Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:PHR:2024:174

Parket bij de Hoge Raad
16-02-2024
08-03-2024
23/02858
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1474
Burgerlijk procesrecht, Internationaal privaatrecht, Personen- en familierecht
-

Internationaal privaatrecht. Personen- en familierecht. Procesrecht. Verzoek afgifte bruidsgave; Iraans recht; miskenning devolutieve werking appel?; in hoger beroep verweer gevoerd tegen toepassing Iraans recht?; Nederlands recht o.g.v. art. 10:8 BW (exceptie nauwe betrokkenheid); motiveringsklachten.

Rechtspraak.nl
EB 2024/58

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/02858

Zitting 16 februari 2024

CONCLUSIE

P. Vlas

In de zaak

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

tegen

[de man]

(hierna: de man)

Deze zaak heeft betrekking op het verzoek tot betaling van een bruidsgave, waarop volgens de rechtbank het Iraanse recht van toepassing is. Het hof heeft geoordeeld dat het verzoek op grond van art. 10:8 BW (de exceptie van de nauwe betrokkenheid) beheerst wordt door Nederlands recht. De vrouw klaagt in cassatie dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend en dat onbegrijpelijk is dat het hof in het verweerschrift van de man een voldoende kenbaar beroep op het Nederlandse recht heeft gelezen. Tevens klaagt de vrouw over de toepassing van art. 10:8 BW.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1 De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd te [plaats] (Iran) op 24 januari 2010. Zij hebben de Iraanse nationaliteit.

1.2

Bij verzoekschrift van 16 oktober 2020 heeft de vrouw de rechtbank Rotterdam verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw heeft de rechtbank tevens – voor zover in cassatie relevant – verzocht om de vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 500,- per maand en de man te veroordelen tot afgifte van de bruidsgave, zijnde 500 Iraanse gouden Bahar Azadi munten.

1.3

Bij beschikking van 5 juli 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft tevens ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 438,- per maand. Met betrekking tot het verzoek van de vrouw dat ziet op de bruidsgave heeft de rechtbank geoordeeld dat dit moet worden beoordeeld naar Iraans recht, nu de aanspraak op de bruidsgave moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de aanspraak tot stand is gekomen. Nu het gaat om een naar Iraans recht gesloten huwelijk, dient het verzoek ten aanzien van de bruidsgave te worden beoordeeld naar Iraans recht (rov. 2.6.6). Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw haar stelling dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting de afspraak omtrent de bruidsgave hebben gemaakt, onvoldoende onderbouwd met verificatoire bescheiden. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw afgewezen (rov. 2.6.7-2.6.8).

1.4

Op 14 oktober 2021 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.5

De vrouw is van de beschikking in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag. De vrouw heeft het hof – kort gezegd – verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en zodanig te wijzigen dat de man wordt veroordeeld om de geldelijke waarde van de bruidsgave te betalen.

1.6

Bij tussenbeschikking van 21 december 2022 heeft het hof overwogen dat de Nederlandse rechter op grond van art. 4 lid 3, onder a, Rv rechtsmacht toekomt met betrekking tot het verzoek over de bruidsgave (rov. 5.1) en dat de rechtbank ten aanzien van het toepasselijke recht op dit verzoek heeft geoordeeld dat dit beoordeeld dient te worden naar Iraans recht, waartegen de vrouw noch de man een grief heeft gericht (rov. 5.2). Volgens het hof is, gelet op de stellingen van partijen, voldoende komen vast te staan dat partijen bij de huwelijkssluiting zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw 500 gouden Bahar Azadi munten als bruidsgave dient te voldoen, zoals in de huwelijksakte is overeengekomen (rov. 5.10). Gelet op wat partijen hebben aangevoerd en de specifieke omstandigheden van dit geval, zijn er gronden om Nederlands recht op het verzoek van de vrouw van toepassing te achten. Het hof heeft daartoe overwogen dat ingevolge art. 10:8 lid 1 BW het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, bij uitzondering buiten toepassing blijft, indien, gelet op alle bijzondere omstandigheden van het geval, kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. Het hof heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de volgende vragen: (1) bestaat, gelet op alle omstandigheden van dit geval, de veronderstelde nauwe band van de bruidsgave met Iraans recht slechts in geringe mate en bestaat er een veel nauwere band met Nederlands recht, en (2) welke gevolgen heeft de toepassing van Nederlands recht voor de beoordeling van het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave door de man? (rov. 5.13-5.14).

