vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht, voorzieningenrechter
zaaknummer / rolnummer: 488447 / KG ZA 11-631 MW/KR
Vonnis in kort geding van 25 mei 2011
in de zaak van
1. [vader],
2. [moeder],
in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon, [leerling],
allen wonende te [woonplaats],
eisers bij dagvaarding van 26 april 2011,
advocaat mr. D.G.M. de Grave-Verkerk te Amsterdam,
tegen
1. de stichting
STICHTING JOODSE SCHOLENGEMEENSCHAP J.B.O.,
(gedagvaard als Stichting bijzonder basisonderwijs Rosj Pina,)
gevestigd te Amsterdam,
2. [voorzitter],
in zijn hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van gedaagde sub 1,
wonende te [woonplaats],
3. [directeur],
in zijn hoedanigheid van directeur van de door gedaagde sub 1 bestuurde school voor basisonderwijs Rosj Pina,
wonende te [woonplaats],
gedaagden,
advocaat mr. W.H. Hogerzeil te Amsterdam.
Eisers zullen hierna gezamenlijk de ouders van [leerling] worden genoemd en ieder afzonderlijk [vader] en [moeder]. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk de school worden genoemd en ieder afzonderlijk stichting JBO, [voorzitter] en [directeur].
1. De procedure
Ter terechtzitting van 11 mei 2011 hebben de ouders van [leerling] gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De school heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. De school heeft een pleitnota in het geding gebracht. Ter zitting waren aanwezig: de ouders van [leerling] met mr. De Grave-Verkerk. Aan de zijde van de school waren aanwezig: [voorzitter], [directeur] en mevr. [bestuursmanager], bestuursmanager, met mr. Hogerzeil. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
2. De feiten
2.1. De Joodse basisschool Rosj Pina (hierna ook: de school) wordt aangestuurd door stichting JBO. [leerling] is 10 jaar oud en leerling van groep 7(B) van de school.
2.2. [leerling] heeft een lichte stoornis in het autistisch spectrum, ADHD/MCDD. Ten behoeve van de extra ondersteuning en begeleiding van [leerling] is een persoonsgebonden budget aan de school toegekend, het zogenoemde ‘rugzakje'.
[begeleider 1] is de vaste begeleider van rugzakleerlingen op de school.
2.3. In de schoolgids staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:
"(…) Om het onderwijs aan en de ontplooiing van alle leerlingen te waarborgen heeft Rosj Pina time-out maatregelen opgesteld en een daarop volgend protocol voor schorsing en verwijdering.
(…) Voor de leerlingen, die vanuit een LGF (leerlinggebonden financiering) worden begeleid, wordt een individueel handelingsplan voor het gedrag gemaakt als daartoe aanleiding is. Zij vallen buiten de Time- Out regeling."
2.4. In het 'protocol schorsing en verwijdering van leerlingen' (hierna: het protocol) van de school is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
"Schorsing
Pas bij een volgend ernstig incident, of in het afzonderlijke geval dat het voorgevallen incident zo ernstig is, kan worden overgegaan tot een formele schorsing.
De wettelijke regeling voor het Bijzonder/Openbaar * onderwijs is hierbij van toepassing.
Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
· Het bevoegd gezag van de school wordt voorafgaand aan de schorsing in kennis gesteld van deze maatregel en om goedkeuring gevraagd.
· Gedurende de schorsing wordt de leerling de toegang tot de school ontzegd. Voor zover mogelijk worden er maatregelen getroffen waardoor de voortgang van het leerproces van de leerling gewaarborgd kan worden. (zie noot 3)
· De schorsing bedraagt maximaal 3 weken en kan hooguit 2 maal worden verlengd. (zie noot 4)
· De betrokken ouders/verzorgers worden door de directie uitgenodigd voor een gesprek betreffende de maatregel. Hierbij dienen nadrukkelijk oplossingsmogelijkheden te worden verkend, waarbij de mogelijkheden en de onmogelijkheden van de opvang van de leerling op de school aan de orde komen.
