Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:PHR:2023:1044

Parket bij de Hoge Raad
17-11-2023
01-12-2023
23/00879
Belastingrecht
-

Uitgelokte naheffingsaanslagen parkeerbelasting in samenwerking tussen gemachtigde en belanghebbende, op basis waarvan een veelheid van procedures wordt gestart waarin om dwangsommen wegens niet-tijdig beslissen, proceskostenvergoedingen en vergoedingen wegens immateriële schade door overschrijding van termijnen wordt gevraagd. Misbruik van procesrecht?

Feiten: De belanghebbende heeft twee auto’s waarmee hij structureel en opzettelijk op allerlei plekken deels op een betaald-parkeren-plaats parkeert en deels op de stoep. Hij doet dat naar hij zegt omdat hij geen zin heeft om parkeerbelasting te betalen. Dat is onbegrijpelijk, nu hij immers wel degelijk grotendeels op een betaald-parkeren-plaats parkeert en zich bovendien blootstelt aan foutparkeerboeten. De verklaring voor zijn gedrag en standpunt is dat zijn met hem samenspannende gemachtigde art. 225(2) Gemeentewet heeft gelezen waarin staat dat parkeren is het doen of laten staan van een voertuig op voor openbaar verkeer openstaande plekken waar dat niet is verboden. Op basis van de stelling dat deels verboden parkeren daarom geen betaald parkeren is, lokken zij tientallen procedures uit met het oog op het verkrijgen van dwangsommen wegens niet-tijdig beslissen, proceskostenvergoedingen en vergoedingen van veronderstelde immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

Het Hof overwoog in navolging van de Rechtbank dat de bevoegdheid om beroep in te stellen niet kan worden ingeroepen voor zover die bevoegdheid wordt misbruikt (art. 3.13 en art. 3.15 BW) en dat voor niet-ontvankelijk verklaren van een rechtsmiddel wegens misbruik zwaarwichtige gronden vereist zijn, zoals zodanig evident gebruik zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe die middelen gegeven zijn, dat dat gebruik blijk geeft van kwade trouw. Een vast patroon van handelen kan leiden tot constatering van misbruik, evenals het ontbreken van een aanvaardbare verklaring voor een gekozen handelwijze. De belanghebbende heeft stelselmatig naheffingsaanslagen parkeerbelasting uitgelokt, nu hij en zijn gemachtigde een veelheid aan procedures starten waarbij zij een format uitrollen van gelijkluidende beroepsgronden en bezwaar- en beroepschriften, waarbij steeds uitstel van betaling wordt gevraagd, geen enkele naheffingsaanslag wordt betaald en elke overschrijding van een beslistermijn leidt tot ingebrekestelling en een verzoek om dwangsomvergoeding. Hoewel al hun inhoudelijke beroepsgronden ongegrond worden verklaard, zetten zij alle procedures onverkort door. Het Hof constateerde dat de Hoge Raad in HR BNB 2022/77 in één van de vele identieke sjabloonprocedures van deze belanghebbende en gemachtigde duidelijk heeft gemaakt dat parkeerbelasting (uiteraard) ook verschuldigd is als een auto slechts deels is geparkeerd op een voor betaald parkeren aangewezen plaats. Desondanks heeft de belanghebbende de hogere beroepen niet ingetrokken, maar in alle zaken doorgeprocedeerd, nog steeds stellingen innemende die al ongegrond zijn verklaard. Hieruit blijkt volgens het Hof dat het de belanghebbende niet (meer) kan gaan om een oordeel over het standpunt dat geen parkeerbelasting verschuldigd zou zijn en deze omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat de belanghebbende naheffingsaanslagen parkeerbelasting uitlokt en er stelselmatig tegen procedeert met geen ander doel dan het genereren van inkomsten in de vorm van proceskostenvergoedingen, dwangsommen en immateriële schadevergoedingen. Ook de kennelijke no cure, no pay basis van werken kan volgens het Hof een aanwijzing zijn voor misbruik van procesrecht. Het Hof concludeert dat het niet om een in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke relatie tussen belanghebbende en gemachtigde gaat, maar om een samenwerkingsverband gericht op het genereren van inkomsten, waarbij de vraag of de aangevochten naheffingsaanslagen vernietigd worden, van ondergeschikt belang is. Het Hof achtte zodanig evident dat de bevoegdheid om rechtsmiddelen in te stellen in alle zaken zonder redelijk doel is gebruikt dat kwade trouw is gebleken.

De belanghebbende stelt in cassatie dat het Hof ten onrechte misbruik van procesrecht heeft aangenomen omdat (i) gemakshalve is gekozen voor een algemene volmacht, (ii) de wijze van parkeren vrijstaat voor belanghebbende als weggebruiker, (iii) het feit dat het om vele procedures gaat niet meebrengt dat sprake is van misbruik, (iv) strak op de beslistermijnen zitten geen misbruik is, (v) de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat civielrechtelijke rechtsmiddelen zijn aangewend tegen de invorderingshandelingen, (vi) als er al misbruik is, dat misbruik niet kan worden aangenomen bij de rechtsmiddelen tegen invorderings-handelingen, en (vii) er geen no cure, no pay afspraken zijn gemaakt. Ook heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat de naheffingen zijn uitgelokt. De keuze om op karakteristieke wijze te parkeren, telkens in strijd met een bepaling uit het RW1990, is juist ingegeven om géén naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd te krijgen en in het handelen van de belanghebbende en de gemachtigde kan immers geen verdienmodel liggen als een naheffingsaanslag rechtmatig is opgelegd. De belanghebbende kan niet vooraf weten of heffings- en invorderingsambtenaren onrechtmatig handelen door beslistermijnen te negeren of onterecht vervolgingskosten in rekening te brengen hoewel is verzocht om uitstel van betaling. Ook voor de invorderingsprocedure geldt dat geen kostenvergoeding, dwangsom of schadevergoeding verkrijgbaar is als alles tijdig en rechtmatig verloopt. Ook daarin zit dus geen (voorzienbaar) verdienmodel. De belanghebbende acht tenslotte niet relevant – gelet op het forfaitaire systeem – of hij er al dan niet financieel beter van wordt.

A-G Wattel meent dat wat er zij van de pleitbaarheid van dit standpunt vóór het wijzen van HR BNB 2022/77, ná het wijzen ervan geen twijfel meer mogelijk is dat het evident kansloos is. Evidente kansloosheid van de eis is, als het ook voor de eiser zelf duidelijk moet zijn dat zijn eis kansloos is, grond voor het oordeel dat misbruik van procesrecht wordt gemaakt. Hetzelfde geldt voor het gebruik van rechtsmiddelen evident voor andere doelen dan waarvoor zij gegeven zijn. Het Hof heeft volgens de A-G voorbeeldig gemotiveerd geoordeeld dat uitgesloten moet worden geacht dat het de belanghebbende nog zou kunnen gaan om een rechterlijk oordeel over zijn reeds verworpen standpunt en dat de vastgestelde feiten geen andere conclusie toelaten dan dat hij naheffingsaanslagen parkeerbelasting uitlokt en daartegen stelselmatig procedeert met geen ander doel dan het genereren van inkomsten uit publieke middelen. De A-G merkt op dat het bij het vaststellen van misbruik van procesrecht vooral gaat om een elephant test (moeilijk te omschrijven, maar als je er een ziet, herken je hem meteen). Hij meent dat de olifant, gegeven ’s Hofs feitelijke vaststellingen, zich in casu wel heel prominent en onmiskenbaar in zowel het gezichtsveld als de kamer bevindt. Hij acht het cassatieberoep dus ongegrond.

Een vergelijkbaar geval van structurele samenspanning tot misbruik van procesrecht tussen gemachtigde en belanghebbenden bij een groot aantal procedures met het oog op een parasitair verdienmodel - in dat geval misbruik van WOB-verzoeken - was voor de Afdeling (ABRvS AB 2018/291) voldoende grond om in te stemmen met de weigering van die gemachtigde als procesvertegenwoordiger (art. 2:2 Awb). De A-G geeft de Hoge Raad daarom in overweging de gemachtigde mee te delen dat als hij nog eens langs komt met een van zijn vele samen met de belanghebbende uitgelokte sjabloon-zaken waarvan de kansloosheid evident is, hij ex art. 8:25 Awb voor een aan te geven periode zal worden geweigerd als gemachtigde in cassatie, uiteraard naast niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens cassatieberoep wegens misbruik van procesrecht.

Verder geef de A-G de Hoge Raad in overweging om de heffings- en invorderingsambtenaren van de betrokken gemeenten uit te nodigen te berichten welke kosten zij hebben moeten maken in verband met de behandeling van de bezwaren, de beroepen, de hogere beroepen en de cassatieberoepen in deze zaken en de belanghebbende wegens diens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht van ambtswege op basis van art. 7:15(1) Awb te veroordelen tot vergoeding van die kosten, al dan niet volgens een te bepalen forfait per bestuursorgaan en per rechterlijke instantie.

Conclusie: cassatieberoep ongegrond; belanghebbende veroordelen in de proceskosten.

Rechtspraak.nl
NDFR Nieuws 2023/1722
V-N Vandaag 2023/2871
NTFR 2023/2237 met annotatie van mr. T.A.D. van Wordragen
Belastingblad 2024/27 met annotatie van
NLF 2024/0093 met annotatie van Wendy Nent
V-N 2024/3.21 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD) 2023120101
FutD 2023-3060

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/00879

Datum 17 november 2023

Belastingkamer B

Onderwerp/tijdvak Parkeerbelasting

Nrs. Gerechtshof 21/00570 t/m 21/00597, 21/00855, 21/00345 en 21/00346

Nrs. Rechtbank 19/6772, 19/6773, 19/5651, 19/5652, 19/6774, 19/6775, 20/36, 20/4814, 19/4522 en 19/4523

CONCLUSIE

P.J. Wattel

In de zaak van

[X]

tegen

Belastingsamenwerking West-Brabant c.s.

1 Overzicht

1.1

De belanghebbende is eigenaar van twee auto’s waarmee hij structureel en opzettelijk op allerlei plekken deels op een betaald-parkeren-plaats en deels op de stoep parkeert. Hij doet dat naar hij zegt omdat hij geen zin heeft om parkeerbelasting te betalen. Dat is een onbegrijpelijk standpunt, nu hij immers wel degelijk, zij het niet volledig, op een betaald-parkeren-plaats parkeert en hij zich aldus mede blootstelt aan verkeersboeten. De verklaring voor zijn gedrag en standpunt is dat zijn met hem samenspannende gemachtigde art. 225(2) Gemeentewet heeft gelezen, waar in staat dat onder parkeren in de zin van die wet wordt verstaan het doen of laten staan van een voertuig op binnen de gemeente gelegen voor openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Op basis van de stelling dat verboden parkeren daarom geen betaald parkeren is, lokken de belanghebbende en zijn gemachtigde tientallen procedures uit met het oog op het verkrijgen van dwangsommen wegens niet-tijdig beslissen, proceskostenvergoedingen en vergoedingen van veronderstelde immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

1.2

Het Hof Den Bosch overwoog in navolging van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat uit art. 3.13 en art. 3.15 BW volgt dat de bevoegdheid om bij de belastingrechter beroep in te stellen niet kan worden ingeroepen voor zover die bevoegdheid wordt misbruikt en dat voor niet-ontvankelijk verklaren van een rechtsmiddel wegens misbruik zwaarwichtige gronden vereist zijn, zoals zodanig evident gebruik zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe die middelen gegeven zijn, dat dat gebruik blijk geeft van kwade trouw. Een patroon van handelen, als vaste werkwijze, kan leiden tot constatering van misbruik van procesrecht, aldus het Hof. Ook het ontbreken van een aanvaardbare verklaring voor een gekozen handelwijze kan duiden op misbruik van procesrecht. Het hof onderschreef de conclusie van de Rechtbank dat de belanghebbende stelselmatig naheffingsaanslagen parkeerbelasting heeft uitgelokt, nu de belanghebbende en zijn gemachtigde bij het uitrollen van hun format gelijkluidende beroepsgronden en bezwaar- en beroepschriften gebruiken en een veelheid aan procedures starten, waarbij steeds uitstel van betaling wordt gevraagd, geen enkele naheffingsaanslag wordt betaald en elke overschrijding van een beslistermijn leidt tot ingebrekestelling en een verzoek om dwangsomvergoeding. Hoewel al hun inhoudelijke beroepsgronden ongegrond worden verklaard, zetten zij alle procedures onverkort door.

1.3

Het Hof constateerde dat u in HR BNB 2022/77 in één van de vele identieke sjabloonprocedures van deze belanghebbende en gemachtigde duidelijk heeft gemaakt dat parkeerbelasting (uiteraard) ook verschuldigd is als een auto slechts deels is geparkeerd op een voor betaald parkeren aangewezen plaats. Desondanks heeft de belanghebbende de hogere beroepen niet ingetrokken, maar in alle zaken doorgeprocedeerd, nog steeds stellingen innemende die u ongegrond heeft verklaard. Hieruit blijkt volgens het Hof dat het de belanghebbende niet (meer) kan gaan om een oordeel over het standpunt dat geen parkeerbelasting verschuldigd is als half op het trottoir wordt geparkeerd en deze omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat de belanghebbende naheffingsaanslagen parkeerbelasting uitlokt en er stelselmatig tegen procedeert met geen ander doel dan het genereren van inkomsten in de vorm van proceskostenvergoedingen, dwangsommen en immateriële schadevergoedingen. Ook de kennelijke no cure, no pay basis van werken kan volgens het Hof een aanwijzing zijn voor misbruik van procesrecht.

1.4

Het Hof heeft op die basis geoordeeld dat het niet om een in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke relatie tussen belanghebbende en gemachtigde gaat, maar om een samenwerkingsverband gericht op het genereren van inkomsten, waarbij de vraag of de aangevochten naheffingsaanslagen vernietigd worden, van ondergeschikt belang is. Het Hof achtte zodanig evident dat de bevoegdheid om rechtsmiddelen in te stellen in alle zaken zonder redelijk doel is gebruikt dat kwade trouw is gebleken.

1.5

De belanghebbende stelt in cassatie dat het Hof ten onrechte misbruik van procesrecht heeft aangenomen omdat (i) gemakshalve is gekozen voor een algemene volmacht, (ii) de wijze van parkeren vrijstaat voor belanghebbende als weggebruiker, (iii) het feit dat het om vele procedures gaat niet meebrengt dat sprake is van misbruik, (iv) strak op de beslistermijnen zitten geen misbruik is, (v) de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat civielrechtelijke rechtsmiddelen zijn aangewend tegen de invorderingshandelingen, (vi) als al sprake is van misbruik van recht door het parkeren op deze wijze, dan kan dat misbruik niet worden aangenomen ter zake van de rechtsmiddelen tegen de invorderingshandelingen, en (vii) geen sprake is van no cure, no pay tussen de gemachtigde en belanghebbende. Verder heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat de naheffingen zijn uitgelokt. De keuze om op karakteristieke wijze te parkeren, telkens in strijd met een bepaling uit het RW1990, is juist ingegeven om géén naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd te krijgen. Niets wijst er op dat de belanghebbende in bezwaar en beroep is gegaan met een ander doel dan waarvoor de bezwaar- en beroepsprocedures bestaan. Daarin ligt immers geen verdienmodel als de naheffingsaanslag rechtmatig is opgelegd. De belanghebbende kan niet van tevoren weten of heffings- en invorderingsambtenaren onrechtmatig handelen door beslistermijnen te negeren of onterecht vervolgingskosten in rekening te brengen hoewel is verzocht om uitstel van betaling. Ook bij de invorderingsprocedure geldt dat geen kostenvergoeding, dwangsom of schadevergoeding verkrijgbaar is als alles tijdig en rechtmatig verloopt. Ook daarin zit dus geen (voorzienbaar) verdienmodel. De belanghebbende acht tenslotte niet relevant – gelet op het forfaitaire systeem – of hij er onderaan de streep al dan niet financieel beter van wordt.

1.6

In HR BNB 2022/771 oordeelde u:

“3.2 Artikel 225, lid 2, Gemeentewet bepaalt – kort gezegd – dat onder parkeren in de zin van die wet wordt verstaan het doen of laten staan van een voertuig op binnen de gemeente gelegen voor openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Hierin ligt besloten dat parkeerbelasting ook is verschuldigd in een geval als dit, waarin het voertuig zo staat geparkeerd dat het zich weliswaar gedeeltelijk bevindt op een plaats waar dat is verboden, maar voor het overige op een voor betaald parkeren aangewezen plaats. In zo’n geval bevindt het voertuig zich immers voor dat overige op een plaats waar het laten staan niet is verboden. Wanneer die plaats op de voet van artikel 225 Gemeentewet is aangewezen voor betaald parkeren, is voor dat gebruik van die plaats parkeerbelasting verschuldigd. De door de middelen verdedigde uitleg vindt ook geen steun in de parlementaire geschiedenis van dit artikellid (…). Volgens die parlementaire geschiedenis is bedoeld te voorkomen dat voor bepaalde plaatsen waar het verboden is te parkeren, ook parkeerbelasting (na)geheven zou kunnen worden. Dit betekent dat een plaats waar niet mag worden geparkeerd, niet door een gemeente kan worden aangewezen als plaats waar voor het parkeren belasting verschuldigd is.

3.3

Anders dan de middelen betogen, kan in een geval als dit dus niet slechts een sanctie wegens de overtreding van een parkeerverbod worden opgelegd. (…).”

1.7

Wat er zij van de pleitbaarheid van dit standpunt vóór het wijzen van dit arrest, ná het wijzen ervan is geen spoor van twijfel meer mogelijk dat het door de belanghebbende en zijn gemachtigde ingenomen standpunt volstrekt kansloos is.

1.8

Evidente kansloosheid van de eis is, als het ook voor de eiser zelf duidelijk moet zijn dat zijn eis kansloos is, grond voor het oordeel dat misbruik van procesrecht wordt gemaakt. Hetzelfde geldt voor het gebruik van rechtsmiddelen evident voor andere doelen dan waarvoor zij gegeven zijn. Het Hof heeft mijns inziens voorbeeldig gemotiveerd geoordeeld dat uitgesloten moet worden geacht dat het de belanghebbende nog zou kunnen gaan om een rechterlijk oordeel over zijn reeds verworpen standpunt en dat de vastgestelde feiten geen andere conclusie toelaten dan dat hij naheffingsaanslagen parkeerbelasting uitlokt en daartegen stelselmatig procedeert met geen ander doel dan het genereren van inkomsten uit proceskostenvergoedingen, dwangsommen en immateriële schadevergoedingen.

1.9

Bij het vaststellen van misbruik van procesrecht gaat het vooral om een elephant test: het beest is niet zo makkelijk te omschrijven zonder te verwijzen naar elementen die alleen dat beest kenmerken en die juist omschreven moeten worden, maar als je het ziet, herken je het meteen. Ik zou menen dat de olifant, gegeven ’s Hofs feitelijke vaststellingen, in dit geval wel heel duidelijk, prominent en onmiskenbaar in zowel ons gezichtsveld als uw kamer zit.

1.10

Ik acht het cassatieberoep daarom ongegrond.

1.11

Een vergelijkbaar geval van structurele samenspanning tot misbruik van procesrecht tussen gemachtigde en belanghebbenden bij een groot aantal procedures met het oog op een parasitair verdienmodel - in dat geval misbruik van WOB-verzoeken - was voor de Afdeling Bestuursrechtspraak voldoende grond om in te stemmen met de weigering van die gemachtigde als procesvertegenwoordiger op basis van art. 2:2 Awb (ABRvS AB 2018/291).

1.12

Ik geef u daarom in overweging de gemachtigde mee te delen dat als hij nog eens langs komt met een van zijn vele door hem met zijn belanghebbende uitgelokte sjabloon-zaken waarvan de kansloosheid zeker na HR BNB 2022/77 evident is, hij ex art. 8:25 Awb voor een door u aan te geven periode zal worden geweigerd als gemachtigde in cassatie, uiteraard naast niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens cassatieberoep wegens misbruik van procesrecht.

1.13

Verder geef ik u in overweging om de heffings- en invorderingsambtenaren van de betrokken gemeenten uit te nodigen u te berichten welke kosten zij hebben moeten maken in verband met de behandeling van de bezwaren, de beroepen, de hogere beroepen en de cassatieberoepen in deze zaken en de belanghebbende wegens diens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht van ambtswege op basis van art. 7:15(1) Awb te veroordelen tot vergoeding van die kosten, al dan niet volgens een door u te bepalen forfait per bestuursorgaan en per rechterlijke instantie.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

De belanghebbende is eigenaar van twee auto’s met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] waarmee hij op allerlei plekken structureel opzettelijk deels op een betaald-parkerenplaats en deels op de stoep parkeert. Het Hof heeft zijn parkeergedrag en de oordelen van de betrokken rechtbanken in de daardoor veroorzaakte procedures als volgt weergegeven:

Gemeente Breda (zaken 21/00570 tot en met 21/00575)

2.2.

Op 25 juni 2019 en 26 juni 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Breda geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond aan de [a-straat] te Breda. De auto stond beide keren met twee rechterwielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 64,10), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft die bezwaren bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

2.3.

De invorderingsambtenaar heeft op 29 juli 2019 aanmaningen gestuurd naar belanghebbende, waarbij de verschuldigde bedragen zijn vermeerderd met € 7,00 aanmaningskosten. Op 8 november 2019 heeft de invorderingsambtenaar twee dwangbevelen uitgevaardigd aan belanghebbende, waarbij de verschuldigde bedragen zijn vermeerderd met € 42,00 betekeningskosten. De tegen die invorderingskosten gerichte bezwaren heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

Gemeente Tilburg (zaken 21/00576 en 21/00577)

2.4.

Op 27 juni 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Tilburg geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond aan de [b-straat] te Tilburg. De auto stond met twee rechterwielen op het trottoir dan wel in de openbare beplantingen. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 63,00), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

2.5.

Op 20 januari 2020 heeft de invorderingsambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd aan belanghebbende, waarbij het verschuldigde bedrag is vermeerderd met€ 43,00 betekeningskosten. In een uitspraak op bezwaar heeft de invorderingsambtenaar het tegen die kosten gerichte bezwaar ongegrond verklaard, maar heeft de invorderingsambtenaar de betekeningskosten ingetrokken.

Gemeente Oisterwijk (zaken 21/00578 tot en met 21/00581)

2.6.

Op 8 juli 2019 en 9 juli 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Oisterwijk geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond aan de [c-straat] te Oisterwijk. De auto stond op beide dagen met twee linkerwielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 62,20), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft die bezwaren bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

2.7.

De invorderingsambtenaar heeft op 12 augustus 2019 aanmaningen gestuurd naar belanghebbende, waarbij de verschuldigde bedragen zijn vermeerderd met € 7,00 aanmaningskosten. De tegen die invorderingskosten gerichte bezwaren heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

Gemeente Vlissingen (21/00582)

2.8.

Op 22 juli 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Vlissingen geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond aan de [k-straat] te Vlissingen. De auto stond gedeeltelijk op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 64,70), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Gemeente Goes (21/00583 tot en met 21/00591)

2.9.

Op 23 juli 2019, 24 juli 2019 en 25 juli 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Goes geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond aan de [d-straat] te Goes. De auto stond met één rechterwiel op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 55,20), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft die bezwaren bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

2.10.

De invorderingsambtenaar heeft op 26 augustus 2019 drie aanmaningen gestuurd naar belanghebbende, waarbij de verschuldigde bedragen zijn vermeerderd met € 7,00 aanmaningskosten. Op 8 november 2019 heeft de invorderingsambtenaar drie dwangbevelen uitgevaardigd aan belanghebbende, waarbij de verschuldigde bedragen zijn vermeerderd met € 42,00 betekeningskosten. De tegen die invorderingskosten gerichte bezwaren heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

Gemeente Sluis (21/00592)

2.11.

Op 27 juli 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Sluis geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond aan de [e-straat] te Sluis. De auto stond met twee linkerwielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 62,70), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Gemeente Roosendaal (21/00593 tot en met 21/00595)

2.12.

Op 2 augustus 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Roosendaal geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond aan de [f-straat] te Roosendaal. De auto stond met twee rechterwielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 64,20), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

2.13.

De invorderingsambtenaar heeft op 2 september 2019 een aanmaning gestuurd naar belanghebbende, waarbij het verschuldigde bedrag is vermeerderd met € 7,00 aanmaningskosten. Op 8 november 2019 heeft de invorderingsambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd aan belanghebbende, waarbij het verschuldigde bedrag is vermeerderd met € 42,00 betekeningskosten. De tegen die invorderingskosten gerichte bezwaren heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

Gemeente Bergen op Zoom (21/00596 en 21/00597)

2.14.

Op 12 november 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Bergen op Zoom geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond aan de [g-straat] te Bergen op Zoom. De auto stond met twee rechterwielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 60,40), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

2.15.

De invorderingsambtenaar heeft op 9 december 2019 een aanmaning gestuurd naar belanghebbende, waarbij het verschuldigde bedrag is vermeerderd met € 7,00 aanmaningskosten. Het tegen die invorderingskosten gerichte bezwaar heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

2.16.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de beroepen in de hiervoor genoemde zaken niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van procesrecht en belanghebbende veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant.

Gemeente ’s-Hertogenbosch (21/00855)

2.17.

Op 19 december 2019, 20 december 2019 en 21 december 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente ’s-Hertogenbosch geconstateerd dat het voertuig met het kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond op een parkeerplaats aan de [i-straat] te 's-Hertogenbosch. De auto stond gedeeltelijk op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (elk ter hoogte van € 64,20), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

2.18.

De rechtbank Oost-Brabant heeft het beroep ongegrond verklaard.

Gemeente Heerlen (BsGW) (21/00345 en 21/00346)

2.19.

Op 7 en 8 november 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Heerlen geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken 2] geparkeerd stond aan de [j-straat] te Heerlen. De auto stond beide keren met twee wielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 64,50), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan.

2.20.

Belanghebbende heeft op 6 december 2019 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen.

2.21.

Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 25 februari 2020 in gebreke gesteld

wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren.

2.22.

Tijdens de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar alsnog op 24 maart 2020 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

2.23.

De rechtbank Limburg heeft het beroep gegrond verklaard voor zover de beroepen zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit, de verbeurde dwangsom vastgesteld op € 276, de heffingsambtenaar in de proceskosten veroordeeld tot een bedrag van € 267. Het beroep is ongegrond verklaard met betrekking tot de uitspraak op bezwaar.”

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2

2.2

Deze Rechtbank heeft zich in de eerste acht zaken ambtshalve afgevraagd of de belanghebbende en de gemachtigde misbruik maakten van hun bevoegdheid om beroep in te stellen bij de belastingrechter. Zij overwoog dat uit de art. 3:13 en 3:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de bevoegdheid om beroep in te stellen niet kan worden ingeroepen als zij wordt misbruikt, maar dat voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij de belastingrechter ingesteld rechtsmiddel wegens rechtsmisbruik zwaarwichtige gronden vereist zijn. Zij achtte die gronden onder meer aanwezig als een recht of bevoegdheid zodanig evident zonder redelijk doel wordt gebruikt of zodanig evident voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat dat gebruik blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten is op zichzelf in het algemeen nog geen misbruik, maar wel kan het aantal malen dat een recht of bevoegdheid wordt gebruikt in combinatie met andere omstandigheden tot de conclusie voeren dat dat recht of die bevoegdheid wordt misbruikt.3 Zo’n andere omstandigheid kan zijn het gedrag van de belanghebbende voorafgaand aan en tijdens de besluitvormingsfase.4

2.3

De Rechtbank achtte de volgende omstandigheden van belang: de belanghebbende heeft zijn auto op 25, 26, 27 juni, 8, 9, 22, 23, 24, 25 en 27 juli, 2 augustus en 12 november 2019 op een parkeervak neergezet met steeds één of twee wielen op het trottoir of de trottoirband. Uit foto’s blijkt dat dit niet nodig was omdat de parkeervakken ruim genoeg waren. De belanghebbende heeft op de zitting verklaard dat hij zijn auto zo neerzette omdat hij geen parkeergeld wilde betalen. De heffingsambtenaar van de gemeente Vlissingen heeft ter zitting verklaard dat belanghebbendes auto op een grote parkeerplaats stond waar de eerste drie uur parkeren gratis waren als een parkeerkaartje uit de automaat werd gehaald. Als het belanghebbende alleen maar te doen was om geen parkeerbelasting te betalen, had hij zo’n kaartje kunnen trekken. De belanghebbende verklaarde verder dat hij zijn auto in 2019 in heel Nederland met wielen op de stoep heeft geparkeerd. Zijn gemachtigde verklaarde dat hij de aan de belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting heeft aangevochten en dat zij in veel gevallen zijn vernietigd. De gemachtigde verklaarde desgevraagd dat in ongeveer 30 beroepszaken uitspraak was gedaan door verschillende rechtbanken en dat er nog procedures liepen.

2.4

De rechtbank constateerde dat de belanghebbende zijn auto in 2019 minstens 40 keer door heel Nederland met een of twee wielen op de stoep heeft neergezet en dat zijn gemachtigde in alle daarover gevoerde procedures heeft gesteld dat hij door zijn auto zo neer te zetten niet ‘geparkeerd’ zou hebben zoals bedoeld in art. 225(2) Gemeentewet en de lokale parkeerbelastingverordeningen omdat hij daarmee art. 10 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 overtrad. De belanghebbende heeft dus steeds bewust zijn auto deels op het trottoir geparkeerd en een verkeersboete ad € 95 geriskeerd om dit argument te kunnen aanvoeren tegen de te verwachten naheffingsaanslagen parkeerbelasting; hij heeft dit gedaan om oplegging van naheffingsaanslagen parkeerbelasting uit te lokken, aldus de Rechtbank.

2.5

De Rechtbank constateerde verder dat de belanghebbende en zijn gemachtigde na ontvangst van een naheffingsaanslag een format uitrollen dat alle besluiten van de betrokken heffings- en de invorderingsambtenaren aanvecht met grotendeels gelijkluidende beroepsgronden en bezwaar- en beroepschriften. Zij starten aldus een veelheid aan procedures. Standaard wordt in elk bezwaarschrift uitstel van betaling gevraagd. Geen enkele naheffingsaanslag wordt betaald. Elke overschrijding van een beslistermijn leidt meteen tot ingebrekestelling en een verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Invorderingshandelingen worden zowel civielrechtelijk als bestuursrechtelijk aangevochten. Ondanks de ongegrondverklaringen van de inhoudelijke (hoger) beroepsgronden zetten zij al die procedures onverkort door.

2.6

Daaruit blijkt volgens de Rechtbank een vaste samenwerking tussen de belanghebbende en zijn gemachtigde op basis van een algemeen geformuleerde machtiging die de gemachtigde machtigt om voor de belanghebbende op te treden inzake (in de toekomst) opgelegde bestuurlijke boetes, (belasting)aanslagen en overige bestuursrechtelijke zaken.

2.7

De Rechtbank zag hierin aanwijzingen dat misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot het instellen van beroep.5 Een aanwijzing daarvoor achtte zij ook dat de procedures door de gemachtigde worden gevoerd op basis van no cure, no pay.6 De gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat hij normaliter inderdaad op no cure no pay basis werkt, maar stelde dat hij voor deze procedures een uurloon zou hebben afgesproken. De Rechtbank achtte dat niet aannemelijk omdat hij ter zitting moest toegeven dat hij de belanghebbende nog geen enkele factuur heeft gestuurd hoewel de procedures al lopen sinds 2019.

