst overeengekomen rente van 6,75 % per jaar, met een verhoging van 1 procent boeterente voor de periode vanaf wanneer [schuldenares] in verzuim is, te weten vanaf 10 maart 2021 (de datum van de opeising van het krediet door [schuldeiser 2] ) tot aan homologatie, waarbij de finale berekening door de zekerhedenagent onder de Kredietovereenkomst wordt uitgevoerd. De rente over het krediet van de super senior schuldeiser is steeds wel voldaan en hoeft daarom niet door het akkoord te worden geadresseerd.
( ix). Permitteds: in de gewijzigde Kredietovereenkomst zijn verschillende voorheen toegestane handelingen door [schuldenares] , zoals (maar niet beperkt tot) het aantrekken van aanvullend krediet en het doen van significante acquisities, niet langer toegestaan, ter bescherming van de positie van de schuldeisers en met inachtneming van de positie van [schuldenares] , zodat zij steeds in staat blijft haar onderneming in de ordinary course te drijven.
( x). Juridische kosten: gelet op de beslissing van de rechtbank in de beschikking van
5 augustus 2021 is in de gewijzigde Kredietovereenkomst bepaald dat deze kosten aan het einde van de looptijd opeisbaar worden en is een geschilbeslechtingsmechanisme opgenomen om deze kosten te bepalen. De aldus bepaalde kosten zullen opeisbaar worden op de einddatum van de gewijzigde Kredietovereenkomst.
3.5.
De liquiditeitsprognose, zoals die is opgesteld door [schuldenares] en is gevalideerd en aangevuld door de herstructureringsdeskundige en door BFI, combineert de voorspellingen uit het Roland Berger rapport ten aanzien van de ontwikkeling van de onderneming met het actuele daadwerkelijke liquiditeitsverloop, en met name de maandelijkse bewegingen in het werkkapitaal van [schuldenares] en haar groepsvennootschappen. Uit de liquiditeitsprognose blijkt dat [schuldenares] na homologatie van het akkoord in staat is haar opeisbare schulden te voldoen, ook als de NOW bedragen moeten worden terugbetaald en [schuldenares] aan het liquiditeitsconvenant moet voldoen. De herstructureringsdeskundige verwijst hiervoor naar de navolgende grafiek:
3.6.
De herstructureringsdeskundige merkt op dat hij in zeer korte tijd de gewijzigde Kredietovereenkomst heeft moeten realiseren. Na het aanbieden van het akkoord heeft [schuldeiser 2] nog onder meer de volgende – technische – verduidelijkingen op de gewijzigde Kredietovereenkomst bij de herstructureringsdeskundige aangekaart, waartegen de herstructureringsdeskundige op zich geen bezwaren tegen heeft.
( i). Over de juridische kosten die pas opeisbaar worden bij het einde van de looptijd
(de Termination Date, vgl. 18.4 gewijzigde Kredietovereenkomst) zou volgens [schuldeiser 2] ook rente betaald moeten worden. De herstructureringsdeskundige heeft in de gewijzigde Kredietovereenkomst niet de hoogte van de historische kosten willen bepalen (en dus ook niet de rente daarover), aangezien dit al volgt uit de huidige Kredietovereenkomst. Wel heeft de herstructureringsdeskundige, zoals reeds toegelicht, een geschilbeslechtingsmechanisme in de gewijzigde Kredietovereenkomst opgenomen om deze kosten te bepalen, inclusief de opeisbaarheid daarvan. Partijen kunnen daarover of zelf nog overeenstemming bereiken of de ter zake bevoegde rechtbank kan hierover een beslissing nemen.
( ii). De looptijd (de Termination Date) van de senior schuld (de Facility B) en de rekening-courant faciliteit (de Revolving Facility) zou volgens [schuldeiser 2] idealiter moeten worden verduidelijkt in de gewijzigde Kredietovereenkomst, zodat een concrete einddatum wordt genoemd, in plaats van – zoals ook in de huidige Kredietovereenkomst – een looptijd van respectievelijk 6 en 5,5 jaar vanaf de oorspronkelijke “Closing Date” (oftewel vanaf 12 september 2018). De herstructureringsdeskundige heeft geen enkel bezwaar tegen deze suggestie, aangezien deze wijziging geen juridisch verschil maakt.