1.7

De man heeft op deze vragen van het hof gereageerd op 17 januari 2023 en de vrouw op 6 februari 2023.

1.8

Bij eindbeschikking van 10 mei 20232 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarin het verzoek van de vrouw ter zake van de bruidsgave is afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

‘2.2 (…) Ten aanzien van het toepasselijke recht dat ziet op het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave heeft de rechtbank geoordeeld dat dit beoordeeld dient te worden naar Iraans recht, nu de aanspraak op die bruidsgave moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de aanspraak over de bruidsgave tot stand is gekomen. De bruidsgave vloeit voort uit het door partijen in Iran gesloten huwelijk. De vrouw betoogt dat de man geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Iraans recht van toepassing is op de bruidsgave. Echter, de rechtbank heeft het verzoek van de vrouw, de man te veroordelen tot afgifte van 500 Iraanse gouden Bahar Azadi munten, afgewezen. De man behoefde dan ook geen incidenteel appel in te stellen, nu de man op dit punt geen andere beslissing van het hof verlangt en hoefde dan ook niet (expliciet) een grief te richten tegen dit oordeel van de rechtbank. Het hof is verder van oordeel dat het verweer van de man niet anders valt te begrijpen dan een betoog dat niet Iraans recht van toepassing moet zijn op dit verzoek. De man voert immers aan dat het niet juist is de echtscheiding op grond van Nederlands recht uit te spreken en voor het huwelijksvermogensregime uit te gaan van Iraans recht. Ook na de tussenbeschikking van het hof heeft de man zich in die zin uitgelaten.

2.3

De overeenkomst over de bruidsgave is tot stand gekomen ten tijde van de huwelijkssluiting. De vrouw vordert nu de betaling door de man van de bruidsgave. Voordat de echtscheidingsprocedure door de vrouw aanhangig is gemaakt heeft zij die bruidsgave niet opgeëist. Meermalen is over de bruidsgave geoordeeld dat dit een rechtsfiguur is met een geheel eigen karakter waardoor deze niet gelijk is te stellen aan de rechtsfiguur partneralimentatie dan wel een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. Het hof kwalificeert het verzoek van de vrouw, om de man te veroordelen om aan zijn verplichting tot betaling van de bruidsgave te voldoen, als een verplichting tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals die is vervat in de huwelijksakte.

2.4

In artikel 10:8 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, bij uitzondering buiten toepassing blijft, indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. In dat geval wordt dat andere recht toegepast.

2.5

Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek is met ingang van 1 januari 2012 (dus na de huwelijkssluiting van partijen) in werking getreden. De te dezen relevante bepalingen uit dat boek wijken echter inhoudelijk niet af van de voordien geldende wettelijke en jurisprudentiële regels. Vragen van overgangsrecht doen zich in dit geval dan ook niet voor.

