vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Vonnis in gevoegde zaken van 25 februari 2015
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/528337 / HA ZA 12-1257 van
1. de vereniging
VBO MAKELAAR,
gevestigd te 's-Gravenhage,
2. de vennootschap onder firma
[eiseres 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
3.[eiseres 3],
wonende te [woonplaats],
eiseressen,
advocaat: mr. I.W. VerLoren van Themaat te Amsterdam,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FUNDA B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
de vereniging
NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS IN ONROERENDE GOEDEREN EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM,
gevestigd te Nieuwegein,
gevoegde partij aan de zijde van Funda B.V.,
advocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/540556 / HA ZA 13-472 van
1. de vereniging
VBO MAKELAAR,
gevestigd te 's-Gravenhage,
2. de vennootschap onder firma
[eiseres 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
3.[eiseres 3],
wonende te [woonplaats],
eiseressen,
advocaat: mr. I.W. VerLoren van Themaat te Amsterdam,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FUNDA REAL ESTATE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
de vereniging
NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS IN ONROERENDE GOEDEREN EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM,
gevestigd te Nieuwegein,
gevoegde partij aan de zijde van Funda Real Estate B.V.,
advocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
Eiseressen in de beide zaken zullen in vrouwelijk enkelvoud worden aangeduid als VBO c.s. Gedaagde in de zaak met rolnummer 12-1257 zal worden aangeduid als Funda. Gedaagde in de zaak met rolnummer 13-472 zal worden aangeduid als Funda Real Estate. Gevoegde partij in beide zaken zal hierna worden aangeduid als NVM.
5 De beoordeling
in de zaak 12-1257 en in de zaak 13-472
preliminaire vragen
5.1.
Funda en NVM hebben als meest verstrekkend verweer opgeworpen, dat VBO c.s. in haar vorderingen niet ontvankelijk moet worden verklaard. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat VBO c.s. de verkeerde partij heeft gedagvaard. Volgens Funda en NVM is Funda niet de exploitant of beheerder van de website, noch is zij de contractuele wederpartij van VBO c.s., dit alles is Funda Real Estate. Ook de objectinformatiedatabase ligt niet in de macht van Funda. Eventuele veroordelingen zijn daarom voor Funda niet uitvoerbaar, aldus Funda en NVM.
De rechtbank neemt in aanmerking dat Funda de aandelen houdt in Funda Real Estate en daarmee zeggenschap heeft over het door Funda Real Estate te volgen beleid. Dit is in dit stadium van het geding voldoende om het ten laste van Funda gevorderde te behandelen. Daarnaast heeft VBO c.s. voldoende gemotiveerd gesteld dat Funda op de hoogte is geweest van de desbetreffende handelwijze van Funda Real Estate en niet heeft ingegrepen en aldus onrechtmatig heeft gehandeld. Het verweer dat VBO c.s. in zoverre niet kan worden ontvangen, wordt dan ook niet aanvaard.
In het vervolg van de behandeling van de zaken kan de vraag aan de orde komen of Funda op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is.
5.2.
NVM heeft verder aangevoerd dat VBO c.s. met haar vorderingen een wijziging van de contractsvoorwaarden beoogt. Een dergelijke wijziging raakt volgens NVM alle partijen bij de Samenwerkingsovereenkomst. Een beslissing betreffende de voorwaarden van de overeenkomst dient volgens NVM voor alle partijen bij die overeenkomst gelijkluidend te zijn. Omdat Funda Real Estate niet eveneens in deze procedure is betrokken dient VBO c.s. in haar vorderingen niet ontvankelijk te worden verklaard, aldus NVM.
Het verweer faalt. Ten onrechte gaat NVM eraan voorbij dat de rechtsverhouding waarover moet worden geoordeeld niet de contractuele rechtsverhouding tussen VBO, Funda Real Estate en NVM is, maar de rechtsverhouding tussen VBO c.s. en Funda en Funda Real Estate op grond van een beweerd onrechtmatig handelen door de laatsten. De gestelde situatie waarin Funda Real Estate als derde in het geding moet worden betrokken, doet zich dus niet voor. Een wijziging van de Samenwerkingsovereenkomst is gelet op het gevorderde niet aan de orde. De omstandigheid, dat de uitkomst van het geding gevolgen kan hebben voor de (geoorloofdheid van de) verdere (ongewijzigde) uitvoering van de Samenwerkingsovereenkomst, doet niet ter zake en levert geen grond op om het betoog van NVM te honoreren.