· Van de schorsing en het gesprek met de ouders wordt een verslag gemaakt. Dit verslag wordt door de ouders/verzorgers voor gezien getekend en in het leerlingendossier opgeslagen.
· Het verslag wordt ter kennisgeving verstuurd aan:
? Het bevoegd gezag
? De ambtenaar leerplichtzaken
? De inspectie onderwijs
· Ouders kunnen beroep aantekenen bij het bevoegd gezag van de school. Het bevoegd gezag beslist uiterlijk binnen 14 dagen op het beroep.
Verwijdering
Bij het zich meermalen voordoen van een ernstig incident, dat ingrijpende gevolgen heeft voor de veiligheid en/of de onderwijskundige voortgang van de school, kan worden overgegaan tot verwijdering.
De wettelijke regeling voor het Bijzonder/Openbaar * onderwijs is hierbij van toepassing. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
· Verwijdering van een leerling van school is een beslissing van het bevoegd gezag.
· Voordat men een beslissing neemt, dient het bevoegd gezag de betrokken leerkracht en de directie te horen. Hiervan wordt een verslag gemaakt wat aan de ouders ter kennis worden gesteld en door de ouders voor gezien wordt getekend.
· Het verslag wordt ter kennisgeving opgestuurd naar
? De ambtenaar leerplichtzaken
? De inspectie onderwijs
· Het bevoegd gezag informeert de ouders schriftelijk en met redenen over het voornemen tot verwijdering, waarbij de ouders gewezen wordt op de mogelijkheid van het indienen van een bezwaarschrift.
· De ouders krijgen de mogelijkheid binnen zes weken een bezwaarschrift in te dienen.
· Het bevoegd gezag is verplicht de ouders te horen over het bezwaarschrift.
· Het bevoegd gezag neemt een uiteindelijke beslissing binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Een besluit tot verwijdering is pas mogelijk nadat een andere basisschool of een andere school voor speciaal onderwijs is gevonden om de leerling op te nemen of dat aantoonbaar is dat het bevoegd gezag, gedurende acht weken, er alles aan heeft gedaan om de leerling elders geplaatst te krijgen.
(…)
Noot 3: Schorsing mag niet betekenen dat het doen van toetsen (denk aan cito-entree of eindtoetsen) wordt belemmerd. Dit vraagt passende maatregelen, bijv. het wel tot de school toelaten voor het doen van deze toets. Daarnaast kan het beschikbaar stellen van (thuis)studiemateriaal tot de mogelijkheden behoren.
Noot 4: wezenlijk is dat de schorsing aan een maximum termijn gebonden is; zij mag geen verkapte verwijdering worden; de termijn is zo gekozen dat in het ernstigste geval de school voldoende tijd ter beschikking heeft om een eventuele verwijderingsbeslissing op zorgvuldige wijze voor te bereiden.
(…)"
2.5. Bij brief van 28 juni 2010 heeft 'Het team van Rosj Pina’ het volgende aan de ouders van drie medeleerlingen van [leerling] bericht:
"Het team van Rosj Pina heeft via de directeur uw klachten te lezen gekregen over het gedrag van [leerling]. Er wordt nu van de directie geëist dat [leerling] van school wordt verwijderd.
Wij vinden dit een heel ernstige zaak en hebben ons er als team over gebogen.
(…)
Wij realiseren ons dat het in groep 6, met de tijdelijke afwezigheid van de vaste groepsleerkracht van [leerling], in de afgelopen maanden fout is gegaan.
De school heeft onvoldoende geanticipeerd op wat deze verandering voor [leerling] betekende. De jonge invalleerkracht die het werk van zijn vertrouwde leerkracht overnam is onvoldoende gecoached en gesteund in het werken met de klas en het begeleiden van [leerling]. Een ongelukkige samenloop van omstandigheden was dat de medicatie van [leerling] in deze periode werd aangepast, waardoor hij extra ‘ontregeld’ raakte.
Hierover heeft de school pas achteraf contact gehad met de ouders van [leerling].