2.6

Partijen zijn op 24 januari 2010 in Iran met elkaar gehuwd en hebben na de huwelijkssluiting enige tijd in Iran gewoond. De vrouw is vervolgens als vluchteling naar Nederland gekomen en op 1 november 2015 toegelaten. De man is ook naar Nederland gekomen – evenals de kinderen van de vrouw. Beide partijen hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ten tijde van het verzoek tot echtscheiding hadden beide partijen al geruime tijd hun gewone verblijfplaats in Nederland. Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding is bij de Nederlandse rechter ingediend. De vrouw heeft bij haar verzoek aangegeven uitdrukkelijk voor de toepassing van het Nederlands recht te kiezen. De rechtbank heeft op het verzoek tot echtscheiding en de daarbij verzochte nevenvoorzieningen Nederlands recht van toepassing verklaard. De vrouw heeft er voor gekozen de bruidsgave pas bij het einde van het huwelijk in Nederland op te eisen. Gelet op al deze omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe betrokkenheid van de Nederlandse rechtsorde. Het hof ziet daarin aanleiding om in dit specifieke geval Iraans recht buiten toepassing te laten en Nederlands recht op het verzoek van de vrouw tot nakoming van de verbintenis uit overeenkomst zoals vervat in de Iraanse huwelijksakte toe te passen.

Inhoudelijk

2.7

De man vindt het niet redelijk als hij wordt gehouden aan de nakoming van de overeenkomst, nu de vrouw partneralimentatie ontvangt en er geen financiële noodzaak voor de vrouw is om een beroep te doen op de destijds overeengekomen bruidsgave.

2.8

De vrouw is van mening dat haar aanspraak op de bruidsgave los gezien moet worden van haar aanspraak op partneralimentatie.

2.9

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:248 lid 1 BW heeft een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de redelijkheid en billijkheid voortvloeien. De redelijkheid en billijkheid kunnen voor partijen bij een overeenkomst bijkomende rechten en verplichtingen meebrengen, waarin de overeenkomst zelf niet direct voorziet (aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid). Dit is een kwestie van uitleg door de rechter van de tussen partijen bestaande overeenkomst.

2.10

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeengekomen bruidsgave naar haar aard is bedoeld om bescherming te bieden aan de financiële belangen van de vrouw zodat zij niet onverzorgd achter zal blijven na de huwelijkssluiting. Naar het oordeel van het hof voorziet de overeenkomst niet in de thans opgetreden omstandigheden, waarbij de vrouw in Nederland woont en hier bij het einde van het huwelijk aanspraak maakt op een uitkering én waarbij de Nederlandse rechter aan de vrouw, ten laste van de man, een uitkering tot levensonderhoud heeft toegekend. Deze beide aanspraken vormen een bron van inkomsten voor de vrouw en hebben het karakter van een financieel vangnet. Onder deze omstandigheden acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als de vrouw bovenop deze voorzieningen ook nog haar aanspraak jegens de man ter zake van de bruidsgave geldend kan maken.

2.11

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen. Dat betekent dat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal bekrachtigen, zij het met verbetering van gronden. Het hof komt derhalve aan de overige verweren niet meer toe.

2.12

Ten overvloede overweegt het hof dat het huwelijk van partijen naar Iraans recht in stand blijft en dat als de vrouw naar Iran zou terugkeren er mogelijk een andere situatie ter zake van de afwikkeling van de bruidsgave zal ontstaan.’

1.9

De vrouw heeft tegen de tussenbeschikking en de eindbeschikking van het hof cassatieberoep ingesteld. De man heeft verweer gevoerd en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft verweer gevoerd in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.

2 Bespreking van het principaal cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel valt uiteen in acht onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 klaagt in de kern genomen dat het hof in rov. 2.2 van de eindbeschikking en in rov. 5.2 van de tussenbeschikking de devolutieve werking van het appel onjuist heeft toegepast en heeft miskend dat de regel dat de man geen incidenteel beroep hoefde in te stellen alleen geldt voor zijn in eerste instantie aangevoerde en niet prijsgegeven stellingen. Subsidiair klaagt het onderdeel dat voor zover het hof in het verweer van de man bij de rechtbank een expliciet beroep heeft gelezen op de toepasselijkheid van Nederlands recht op de bruidsgave, dat onbegrijpelijk is in het licht van de processtukken in eerste aanleg.

2.3

Onderdeel 2 klaagt eveneens dat rov. 2.2 van de eindbeschikking onbegrijpelijk is, omdat in het verweerschrift van de man in redelijkheid geen voldoende kenbaar beroep op de toepasselijkheid van Nederlands recht valt te lezen, laat staan een voldoende gemotiveerd beroep op de aanvullende/beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals door het hof toegepast in rov. 2.9 van de eindbeschikking.

