RECHTBANK AMSTERDAM
op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
([naam 1] Belastingadviseurs BV, [naam 1] Accountants BV en [naam 1] Financial Advisory Servies BV),
gevestigd op het adres [adres, te plaats],
te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman,
mr. D.R. Doorenbos, [adres, te plaats],
klaagster tevens beslagene.
1 Procesgang
1.1.
Op 10 juli 2013 is namens klaagster het onderhavige klaagschrift ingediend ter griffie van de rechtbank Rotterdam.
1.2.
Namens de rechtbank Rotterdam is de rechtbank Amsterdam verzocht de behandeling van het klaagschrift over te nemen.
1.3.
Het klaagschrift is formeel op 26 augustus 2013 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.
1.4.
Bij schrijven 8 oktober 2013 heeft de officier van justitie mr. M.A.W. Mol namens het Openbaar Ministerie een standpunt ingenomen ten aanzien van het klaagschrift.
1.5.
Op 28 oktober 2013 heeft de raadsman namens klaagster hier schriftelijk op gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft op 15 november 2013 het klaagschrift behandeld en bij beschikking van 29 november 2013 op het klaagschrift beslist.
1.7.
De Hoge Raad heeft na door klaagster ingesteld beroep van cassatie bij beschikking van 4 november 2014 de beschikking van de rechtbank van 29 november 2013 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
1.8.
Op 19 februari 2015 heeft de rechtbank in openbare raadkamer de raadsman van klaagster en de officieren van justitie A. Lodder en C.E.J. Backer gehoord. Tevens heeft de rechtbank de betrokken advocaten van klaagster wier verschoningsrecht wordt ingeroepen, [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], als belanghebbenden gehoord.
2 De onderliggende zaak
In het proces-verbaal van ambtshandeling voorstel doorzoeking bedrijfsadres [naam 1] (0-AH-025) van 8 mei 2013 staat onder meer het volgende gerelateerd.
Onder gezag van de officier van justitie van het functioneel parket Rotterdam is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar de betrokkenheid van [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3], [bedrijf 1 NV], [bedrijf 2 BV] en [persoon 4] bij bedrog bij de jaarrekeningen van [bedrijf 1 NV], valsheid in geschrifte, oplichting en handel met voorwetenschap.
De bovengenoemde (rechts)personen worden ervan verdacht zich schuldig te hebben
gemaakt aan onderstaande strafbare feiten:
-
Bedrog in de jaarstukken (artikel 336 van het Wetboek van Strafrecht);
-
Valsheid in geschrifte, (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht);
-
Oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht);
-
Handel met voorwetenschap (artikel 5:56, lid 1 sub a van de Wet op het financieel toezicht juncto artikel 1 onder 3 en artikel 6, lid 1 onder 2 van
de Wet op de economische delicten).
De onderzoeksperiode loopt vanaf 1 januari 1999, het vermoedelijke begin van het
samenwerkingsverband tussen [persoon 1], [persoon 2] en wijlen [persoon 4],
tot heden (de rechtbank begrijpt: 8 mei 2013).
