G/SH
vonnis 7 juli 2000
DE PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM, RECHTSPREKENDE IN KORT GEDING in de zaak:
rolnummer KG 00/1529G van:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN ALGEMENE ZAKEN, waaronder ressorteert de Rijksvoorlichtingsdienst), waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag,
e i s e r bij dagvaarding van 5 juli 2000,
procureur mr L.P. Broekveldt,
advocaat mr D. den Hertog te Den Haag,
t e g e n :
de besloten vennootschap MONSTERBOARD.NL, gevestigd te Amsterdam,
g e d a a g d e ,
gemachtigde mr J.A. Schuman te Utrecht.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE :
Ter terechtzitting van 6 juli 2000 heeft de Staat gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Monsterboard heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.
Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden producties en pleitnotities, overgelegd voor vonniswijzing.
GRONDEN VAN DE BESLISSING :
1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.
a. Monsterboard heeft vanaf 22 juni 2000 via de zenders Radio 1 en Sky Radio radiocommercials uitgezonden waarbij zij, ter aanprijzing van de eigen waar c.q. activiteiten (exploitatie van een internetsite waarbij onder meer werknemers kunnen zoeken naar nieuwe banen), met respectievelijk een kinderstem en een imitatiestem, H.M. Koningin Beatrix sprekend opvoert . De tekst van de commercial is als volgt: (…….)
b. H.M. Koningin Beatrix heeft geen toestemming verleend voor het gebruik van haar stem of hoogstpersoonlijke stemkenmerken, dictie, alsmede voor vermelding van haar naam en functie aan deze radiocommercial.
c. De Rijksvoorlichtingsdienst heeft bij brief van 22 juni 2000 Monsterboard gesommeerd de uitzending van de commercial te staken en gestaakt te houden. Monsterboard heeft niet aan deze sommatie voldaan.
2. De Staat vordert Monsterboard te veroordelen met ingang van 6 uur na de datum van uitspraak wervingsactiviteiten, waaronder het doen uitzenden van een radiocommercial waarin de naam van H.M. Koningin Beatrix en/of imitatie van haar stem voorkomt, te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van fl. 5.000,=.
3. De Staat stelt hiertoe dat het zonder toestemming verwijzen naar leden van het Koninklijk Huis in het kader van commerciële uitingen een inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer van de leden van het Koninklijk Huis en uit dien hoofde onrechtmatig is. Voorts heeft de Staat gesteld dat de Rijksvoorlichtingsdienst, onderdeel van het Ministerie van Algemene Zaken, bij Koninklijk Besluit van 3 december 1965, no. 554, de taak opgedragen heeft gekregen de publiciteitsaangelegenheden betreffende het Koninklijk Huis te verzorgen en dat in dat verband nader bij instructie de Minister-President bij beschikking van 21 december 1965, no. 165099, de Rijksvoorlichtingsdienst tot taak gegeven is de privésfeer van het hoofd en van de leden van het Koninklijk Huis te beschermen. Uit dien hoofde stelt de Staat in deze een belang te hebben.
4. Ter zitting heeft de Staat nog gewezen op artikel 6 lid 1 Wetboek van burgerlijke rechtsvorming. Hierin is bepaald dat de koning in zaken waarin hij als eiser optreedt, een gemachtigde zal aanwijzen ten wiens name het exploit zal geschieden en de zaak zal worden voortgezet. De Staat stelt dat dit in casu is geschied door haar aanwijzing als zodanige gemachtigde en Monsterboard heeft dit niet bestreden. De president gaat daarom van de juistheid van deze stelling uit en zal de Staat als bijzondere gemachtigde van het Staatshoofd in deze procedure ontvangen. Een onderzoek naar de inhoud van eerder genoemd KB in verband met de vraag of dit KB een dergelijke bijzondere machtiging bevat, kan daarom achterwege blijven.
5. Monsterboard bestrijdt dat haar commercial inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van het staatshoofd. Anders dan vroeger kunnen met name leden van het koninklijk huis minder snel een beroep doen op de bescherming van hun privacy. Zij verwijst hiervoor naar recente literatuur, een tweetal uitspraken van het College van Beroep van de Reclame Code Commissie en bepaalde t.v. programma’s. In casu is er geen sprake van een diskwalificerende context. Het privébelang wordt niet geraakt. Evenmin zal het publiek denken dat H.M. Koningin Beatrix daadwerkelijk heeft meegedaan aan de betreffende commercial. De zinsnede beoogt geen aanprijzing van de diensten van Monsterboard maar is een illustratie van het gegeven dat het leven kort is. Aldus samengevat het verweer van Monsterboard.