5.3.
Gelet op de omstandigheden dat VBO c.s. aan haar vorderingen tegen Funda en Funda Real Estate hetzelfde feitencomplex ten grondslag heeft gelegd en dat beide zaken nauw met elkaar verbonden zijn, bestaat er aanleiding beide zaken zoveel mogelijk gezamenlijk te beoordelen.
het mededingingsrechtelijk kader
5.4.
In de kern komt het geschil tussen partijen neer op de vraag of Funda Real Estate met de website op een relevante markt over een economische machtspositie beschikt waarvan zij misbruik maakt en, in het verlengde daarvan, de vraag of Funda, naast Funda Real Estate ter zake daarvan kan worden aangesproken.
5.5.
VBO c.s. heeft haar vorderingen ter zake van het beweerde machtsmisbruik gegrond op artikel 24 lid 1 Mw en op haar Europeesrechtelijke evenknie artikel 102 VWEU. Voor toepassing van de mededingingsregels van het VWEU is vereist dat als gevolg van het misbruik van een economische machtspositie de handel tussen lidstaten van de Europese Unie (merkbaar) ongunstig kan worden beïnvloed. VBO c.s. heeft niet toegelicht dat aan deze eis is voldaan. De rechtbank zal daarom de vorderingen beoordelen aan de hand van artikel 24 Mw. Daarbij zullen de beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG c.q. HvJ EU) en het Gerecht van Eerste aanleg (hierna: GEA) over artikel 102 VWEU en de betekenis van de daarin gebruikte begrippen richtinggevend zijn nu de wetsgeschiedenis van artikel 24 Mw blijkt dat deze bepaling niet strenger en niet soepeler beoogt te zijn dan artikel 102 van het VWEU zodat zij op vergelijkbare wijze dient te worden uitgelegd en toegepast als laatstgenoemde bepaling.
5.6.
Het volgende wordt vooropgesteld.
5.7.
Het is ondernemingen verboden misbruik te maken van een economische machtspositie (24 lid 1 Mw). Tot het verboden misbruik wordt onder meer gerekend het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging (memorie van toelichting, p. 71).
5.8.
Een onderneming beschikt over een machtspositie indien haar positie haar in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen doordat zij haar de mogelijkheid geeft zich in belangrijke mate onafhankelijk van haar concurrenten, leveranciers, afnemers of eindgebruikers te gedragen (artikel 1 sub i Mw).
5.9.
Ter onderbouwing van een beroep op artikel 24 Mw moeten voldoende (economische) feiten en omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan kan worden vastgesteld of (a) een onderneming op een relevante markt voldoende daadwerkelijke concurrentiedruk ondervindt, dan wel (b) die druk ontbreekt en de onderneming zich in belangrijke mate onafhankelijk van concurrenten, leveranciers, afnemers of eindgebruikers kan gedragen. De vraag naar de mate waarin (economische) feiten en omstandigheden dienen te worden gesteld en, bij betwisting, dienen te worden onderbouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord, omdat dit afhangt van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en ernst van de gestelde inbreuk en de complexiteit van de betrokken markten (HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0345).
5.10.
De stelplicht en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast van de stelling dat Funda Real Estate met de website op de relevante markt een machtspositie heeft en dat zij van die machtspositie misbruik maakt, rust op grond van artikel 150 Rv op VBO c.s.
5.11.
De relevante markt omvat alle producten die op grond van hun kenmerken, prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd door de consument als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd.
5.12.
Het bestaan van een machtspositie kan worden aangenomen op grond van verschillende feiten en omstandigheden die elk afzonderlijk niet beslissend hoeven te zijn, hoewel een groot marktaandeel van de onderneming op de relevante markt bij de beoordeling een belangrijke factor is. Voor het bepalen van het marktaandeel van een onderneming is het veelal van belang de relevante productmarkt en de relevante geografische markt af te bakenen. Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld ten aanzien van welke diensten en binnen welk geografisch gebied concurrentiedruk op de onderneming met de beweerde machtspositie wordt uitgeoefend.
stellingen van partijen met betrekking tot de relevante productmarkt
5.13.