[bedrijf 1 NV] (hierna: ‘[bedrijf 1 NV]’) is op 24 november1997 door [bedrijf 2 BV], een bedrijf van [persoon 2], opgericht. [persoon 2] was sinds 2000 een van de leden van de Raad van Commissarissen van [bedrijf 1 NV]. Op 24 april 1998 kreeg [bedrijf 1 NV] een beursnotering aan Euronext Amsterdam en fungeerde zij als houdstermaatschappij van een concern dat zich bezighield met het winstgevend maken van nieuwe technologieën van uitvinders. Een van deze technologieën was een nieuwe wijze van productie van kunststofverpakkingen. De vennootschap die zich binnen het concern bezighield met deze technologie was [bedrijf 3 NV] (hierna: ‘[bedrijf 3 NV]”). [persoon 1] was tot 5 juni 2009 bestuurder van [bedrijf 3 NV]. Het [bedrijf 1 NV] concern is, onder meer via dochtervennootschappen [bedrijf 4 Ltd] (hierna: “[bedrijf 4 Ltd]”) en [bedrijf 3 NV], in de jaren 2001 tot en met 2009 verschillende transacties aangegaan met (vennootschappen behorende bij) het [naam 2] concern, een ogenschijnlijke derde partij. Het [naam 2] concern was grotendeels gevestigd in Hong Kong en China en werd, al dan niet via een trustconstructie, vermoedelijk geleid door wijlen [persoon 4]. [persoon 4] was de oorspronkelijke uitvinder van de verpakkingstechnologie die door [bedrijf 3 NV] werd gecommercialiseerd. Het vermoeden bestaat dat [persoon 2], [persoon 1] en [persoon 4] sinds 1999 een samenwerkingsverband vormden dat zich ‘[naam 3]’ noemde. [naam 3] had vermoedelijk zeggenschap in zowel het [bedrijf 1 NV]- als het [naam 2] concern voor wat betreft het zakelijke en financieel beleid. [persoon 4] had (indirect) een (juridisch) aandelenbelang evenals zeggenschap binnen [bedrijf 4 Ltd] en de [naam 2] vennootschappen. [persoon 1] en [persoon 2] hadden een (indirect) aandelenbelang evenals zeggenschap in [bedrijf 1 NV] [bedrijf 4 Ltd]. [naam 3] had overleg over het zakelijke en financiële beleid van, en zodoende zeggenschap in, beide concerns. Het vermoeden bestaat dat [persoon 3], werkzaam als financieel manager bij [bedrijf 1 NV], op enig moment ook deel uitmaakt van [naam 3]. [naam 3] heeft in ieder geval tot aan het overlijden van [persoon 4] in [2008] bestaan. Vermoedelijk zijn vennootschappen en een trusteestructuur door de [naam 3] opgezet vanwege:
- fiscale redenen;
- het creëren van omzet en winst voor [bedrijf 1 NV];
- het verhullen van de verbondenheid tussen het [bedrijf 1 NV] concern en het [naam 2] concern voor het publiek en de accountant [naam 1].
Op deze wijze konden onzakelijke materiële transacties worden aangegaan met [bedrijf 4 Ltd], wat vermoedelijk heeft geleid tot onjuiste activa in de cijfers van [bedrijf 4 Ltd]. De cijfers van
[bedrijf 4 Ltd] werden door [bedrijf 1 NV] geconsolideerd. Het gevolg hiervan is dat de vermoedelijke onjuiste activa binnen [bedrijf 4 Ltd] in de cijfers van [bedrijf 1 NV] werden
verwerkt.
Wat betreft het boekjaar 2004 tot en met het boekjaar 2008 geldt dat verschillende accountantskantoren betrokken zijn bij de jaarrekeningen van [bedrijf 4 Ltd] en de geconsolideerde jaarrekeningen van [bedrijf 1 NV].
Met ingang van het boekjaar 2005 vindt een accountantswissel plaats en neemt [naam 1] Accountants, in de persoon van [persoon 6], de controle van de geconsolideerde jaarrekening van [bedrijf 1 NV] over. [naam 1], in de persoon van [persoon 6], heeft de geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekeningen van [bedrijf 1 NV] over de jaren 2005 tot en met 2008 voorzien van goedkeurende accountantsverklaringen.
Zoals in ambtshandeling 1-AH-001 is geverbaliseerd bestaat het vermoeden dat de jaarrekeningen over de jaren 2005 tot en met 2008 van [bedrijf 1 NV], zoals goedgekeurd door [naam 1], onwaar zijn.
Op basis van hetgeen tot nu toe uit het onderzoek naar voren is gekomen en hetgeen
hiervoor is geverbaliseerd, dat:
- -
[naam 1] een goedkeurende verklaring heeft afgegeven voor de jaarrekeningen van [bedrijf 1 NV] over de jaren 2005 tot en met 2008, waarvan het vermoeden bestaan dat deze onwaar zijn;
- -
[persoon 6], de tekenend partner bij [naam 1] inzake [bedrijf 1 NV], zelf de controle van [bedrijf 4 Ltd] voor zijn rekening neemt;
- -
de lokale accountants in Hong Kong over de jaren 2004 en 2005 een oordeelonthouding geven over de jaarrekening van [bedrijf 4 Ltd], die de grootste omzet voor het [bedrijf 1 NV] Concern realiseert;
- -
de VEB aangifte heeft gedaan van oplichting voor een bedrag van € 20 miljoen;
- -
de ING bank een krediet heeft verstrekt aan [bedrijf 1 NV] van € 45 miljoen;
- -
beide mogelijk mede gebaseerd op vermoedelijk onjuiste financiële informatie, waaronder de onware jaarrekening(en);
- -
een mogelijkheid bestaat dat [naam 1] door de ING bank en/of VEB aansprakelijk gesteld kan worden omdat zij gelden hebben verstrekt op basis van onware informatie zoals deze door [naam 1] is gecontroleerd en voorzien van een goedkeurende verklaring.