6. Bij de beoordeling van de stelling dat het gebruik van dictie, naam en de aanduiding "vorstin" in de omstreden radiocommercial als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd, zijn er twee omstandigheden die in het licht van het verweer bijzondere belichting behoeven. Het gaat hier om een gebruik in een openbare radioboodschap welke strekt ter promotie van commerciële activiteiten van Monsterboard, en ook om de persoon van het staatshoofd.
7. Uitgangspunt is dat in onze samenleving niemand het behoeft te dulden dat zijn persoonlijke karakteristieken tegen zijn wil worden gebruikt ter ondersteuning van commerciële activiteiten van een ander. Alleen al het bezwaar tegen het in het verband gebracht worden met een anders commerciële activiteiten vormt voldoende rechtvaardiging voor een rechterlijk verbod. Dit ongeautoriseerde gebruik door een ander vormt al een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.
8. Voor het staatshoofd geldt dit in nog veel sterkere mate. Uit hoofde van zijn positie in ons staatsbestel kan deze er gerede bezwaren tegen hebben dat elementen die specifiek verwijzen naar zijn persoon ongevraagd door een willekeurige onderneming "gebruikt" worden. Ook als het de luisteraar duidelijk is dat het staatshoofd geen persoonlijke medewerking heeft verleend, dan nog zal bij een aanmerkelijk deel van de luisteraars een al dan niet onbewuste associatie ontstaan tussen het staatshoofd en het betrokken product. Het behoort tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het staatshoofd, dat hij met vrucht hiertegen kan opkomen .
9. De opmerkingen van Monsterboard over radio-uitzendingen, waarin ZKH Prins Bernhard wordt geïmiteerd gaan langs de zaak heen. T.V.- en radio-uitzendingen, waaronder het genoemde "Spitting image", toneelstukken, boeken en andere kunstuitingen bevatten niet een element waarin de naam van de betrokken koninklijke persoon wordt gekoppeld aan een product of wordt gebruikt voor andere commerciële doeleinden. Het is dit ongeautoriseerde gebruik waartegen de Staat zich in deze zaak namens het staatshoofd keert.
10. Het adagium "hoge bomen vangen veel wind" mist in deze zaak betekenis. Het staatshoofd neemt in ons rechtsbestel een bijzondere plaats in en uit dien hoofde past een bijzondere bescherming tegen ongeautoriseerd gebruik en misbruik van hoogst persoonlijke kenmerken als stem en naam. Ook als in het algemeen persiflage, imitatie en commentaar op leden van het koningshuis, als ook een zeer grote mediale belangstelling voor alle facetten van hun leven, ruimer aan bod zouden moeten kunnen komen, dan nog kan dit geen aanleiding zijn om aan degenen die commerciële reclame maken, mogelijkheid te bieden om zich van persoonlijke karakteristieken van leden van het Koningshuis te bedienen.
11. Dit betekent dat de omstreden reclame-uiting jegens H. M. Koningin Beatrix als onrechtmatig wordt beoordeeld en aan de Staat de ingestelde verbodsactie kan worden toegewezen. De Staat heeft aangekondigd er van uit te gaan dat Monsterboard zich aan een door de president op te leggen verbod zal houden en heeft daarom een bescheiden dwangsom gevorderd. Monsterboard heeft dit weliswaar toegezegd maar tevens aangekondigd niet in staat te zijn om binnen zes uur de uitzendingen van de omstreden boodschap te kunnen stop zetten. Dit is voor de Staat geen aanleiding geweest de gevorderde dwangsom te verhogen. De president zal zich in het dictum dus tot deze dwangsom bepalen en overigens de termijn uitbereiden tot 12 uur, waarbinnen het gevraagde verbod moet worden gerealiseerd.
12. Monsterboard wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.
B E S L I S S I N G :
1. Veroordeelt Monsterboard om twaalf uur na de betekening van dit vonnis de radiocommercial waarin de naam van H.M. Koningin Beatrix en/of een imitatie van haar stem voorkomt, te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van ¦ . 5.000,= per keer dat Monsterboard hiermee in strijd handelt.
2. Veroordeelt Monsterboard in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 462,33 aan verschotten, waaronder ƒ 400,= wegens vastrecht en op ƒ 1.550,= aan salaris procureur.
3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
4. Wijst het meer of anders gevorderde af.
Gewezen door mr R.C. Gisolf, president der Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 7 juli 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.
Coll.: