4 De beoordeling
Aanleiding en inhoud documentaire
4.1.
[naam 3] was geraakt door de nieuwsberichten over de dood van [naam overledene] . Deze berichten plaatsten het schietincident in een bredere context van het verschijnsel ‘suicide by cop’. Ook werd in de nieuwsberichten een link gelegd met de protestbeweging ‘Black lives matter’, die aandacht vraagt voor politiegeweld tegen zwarte mensen. Een en ander was aanleiding voor haar om de documentaire te gaan maken. [naam 3] stelde zich de vraag of het wel terecht is dat de dood van [naam overledene] door de politie is afgedaan als ‘suicide by cop’ en zo ja, wat hem tot deze daad heeft gebracht. Zij besloot te onderzoeken wat er is gebeurd in het leven van [naam overledene] , dat heeft geleid tot zijn dood. Zij ging op zoek naar getuigen van zijn leven. [naam 3] beoogde niet zozeer een onderzoeksjournalistieke film te maken, maar meer om een artistiek portret van het leven van [naam overledene] te schetsen, waarbij de kijker zelf een oordeel mag vormen.
4.2.
In de documentaire worden school- en voetbalvrienden, de grootmoeder, een neef, kickboks-vrienden en de stiefvader van [naam overledene] en diens nieuwe partner geïnterviewd. De interviewfragmenten worden afgewisseld met beelden van de buurt waarin [naam overledene] opgroeide, het bankje in het park waar het schietincident heeft plaatsgevonden, fragmenten van een handgeschreven brief van [naam overledene] aan de [naam geloofsgemeenschap] – van welke gemeenschap hij enige tijd deel uitmaakte –, een shot van afscheidsberichten aan een ex-vriendin en een shot van de slaapkamer van [naam overledene] in de woning van [eiseres sub 1] die zij heeft gelaten zoals die was, een ‘museum van zijn leven’, met daarin een altaartje met foto’s en een kaars. Ook worden foto’s en video’s getoond van [naam overledene] (als kind) en wordt een shot getoond van de herdenkingsdienst voor [naam overledene] en van een demonstratie van ‘Black Lives Matter’.
4.3.
[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] spelen geen rol in de documentaire. De moeder wordt wel genoemd (zonder naam), maar aan het begin van de film zegt [naam 3] dat zij moeder heeft gesproken, dat moeder niet in de film wil, maar dat zij wel contact met haar houdt.
4.4.
De geïnterviewden vertellen over de jeugd van [naam overledene] , die in het teken stond van voetbal. Hij had talent en werd gescout voor de jeugdopleiding bij [naam voetbalvereniging] . Vanwege een ruzie op het veld is hij daar geschorst, waarna hij fanatiek is gaan kickboksen. Ook wordt verteld over de scheiding van zijn ouders (moeder en stiefvader) op zijn vijftiende, en over zijn biologische vader, die kort voor de scheiding overleed, doodgeschoten door de politie, en die [naam overledene] nooit heeft ontmoet. [naam overledene] had het moeilijk met de scheiding. Hij had minder contact met zijn stiefvader en er waren naast de scheiding meer problemen in het gezin. Volgens zijn grootmoeder was [naam overledene] zoekende, was hij zijn identiteit kwijt. Met vrienden praatte hij daar niet over, maar zijn omgeving merkte wel dat hij een kort lontje had. Na uit de hand gelopen ruzies met zijn moeder en stiefvader is [naam overledene] in de crisisopvang gekomen en heeft hij 44 dagen in jeugddetentie gezeten. Daarna was hij enige tijd aangesloten bij de [naam geloofsgemeenschap] . De documentaire toont verder aantekeningen op de iPad van [naam overledene] . De kijker ziet een chatconversatie tussen [naam overledene] en een ex-vriendin, waarin hij afscheid lijkt te nemen en waarin hij zijn daad lijkt aan te kondigen. Vanwege die berichten, en een verwijzing naar een film waarin een gangster wordt doodgeschoten door de politie, concludeert de stiefvader dat [naam overledene] bewust voor een dood op deze manier heeft gekozen.
Standpunt [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2]
4.5.