Het toezicht en de begeleiding in de pauzes op het schoolplein was de afgelopen maanden niet optimaal. Begeleiders waren ziek, afwezig of moesten voor de klas staan en vervanging werd niet goed geregeld. Juist in de pauzes, in vrije situaties, heeft [leerling] professionele begeleiding nodig en die heeft de laatste maanden af en toe ontbroken.
Wij zijn ons als team terdege bewust van het falen onze organisatie op deze punten. Wij willen met de ambulante begeleiding en externe deskundigen een beter plan uitwerken voor een verantwoorde begeleiding van rugzakleerlingen en medeleerlingen en dan vooral waar het vrije situaties betreft. (…)
De verwijdering van [leerling] is wat ons betreft ongewenst, maar daarnaast op dit moment ook onmogelijk. De school heeft een protocol voor schorsing en verwijdering dat tot nu toe voor [leerling] nog nooit in werking is gesteld. (…)"
2.6. Stichting JBO heeft in juli 2010 haar extern vertrouwenspersoon
prof. dr. [vertrouwenspersoon] verzocht advies uit te brengen over de situatie met betrekking tot [leerling].
2.7. Op 26 januari 2011 heeft een ouderavond plaatsgevonden, waarbij onder meer gesproken is over de moeilijkheden binnen de klas. Tevens is een ten aanzien van [leerling] opgesteld begeleidingsplan besproken.
2.8. [begeleider 2], intern begeleider ad interim op de school, heeft naar aanleiding van een incident op 3 maart 2011 een verslag opgemaakt. Dit verslag luidt, voor zover van belang, als volgt:
"Op donderdag 3 maart 2011 omstreeks 13.10 uur bevond ik, [begeleider 2] (…) me op het schoolplein van Rosj Pina. Ik bevond me in gezelschap van de zogenoemde rugzakbegeleider van de school, [begeleider 1]. (…) Ik merkte op dat [leerling] en [medeleerling 1] tijdens het spel een gesprek met elkaar voerden. Het gesprek leek mij ontspannen te zijn. Dit was voor mij een opvallend gegeven, omdat mij beroepshalve bekend was dat voornoemde kinderen een conflictueuze relatie hadden. Vervolgens meldde ik [begeleider 1], voornoemd, dat ik ging vragen waar de twee kinderen het over hadden, of woorden van gelijke strekking. Ik liep naar de kinderen toe en riep hen bij mij. [leerling] weigerde te komen, omdat hij wilde voetballen, dit gaf hij mij in woorden aan. [medeleerling 1] daarentegen kwam naar mij toe en nam een luisterende houding aan. [leerling] hield zich in onze nabijheid op. (...) Ik vroeg [medeleerling 1] waar zij en [leerling] het over hadden tijdens het voetballen. [medeleerling 1] antwoordde dat [leerling] aan [medeleerling 2] uit groep 8 gevraagd had of hij [medeleerling 1] en [medeleerling 3] in elkaar wilde slaan voor een bepaald geldbedrag. [medeleerling 1] vertelde dat zij tegen [leerling] had gezegd dat hij dit soort dingen niet mocht zeggen. Hierop mengde [leerling] zich, al voetballend, in het gesprek en zei: 'Dat mag ik wel zeggen. Er staat nergens in de schoolregels dat ik zoiets niet mag zeggen', of woorden van gelijke strekking.
(…)
Ongeveer 10 minuten later, rond 13.20 uur, zag ik dat de bal in ‘het steegje’ naastgelegen aan het plein, maar nog wel behorend bij het schoolterrein, verdween. Ik zag een aantal kinderen achter de bal aanrennen, waaronder ook [medeleerling 1] en [leerling]. (…) Toen ik de hoek van de ‘steeg’ omsloeg zag ik een meter of 8 verderop [medeleerling 1] op de grond liggen in de buurt van de omheining van het schoolterrein. Ik zag dat [leerling] uit de richting kwam lopen waar [medeleerling 1] lag. (…) Kinderen riepen tegen mij dat [leerling] [medeleerling 1] op de grond had gegooid. [leerling] reageerde hier meteen op met de woorden: ‘Net goed, dat verdient zij’, of woorden van gelijke strekking. Ik vroeg [begeleider 1] zich over [leerling] te ontfermen. Ik ben vervolgens naar [medeleerling 1] toegelopen. Ik heb haar overeind geholpen en haar gevraagd naar de toedracht van het gebeuren.