[naam 1] mogelijk mede gezien bovenstaande een belang heeft om bescheiden die zij onder zich heeft niet op basis van een vordering ex artikel 126nd Wetboek van Strafvordering te verstrekken
en
om verder te kunnen met het verzamelen van bewijsmiddelen voor de reeds bestaande verdenkingen en gezien bovenstaande
verzoek ik om een doorzoeking, ter inbeslagneming ex artikel 96c Wetboek van Strafvordering en artikel 125i Wetboek van Strafvordering op het bedrijfsadres van [naam 1] Accountants BV, [adres, te plaats].
De doorzoeking zal zich onder meer dienen te richten op het vinden en in beslagname
van de integrale controledossiers en overige dossiers met betrekking tot:
- -
[bedrijf 1 NV]
- -
[bedrijf 5 BV]
- -
[bedrijf 6 BV]
- -
[bedrijf 3 NV]
- -
[bedrijf 7 BV] ([bedrijf 7 BV])
- -
[bedrijf 4 Ltd] ([bedrijf 4 Ltd])
- -
[bedrijf 8 BV] (voorheen [bedrijf 8 BV])
- -
[bedrijf 9 Inc]
- -
[bedrijf 10 Ltd] ([bedrijf 10 Ltd])
- -
[bedrijf 11 s.r.o.]
- -
[bedrijf 12]
- -
[bedrijf 13]
- -
[bedrijf 14 BV]
- -
alle overige aan [bedrijf 1 NV] gelieerde (dochter) ondernemingen.
Het gaat in casu om zowel alle fysieke stukken als digitale gegevens aanwezig op computers en/of anderszins digitaal opgeslagen bij of in eigendom van [naam 1] (waaronder e-mailberichten) over de periode 2005 tot en met 2009. Het gaat hierbij in ieder geval om (NB niet limitatieve opsomming):
- -
de opdracht;
- -
de uitgebrachte adviezen;
- -
de rapportages en correspondentie;
- -
de gespreksverslagen;
- -
(interne) memo’s
- -
de Letters of Representation;
- -
overeenkomsten, zoals lenings-, licentie, patenten, leaseovereenkomsten;
- -
de verstrekte accountantsverklaringen en begeleidende brieven;
- -
de (concept) managementletters en overige rapportages en correspondentie;
- -
de consolidatiestaten en kolommenbalansen en/of saldibalansen;
- -
de controledossiers met betrekking tot de balansen en winst- en verliesrekeningen;
- -
de controledossiers met betrekking tot de beoordeling van de administratieve
- -
organisatie en interne controle;
- -
de jaarrekeningen van deelnemingen van [bedrijf 1 NV];
- -
de (concept) rapportages, correspondentie en gespreksverslagen met buitenlandse accountants.
In verband met de perikelen rond [bedrijf 1 NV] en haar faillissement per 23 december 2010 heeft [naam 1] zich op 28 januari 2011 gewend tot haar advocaat.
3 De inbeslagneming
3.1.
In het proces-verbaal doorzoeking van 27 juni 2013 (0-AH-044) staat onder meer het volgende. In ambtshandeling 0-AH-25 is het verzoek tot doorzoeking op het bedrijfsadres van [naam 1] Accountants BV te Rotterdam gedaan. Op 21 mei 2013 heeft deze doorzoeking plaatsgevonden. Gedurende deze doorzoeking bleek dat bepaalde gegevens niet op de locatie Rotterdam aanwezig waren. Voor het verkregen van deze gegevens is een mondelinge vordering ex 126nd Sv gedaan. Deze is vordering is op 24 mei 2013 schriftelijk bevestigd en houdt in dat de officier van justitie van [naam 1] de verstrekking/uitlevering vordert van bepaalde opgeslagen en/of vastgelegde gegevens, te weten de integrale e-mailboxen en backup van de computers die horen bij een aantal (60-70) e-mailadressen met de [e-mailadres 1].
3.2.