Eiseressen willen niet dat de film (verder) wordt vertoond of uitgezonden. Zij stellen dat het onrechtmatig is om [naam overledene] herkenbaar en met voornaam in beeld te brengen, omdat dit inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van hen als nabestaanden en op het portretrecht van [naam overledene] . De film geeft ten onrechte een beeld van [naam overledene] als zwarte, gewelddadige, agressieve jongen, die zijn hele leven een boefje is geweest. Ook bevat de film valse beschuldigingen in strafrechtelijke zin (zo wordt gesteld dat hij negen maanden jeugddetentie zou hebben gehad voor diverse zware vergrijpen, terwijl dat in werkelijkheid 44 dagen waren) en wordt [eiseres sub 1] er valselijk van beschuldigd het contact tussen [naam overledene] en zijn stiefvader te hebben gefrustreerd, terwijl hij van Bureau Jeugdzorg geen contact mocht hebben met de kinderen. [naam overledene] was een zware jongen, een slechte gelovige, en nadat hij was gestopt de bijeenkomsten van de [naam geloofsgemeenschap] te bezoeken is hij afgezakt, aldus de stiefvader. [gedaagde sub 1] neemt klakkeloos aan wat de stiefvader vertelt, zonder te verifiëren of zijn beweringen juist zijn en zonder er rekening mee te houden dat stiefvader een ernstig conflict had met [naam overledene] .
4.6.
[eiseres sub 1] heeft nooit toestemming gegeven voor het maken van de film en voor het gebruiken van door haar verstrekte informatie, en het is voor haar en haar dochter bijzonder pijnlijk als deze film wordt uitgezonden. [gedaagde sub 1] en BNNVARA hebben bovendien geen enkel belang bij het openbaar maken van de film. Het is niets dan “racistisch voyeurisme”. [naam overledene] wordt in het frame gezet van de jonge zwarte man met een kort lontje, niet goed genoeg voor succes in het leven, als minderjarige al een straf van negen maanden achter de kiezen, de gevallen atleet, gedood door een politiekogel. [naam overledene] wordt tot een object gemaakt van de zwarte jongen zoals [naam 3] hem ziet. Het privacybelang van [eiseres sub 1] weegt daarom zwaarder dan het belang van gedaagden. [eiseres sub 1] wil niet dat de documentaire wordt vertoond of uitgezonden. Nadat zij in eerste instantie gesprekken had gevoerd met [naam 3] , de kamer van [naam overledene] heeft laten filmen en de brief van [naam overledene] aan de [naam geloofsgemeenschap] aan haar had getoond, heeft zij op 20 maart 2019 duidelijk medegedeeld (per WhatsApp-bericht) dat zij geen toestemming geeft voor het maken van een film over [naam overledene] . [naam 3] had de informatie en beelden die door [eiseres sub 1] beschikbaar zijn gesteld dan ook niet mogen gebruiken, aldus steeds eiseressen.
4.7.
Toewijzing van het door eiseressen gevorderde uitzendverbod zou een beperking inhouden van het in artikel 7 van de Grondwet en in artikel 10 lid 1 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde grondrecht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (zie artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien is sprake, indien de uitzending van de documentaire onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.8.
Een actie uit onrechtmatige daad, strekkend tot een verbod vooraf van uitzending, komt alleen voor toewijzing in aanmerking wanneer de mogelijkheid van schade is gesteld en aannemelijk gemaakt.
4.9.
Eiseressen stellen dat hiervan sprake is, volgens hen is sprake van immateriële schade. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW bestaat – voor zover hier relevant – uitsluitend recht op immateriële schadevergoeding indien:
onder b: eiseressen zelf in hun eer of goede naam zijn geschaad of op andere wijze in hun persoon zijn aangetast; of
onder c: het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] (als bloedverwanten tot in de tweede graad van de overledene), mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.
4.10.