[medeleerling 1] vertelde mij dat er in de steeg nog verder gevoetbald werd. Zij voetbalde met de bal, waarna [leerling] – in het spel – probeerde de bal te verkrijgen. Vervolgens gaf [leerling] haar met twee handen in haar rug een – naar haar mening – keiharde duw waardoor zij tegen het hekwerk aanviel. Door de heftigheid van de duw kon zij zich niet staande houden en viel op de grond, aldus [medeleerling 1].
(…)"
2.9. De school heeft op 9 maart 2011 telefonisch aan de ouders van [leerling] meegedeeld dat [leerling] met onmiddellijke ingang is geschorst.
2.10. Bij brief van 10 maart 2011 heeft stichting JBO de ouders van [leerling] op de hoogte gesteld van de schorsing en voorgenomen verwijdering van [leerling]. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:
" (…) De reden van deze voorgenomen verwijdering is dat het bestuur van JBO van mening is dat de school onvoldoende in staat is de leeromgeving van [leerling] zo te structuren dat hij zich volledig kan ontplooien. De school heeft de afgelopen jaren veel initiatieven ontplooid en maatregelen genomen om tegemoet te komen aan de zeer speciale zorg die [leerling] als geïndiceerde LGF-recIV leerling nodig heeft.
Ondanks dit blijven er zich regelmatig spanningen en conflicten voordoen tussen [leerling] en zijn klasgenoten die ontaarden in verbaal geweld en soms zelfs in fysiek geweld, zoals het incident van donderdag 3 maart j.l. Door deze incidenten kan voor [leerling] en zijn medeleerlingen geen veilige omgeving meer gegarandeerd worden. Het bestuur en de directie hebben in het najaar van 2010 een ouderavond belegd over de problemen die speelden rondom [leerling]. U heeft toen uitgelegd wat er met [leerling] aan de hand is en ook aangegeven wat u eraan doet om [leerling] te helpen. Ook de leerkrachten van de klas van [leerling] hebben hun visie gegeven evenals de andere ouders van de klas. Sinds deze avond is er van alle kanten veel moeite gedaan om de situatie te verbeteren, maar helaas niet met het gewenste resultaat. (…)
De verwijdering is pas definitief als we een andere school voor [leerling] hebben gevonden of als de school aantoonbaar gedurende acht weken zonder succes heeft gezocht naar een andere school.
Gedurende deze periode van 8 weken is er sprake van een tijdelijke schorsing. Daarna wordt deze definitief.
(…) "
2.11. Op 10 maart 2011 is [moeder] de klas van [leerling] binnengelopen. Een verklaring van een vaste invaller van de school die in de klas aanwezig was luidt:
"Ineens kwam er een moeder binnen die met een glimlach aan mij vroeg of ze even iets aan de klas mocht zeggen. Ik wist niet wie het was. Ze nam gelijk het woord en ze richtte zich tot de kinderen waarbij ze ineens heel emotioneel werd. Ze zei dat het de schuld van de klas was dat [leerling] nu niet meer naar school mocht komen en daarna richtte ze zich tot twee kinderen. Ze schreeuwde tegen ze dat zij voor een groot deel verantwoordelijk waren voor alles wat er met [leerling] gebeurde. De exacte woorden kan ik met niet meer herinneren maar het was erg emotioneel en de hele klas was erg geschrokken. (…)"
2.12. Stichting JBO heeft bij brief van 17 maart 2011 de ouders van de leerlingen van groep 7B op de hoogte gesteld van de schorsing en voorgenomen verwijdering van [leerling].
2.13. Op of omstreeks 18 maart 2011 heeft, in aanwezigheid van hun advocaten, een gesprek plaatsgevonden tussen de ouders van [leerling] en de school.