2.8

De Rechtbank constateerde verder dat de 28 bij haar aanhangige beroepsprocedures van deze gemachtigde en belanghebbende terug te voeren waren op 12 naheffingsaanslagen parkeerbelasting uit 2019, alle opgelegd omdat de belanghebbende zijn auto deels op een fiscaal parkeervak en deels op het trottoir had geparkeerd zonder parkeerbelasting te betalen. Geen van die 12 naheffingsaanslagen is betaald. In alle zaken zijn gelijkluidende beroepsgronden ingediend, alle machtigingen zijn algemeen geformuleerd en in geen van die zaken zijn de financiële afspraken tussen de belanghebbende en zijn gemachtigde duidelijk gemaakt. Wel duidelijk is dat de belanghebbende en zijn gemachtigde nog veel meer procedures hebben gevoerd, voortkomend uit minstens 30 in identieke omstandigheden opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting. De Rechtbank concludeerde dat de belanghebbende en zijn gemachtigde intensief samenwerken.

2.9

In deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, zag de Rechtbank zwaarwichtige gronden voor de conclusie dat de belanghebbende en zijn gemachtigde de bevoegdheid tot instellen van beroep gebruiken voor het genereren van beroepsprocedures met het oog op inning van proceskostenvergoedingen en dwangsommen. Die bevoegdheid wordt daarmee volgens de Rechtbank evident gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Zij heeft daarom geoordeeld dat de gemachtigde en de belanghebbende misbruik maken van hun recht op beroep en heeft de beroepen daarom niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft de belanghebbende veroordeeld in de kosten die de heffings- en invorderingsambtenaren ter zake van de beroepen hebben moeten maken, maar alleen de reiskosten retour openbaar vervoer Etten-Leur - Breda (€ 6,20) kwamen in aanmerking voor vergoeding.

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch 7

2.10

Voor het Hof was in de zaken 21/00570 t/m 21/00597 in geschil of de Rechtbank Zeeland-West-Brabant de beroepen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens misbruik van recht.

2.11

In zaak 21/00855 (Rechtbank Oost-Brabant) was in geschil of de naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht zijn opgelegd, en in de zaken 21/00345 en 21/00346 (Rechtbank Limburg) waren daarnaast ook de proceskostenvergoeding, de wettelijke rente, het griffierecht en de dwangsommen in geschil. Het Hof heeft zich daarnaast ook in deze drie zaken van ambtswege afgevraagd of de belanghebbenden en zijn gemachtigde misbruik van procesrecht hebben gemaakt.

2.12

Ook het Hof overwoog dat uit art. 3.13 en art. 3.15 BW volgt dat de bevoegdheid om bij de belastingrechter beroep in te stellen niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt en dat voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij de belastingrechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist zijn, zoals zodanig evident gebruik van rechtsmiddelen zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat dat gebruik blijk geeft van kwade trouw. Min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten is in het algemeen op zichzelf nog geen misbruik van recht, maar het aantal malen dat een recht of bevoegdheid wordt gebruikt kan in combinatie met andere omstandigheden tot de bevinding van misbruik van recht voeren. Een patroon van handelen, als vaste werkwijze, kan aldus leiden tot constatering van misbruik van procesrecht, aldus het Hof.8 Ook het ontbreken van een aanvaardbare verklaring voor een gekozen handelwijze kan volgens het Hof duiden op misbruik van procesrecht.9

2.13

Het hof onderschreef de conclusie van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de belanghebbende stelselmatig naheffingsaanslagen parkeerbelasting heeft uitgelokt. Hij trok die conclusie ook in de zaken 21/00855 (rechtbank Oost-Brabant), 21/00345 en 21/00346 (rechtbank Limburg). Hij achtte de volgende omstandigheden van belang: de belanghebbende en zijn gemachtigde gebruiken bij het uitrollen van hun format grotendeels gelijkluidende beroepsgronden en bezwaar- en beroepschriften en starten een veelheid aan procedures. Standaard wordt uitstel van betaling gevraagd. Geen enkele naheffingsaanslag wordt betaald. Elke overschrijding van een beslistermijn leidt meteen tot ingebrekestelling en vervolgens een verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Ondanks alle ongegrondverklaringen van hun inhoudelijke beroepsgronden zetten zij de procedures onverkort door. Deze werkwijze is ook in de zaken voor de rechtbanken Limburg en Oost-Brabant gevolgd. Ook de door de belanghebbende genoemde uitspraak van het Hof Amsterdam van 28 oktober 202110 toont deze werkwijze van deze belanghebbende en gemachtigde. Het hof zag een patroon van handelen en bezag de onderhavige zaken daarom niet slechts op zichzelf.11

2.14

Het Hof constateerde dat u op 22 maart 2022 in één van de vele identieke sjabloonprocedures van deze belanghebbende en gemachtigde duidelijk heeft gemaakt dat parkeerbelasting (uiteraard) ook verschuldigd is als een auto slechts deels is geparkeerd op een voor betaald parkeren aangewezen plaats.12 Daaruit blijkt de onjuistheid van belanghebbendes stelling dat in die omstandigheden geen parkeerbelasting verschuldigd zou zijn. Desondanks heeft de belanghebbende zijn hogere beroepen niet ingetrokken, maar in alle zaken doorgeprocedeerd, nog steeds stellingen innemende die u ongegrond heeft verklaard. Ook de nader bij het Hof ingenomen stelling dat de naheffingen in strijd zouden zijn met het legaliteitsbeginsel is in die cassatieprocedure al ingenomen, maar vergeefs.13 Hieruit blijkt volgens het Hof dat het de belanghebbende niet (meer) kan gaan om een oordeel over het standpunt dat geen parkeerbelasting verschuldigd is als half op het trottoir wordt geparkeerd.