Vervolgens is, blijkens de stukken, discussie ontstaan tussen de raadsman van [naam 1] en de officier van justitie of een vordering gebaseerd op artikel 126nd Sv voor de gevraagde gegevens wel de juiste basis zou zijn en is discussie ontstaan over de omvang van hetgeen werd gevorderd. Hierover zijn verschillende faxen gewisseld. Tijdens het wisselen van deze faxen is door een medewerker van [naam 1] een extractie gemaakt vanaf de server van [naam 1] van de in de vordering 126nd Sv d.d. 24 mei 2013 gevraagde gegevens. Deze gegevens werden op een harde schijf opgeslagen. Vervolgens is [naam 1] begonnen met het selecteren van de gegevens.
3.3.
Op 27 juni 2013 heeft, onder leiding van officier van Justitie mr. M.A.W. Mol van het Functioneel Parket Rotterdam, op grond van artikel 96c van het Wetboek van Strafvordering, een doorzoeking plaatsgevonden op het bedrijfsadres van [naam 1], [adres, te plaats]. Daar en toen is de harde schijf in beslag genomen.
3.4.
Op de harde schijf bevindt zich, aldus klaagster in het initiële klaagschrift, ongeveer één terabyte gegevens, bestaande uit 600 gigabyte e-mail data en 400 gigabyte-pc back-upgegevens. Het betreft onder meer de integrale inhoud van 60-70 e-mailboxen van [naam 1]-medewerkers over een periode van 8 ½ jaar.
3.5.
Tijdens de behandeling in raadkamer op 15 november 2013 zijn door de officier van justitie en klaagster (werk)afspraken gemaakt omtrent de wijze van doorzoeken van de schijf met inachtneming van verschoningsrechten met betrekking tot geheimhouderstukken en met oog voor de proportionaliteit van de inbeslagneming. Deze afspraken zijn in het verkorte proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer van 15 november 2013 vastgelegd.
3.6.
Desgevraagd hebben partijen in raadkamer van 19 februari 2015 bevestigd dat inmiddels in overleg onderzoek aan de harde schijf heeft plaatsgevonden naar stukken van vóór 28 januari 2011 met inachtneming van deze werkafspraken die goed werkbaar bleken en nog onverkort van kracht zijn.
3.7.
Uit het proces-verbaal van ambtshandeling 0-AH-068c blijkt dat de inbeslagneming over de periode ná 28 januari 2011 – slechts hier nog in geding, zie hierna – betrekking heeft op ruim 1,2 miljoen e-mails.
6 Het standpunt van het Openbaar Ministerie
6.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de rechtmatigheid van de vordering houdt het volgende in. De wettelijke grondslag voor de inbeslagneming is artikel 96 Sv. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv kan de officier van justitie ter inbeslagneming een bedrijfspand als dat van [naam 1] doorzoeken ter inbeslagneming. In deze zaak heeft de officier van justitie zowel op 21 mei 2013 als op 27 juni 2013 gebruik gemaakt van de doorzoekingsbevoegdheid van artikel 96c Sv. Dat na 21 mei 2013 is getracht de digitale gegevens middels het inzetten van een andere bevoegdheid krachtens artikel 126nd Sv te verkrijgen, geeft aan dat sprake is geweest van een afweging. Indien door het inzetten van een minder vergaande bevoegdheid hetzelfde resultaat kan worden verkregen, verdient dat immers de voorkeur. In dit geval bleek echter dat het uitbrengen van een vordering 126nd Sv niet tot het gewenste resultaat zou leiden, zodat is besloten gebruik te maken van een andere bevoegdheid. In belang van het onderzoek kan besloten worden de reikwijdte van de beslaglegging ruim te nemen waarna het beslag op voorwerpen die geen strafvorderlijk belang meer dienen zo snel mogelijk wordt beëindigd. Dat databestanden in beslag worden genomen en nader onderzocht is niet ongebruikelijk. Van disproportionaliteit is geen sprake.
6.2.