2.14. Op 4 april 2011 heeft zich een incident voorgedaan, waarbij [moeder] naar [voorzitter] heeft gespuugd.
2.15. Op 11 april 2011 hebben ouders van medeleerlingen van [leerling] een klacht tegen de school ingediend bij de Landelijke klachtencommissie voor het algemeen bijzonder onderwijs. Zij zijn van mening dat er zowel bij ouders als bij medewerkers van de school geen draagvlak bestaat voor de schorsing en voorgenomen verwijdering van [leerling].
2.16. De ASS afdeling van het Nova College te Amsterdam, ook wel de Wissel genoemd, heeft toegezegd dat [leerling] zich op deze school kan aanmelden.
2.17. De in het protocol en artikel 40 lid 5 Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO) genoemde termijn van acht weken loopt af op 5 mei 2011. De schorsing van [leerling] is twee keer verlengd en loopt tot 13 mei 2011.
3. Het geschil
3.1. De ouders van [leerling] vorderen -samengevat- op straffe van verbeurte van een dwangsom ten aanzien van de vorderingen onder A t/m E:
A. de school te veroordelen om [leerling] weer toe te laten tot de school en alle overige bijbehorende voorzieningen, althans tot de lessen van groep 7 tot en met het einde van dit schooljaar,
B. de school te gebieden om in gesprek met de ouders van [leerling] oplossingen te bespreken tot bewerkstelliging van een beheersbare situatie van [leerling] binnen de school voor het schooljaar 2011/2012,
C. de school te gebieden om zorg te dragen voor extra toezicht tijdens de schoolpauzes en de wisseling van de schoollokalen en daartoe alle mogelijke (financiële) middelen aan te wenden,
D. [voorzitter] te gebieden om te bewerkstelligen dat stichting JBO de voor uitvoering van de vordering onder C. aangegeven benodigde middelen aan de school ter beschikking stelt,
E. stichting JBO te gebieden al het nodige te doen om te bewerkstelligen dat [voorzitter] en [directeur] kunnen voldoen aan de vorderingen onder A t/m D,
F. stichting JBO, [voorzitter] en [directeur] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 6.500,= voor kosten rechtsbijstand en € 2.500,= voor overige kosten,
G. stichting JBO, [voorzitter] en [directeur] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2. De ouders van [leerling] leggen hieraan -samengevat- het volgende ten grondslag. Er is sprake van een onzorgvuldig genomen beslissing en daarmee van een onrechtmatige feitelijke verwijdering. Ondanks dat de school in januari 2011 heeft aangegeven op zoek te gaan naar mogelijkheden om de situatie beheersbaar te maken, heeft de school zonder de ouders van [leerling] hierover vooraf te informeren en zonder enig overleg een beslissing tot verwijdering van [leerling] genomen. Dit is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Bovendien valt niet in te zien waarom het incident op 3 maart 2011 een acute reden zou opleveren om tot schorsing danwel verwijdering van [leerling] over te gaan. De school heeft bovendien haar inspanningsverplichting geschonden door niet eerst naar constructieve oplossingen te zoeken om [leerling] op school te kunnen handhaven. Zo heeft de school haar voorstel om [leerling] in een parallelklas te plaatsen niet uitgevoerd, is het jaarlijks beschikbare budget voor [leerling] niet aangevraagd althans niet ingezet en zijn er geen extra middelen ingezet om het toezicht in de vrije ruimtes te vergroten.
3.3. De school voert verweer. Het verweer zal, voor zover van belang, worden weergegeven onder de beoordeling.
4. De beoordeling
4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv -waarin is bepaald dat aan het niet binnen vier weken betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden- buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.2. Als meest verstrekkende verweer heeft de school aangevoerd dat de ouders van [leerling] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen omdat de stichting die zij hebben gedagvaard, Stichting bijzonder basisonderwijs Rosj Pina, niet bestaat. Ook [voorzitter] en [directeur] zijn derhalve in een verkeerde hoedanigheid gedagvaard.
4.3. Overwogen wordt dat de school domicilie heeft gekozen op het kantoor van mr. Hogerzeil en dat de dagvaarding bij mr. Hogerzeil is betekend. Mr. Hogerzeil, die bij het gesprek tussen partijen op of omstreeks 18 maart 2011 namens de school aanwezig was, moet aanstonds hebben begrepen dat de dagvaarding was bestemd voor de Stichting Joodse Scholengemeenschap J.B.O. en dat ten onrechte de Stichting bijzonder basisonderwijs Rosj Pina is gedagvaard. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat een rechtens te respecteren belang bij het beroep op niet-ontvankelijkheid aan de zijde van de school ontbreekt, zodat het zal worden verworpen.
4.4. Anders dan de school heeft aangevoerd, brengt de aard van de gevraagde voorzieningen een spoedeisend belang aan de zijde van de ouders van [leerling] met zich mee.
4.5. De school heeft aangevoerd aan de in het protocol gestelde voorwaarden voor schorsing te hebben voldaan en ook reeds aan een deel van de in het protocol gestelde voorwaarden voor verwijdering. Voorts heeft de school gesteld dat zij, conform het protocol en artikel 40 lid 5 WPO, gedurende acht weken aantoonbaar heeft gezocht naar een andere school waar [leerling] geplaatst kan worden.
4.6. De voorzieningenrechter overweegt het navolgende. Bij brief van 10 maart 2011 is de schorsing en voorgenomen verwijdering van [leerling] door de school aan de ouders van [leerling] meegedeeld. Conform de in het protocol gestelde voorwaarden zijn de ouders van [leerling] uitgenodigd voor een gesprek met de school, welk gesprek op of omstreeks 18 maart 2011 in aanwezigheid van de advocaten van partijen heeft plaatsgevonden. Hieruit volgt dat de ouders van [leerling] in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze op de door de school opgelegde maatregel te geven. Voorshands is bovendien voldoende aannemelijk geworden dat er voorafgaand aan de schorsing regelmatig gesprekken tussen de ouders van [leerling] en de school hebben plaatsgevonden. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor, zoals door de ouders van [leerling] is betoogd, is dan ook geen sprake.
4.7. Voorts is voldoende aannemelijk dat de school aan de verplichting op grond van het protocol/artikel 40 lid 5 WPO heeft voldaan. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de school een aantal andere scholen heeft benaderd of [leerling] daar zou kunnen worden geplaatst. Gebleken is bovendien dat [leerling] zich bij de ASS afdeling (Autisme afdeling) van het Nova College te Amsterdam kan aanmelden. Dat deze school geen redelijk alternatief zou zijn voor [leerling], zoals de ouders van [leerling] hebben aangevoerd, is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden. Een bestuurslid van de stichting JBO heeft in een schriftelijke verklaring d.d. 3 mei 2011 geschreven dat zij een jaar vervangend directeur van de ASS afdeling van het Nova College is geweest en dat zij van mening is dat [leerling] uitermate op zijn plaats is als hij op deze school zou worden geplaatst. De ouders van [leerling] kunnen de school dan ook niet tegenwerpen dat de school op dit punt niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan.
4.8. Ter zitting heeft de school aangekondigd het besluit tot verwijdering van [leerling] te zullen handhaven. Ter beoordeling staat derhalve of de school in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om [leerling] van school te verwijderen, hetgeen door de ouders van [leerling] wordt betwist. Daarbij wordt voorop gesteld dat de school bij de waardering van de ernst van het gedrag een eigen vrijheid heeft die in rechte slechts marginaal getoetst kan worden.
4.9. De school heeft gesteld dat het besluit tot schorsing en verwijdering van [leerling] niet enkel is gebaseerd op het incident van 3 maart 2011, maar is gelegen in een reeks van klachten oplopend in ernst en frequentie die ontaarden in verbaal geweld en soms zelfs in fysiek geweld, zoal het incident op 3 maart 2011. Het verbale en fysiek geweld van [leerling] - en het gedrag van zijn moeder - veroorzaakt een situatie die niet langer houdbaar is voor [leerling] en zijn omgeving waaronder medeleerlingen en leerkrachten.