Volgens VBO c.s. bestaan de relevante productmarkten uit de bezoekersmarkt voor websites voor woningaanbod in Nederland en de markt voor advertentieruimte op websites voor woningaanbod in Nederland. VBO c.s. heeft dit samengevat als volgt toegelicht:
- deze marktafbakening volgt uit een rapport (Marktscan) van ACM ('online woningaanbod op gespecialiseerde websites') en een rapport van SEO van maart 2012 (tweezijdige advertentiemarkt voor woningaanbod), welke rapporten zijn overgelegd;
- in het rapport van SEO staan bezoekersaantallen voor huizensites met inbegrip van de website (waaruit een voorkeur van mogelijke huizenkopers kan worden afgeleid) en in de Marktscan staan gegevens over de voorkeuren van huizenverkopers (en daarmee van door verkopers in te schakelen makelaars die willen adverteren);
- mogelijke huizenkopers hebben een voorkeur voor Nederlandse online rubrieksadvertenties voor koopwoningen in Nederland, welke advertenties actueel en volledig (wat betreft aantal objecten en informatie per object) moeten zijn (waardoor andere advertenties of informatiebronnen geen substituut zijn);
- dit levert de bezoekersmarkt op;
- makelaars hebben een voorkeur voor Nederlandse online woningrubrieksadvertenties voor koopwoningen, omdat deze op effectievere wijze de doelgroep bereiken, sneller informatie geven over de effectiviteit van de advertentie en de mogelijkheid bieden een zoekopdracht specifiek te richten op een straat, wijk, enz.;
- offline advertenties, of rubrieksadvertenties voor andere goederen dan woningen (zoals marktplaats.nl, waar makelaars in Nederland nauwelijks adverteren), zijn dan ook geen substituut;
- dit levert de advertentiemarkt op.
Funda Real Estate handelt volgens VBO c.s. op de bezoekersmarkt en de advertentiemarkt, waarbij de effecten van deze handelwijze worden gevoeld op de lokale markt voor dienstverlening door makelaars (in het bijzonder de markt voor bemiddeling voor panden voor particulier gebruik, met name verkoopbemiddeling).
5.14.
Funda, Funda Real Estate en NVM hebben gemotiveerd betwist dat door VBO c.s. een (juiste) marktafbakening heeft plaatsgevonden. Volgens Funda, Funda Real Estate en NVM dienen bij de marktafbakening ten minste de in de Bekendmaking van de Europese Commissie inzake de bepaling van de relevante markt (PbEG 1997, C-372/5) genoemde elementen te worden onderzocht. Dat heeft VBO c.s. volgens hen niet gedaan. Zij wijzen er verder op dat SEO in haar rapport slechts spreekt over een “markt voor informatie over woningaanbod”. Daarmee lijkt SEO volgens hen uit te gaan van een breder segment dan VBO c.s.
stellingen van partijen met betrekking tot de geografische markt
5.15.
De rechtbank begrijpt de stellingen van VBO c.s. aldus, dat de relevante geografische markt, waarop de website wordt geëxploiteerd, Nederland is. Funda, Funda Real Estate en NVM hebben dit niet betwist. De rechtbank zal daarom in zoverre uitgaan van Nederland als de relevante geografische markt. De rechtbank zal partijen ook volgen in hun uitgangspunt, dat de markt voor makelaarsdiensten lokaal is.
stellingen van partijen met betrekking tot de marktpositie
5.16.
VBO c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat Funda Real Estate over een machtspositie beschikt op de relevante markt. Zij heeft deze stelling aldus onderbouwd, dat Funda Real Estate met de website een marktaandeel heeft van meer dan 50% op de bezoekersmarkt voor websites voor woningaanbod. De website trekt volgens VBO c.s. de meeste bezoekers van alle websites betreffende woningaanbiedingen en zij heeft de grootste naamsbekendheid. De bezoekersaantallen zijn geschikt als maatstaf voor de beoordeling van de positie van de website op de markt omdat deze aantallen de afzet weergeven en de afzet centraal staat nu de advertenties gratis aan bezoekers worden aangeboden, zodat omzet niet wordt gegenereerd, aldus VBO c.s. De bezoekers van de website zijn volgens VBO c.s. belangrijke klanten (pretbezoek is van beperkte betekenis en komt ook bij andere huizensites voor en veel bezoekers zoeken enige tijd en kopen dan een huis). Een etalage van een makelaar is iets heel anders dan de website, zo stelt VBO c.s., nu de website advertenties verkoopt, niet huizen. Het huuraanbod op de website is verwaarloosbaar, aldus VBO c.s. De website heeft volgens haar al jaren een stevige positie en tweezijdige platforms kennen door netwerkeffecten toetredingsdrempels (driekwart van de NVM-makelaars heeft bijvoorbeeld geen toestemming gegeven voor gebruik van volledige gegevens op andere sites), zodat een dynamische analyse de machtspositie bevestigt. De machtspositie van de website wordt verstevigd door de volledigheid van de objecten, de volledigheid van de informatie per object en de actualiteit van de informatie, aldus VBO c.s.