Ten aanzien van het beroep op het verschoningsrecht heeft het Openbaar Ministerie het volgende naar voren gebracht. Het verschoningsrecht van advocaten is een essentieel onderdeel van het strafrechtsysteem. Zoals vanaf 21 mei 2013 met [naam 1] is besproken, zal het verschoningsrecht worden geëerbiedigd. Daartoe zal conform de werkafspraken de aangeleverde lijst met mailadressen van verschoningsgerechtigden worden gehanteerd bij het “schonen” van de digitale gegevens, het zogenaamde uitgrijzen. Gevolg van deze procedure is dat leden van het onderzoekstem van de FIOD geen toegang hebben tot de verschoningsgerechtigde digitale gegevens. Onder deze omstandigheden kan klaagster het verstrekken van gegevens niet weigeren met een beroep op het verschoningsrecht. Klaagsters opvatting van hetgeen onder de reikwijdte van het verschoningsrecht valt, kan niet worden onderschreven. Het Openbaar Ministerie stelt dat correspondentie en communicatie tussen [naam 1]-medewerkers onderling dan wel met andere personen (derden, niet zijnde de advocaten) ná 28 januari 2011 niet – altijd – vallen onder het verschoningsrecht. Ten aanzien van de voorwerpen die onder het verschoningsrecht vallen, geldt dat geheim is datgene waarvan de wetenschap de vertrouwenspersoon als zodanig is toevertrouwd. Hieronder vallen alle brieven en geschriften die aan of door de geheimhouder in zijn hoedanigheid zijn geschreven of welke hem om zijn stand of in zijn ambt of beroep ter hand zijn gesteld of toegezonden. Maar daar valt niet onder datgene wat de cliënt zelf met deze informatie doet. Het verschoningsrecht dient niet zover te worden opgerekt, dat er enorme vrijplaatsen worden gecreëerd enkel omdat juridisch advies is ingewonnen over een bepaalde zaak.
6.3.
In raadkamer hebben de officieren van justitie ten slotte met betrekking tot het opsporingsbelang het volgende opgemerkt. Voor de opsporing is van belang om te weten welke informatie [bedrijf 1 NV] dan wel de andere verdachten, aan [naam 1] hebben gegeven. Was die informatie juist of onjuist, en hoe reageerde [naam 1] daarop, en zijn er intern nog acties ondernomen ten aanzien hiervan. Dat kan ook uitgewisseld zijn ná 28 januari 2011, nadat [naam 1] een advocaat had ingeschakeld. Aannemelijk is juist dat er in die periode gesproken werd over het dossier [bedrijf 1 NV] en wat [naam 1] hiermee gedaan heeft.
7. Het oordeel van de rechtbank
7.1.
De rechtmatigheid van de inbeslagneming
7.1.1.
De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie op 27 juni 2013, nadat uitlevering van gegevens op de vordering ex artikel 26nd Sv uitbleef, op grond van artikel 96c Sv onder klaagster de externe harde schijf (gegevensdrager) in beslag genomen heeft en is van oordeel dat deze gang van zaken op genoemde wettelijke bepalingen kan worden gestoeld.
7.1.2.
De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman van klaagster dat de inbeslagneming heeft plaatsgevonden op basis van een ondeugdelijke grondslag omdat klaagster onder de dreiging van de tot haar gerichte vordering ex artikel 126nd Sv gedwongen is de gegevens op deze harde schijf te zetten.
7.1.3.
Het verweer van klaagster dat de disproportioneel ruime vordering de inbeslagneming onrechtmatig maakt wegens strijd met het proportionaliteitsvereiste wordt eveneens verworpen. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan in beslag genomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Gegevens die op een gegevensdrager zijn opgeslagen, zijn daarvan niet uitgezonderd. (vgl. Hoge Raad 29 maart 1994, NJ 1994, 577 r.o. 9.3 onder b). Het gaat hier mede door de lange onderzoekperiode en het grote aantal werknemers van [naam 1] dat in verband heeft gestaan met [bedrijf 1 NV], weliswaar om een enorme hoeveelheid data, maar computerbestanden of e-mailboxen lenen zich naar hun aard niet eenvoudig voor gespecificeerde inbeslagneming en afzonderlijk onderzoek. Dat onder de gegevens zich ook mogelijk privacygevoelige gegevens bevinden is inherent aan de wijze van inbeslagneming, maar dit maakt niet meteen dat sprake is van een inbreuk op artikel 8 EVRM.
7.2.
Het beroep op het verschoningsrecht
7.2.1.
Ingevolge artikel 98 van het Wetboek van Strafvordering mogen bij personen met de bevoegdheid tot verschoning, zoals klaagsters advocaten, geen brieven of andere geschriften in beslag genomen worden tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. Een en ander geldt ook voor elektronisch vastgelegde brieven en andere geschriften zoals e-mailcorrespondentie.