2.4

De beide onderdelen vertonen een zodanige samenhang dat zij gezamenlijk kunnen worden besproken. Hierna volgt een overzicht van hetgeen partijen in hun processtukken in feitelijke instanties hebben betoogd over het toepasselijke recht op het verzoek van de vrouw ter zake van de bruidsgave.

2.5

In het inleidende verzoekschrift heeft de vrouw afgifte van de bruidsgave verzocht en niets vermeld over het op de bruidsgave toepasselijke recht. In zijn verweerschrift heeft de man primair betwist dat partijen een bruidsgave zijn overeengekomen en heeft hij geen standpunt ingenomen over het op de bruidsgave toepasselijke recht. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de advocaat van de vrouw opgemerkt dat de bruidsgave een eigen karakter heeft en dat het een nevenvoorziening is die samenhangt met de echtscheiding. De advocaat van de man heeft daarop het volgende aangevoerd:

‘Het hangt er echt van af hoe de rechter de bruidsgave kwalificeert. Ik ben van mening dat het überhaupt niet aan de orde is. Maar er zijn heel veel uitspraken over. In de ene uitspraak wordt het gezien als verkapte partneralimentatie, maar in de andere als losse overeenkomst tussen partijen. Het moet niet als partneralimentatie worden gezien. Die wordt apart verzocht. Want dan had de vrouw het wel in dezelfde lijn meegenomen. Als het gaat om een overeenkomst is de vraag of het in deze zitting kan worden behandeld. Als het een afspraak is, dan moet er worden afgewikkeld volgens Iraans recht. De vrouw kan niet aantonen dat partijen dit hebben afgesproken. Als de vrouw een geldige huwelijksakte kan overleggen, kun je daar eens over nadenken, maar dit is een kopie waarvan we dan maar moeten aannemen dat het de huwelijksakte is. (…).’3 (mijn onderstreping, A-G).

2.6

In haar beschikking van 5 juli 2021 heeft de rechtbank in rov. 2.6.6 overwogen dat het verzoek van de vrouw tot teruggave van de bruidsgave moet worden beoordeeld naar Iraans recht. De vrouw heeft vervolgens in haar hoger beroepschrift één grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw haar stelling over de bruidsgave onvoldoende heeft onderbouwd met verificatoire bescheiden (rov. 2.6.8). De vrouw heeft in haar beroepschrift onder meer ter toelichting op de grief het volgende opgemerkt:

‘3. Van belang is dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zonder het afspreken van een bruidsgave het huwelijk tussen partijen niet eens tot stand kan komen daar het afspreken van een bruidsgave een verplicht onderdeel en vereiste is voor het tot stand komen van een geldig Iraans huwelijk.’

2.7

In zijn verweerschrift in appel stelt de man zich niet te kunnen verenigen met de inhoud van het beroepschrift van de vrouw. De man gaat in zijn verweerschrift uit van toepassing van Iraans recht op de bruidsgave, waar hij stelt:

‘9. Volgens de Iraanse wet kan de vrouw geen bruidsschat van de man aannemen omdat partijen beiden Christenen waren ten tijde van het sluiten van het huwelijk. Iran is een moslimland en het is voor Christenen niet mogelijk om in Iran te trouwen op een andere wijze dan op basis van de daar geldende ‘moslim’ wet.

(…)

11. Vastgesteld moet worden dat partijen Christen zijn en een bruidsschat geldt alleen voor moslims. Artikel 6 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek bepaalt: “De wetten met betrekking tot persoonlijke status zoals huwelijk, echtscheiding, geschiktheid en erfenis zijn van toepassing op alle Iraanse burgers, zelfs als ze in het buitenland zijn.” Dat betekent dat als de vrouw een beroep wenst te doen op de huwelijksakte dit moet worden beoordeeld rekening houdend met de persoonlijke status van partijen, in dit geval het Christendom.