5.17.
Volgens VBO c.s. is dit marktaandeel tevens de basis voor de machtspositie van Funda Real Estate op de markt voor advertentieruimte op websites voor woningaanbod (het gaat om een tweezijdige markt: meer bezoekers betekent een hogere prijs voor advertenties en ook meer interesse van adverteerders, die de bezoekers willen bereiken). De mogelijkheid op de website te adverteren speelt, zo stelt VBO c.s., voor klanten een belangrijke rol bij de keuze van een makelaar. Ongelijke voorwaarden op de advertentiemarkt zijn volgens VBO c.s. het gevolg van de machtspositie op de bezoekersmarkt. Makelaars geven nagenoeg hun hele budget voor online woningrubrieksadvertenties uit aan de website, die geld kan vragen voor advertenties, terwijl concurrenten die bereid zijn kosteloos advertenties te plaatsen er niet in slagen adverteerders aan te trekken. De website is ook niet afhankelijk van NVM-makelaars (zoals zij dat wel is van de NVM), omdat NVM-makelaars door de band met NVM niet snel zullen overstappen naar een andere advertentiesite. Funda Real Estate kan zich in belangrijke mate onafhankelijk van concurrenten en afnemers gedragen, zo concludeert VBO c.s.
5.18.
Funda, Funda Real Estate en NVM hebben gemotiveerd betwist dat Funda Real Estate over een machtpositie beschikt op de bezoekersmarkt van websites voor woningaanbod. Onder verwijzing naar door hen in het geding gebrachte rapporten en nadere toelichtingen daarop van de betreffende onderzoeksbureaus hebben zij aangevoerd dat de wijze van vaststelling van de machtspositie door VBO c.s. ondeugdelijk heeft plaatsgevonden. Bezoekersaantallen zijn volgens Funda, Funda Real Estate en NVM niet bruikbaar, onder meer omdat veel bezoekers niet de intentie hebben een huis te kopen ('pretbezoekers'). De website is te vergelijken met de etalage van een makelaar, sommige bezoekers zoeken een huurwoning en bezoekersaantallen geven een statisch beeld van een dynamische markt (de winnaars van vandaag zijn de verliezers van morgen), aldus Funda, Funda Real Estate en NVM. Ook op grond van bezoekersaantallen is geen sprake van een machtspositie en een eventuele machtspositie op de bezoekersmarkt zegt niets over de positie op de advertentiemarkt, aldus Funda, Funda Real Estate en NVM. Ook op de advertentiemarkt is geen sprake van een machtspositie, zo voeren zij aan.
stellingen van partijen met betrekking tot het misbruik
5.19.
VBO c.s. heeft haar stelling, dat Funda Real Estate misbruik maakt van haar machtspositie op de relevante markt, toegespitst op de toegang tot de website en de objectinformatiedatabase, de ranking en de prijsstelling. VBO c.s. verzet zich tegen de door haar gestelde ongeoorloofde ongelijke behandeling en stelt verder dat de desbetreffende makelaars hierdoor een nadeel bij de mededinging ondervinden (het prijsverschil, de verminderde vindbaarheid van het woningaanbod, het verlies van klanten, voor wie een goede plaatsing op de website zwaar weegt, en het derven van inkomsten) en dat de concurrentie aldus wordt verstoord.
Funda, Funda Real Estate en NVM hebben deze stellingen gemotiveerd betwist. Zij hebben in de kern aangevoerd dat VBO c.s. in feite de openstelling van hun eigendom voor onbepaalde tijd tegen door VBO c.s. opgelegde voorwaarden vordert en aldus wenst mee te liften op hun succes. Hiervoor mag het mededingingsrecht niet worden aangewend, aldus Funda, Funda Real Estate en NVM.
VBO c.s. heeft voldoende gesteld
5.20.