Primair lijkt mr. Schouten te bepleiten (onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376) dat het enkele feit dat de documentaire inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres sub 1] (de documentaire gaat immers over het leven en de dood van haar kind, over haar rouw) op zich al zodanig ernstig is dat [naam 3] daarom zonder toestemming van [eiseres sub 1] ervan af had moeten zien om de documentaire te maken, en in ieder geval zou het ontbreken van haar toestemming tot een verbod op vertoning daarvan moeten leiden. Dit standpunt komt er in feite op neer dat [eiseres sub 1] een vetorecht zou hebben. In dit standpunt wordt [eiseres sub 1] niet gevolgd. Hoewel het voor [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zonder twijfel pijnlijk en verdrietig moet zijn om te worden geconfronteerd met een film over het leven en de dood van [naam overledene] , heeft de moeder van een overledene een dergelijk vetorecht niet. Het arrest van 15 maart 2019 biedt hiervoor geen aanknopingspunten. In dat arrest stond vast dat een fundamenteel recht was geschonden, dat onrechtmatig was gehandeld. Voor het eveneens door mr. Schouten genoemde arrest van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) geldt hetzelfde. Dat arrest ging over de positie van de benadeelde partij in het strafrecht (en daarin was het onrechtmatig handelen dus ook een gegeven). In het arrest van 15 maart 2019 lag slechts de vraag voor of er (immateriële) schade was geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen. Of sprake is van onrechtmatig handelen moet in dit geval eerst nog worden beoordeeld. Het enkele feit dat de documentaire vanzelfsprekend ook aan de persoonlijke levenssfeer van de moeder raakt is daarvoor onvoldoende.
Concrete bezwaren [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2]
4.11.
Concreet heeft [eiseres sub 1] de volgende bezwaren tegen de film.
Ten aanzien van haar eer en goede naam heeft zij gesteld dat zij door haar ex-echtgenoot ten onrechte ervan wordt beschuldigd dat zij het contact tussen hem en [naam overledene] heeft gefrustreerd. Dit wordt op twee momenten in de film (door de ex-echtgenoot) gezegd. Voor die bewering is volgens [eiseres sub 1] geen steun in de feiten. Het was Bureau Jeugdzorg die het contact tussen de kinderen en (stief)vader heeft verboden.
Verder vormt het tonen van de handgeschreven brief, de kinderkamer van [naam overledene] bij [eiseres sub 1] thuis, de beelden van de herdenkingsdienst waarop [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] herkenbaar in beeld zijn, en de foto’s en video’s van [naam overledene] een inbreuk op haar privacy, op het auteursrecht en het portretrecht. De beoordeling van deze bezwaren volgt hierna onder 4.18 en verder.
Aantasting van de nagedachtenis van [naam overledene] (sub c)
4.12.
Voor zover eiseressen hun vorderingen hebben willen baseren op aantasting van de nagedachtenis van [naam overledene] , geldt dus (zie 4.9) dat de vordering op die grond eerst toewijsbaar kan zijn indien de aantasting plaatsvond op een wijze die [naam overledene] , ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam. De vraag die dan in de eerste plaats beantwoord dient te worden, is of voorshands aannemelijk is geworden dat gedaagden jegens [naam overledene] , ware hij nog in leven geweest, onrechtmatig zouden handelen door (ongewijzigde en integrale) uitzending van de film.
4.13.
Voor het antwoord op die vraag moeten alle wederzijdse – in beginsel gelijkwaardige – belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van gedaagden is gelegen in het kunnen uitoefenen van de artistieke vrijheid van expressie en – met de documentaire – het leveren van een educatieve bijdrage. Volgens gedaagden zien politie, maatschappelijk werkers en GGZ-medewerkers in de film een middel om jongens als [naam overledene] te vinden en te zorgen dat deze problematiek met hen wordt besproken. Het belang van [naam overledene] is gelegen in bescherming van zijn eer en goede naam. Welke van deze belangen de doorslag moet krijgen, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden.
4.14.
Bij de beoordeling geldt om tot onrechtmatigheid te komen een hoge drempel. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat men zich over een overledene, bijvoorbeeld in het kader van een historisch onderzoek, vrijer moet kunnen uitlaten dan over levende personen (zie Lindenbergh, Smartengeld 1998, § 4.2.6).
4.15.
Ten aanzien van de aantasting van de nagedachtenis van [naam overledene] heeft [eiseres sub 1] concreet gesteld dat onterecht wordt vermeld dat [naam overledene] negen maanden jeugddetentie heeft gehad, terwijl dat in werkelijkheid slechts 44 dagen waren. Ook wordt zijn geloof genoemd (de [naam geloofsgemeenschap] ), en wordt gezegd dat hij een afvallige was en dat het daardoor verkeerd met hem afliep. Verder is het tonen van de hierboven (onder 4.11) genoemde beelden eveneens een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer, zo stellen eiseressen.
4.16.