(…)

Echtscheiding

(…)

15. De rechtbank heeft bepaald dat nu de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond ten tijde van de indiening van het verzoekschrift, aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomst om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding, waarbij op grond van art. 10:56 BW Nederlands recht van toepassing wordt verklaard op de echtscheiding.

(…)

17. De rechtbank heeft in eerste aanleg bepaald dat nu de rechter op grond van de Brussel II-bis verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, hij tevens rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels.

18. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat ten aanzien van het toepasselijke recht op het verzoek van de vrouw, dit dient te worden beoordeeld naar Iraans recht, nu de aanspraak op die bruidsgave moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de aanspraak over de bruidsgave – voor zover doe [lees: die, A-G] bestaat – tot stand is gekomen.

19. De man begrijpt wel dat er rechtsregels zijn op basis waarvan de echtscheiding gereguleerd dient te worden, maar hij merkt hierbij op dat het niet juist is om de echtscheiding op grond van de Nederlandse wet uit te spreken en voorts ten aanzien van het huwelijksvermogensregime uit te gaan van Iraans recht. Immers, Nederland kent de mogelijkheid voor de vrouw om de echtscheiding aan te vragen, terwijl in Iran de echtscheiding alleen het recht van de man is. Volgens de Iraanse wet moet een vrouw een man gehoorzamen. Volgens Iraans recht is een Nederlandse rechtbank niet bevoegd om kennis te nemen van de echtscheiding, maar op basis van de internationale rechtsregels geldt dat een Nederlandse rechtbank wel de echtscheiding kan uitspraken [lees: uitspreken, A-G] op grond van Nederlands recht en voorts zou de Nederlandse rechter dan de man kunnen verplichten tot betaling van een bruidsschat, omdat de rechter op het huwelijksvermogensregime Iraans recht toepast. Er wordt in dat geval rekening gehouden met een deel van de Nederlandse wet en een deel van de Iraanse wet.

20. Als de Nederlandse rechter wil handelen in overeenstemming met de Iraanse wet kan de vrouw niet van de man scheiden. Volgens de Iraanse wet heeft alleen een man het recht om te scheiden en kan een vrouw alleen echtscheiding aanvragen als de man – zoals overigens ook in de door de vrouw ingediende akte is opgenomen – een van de navolgende situaties zich voordoet:

(…)

Vastgesteld moet worden dat de man geen van deze wetten heeft overtreden en dat de vrouw desondanks toch de echtscheiding heeft aangevraagd. De vrouw kan op basis van Iraans recht niet de echtscheiding aanvragen en haar vermeende bruidsgave opeisen.

(…)

24. De man is van mening dat de bruidsgave geen onderdeel is van het huwelijksvermogen en om die reden niet voor verdeling of toedeling in aanmerking komt. (…).’4 (mijn onderstrepingen, A-G).

2.8

Met het oog op de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van de vrouw op 15 augustus 2022 vier USB-sticks overgelegd met daarop een video van de huwelijksvoltrekking. De advocaat van de man heeft op 23 augustus 2022 aan het hof een toelichting ter zake van het Iraanse recht toegestuurd met de mededeling dat daarop tijdens de mondelinge behandeling een beroep zal worden gedaan.

2.9

Deze mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2022. In dit proces-verbaal5 valt onder meer te lezen:

(de vrouw): ‘Belangrijk is het volgende. De voldoening van de bruidsgave moet worden beoordeeld naar Iraans recht.’ (p. 2)

(…)

‘De advocaat van de man: de vrouw haalt wat gunstig is er voor haar zelf uit. Zij heeft de rechtbank in Nederland om de echtscheiding verzocht. De man wilde niet scheiden, maar heeft uiteindelijk daarmee ingestemd. De man was in de veronderstelling dat alles naar Nederlands recht werd geregeld. Hij dacht dat er geen andere mogelijkheid was.