Het betoog van Funda, Funda Real Estate en NVM, dat VBO c.s. met betrekking tot de afbakening van de relevante markt, de beweerde machtspositie en het beweerde misbruik niet aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt gelet op al het voorgaande niet gevolgd. VBO c.s. heeft tegenover de betwisting door Funda, Funda Real Estate en NVM voldoende inzicht gegeven in de concrete feiten en rechten die volgens haar de toewijzing van het gevorderde rechtvaardigen.
5.21.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door Funda, Funda Real Estate en NVM is het aan VBO c.s. om te bewijzen dat op een relevante markt sprake is van een machtspositie waarvan Funda Real Estate misbruik maakt.
comparitie; onderzoek; deskundige
5.22.
Het komt de rechtbank geraden voor inlichtingen in te winnen bij één of drie deskundigen ten behoeve van de afbakening van de relevante productmarkt, de vaststelling van de positie van Funda Real Estate op die markt, de omvang en effecten van de gewraakte handelspraktijken (in verband met het gestelde nadeel bij de mededinging) en de financiële huishouding van de website (in verband met het betoog dat NVM-leden uit hoofde van hun lidmaatschap toegang hebben tot de website en belangrijke investeringen hebben gedaan). Het aantal thema’s waarover deskundigen zich zouden kunnen uitlaten is echter groot en de thema’s zijn ook bewerkelijk en complex. Overleg met partijen is dan ook gewenst. De rechtbank zal een comparitie gelasten. De rechtbank wil ter comparitie met partijen de in dit vonnis aangesneden thema’s, de bewijsmogelijkheden en de te volgen aanpak bespreken.
5.23.
De volgende thema's, en andere relevante door partijen aan te reiken thema's, kunnen aan de orde komen:
- -
a) Hoe kan een deugdelijk onderzoek naar de relevante productmarkt, de positie van Funda Real Estate op deze markt, de gewraakte handelspraktijken (toegang; ranking; prijsstelling) en de gestelde effecten van deze praktijken (het prijsverschil, de verminderde vindbaarheid van het woningaanbod, het verlies van klanten en het derven van inkomsten) worden gestructureerd en uitgevoerd? Is het zinvol (ten behoeve van de afbakening van markten en de beoordeling van de effecten van handelspraktijken) bij het onderzoek inzichten te betrekken die kunnen worden ontleend aan het ‘Werkdocument van de diensten van de Commissie, Praktische Gids betreffende begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bij de Mededeling van de Commissie betreffende de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie’?
- -
b) Moet bij het bepalen van de structuur van het onderzoek rekening worden gehouden met de stelling, dat de tweezijdige platformmarkt (de website) heel Nederland betreft, terwijl de markt voor makelaarsdiensten lokaal is? Is het relevant indien deze lokale markten voor makelaarsdiensten (zeer) verschillend zijn per regio, streek, plaats of wijk?
- -
c) Is het doelmatig het onderzoek direct op alle terreinen toe te spitsen, of te splitsen in elkaar opvolgende fases?
- -
d) Aan welke deskundige(n) kan een dergelijk onderzoek worden opgedragen?
- -
e) Welke vragen moeten aan de deskundige(n) worden voorgelegd (bijvoorbeeld over marktafbakening; machtspositie; nadeel bij de mededinging, voorkeur klanten, multi-homing)?
5.24.
Partijen kunnen tijdens de comparitie verder ingaan op de volgende vragen:
( a) Kan uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 september 2014, C-67/13, ECLI:EU:C:2014:2204 (Groupement des cartes bancaires) worden afgeleid dat onder omstandigheden een prijsverschil tussen tarieven voor deelnemers aan een tweezijdige platformmarkt, voor zover dit prijsverschil samenhangt met noodzakelijke investeringen voor het platform, niet kan worden aangemerkt als misbruik (dupliek nr. 6.11 en verder)? Zo ja, onder welke omstandigheden geldt deze regel en moet aan de deskundige(n) (in dit stadium) hierover een vraag worden voorgelegd? Partijen hebben zich nog niet kunnen uitlaten over dit arrest, dat is gewezen toen de zaken reeds in staat van wijzen waren.
Is het voorgaande van belang bij de beoordeling van het verweer van Funda, Funda Real Estate en NVM, dat het handelen van Funda Real Estate objectief gerechtvaardigd is, omdat – indien zij dit niet doet – het voor NVM en haar leden niet aantrekkelijk is om te investeren in de ontwikkeling van de website en mee te werken aan het tonen van hun woningaanbod?