Van belang is dat de documentaire niet beoogt aan waarheidsvinding te doen. Doel is het in beeld brengen van het levensverhaal van [naam overledene] , waarbij een eventueel oordeel aan de kijker wordt overgelaten. De uitspraken van de geïnterviewden worden dan ook niet gepresenteerd als feiten. [naam 3] had daarom niet de plicht om iedere bewering die wordt gedaan te verifiëren. Overigens heeft zij naar aanleiding van wat de geïnterviewden over [naam overledene] zeggen, ook zelf wel enig onderzoek verricht en zij heeft onder meer stukken van Bureau Jeugdzorg bekeken. Ook heeft zij geprobeerd de politieagent te spreken die [naam overledene] heeft neergeschoten, maar daarin is zij niet geslaagd.
4.17.
De familie en vrienden van [naam overledene] spreken allen liefdevol over hem. Hij was een lieve jongen die ook een beetje zoekende was. Als [naam 3] de vrienden van [naam overledene] aan het begin van de film vraag wat het eerste is wat in hen opkomt als ze aan hem denken, antwoorden zij: “Zijn lach”, “Keihard lachen”, “Lachen, gieren, brullen” en “Bijna alleen maar leuke, positieve, gezellige, grappige dingen met hem beleefd en ervaren”. Hij had talent voor voetbal en boksen en had soms een kort lontje waardoor hij in problemen kwam. Dit beeld wordt ook genuanceerd, doordat vrienden zeggen dat ze allemaal wel eens op de vuist gingen tijdens het uitgaan. De stiefvader en grootmoeder van [naam overledene] vertellen dat hij leed onder de scheiding en andere problemen in het gezin, zonder daarbij een beschuldiging uit te spreken. Verder vertelt de stiefvader van [naam overledene] , ten onrechte, dat hij negen maanden jeugddetentie heeft gekregen. Dit wordt echter niet als feit gepresenteerd en wordt ook niet door [naam 3] overgenomen. Zij spreekt juist haar ongeloof uit over de in haar ogen lange duur van de straf, waarop de stiefvader zijn uitspraak nuanceert door te vermelden dat hij dat heeft gehoord en het niet zeker weet. De weergave is dus niet eenzijdig negatief of onnodig kwetsend.
Aantasting eer en goede naam en/of aantasting persoon in andere zin [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] (sub b)
4.18.
De documentaire toont – met uitzondering van de beelden van de herdenkingsdienst en de kinderkamer van [naam overledene] met het altaar – geen aspecten uit het privéleven van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] . [naam 3] heeft de wensen van [eiseres sub 1] in dat opzicht gerespecteerd, en vermeldt ook aan het begin van de documentaire dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] geen rol willen spelen in de film. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] worden niet met naam en toenaam genoemd, en worden niet herkenbaar in beeld gebracht.
4.19.
Op de beelden van de herdenkingsdienst en de demonstratie is een groep mensen te zien, zonder dat daarbij namen worden vermeld, of wordt vermeld dat daarop de moeder en zus van [naam overledene] te zien zijn. Bij de herdenkingsdienst zijn moeder en de zus van [naam overledene] overigens wel kort in beeld. Deze beelden zijn echter reeds openbaar gemaakt aan het publiek. Ze zijn – zo hebben gedaagden onweersproken gesteld – te vinden op YouTube en zijn aangekocht van de rechthebbenden. Eiseressen hebben daarom geen belang om zich te verzetten tegen hervertoning, ook omdat het om korte fragmenten gaat, waarop eiseressen slechts herkenbaar zijn voor een beperkte kring van bekenden, en niet voor het grote publiek.
4.20.