7.2.2.
Worden stukken niet aangetroffen onder een advocaat maar onder een derde, dan zijn deze niet vatbaar voor inbeslagneming voor zover deze het door het verschoningsrecht van de advocaat beschermde vertrouwelijke verkeer betreffen tussen de advocaat en zijn cliënt (Hoge Raad 19 november 1985, NJ 1986, 533, rov. 5.3.1). Dat geldt niet alleen voor van de advocaat afkomstige stukken, maar ook voor stukken die door de cliënt zijn vervaardigd voor zijn advocaat (Hoge Raad 1 november 1988, NJ 1989, 349 m.nt. ThWvV), mits deze iets inhouden dat bedoeld is om de advocaat in zijn hoedanigheid toe te vertrouwen (Conclusie AG Vellinga bij Hoge Raad 2 maart 2010, NJ 2010, 144).
7.2.3.
De aard van de bevoegdheid tot verschoning van een advocaat brengt mee dat het in beginsel aan de advocaat is om te bepalen of een in beslag genomen gegevensdrager gegevens bevat die onder zijn verschoningsrecht vallen. Diens standpunt daaromtrent dient door de bij het voorbereidend onderzoek betrokken functionarissen te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Daarbij doet niet ter zake of de gegevensdrager zich bij de advocaat zelf of bij diens cliënt bevinden (Hoge Raad 4 juni 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ0004).
7.2.4.
Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan in beslag genomen gegevensdragers teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen.
7.2.5.
Een gegevensdrager met daarop elektronische bestanden leent zich naar zijn aard niet gemakkelijk voor afzonderlijk onderzoek. Bij een onderzoek dient gewaarborgd te zijn dat de in beslag genomen gegevensdrager op de voet van artikel 125l van het Wetboek van Strafvordering zal worden onderzocht op een wijze waarbij het verschoningsrecht van de advocaat niet in het gedrang komt (vgl. Hoge Raad 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564).
7.2.6.
De rechtbank is van oordeel dat er redelijkerwijs geen twijfel is dat het standpunt van klaagster en haar advocaten onjuist is waar zij stellen dat alle communicatie en correspondentie vanaf 28 januari 2011 betreffende [bedrijf 1 NV] (gelieerde bedrijven, personen en onderwerpen) vallen onder het verschoningsrecht van de advocaten van klaagster, omdat die communicatie louter in verband staat en kan staan met de door de advocaten verleende bijstand aan klaagster en het in dat kader verrichtte onderzoek.
7.3.7.
Gelijk de advocaten van klaagster in raadkamer hebben onderkend, is het immers niet uit te sluiten dat ook buiten hun medeweten en niet alleen naar aanleiding van hun betrokkenheid bij de zaak [bedrijf 1 NV] door medewerkers van klaagster onderling en/of met derden over [bedrijf 1 NV] is gecommuniceerd.
7.3.8.
Het valt voorts ook niet uit te sluiten dat bepaalde communicatie en correspondentie betreffende [bedrijf 1 NV] op de harde schijf onder een verschoningsrecht valt, maar dat moet, gelet op het onjuiste standpunt van klaagster en haar advocaten, per gegeven worden beslist.
7.3.9.
De rechtbank concludeert dan, gelijk de rechtbank in november 2013 deed, dat, gelet op het onjuiste standpunt van klaagster en haar advocaten, een onderzoek moeten volgen bij de rechter-commissaris, waarbij voor de te volgen procedure kan worden aangesloten bij in deze zaak al in de in november 2013 vastgelegde werkafspraken.
7.3.10.
Aldus is gewaarborgd dat het onderzoek naar deze gegevens overeenkomstig artikel 125l Sv wordt ingericht op een wijze waarbij het verschoningsrecht niet in het gedrang komt.
7.4.
Het opsporingsbelang
Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat nu het onderzoek nog loopt het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag. Immers, het voorwerp is in beslag is genomen met het doel om de waarheid aan het licht te brengen en is daartoe ook geschikt.
De slotsom is dat de rechtbank het klaagschrift ongegrond dient te verklaren.
8 Beslissing
De rechtbank komt tot de volgende beslissing.
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beschikking is gewezen door
mr. M.G. Tarlavski-Reurslag, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en P. Sloot, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.
en op 19 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klaagster beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.