( iii). Het uitgangspunt onder de (gewijzigde) Kredietovereenkomst is dat – in ieder geval wanneer sprake is van verzuim of wanneer de rente wordt opgerold (ge-PIK-ed) –
er geen waarde uit de onderneming mag verdwijnen aan de investeerders. Een uitzondering hierop zijn salarissen voor bestuurders en commissarissen. [schuldeiser 2] meent dat deze uitzondering te ruim is geformuleerd. De herstructureringsdeskundige begrijpt van [schuldenares] dat deze mogelijke ruimte niet gebruikt gaat worden om waarde uit de onderneming te onttrekken ten behoeve van de investeerders.
( iv). Het niet tijdig betalen van opeisbare historische uitstaande belastingschulden en huurschulden zou ook moeten kwalificeren als schulden waarvan verzuim ook een verzuim onder de gewijzigde Kredietovereenkomst oplevert en [schuldeiser 2] meent dat dit nu niet het geval is. Voor huurschulden is dit volgens de herstructureringsdeskundige wel het geval.
( v). De herstructureringsdeskundige meent dat het niet onredelijk is een toekomstig verzuim onder de historische belastingschulden die ook in het akkoord zijn betrokken ook een verzuim (zogenoemde cross default) onder de gewijzigde Kredietovereenkomst te laten zijn.
Deze punten zijn wat de herstructureringsdeskundige betreft in feite niet materieel en van ondergeschikt belang. Het betreffen slechts verduidelijkingen en ze raken niet aan de materiële bescherming die de gewijzigde Kredietovereenkomst aan [schuldeiser 2] biedt. Uitgangspunt van de herstructureringsdeskundige is steeds geweest de verzoeken van partijen waar mogelijk te honoreren. Om die reden zou het de voorkeur van de herstructureringsdeskundige hebben deze punten mogelijk als kleine wijzigingen op het akkoord te zien, die door de rechtbank ten tijde van de homologatiezitting nog gemaakt zouden kunnen worden. Deze wijzigingen zijn niet strijdig met de informatie die is verstrekt over het akkoord, kunnen niet leiden tot een andere klassenindeling en hadden redelijkerwijs ook onmogelijk kunnen leiden tot een andere stemuitslag.
3.7.
De herstructureringsdeskundige is van mening dat geen sprake is van één of meer van de afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 Fw. Hij licht dit als volgt toe.
Pre-insolventietoestand (artikel 384 lid 2 sub a Fw)
3.8.
[schuldenares] en haar groepsvennootschappen verkeren in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat ieder van hen niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw. [schuldeiser 2] heeft in haar zienswijze bij het tweede verzoekschrift ex artikel 378 Fw aangegeven geen bezwaar meer te maken tegen de vaststelling van de pre-insolventietoestand. Ook [schuldenares] en haar groepsvennootschappen zelf menen in een pre-insolventietoestand te verkeren, zoals ook blijkt uit hun zienswijze bij het tweede verzoekschrift 378 Fw. De rechtbank heeft, onder meer in de beschikking van
2 september 2021, bevestigd dat er bij zowel [schuldenares] als haar groepsvennootschapen sprake is van een pre-insolventietoestand. Hiermee staat vast dat van deze weigeringsgrond geen sprake kan zijn.
Aan de oproepingsvereisten is voldaan (artikel 384 lid 2 sub b Fw)
3.9.
In de beschikking van de rechtbank van 2 september 2021 is bepaald dat een stemtermijn van acht dagen onder de omstandigheden redelijk is. Hiermee staat vast dat de stemtermijn van acht dagen zoals gegeven door de herstructureringsdeskundige redelijk is.
Het akkoord is aangeboden aan alle schuldeisers van wie rechten worden gewijzigd, althans die volgens de eerdere beschikkingen van de rechtbank stemrechtgerechtigd zijn ter zake deze schuld, te weten [schuldeiser 3] , [schuldeiser 6] , [schuldeiser 2] . Ook hebben partijen geen bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde tijdslijn.
Geen gebreken informatieverschaffing, klassenindeling of stemming (artikel 384 lid
2 sub c Fw)
3.10.