In Nederland gelden nu eenmaal andere rechten. De man staat er niet achter dat de vrouw de scheiding heeft aangevraagd en zich vervolgens beroept op de Islam. De vrouw maakt aanspraak op de bruidsgave na de echtscheiding. Ik verwijs naar de eerste akte. Als er geen echtscheiding komt, kan de vrouw geen aanspraak maken op de bruidsgave. Het is of/of en niet en/en.’ (p. 3)

(…)

‘De man: ons huwelijk was een formaliteit en is formaliteit. De vrouw wil hier de scheiding regelen omdat zij zeker weet dat zij daar in Iran geen recht op heeft. Volgens de Iraanse wet is de man verantwoordelijk voor het aanvragen van de echtscheiding. Dan betaal je bruidsgave. Als de vrouw de scheiding aanvraagt, heeft zij nergens recht op.’ (p. 5)

2.10

Het hof heeft vervolgens in zijn tussenbeschikking overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat partijen bij de huwelijkssluiting de bruidsgave zijn overeengekomen (rov. 5.10). Het hof heeft in rov. 5.11 het standpunt van de man weergegeven, die heeft gesteld dat op basis van Iraans recht de vrouw niet de echtscheiding kan verzoeken en de bruidsgave kan opeisen. Na weergave van het standpunt van de vrouw in rov. 5.12 heeft het hof in rov. 5.13 overwogen dat, gelet op wat partijen hebben aangevoerd, er gronden kunnen zijn om Nederlands recht (op basis van art. 10:8 BW) op het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave van toepassing te achten. Het hof heeft vervolgens partijen in de gelegenheid gesteld zich – kort gezegd – uit te laten over de vraag of in dit geval een veel nauwere band bestaat met Nederlands recht dan met het Iraanse recht, en welke gevolgen dit heeft voor de beoordeling van het verzoek tot betaling van de bruidsgave.

2.11

De man heeft zich op 17 januari 2023 over de vragen van het hof uitgelaten en onder meer het volgende aangevoerd:

Bruidsgave

Vastgesteld moet worden dat het ondertekenen van de Iraanse huwelijksakte, waarin de bruidsgave is opgenomen, voorwaarde is voor het aangaan van het huwelijk in Iran.(…). Kortgezegd: partijen waren Christen en de man heeft om het huwelijk te kunnen sluiten ingestemd met de bruidsgave ervan uitgaande dat zulks in de situatie van partijen niet aan de orde was.

Dan dient te worden beoordeeld of het voor de vrouw mogelijk is om in Nederland aanspraak te doen gelden op een bruidsgave waar zij naar Iraans recht geen recht op heeft. De man is van mening dat dit niet mogelijk is. In het Iraanse systeem is een (lees: het een, A-G] onlosmakelijk verbonden met het ander. Immers, indien de vrouw de bruidsgave opeist als gevolg van de scheiding en de man zou deze niet kunnen betalen, dan weigert hij in te stemmen met de scheiding. De vrouw kan in dat geval geen rechten doen gelden met betrekking tot de bruidsgave. De man is van mening dat de Nederlandse rechter deze beslissing dient over te laten aan de rechtbank in Iran.

Los van het feit dat de vrouw op basis van de islamitische wetgeving haar bruidsgave niet kan opeisen, geldt dat de bruidsschat van een vrouw haar recht is, zolang ze de religie van de islam volgt en onderworpen is aan de speciale wetten ervan. (…)

De man stelt zich primair op het standpunt dat de bruidsgave naar Nederlands recht niet geldig is en daarop in Nederland in rechte geen beroep kan worden gedaan. (…)’. (mijn onderstrepingen, A-G).

2.12

De vrouw heeft zich op 6 februari 2023 in haar reactie naar aanleiding van de tussenbeschikking op het standpunt gesteld dat, nu partijen geen grief hebben gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het toepasselijke recht op het verzoek tot betaling van de bruidsgave, het hof aan dit oordeel gebonden is.