4.10. Op grond van het ter zitting gestelde en de overgelegde stukken, is voorshands voldoende aannemelijk dat er een groot aantal conflicten zijn geweest tussen [leerling] en voornamelijk drie andere medeleerlingen uit zijn klas. De ouders van deze drie leerlingen hebben hierover regelmatig klachten ingediend bij de school. Uit deze klachten blijkt dat de incidenten tussen [leerling] en deze medeleerlingen zich al sinds 2007 voordoen en zich voornamelijk afspelen in de vrije ruimtes (schoolplein, hal). Tegen deze achtergrond moet de reactie van de school op het incident op 3 maart 2011 worden beoordeeld. Uit het verslag van mevrouw [begeleider 2] blijkt dat [leerling] op die dag zowel verbaal als fysiek agressief gedrag heeft vertoond jegens een medeleerling, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestond. Gelet op de voorgeschiedenis kan niet geoordeeld worden dat de school op basis van dit incident in redelijkheid niet tot het besluit van schorsing heeft kunnen komen. Voorts is gebleken dat [moeder] zich na de schorsing van [leerling] op een ongepaste wijze heeft uitgelaten ten opzichte van medeleerlingen van [leerling] en jegens [voorzitter]. Gelet op het gedrag van [leerling] en zijn moeder, acht de voorzieningenrechter het niet onbegrijpelijk of onredelijk dat de school [leerling] van school zal verwijderen. Dat volgens de ouders van [leerling] een aantal medewerkers van de school of ouders van medeleerlingen het niet eens zijn met het besluit tot schorsing en voorgenomen verwijdering van [leerling], maakt dit niet anders. De beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen berust immers bij het bevoegd gezag van de school.
4.11. Voorts is evenmin gebleken dat de school haar inspanningsverplichting heeft geschonden door niet te zoeken naar constructieve oplossingen. Gelet op het feit dat in verband met het onderwijs aan [leerling] een 'rugzakje' is toegekend, rust op de school een bijzondere zorgplicht. Voorshands is niet gebleken dat de school zich niet van deze bijzondere zorgplicht heeft gekweten. Uit de door de school overgelegde stukken (Acties qua hulp en een Overzicht (gedocumenteerde) maatregelen) is voorshands voldoende gebleken dat de school vanaf 2005 tot 2011 maatregelen heeft genomen teneinde [leerling] op school te kunnen handhaven. Zo heeft de school een vertrouwenspersoon ingeschakeld teneinde advies uit te brengen over de situatie van [leerling], is het gedrag van [leerling] tijdens een ouderavond besproken en hebben er voorts gesprekken tussen de school en de ouders van [leerling] plaatsgevonden. Voorts blijkt uit het een door de school overgelegde overzicht dat, anders dan de ouders van [leerling] hebben aangevoerd, de school ook voor het huidige schooljaar het persoonsgebonden budget voor [leerling] heeft aangevraagd. Voorts heeft de school gesteld dat dit budget deels is ingezet voor de splitsing van groep zeven in twee klassen. Dat [leerling] niet in een parallelklas is geplaatst, maakt overigens niet dat de school haar inspanningsverplichting heeft geschonden. Nu de problemen tussen [leerling] en medeleerlingen zich voornamelijk in de vrije ruimtes voordoen, is onvoldoende aannemelijk dat hierdoor een oplossing wordt bereikt met betrekking tot het gedrag van [leerling]. Daar komt nog bij dat de ouders van [leerling] het niet eens waren met de plaatsing van [leerling] in de parallelklas. Voorts heeft de school onbetwist gesteld dat de school niet de (financiële) middelen heeft om extra toezicht te houden in de vrije ruimtes. Voorshands is dan ook niet aannemelijk dat de school haar inspanningsverplichting heeft geschonden.
4.12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de school [leerling] heeft mogen verwijderen. Gelet hierop zullen de vorderingen van de ouders van [leerling] worden afgewezen.
4.13. De ouders van [leerling] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de school worden begroot op:
- griffierecht EUR 568,00
- salaris advocaat 816,00
Totaal EUR 1.384,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2. veroordeelt de ouders van [leerling] in de proceskosten, aan de zijde van de school tot op heden begroot op EUR 1.384,00,
5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K.M.E. Ritzen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.?