In zijn verweerschrift in appel stelt de man zich niet te kunnen verenigen met de inhoud van het beroepschrift van de vrouw. De man gaat in zijn verweerschrift uit van toepassing van Iraans recht op de bruidsgave, waar hij stelt:
‘9. Volgens de Iraanse wet kan de vrouw geen bruidsschat van de man aannemen omdat partijen beiden Christenen waren ten tijde van het sluiten van het huwelijk. Iran is een moslimland en het is voor Christenen niet mogelijk om in Iran te trouwen op een andere wijze dan op basis van de daar geldende ‘moslim’ wet.
(…)
11. Vastgesteld moet worden dat partijen Christen zijn en een bruidsschat geldt alleen voor moslims. Artikel 6 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek bepaalt: “De wetten met betrekking tot persoonlijke status zoals huwelijk, echtscheiding, geschiktheid en erfenis zijn van toepassing op alle Iraanse burgers, zelfs als ze in het buitenland zijn.” Dat betekent dat als de vrouw een beroep wenst te doen op de huwelijksakte dit moet worden beoordeeld rekening houdend met de persoonlijke status van partijen, in dit geval het Christendom.
(…)
Echtscheiding
(…)
15. De rechtbank heeft bepaald dat nu de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond ten tijde van de indiening van het verzoekschrift, aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomst om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding, waarbij op grond van art. 10:56 BW Nederlands recht van toepassing wordt verklaard op de echtscheiding.
(…)
17. De rechtbank heeft in eerste aanleg bepaald dat nu de rechter op grond van de Brussel II-bis verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, hij tevens rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels.
18. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat ten aanzien van het toepasselijke recht op het verzoek van de vrouw, dit dient te worden beoordeeld naar Iraans recht, nu de aanspraak op die bruidsgave moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de aanspraak over de bruidsgave – voor zover doe [lees: die, A-G] bestaat – tot stand is gekomen.
19. De man begrijpt wel dat er rechtsregels zijn op basis waarvan de echtscheiding gereguleerd dient te worden, maar hij merkt hierbij op dat het niet juist is om de echtscheiding op grond van de Nederlandse wet uit te spreken en voorts ten aanzien van het huwelijksvermogensregime uit te gaan van Iraans recht. Immers, Nederland kent de mogelijkheid voor de vrouw om de echtscheiding aan te vragen, terwijl in Iran de echtscheiding alleen het recht van de man is. Volgens de Iraanse wet moet een vrouw een man gehoorzamen. Volgens Iraans recht is een Nederlandse rechtbank niet bevoegd om kennis te nemen van de echtscheiding, maar op basis van de internationale rechtsregels geldt dat een Nederlandse rechtbank wel de echtscheiding kan uitspraken [lees: uitspreken, A-G] op grond van Nederlands recht en voorts zou de Nederlandse rechter dan de man kunnen verplichten tot betaling van een bruidsschat, omdat de rechter op het huwelijksvermogensregime Iraans recht toepast. Er wordt in dat geval rekening gehouden met een deel van de Nederlandse wet en een deel van de Iraanse wet.
20. Als de Nederlandse rechter wil handelen in overeenstemming met de Iraanse wet kan de vrouw niet van de man scheiden. Volgens de Iraanse wet heeft alleen een man het recht om te scheiden en kan een vrouw alleen echtscheiding aanvragen als de man – zoals overigens ook in de door de vrouw ingediende akte is opgenomen – een van de navolgende situaties zich voordoet:
(…)
Vastgesteld moet worden dat de man geen van deze wetten heeft overtreden en dat de vrouw desondanks toch de echtscheiding heeft aangevraagd. De vrouw kan op basis van Iraans recht niet de echtscheiding aanvragen en haar vermeende bruidsgave opeisen.
(…)
24. De man is van mening dat de bruidsgave geen onderdeel is van het huwelijksvermogen en om die reden niet voor verdeling of toedeling in aanmerking komt. (…).’4 (mijn onderstrepingen, A-G).