Het akkoord bevat alle informatie die de stemgerechtigde schuldeisers nodig hebben om zich voor het plaatsvinden van de stemming een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen (als bedoeld in artikel 375 Fw). Bijlage 4 bij het akkoord bevat ook een overzicht van de informatie als bedoeld in artikel 375 lid 1 en lid 2 Fw. Aan partijen is de mogelijkheid geboden voor aanvullende informatie contact op te nemen met de herstructureringsdeskundige. Geen van de partijen heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De rechtbank heeft in haar beschikking bepaald dat de stemprocedure correct is. Mocht de rechtbank onverhoopt toch concluderen dat er een gebrek zit in de stemprocedure, zou dit redelijkerwijs niet tot een andere uitkomst van de stemming hebben kunnen leiden.
De klassenindeling voldoet aan de vereisten van artikel 374 Fw.
3.11.
Zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank van 2 september 2021 voldoet de klassenindeling aan de vereisten van artikel 374 Fw.
Toelating stemgerechtigde schuldeisers (artikel 384 lid 2 sub d Fw)
3.12.
De stemgerechtigde schuldeisers zijn voor het juiste bedrag ter stemming toegelaten. Bovendien had toelating voor een ander bedrag ook niet redelijkerwijs tot een andere uitkomst van de stemming binnen één klasse kunnen leiden, omdat iedere klasse in feite gecontroleerd wordt door één partij (respectievelijk [schuldeiser 2] , [schuldeiser 6] en [schuldeiser 3] ). Aangezien [schuldeiser 3] en dus ook de belasting klasse vóór het akkoord heeft gestemd en dus een zogeheten cross-class cram down mogelijk is, zou een mogelijke voor of tegen stem van een andere klasse geen invloed hebben op de homologeerbaarheid van het akkoord.
Nakoming van het Akkoord is voldoende gewaarborgd (artikel 384 lid 2 sub e Fw)
3.13.
De herstructureringsdeskundige voert aan dat, zoals de rechtbank in haar beschikking van 2 september 2021 heeft geoordeeld, er in abstracte zin thans geen reden is te twijfelen aan de nakoming van het akkoord. In het akkoord worden de redenen dat nakoming van het akkoord voldoende is geborgd nader uiteengezet (paragraaf 9 van Deel 1 van het akkoord). Voor de nakoming is van belang dat [schuldenares] voldoende liquiditeit tot haar beschikking heeft. Uit de liquiditeitsprognose volgt dat dit het geval is na homologatie van het akkoord. Daarnaast is ter borging van de nakoming van het akkoord een Restructuring Plan Support Letter gesloten tussen de (indirecte) aandeelhouders en [schuldenares] waarin is vastgelegd dat de (indirecte) aandeelhouders binnen drie werkdagen na homologatie van dit akkoord € 4 miljoen zullen storten op een rekening van [schuldenares] , waarmee het akkoord verder wordt gesteund. Ook de wijze waarop de financiële convenanten van de gewijzigde Kredietovereenkomst zijn ingevuld zorgt voor een verdere borging van de nakoming van het akkoord. Bovendien meent de herstructureringsdeskundige, zoals hij ook heeft toegelicht bij zijn tweede verzoek 378 Fw en ook blijkt uit de literatuur, dat deze “nakomingstoets” slechts een marginale toets is die slechts er op ziet of het akkoord op voorhand niet als evident kansloos gekwalificeerd moet worden.
Nieuwe financiering (art 384 lid 2 sub f Fw)
3.14.
[schuldenares] gaat in het kader van het akkoord geen nieuwe financiering aan. De Kredietovereenkomst wordt (slechts) gewijzigd conform de gewijzigde Kredietovereenkomst opgenomen in bijlage 22 van het Akkoord. Voor zover de liquiditeitsinjectie van € 4 miljoen op grond van de Restructuring Plan Support Letter door de (uiteindelijke) aandeelhouders een financiering zou zijn, worden hierdoor de gezamenlijke schuldeisers juist niet geschaad. Zowel [schuldeiser 2] als [schuldenares] hebben meermaals aangegeven dat een dergelijke bijdrage van de (uiteindelijke) aandeelhouders van belang is.
Geen bedrog, begunstiging of andere oneerlijke middelen (artikel 384 lid 2 sub g
Fw)
3.15.
De herstructureringsdeskundige meent dat er geen reden is aan te nemen dat er in het akkoordtraject sprake is van bedrog, begunstiging van één of meer schuldeisers of van andere oneerlijke middelen. [schuldenares] en [schuldeiser 2] hebben dit standpunt van de herstructureringsdeskundige ook in hun zienswijzen bij het tweede verzoek ex artikel 378 Fw ondersteund, waarbij [schuldeiser 2] een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van het opnemen van [schuldeiser 3] als klasse in het akkoord. Dit voorbehoud is achterhaald, nu de rechtbank reeds in haar beschikking heeft besloten dat de hoofdelijke belastingschuld kan worden meegenomen in het akkoord.
Loon herstructureringsdeskundige (artikel 384 lid 2 sub h Fw)
3.16.
In artikel 384 lid 2 sub h Fw is bepaald dat het akkoord niet kan worden gehomologeerd totdat zeker is gesteld dat loon en de verschotten van de door de rechtbank ingevolge artikel 371 Fw aangewezen herstructureringsdeskundige, zijn voldaan.
Geen ‘creditor-worse-off’ (artikel 384 lid 3 Fw)
3.17.
In het akkoord is geen schuldeiser slechter af dan bij een vereffening van het vermogen van [schuldenares] en iedere groepsvennootschap in faillissement, aangezien iedere schuldeiser een volledige vergoeding krijgt en dat in geval van vereffening, gelet op de (vastgestelde) liquidatiewaarde, naar verwachting niet het geval zal zijn.
Geen afwijking ‘20%-regel’ (artikel 384 lid 4 sub a Fw)
3.18.
Het akkoord bevat geen afwijking van de 20% regel aangezien er geen schuldeisers, zoals bedoeld in artikel 384 lid 4 sub a Fw, bij het akkoord zijn betrokken.
Geen afwijking ‘priority rule’ (artikel 384 lid 4 sub b Fw)
3.19.
Het akkoord bevat geen afwijking van de prioriteitsregel omdat iedere klasse 100% krijgt en de schuldeisers die door het akkoord worden geraakt volledig worden gecompenseerd. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de strekking van artikel 384 lid 4 sub b Fw is dat de reorganisatiewaarde eerlijk wordt verdeeld onder de vermogensverschaffers. Eerlijk wil zeggen conform de wettelijke en contractuele rangorde. Deze toets van de prioriteitsregel is beperkt tot tegenstemmende klassen die hierop een beroep doen en waarbij de rechtbank slechts dient na te gaan of er ten aanzien van deze klasse niet aan de rangorde is voldaan. Voor de vraag of de reorganisatiewaarde eerlijk verdeeld is, moet de omvang van de vordering vergeleken worden met de relatieve aanspraak die deze schuldeiser heeft in de reorganisatiewaarde. Uit de hoogte van de reorganisatiewaarde blijkt dat de aandeelhouder hierop ook een aanspraak heeft, hetgeen ook door de rechtbank is bevestigd in de beschikking van 2 september 2021. De uitkering aan [schuldeiser 2] of [schuldeiser 6] betreft geen uitkering in contanten, maar een gewijzigde vermogenstitel: de gewijzigde Kredietovereenkomst, waarbij de looptijd niet wijzigt. De contante waarde van hetgeen aan deze schuldeisers wordt aangeboden is gelijk aan de hoogte van de vordering van die schuldeisers, aangezien de geboden rentevergoeding een marktconforme vergoeding betreft. Ook verbetert de positie van [schuldeiser 2] (en [schuldeiser 6] ) onder de gewijzigde Kredietovereenkomst op bepaalde punten, bijvoorbeeld door de introductie van het liquiditeitsconvenant, door de beperking van de “Permitteds” en door de liquiditeitsinjectie in [schuldenares] door de (indirecte) aandeelhouders. Dat de geboden rentevergoeding (ten minste) marktconform is, wordt op z’n minst ondersteund door de consensuele overeenkomst die partijen zijn aangegaan in juni 2020, in het midden van de COVID-19 pandemie en dus in feite onder grote onzekerheid, en waarin eenzelfde basisrente van 6,75% per jaar en een PIK-rente van 9,75% per jaar is gehanteerd. De herstructureringsdeskundige heeft geen aanleiding gezien het rentepercentage voor [schuldeiser 6] als super senior schuldeiser te wijzigen, omdat deze vorderingen door [schuldenares] steeds tijdig en volledig zijn voldaan en ook onder de gewijzigde Kredietovereenkomst niet zullen worden opgerold. De liquidatiewaarde laat zien dat het erg onwaarschijnlijk is dat de super senior zelfs bij faillissement niet volledig wordt voldaan en dat is onder de gewijzigde Kredietovereenkomst niet onzekerder geworden, onder meer door de introductie van het liquiditeitsconvenant en de liquiditeitsinjectie die ook ten gunste van de super senior schuldeiser werkt. Voorts is van belang dat de super senior schuldeiser ook in juni 2020 geen verhoging van de rente op haar vordering heeft gekregen.
Geen recht op ‘cash-exit’ (artikel 384 lid 4 sub c Fw)
3.20.
Geen van de in het akkoord betrokken schuldeisers heeft recht op een uitkering in geld ter hoogte van het bedrag dat zij bij vereffening van het vermogen van [schuldenares] naar verwachting zou ontvangen. Dit is ook bevestigd door de rechtbank in haar beschikking van 2 september 2021.
Geen aandelen of certificaten aangeboden (artikel 384 lid 4 sub d Fw)
3.21.
Het akkoord omvat geen schuldeisers die in het kader van een wijziging van hun
rechten, aandelen of certificaten hiervan aangeboden krijgen. Er is dus geen sprake van strijdigheid met artikel 384 lid 4 sub d Fw, hetgeen ook door de rechtbank is bevestigd in haar beschikking van 2 september 2021.
Geen andere afwijzingsgronden (artikel 384 lid 2 sub i Fw)
3.22.
Bij de herstructureringsdeskundige zijn geen andere redenen bekend met betrekking tot [schuldenares] en haar groepsvennootschappen die zich tegen homologatie zouden verzetten.
3.23.
De herstructureringsdeskundige concludeert dat aan alle voorwaarden voor homologatie van het akkoord is voldaan en dat het akkoord dient te worden gehomologeerd. Het akkoord voorziet in een wijziging van rechten van de schuldeisers jegens de groepsvennootschappen, hetgeen mogelijk is, zoals de rechtbank heeft bevestigd in haar beschikking van 5 augustus 2021. De groepsvennootschappen vormen ieder een groep met [schuldenares] op grond van artikel 2:24b BW, hetgeen ook niet betwist is door partijen. De groepsvennootschappen zijn hoofdelijk aansprakelijk onder de Kredietovereenkomst en onder de hoofdelijkheids- en subrogatieovereenkomst van 10 mei 2021. Zij bevinden zich net als [schuldenares] in een pre-insolventietoestand en zij behoeven niet in te stemmen met de wijzigingen van rechten nu het akkoord door de herstructureringsdeskundige is aangeboden. De rechtbank heeft rechtsmacht ten aanzien van deze groepsvennootschappen op grond van artikel 369 lid 7 aanhef en onder b en lid 8 Fw jo. artikel 3 Rv.
3.24.
De herstructureringsdeskundige verzoekt het akkoord conform het verzoekschrift te homologeren en gelijktijdig het verzoek tot afwijzing van [schuldeiser 2] af te wijzen.
3.25.
Tot slot verzoekt de herstructureringsdeskundige de rechtbank te bepalen dat hij op grond van artikel 371 lid 13 Fw na homologatie voor de duur van vijf jaar in functie kan aanblijven, zodat hij toegang houdt tot enig door de rechtbank vast te stellen budget. Hij doet dit verzoek om ervoor te zorgen dat, indien hij na homologatie in rechte zou worden betrokken en hij daartoe verweer zal moeten voeren, zijn kosten daarvoor zijn gedekt en hij deze niet in privé hoeft te dragen. Hij doet dit verzoek tegen de achtergrond van de discussies met partijen over eventueel tegen hem te richten aansprakelijkheidsstellingen na homologatie. Hierbij sluit de herstructureringsdeskundige niet uit dat zijn rol eerder zal kunnen eindigen, indien duidelijk wordt dat partijen de herstructureringsdeskundige niet aansprakelijk zullen stellen of deze procedures zijn afgerond.