2.13

Het hof heeft in rov. 2.2 van de eindbeschikking over het verzoek van de vrouw tot afgifte van de bruidsgave geoordeeld dat ‘het verweer van de man niet anders valt te begrijpen dan een betoog dat niet Iraans recht van toepassing moet zijn op dit verzoek’. In de laatste zin van rov. 2.2 heeft het hof overwogen: ‘Ook na de tussenbeschikking van het hof heeft de man zich in die zin uitgelaten’.

2.14

Uit de weergave van de processtukken in hoger beroep blijkt duidelijk dat de man niet een voldoende kenbaar beroep heeft gedaan op toepassing van Nederlands recht (althans niet Iraans recht) op het verzoek van de vrouw tot afgifte van de bruidsgave. De man heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep stellingen ingenomen die erop neerkomen dat Nederlands recht (althans niet Iraans recht) van toepassing is. Uit het verweerschrift in appel van de man en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de man met zijn opmerking ‘dat het niet juist is om de echtscheiding op grond van de Nederlandse wet uit te spreken en voorts ten aanzien van het huwelijksvermogensregime uit te gaan van Iraans recht’, heeft bedoeld dat de vrouw pas recht heeft op een bruidsgave indien de echtscheiding overeenkomstig de vereisten van Iraans recht heeft plaatsgevonden. Voor zover de man in zijn brief van 17 januari 2023 wél de bovengenoemde stelling zou hebben ingenomen, moet die stelling wegens strijdigheid met de tweeconclusieregel buiten beschouwing worden gelaten. Die stelling is immers niet te beschouwen als een nadere precisering of uitwerking van een eerder ingenomen stelling. Daarmee slaagt de motiveringsklacht van onderdeel 2.

2.15

Onderdeel 1 klaagt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft geschonden. Volgens het onderdeel was het hof gebonden aan het oordeel van de rechtbank over de toepasselijkheid van Iraans recht op de bruidsgave, nu tegen dit oordeel geen grief was gericht.

2.16

Het onderdeel stelt in de kern de kwestie aan de orde of in deze zaak de vraag naar het toepasselijke recht binnen de rechtsstrijd van partijen in hoger beroep kan worden gebracht wanneer de man in zijn verweerschrift in hoger beroep verweer voert tegen het door de rechtbank van toepassing geachte recht. Het antwoord op deze vraag kan in deze zaak buiten beschouwing blijven, omdat – zoals uit de bespreking van onderdeel 2 volgt – de man een dergelijk verweer in hoger beroep niet voldoende kenbaar heeft gevoerd. Bij deze stand van zaken behoeft onderdeel 1 geen bespreking en faalt het bij gebrek aan belang.

2.17

Gelet op het slagen van onderdeel 2, behoeven de overige onderdelen 3 t/m 7 evenmin bespreking.

2.18

Onderdeel 8 bevat een veegklacht. Gelet op het slagen van onderdeel 2, slaagt ook deze klacht.

2.19

Geheel ten overvloede veroorloof ik mij nog een korte opmerking over onderdeel 4, waarin aan de orde wordt gesteld dat het hof heeft miskend dat art. 10:8 BW niet van toepassing is in het geval dat een verdrag van toepassing is en dat het hof niet heeft gemotiveerd welke conflictregel van toepassing is.

2.20

Art. 10:8 BW bevat een algemene exceptie die geldt voor alle verwijzingsregels van Boek 10 BW die zijn gebaseerd op het beginsel van de nauwe verbondenheid. De exceptie wordt ambtshalve toegepast, maar partijen moeten gelegenheid krijgen zich daarover uit te laten.6 Dat laatste heeft het hof in zijn tussenbeschikking gedaan. Art. 10:8 BW luidt als volgt:

‘1. Het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, blijft bij uitzondering buiten toepassing, indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. In dat geval wordt dat andere recht toegepast.