( b) Kan uit het arrest van het Hof van Justitie van 17 februari 2011, C-52/09, ECLI:EU:C:2011:83 (TeliaSonera) worden afgeleid dat een partij, die zich verweert tegen een beroep op artikel 24 Mw, niet kan aanvoeren dat zij onverplicht een dienst heeft aangeboden? Kan tegen deze achtergrond worden gezegd dat de vorderingen van VBO c.s., die de website betreffen (waarvoor diensten reeds worden geleverd aan VBO c.s. en anderen), moeten worden beoordeeld in het kader van de regels over essentiële faciliteiten en leveringsweigeringen (dupliek nr. 6.5 en verder)?
( c) Kan, in het verlengde van vraag (b) hiervoor, worden aangenomen dat de vordering van VBO c.s., die de objectinformatiedatabase betreft, moet worden beoordeeld in het kader van de regels over essentiële faciliteiten en leveringsweigeringen? De NVM biedt thans, zo stelt zij onweersproken, aan niemand anders dan haar eigen leden toegang tot de objectinformatiedatabase.
Verder kan ter comparitie worden bezien of (op onderdelen) een regeling mogelijk is.
enkele overige beslissingen
5.25.
VBO c.s. heeft gesteld dat het niet altijd nodig is een relevante markt af te bakenen. De rechtbank acht een marktafbakening in dit geval voor de beoordeling van belang, nu VBO c.s. niet concreet heeft uitgelegd hoe in dit geval zonder marktafbakening zou kunnen worden gezegd dat het gestelde misbruik zich wel of niet voordoet.
5.26.
Funda Real Estate heeft tot haar verweer aangevoerd dat NVM-leden niet als klanten of afnemers van Funda Real Estate kunnen worden aangemerkt, omdat zij op basis van hun lidmaatschap woningadvertenties op de website mogen plaatsen en hiervoor niet hoeven te betalen.
De rechtbank volgt Funda Real Estate daarin niet. Tegenover de stellingen van VBO c.s. is niet voldoende betwist dat ook NVM-leden bij de plaatsing van woningadvertenties ruimte voor de plaatsing van een dergelijke advertentie afnemen. Zonder nadere toelichting – die verder ontbreekt – valt dan niet in te zien waarom NVM-leden niet als afnemers kunnen worden aangemerkt. De stelling van Funda Real Estate, dat NVM-leden geen specifieke afspraken hebben over het plaatsen van woningadvertenties of toegang tot de website en geen specifieke vergoeding daarvoor betalen (nu een en ander is verdisconteerd in de contributie en het lidmaatschap), zegt niets over wie wel of niet afnemer is van de website (in een mededingingsrechtelijk relevante zin).
5.27.
Het beroep van VBO c.s. op groepsaansprakelijkheid (artikel 6:166 BW) wordt thans reeds verworpen. De gestelde gedragingen in groepsverband komen immers erop neer dat bij de exploitatie van de website door Funda Real Estate misbruik wordt gemaakt van een machtspositie op de relevante markt en dat Funda aan dit misbruik heeft deelgenomen dan wel ervan op de hoogte is geweest en zich onvoldoende moeite heeft getroost om het misbruik te voorkomen. Deze gestelde gedragingen betreffen geen situatie waarvoor artikel 6:166 BW is geschreven. Niets is gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de kans op het toebrengen van schade door Funda dan wel Funda Real Estate hen had behoren te weerhouden van hun gestelde gedragingen in groepsverband. Deze gestelde gedragingen kunnen aan de orde komen bij de beoordeling van de vraag of Funda en Funda Real Estate al dan niet gezamenlijk onrechtmatig hebben gehandeld (artikel 6:162 BW).
5.28.
Funda, Funda Real Estate en NVM hebben aangevoerd dat Funda Real Estate objectieve rechtvaardigingsgronden voor haar handelen heeft. Zij voeren aan dat Funda Real Estate simpelweg uitvoert wat in de Samenwerkingsovereenkomst is overeengekomen.
Dit verweer faalt nu misbruik in de zin van artikel 24 Mw (indien dit ten processe komt vast te staan) niet kan worden gerechtvaardigd door afspraken tussen de dominante partij en een ander.
5.29.
Iedere verdere beslissing zal in de beide zaken worden aangehouden.