De kamer van [naam overledene] met het altaar is in de film kort in beeld. [eiseres sub 1] stelt dat zij geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik van de beelden van het altaar. Niet in geschil is echter dat [naam 3] het altaar met toestemming van [eiseres sub 1] heeft gefilmd. Ook na het filmen heeft [eiseres sub 1] nog per WhatsApp bevestigd dat de kamer met haar toestemming was gefilmd. In maart en juni 2019 heeft [eiseres sub 1] aan [naam 3] te kennen gegeven dat zij de film helemaal niet (meer) wilde. Hoewel het zorgvuldiger was geweest als [naam 3] na die berichten haar had gevraagd of zij deze beelden nog wel mocht gebruiken, is uit de WhatsApp berichten van [eiseres sub 1] en in het bijzonder het telefoongesprek van [naam 3] met [eiseres sub 1] op 21 maart 2019 niet af te leiden dat [eiseres sub 1] daartegen bezwaar had. Geoordeeld wordt dat het gebruik in dit geval niet onrechtmatig is, althans dat [eiseres sub 1] bij de vordering die is gericht op het niet vertonen van deze beelden onvoldoende belang heeft. Uitgangspunt moet zijn dat de woning bij uitstek onder de bescherming van het privéleven valt. De bezwaren van [eiseres sub 1] zien echter niet zozeer op het beeld van de kamer met het altaar, het tonen van beelden uit haar woning, maar op de film als zodanig. In de dagvaarding staat slechts dat geen toestemming is gegeven, in het pleidooi heeft mr. Schouten er geen woord aan gewijd. Tijdens de zitting heeft mr. Schouten – toen de voorzieningenrechter de bezwaren van [eiseres sub 1] tegen de film met hem doornam – uiteindelijk gezegd dat het een van de meest intieme herinneringen is die nu aan het hele land getoond gaat worden. Het is zonder meer begrijpelijk dat [eiseres sub 1] dit iets vindt wat (alleen) van haar is, maar dit betekent in dit geval niet dat haar belang bij het niet vertonen van dit enkele beeld opweegt tegen het belang van [gedaagde sub 1] , die in dit stadium – de dag van de première – de film niet meer kan aanpassen, zodat een verbod op het vertonen van dit beeld tot gevolg zou hebben dat de hele film niet kan worden vertoond. Bij dit oordeel speelt mede een rol dat [naam 3] [eiseres sub 1] steeds heeft laten weten dat zij doorging met haar werk aan de film, ondanks het feit dat [eiseres sub 1] daaraan niet meer mee wilde werken. [naam 3] heeft – ook nadat [eiseres sub 1] te kennen had gegeven de film niet (meer) te willen – vaak geprobeerd om het resultaat van haar werk (tot dan toe) aan [eiseres sub 1] te laten zien om haar mening te horen. [eiseres sub 1] heeft daarmee ingestemd, maar heeft verschillende keren de afspraak met [naam 3] afgezegd en heeft de film niet willen bekijken. [eiseres sub 1] is dus door [naam 3] in de gelegenheid gesteld om haar mening over de documentaire te geven in het stadium dat er nog ruimte was voor aanpassingen, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Haar stelling dat [naam 3] zou hebben toegezegd dat zij [eiseres sub 1] eerst de beelden zou laten zien van de opnames in de kamer van [naam overledene] voordat zij die zou gaan gebruiken – hetgeen [naam 3] overigens betwist – kan haar om die reden evenmin baten. [eiseres sub 1] heeft ervoor gekozen van de haar meermaals geboden mogelijkheid om de film vooraf te bekijken geen gebruik te maken, maar om wel te elfder ure een kort geding aanhangig te maken. Dit staat haar uiteraard vrij, maar het speelt wel een rol in de afweging van de belangen van partijen.
4.21.
Dat de ex-echtgenoot in het interview zegt dat [naam overledene] van [eiseres sub 1] geen contact met hem mocht hebben, komt voor rekening van de stiefvader. Omdat wordt genoemd dat sprake was van een vechtscheiding, zal de kijker deze uitspraak weten te nuanceren als één kant van het verhaal. De scheiding is overigens niet het onderwerp van het interview, maar wordt zijdelings genoemd, in de context van het contact tussen [naam overledene] en stiefvader. In zoverre wordt voorshands geoordeeld dat van aantasting van de eer en goede naam van [eiseres sub 1] geen sprake is.
4.22.
Zoals hiervoor al is overwogen, raakt de documentaire vanzelfsprekend ook het privéleven van moeder en dochter, hun rouwproces. Het is goed voorstelbaar dat dit een ongewenste inbreuk vormt op het privéleven van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] en dat (het zien van) de documentaire pijnlijk en verdrietig is voor hen. Hun belang om hiertegen beschermd te worden weegt echter, in het licht van het hiervoor overwogene, in de gegeven omstandigheden niet op tegen het belang van [gedaagde sub 1] en [naam 3] om met medewerking van andere nabestaanden een documentaire te maken over het leven van een jongen wiens dood in alle kranten heeft gestaan, en is dus niet onrechtmatig.
4.23.