2. Lid 1 is niet van toepassing in geval van een geldige rechtskeuze van partijen.’

2.21

Art. 10:8 BW is een exceptieclausule in strikte zin, waarbij de rechter in uitzonderlijke omstandigheden de mogelijkheid heeft om de rechtsverhouding te onderwerpen aan het recht waarmee zij het nauwst is verbonden, zulks in afwijking van het recht dat door de conflictregel wordt aangewezen en met welk recht een geringere mate van verbondenheid bestaat. Voor de toepassing van deze exceptie is uitsluitend plaats in die gevallen dat de in Boek 10 BW opgenomen conflictregel berust op de veronderstelde nauwe band met het door de conflictregel aangewezen recht. Een conflictregel die is opgenomen in een verdrag of in een verordening kan niet opzij worden gezet door de in art. 10:8 BW opgenomen algemene exceptie.7 Deze exceptieclausule kan ook niet worden toegepast wanneer partijen een geldige rechtskeuze zijn overeenkomen (lid 2).

2.22

Het hof heeft in zijn eindbeschikking het verzoek van de vrouw inzake de bruidsgave gekwalificeerd als een verplichting tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals die is vervat in de huwelijksakte (rov. 2.3). Vervolgens heeft het hof gewezen op art. 10:8 BW (rov. 2.4) en op basis van verschillende omstandigheden geoordeeld dat sprake is van een nauwe betrokkenheid van de Nederlandse rechtsorde. Het hof heeft daarin aanleiding gezien om Iraans recht buiten toepassing te laten en Nederlands recht op het verzoek van de vrouw tot nakoming van de verbintenis uit overeenkomst zoals vervat in de Iraanse huwelijksakte toe te passen (rov. 2.6). Het hof heeft in het midden gelaten op grond van welke conflictregel Iraans recht van toepassing is. Voor zover het hof heeft gemeend dat het voor de toepassing van de exceptieclausule van art. 10:8 lid 1 BW geen verschil maakt op basis van welke conflictregel wordt bepaald welk recht toepasselijk is op de bruidsgave, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Deze exceptieclausule mag immers uitsluitend het verwijzingsresultaat corrigeren van conflictregels die zijn opgenomen in Boek 10 BW en die berusten op de veronderstelde nauwe band met het door de conflictregel aangewezen recht. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat aan de toepassingsvereisten van art. 10:8 BW is voldaan, is dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.

2.23

De slotsom is dat het principaal cassatieberoep slaagt.

3 Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel

3.1

Het incidenteel cassatiemiddel is ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 1 van het principaal cassatieberoep slaagt. Nu onderdeel 1 van het principaal cassatieberoep faalt bij gebrek aan belang, behoeft het incidenteel cassatiemiddel niet te worden besproken.

4 Conclusie

De conclusie strekt in het principaal cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.2 van de tussenbeschikking van het hof Den Haag van 21 december 2022.

2 ECLI:NL:GHDHA:2023:1067.

3 Verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling met gesloten deuren van de rechtbank Rotterdam, gehouden op 7 juni 2021, p. 2.

4 Verweerschrift van de man d.d. 7 februari 2022 (processtuk nr. 7 van het A-dossier, processtuk nr. 8 van het B-dossier).

5 Het proces-verbaal ontbreekt zowel in het procesdossier van de man als in dat van de vrouw, maar is op mijn verzoek door tussenkomst van de griffie van de Hoge Raad bij de advocaten van partijen en bij het hof opgevraagd en op 8 februari 2024 ontvangen.

6 Th.M. de Boer/L. Strikwerda, Algemene leerstukken, in: F. Ibili (red.), Nederlands internationaal personen- en familierecht (R&P nr. PFR3) 2022, hoofdstuk 2, par. 4.3 (p. 45).

7 Kamerstukken II 2009-2010, 32137, nr. 3, p. 18 (MvT). Zie ook P. Vlas, IPR en BW (Mon. BW nr. A27), 2015/33; Asser/Vonken 10-I 2023/428.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.