De handgeschreven brief die in de film op de achtergrond wordt getoond is niet, zoals zijdens [eiseres sub 1] is betoogd, de laatste brief van [naam overledene] aan zijn familie, maar is eerder geschreven en is gericht aan de [naam geloofsgemeenschap] , in het kader van zijn studie voor die geloofsgemeenschap. [eiseres sub 1] heeft de brief aan [naam 3] en een aantal anderen verstrekt, daarmee impliciet ook toestemming gevend voor het gebruik daarvan. De brief wordt niet in z’n geheel in beeld gebracht, er worden slechts korte shots getoond waarbij de camera over kleine delen van de brief beweegt, zonder dat daarbij hele zinnen worden getoond. Door de korte duur waarin die in beeld zijn is de tekst niet leesbaar. Passages waar [eiseres sub 1] bezwaar tegen heeft worden – zoals ook besproken in het hiervoor reeds genoemde telefoongesprek op 21 maart 2019 – niet getoond. De fragmenten zijn bedoeld als sfeertekening. Wat de kijker meekrijgt van de brief is dat [naam overledene] zoekende was.
4.24.
Voor zover eiseressen zich beroepen op de exclusieve rechten die zij ontlenen aan auteursrecht op de brief van [naam overledene] , dienen zij aannemelijk te maken dat de brief een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Om het persoonlijk stempel van de maker te dragen, moet sprake zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes. De brief is niet in het geding gebracht, zodat beoordeling van auteursrechtelijke bescherming niet mogelijk is. Eiseressen hebben bovendien niet gesteld waaruit de creatieve keuzes bestaan die het persoonlijke stempel van de maker aan de brief geven, en hebben niet aannemelijk gemaakt dat, voor zover de brief auteursrechtelijk beschermde elementen bevat, deze elementen ook te vinden zijn in de gedeeltes die in de film zijn gebruikt. Het beroep op het auteursrecht faalt om die reden.
4.25.
Eiseressen hebben zich ook beroepen op het portretrecht van [naam overledene] . Het portretrecht is een verzetsrecht, dat op grond van artikel 25a van de Auteurswet (Aw) ook door een nabestaande van een geportretteerde kan worden ingeroepen. Daarvoor is vereist dat een redelijk belang van de geportretteerde of, na zijn overlijden, van een van zijn nabestaanden zich verzet tegen openbaarmaking.
4.26.
Het portret van [naam overledene] is al eerder in de media getoond en is op internetsites nog steeds te zien. De foto’s en video’s van de jonge [naam overledene] die in de documentaire worden getoond zijn verstrekt door de stiefvader of worden getoond door zijn vrienden. Eiseressen hebben aan hun vorderingen slechts ten grondslag gelegd dat sprake is van inbreuk op het portretrecht en dat zij geen toestemming hebben gegeven voor het gebruik van “het portret” van [naam overledene] . Dat [eiseres sub 1] geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik van de beelden, is niet doorslaggevend. Niet geldt als uitgangspunt dat voor openbaarmaking steeds voorafgaande toestemming van de geportretteerde (of diens nabestaande) is vereist. Er dient een belangenafweging plaats te vinden. Eiseressen hebben niet nader onderbouwd welk redelijk belang zich verzet tegen openbaarmaking. Aspecten die bij die belangenafweging een rol spelen zijn de aard en intimiteit waarin de geportretteerde is afgebeeld, het karakter van de foto en de context van de publicatie. De in de film getoonde beelden zijn niet bijzonder intiem, het zijn portretten van [naam overledene] op verschillende leeftijden die het door [naam 3] in de film geschetste verhaal van zijn leven (een ‘biografie’) ondersteunen. Voorshands is, zonder nadere toelichting, niet duidelijk welk redelijk belang van eiseressen zich tegen dit gebruik zou verzetten. Zijdens eiseressen is ter zitting wel gezegd dat het tonen van foto’s van [naam overledene] , zodat zij die ook steeds weer moeten zien, moeilijk is in het kader van de rouwverwerking. Dat is echter – hoe verdrietig ook – onvoldoende om gebruik van de beelden te verbieden.
4.27.
De slotsom is dat na een afweging van alle belangen een beperking van de uitingsvrijheid in dit geval niet gerechtvaardigd is. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen en eiseressen zullen worden veroordeeld in de proceskosten.