2.15

Deze omstandigheden kunnen volgens het Hof tot geen andere conclusie leiden dan dat de belanghebbende naheffingsaanslagen parkeerbelasting uitlokt en daartegen stelselmatig procedeert met geen ander doel dan het genereren van inkomsten in de vorm van proceskostenvergoedingen, dwangsommen en immateriële schadevergoedingen. Een andere aanvaardbare verklaring ontbreekt. De stelling dat de belanghebbende parkeerbelasting wilde besparen, achtte het Hof ongeloofwaardig. Om dat beweerdelijke en financieel bescheiden doel te bereiken heeft hij immers willens en wetens bij herhaling zijn auto verkeerd neergezet, wat hem juist steeds blootstelde aan financiële lasten die een veelvoud zijn van de niet-betaalde parkeerbelasting, nl. naheffingsaanslagen, administratieve sancties, griffierechten, en – naar eigen zeggen – de kosten van zijn gemachtigde. Veelzeggend acht het Hof dat de belanghebbende ook in Vlissingen, waar hij tot drie uur gratis kon parkeren, opzettelijk zonder gratis kaartje deels op het trottoir is gaan staan, terwijl die parkeerplaats 150 parkeervakken heeft op slechts vier waarvan fout kan worden geparkeerd zoals de belanghebbende fout heeft geparkeerd. De blote stelling dat hij daar meer dan drie uur zou hebben moeten zijn, doet daar volgens het Hof niet aan af.

2.16

Ook het werken op basis van no cure, no pay kan volgens het Hof een aanwijzing zijn voor misbruik van procesrecht omdat de gemachtigde daarmee een eigen financieel belang heeft bij procedures. Omgekeerd betekent dat niet dat als gesteld wordt dat geen no cure, no pay afspraak is gemaakt, zich reeds daarom geen misbruik van procesrecht zou kunnen voordoen.

2.17

Ook andere omstandigheden in de (financiële) relatie en de samenwerking tussen een belanghebbende en zijn gemachtigde kunnen volgens het Hof een aanwijzing zijn voor misbruik van procesrecht. In casu acht hij het volgende van belang: uit de website van de gemachtigde en zijn verklaring op de zitting blijkt dat hij verkeersboetes aanvecht op basis van no cure, no pay. Een bevredigende verklaring waarom in casu niet op die basis zou zijn gewerkt, heeft hij niet gegeven. Op de zitting bij de Rechtbank heeft hij verklaard dat hij een vast samenwerkingsverband met de belanghebbende heeft. Daarop duidt volgens het Hof ook de door de belanghebbende aan hem afgegeven algemene machtiging. Uit de verklaring van de gemachtigde daarvoor dat van de belanghebbende niet gevergd kan worden dat hij voor elke procedure naar het kantoor van de gemachtigde komt om een machtiging te tekenen, blijkt dat de belanghebbende en de gemachtigde er ten tijde van het tekenen van de algemene machtiging op 9 mei 2019 al vanuit gingen dat veel procedures gevoerd zouden worden. Het Hof acht aannemelijk dat daarover van te voren afspraken zijn gemaakt. De belanghebbende woont niet ver van het kantoor van de gemachtigde, zodat machtiging in individuele zaken niet veel gevergd lijkt. Bij de Rechtbank heeft de gemachtigde verder verklaard dat hij geen facturen had verstuurd aan de belanghebbende. Het Hof acht dat ongebruikelijk; de procedures liepen toen immers al anderhalf jaar. Bij het Hof heeft de gemachtigde wel gesteld inmiddels facturen tot € 15.000 te hebben verstuurd, maar ook verklaard dat die nog niet alle zijn betaald. Ook dat acht het Hof ongebruikelijk; de procedures liepen op dat moment immers al drie jaar. Dat de gemachtigde kennelijk bereid is om af te zien van (tijdige) betaling en de belanghebbende om kosten voor een gemachtigde te maken die in geen enkele verhouding staan tot de parkeerkosten die hij zegt te willen vermijden, kan volgens het Hof niet anders worden verklaard dan door hun verwachting inkomsten te genereren in de vorm van proceskostenvergoedingen, dwangsommen en vergoedingen van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Ook het feit dat in alle zaken wordt doorgeprocedeerd ondanks het voor hun centrale stelling fatale arrest in één van hun zaken, kan volgens het Hof alleen daardoor worden verklaard. Zouden de kosten van de procedures daadwerkelijk op de belanghebbende drukken, dan zou doorprocederen niet in de rede liggen. Daarbij merkt het Hof op dat de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg onweersproken heeft gesteld dat naar aanleiding van een verzoek om uitstel van betaling diverse stukken zijn opgevraagd waaruit blijkt dat de belanghebbende leeft van een minimuminkomen waaruit de gestelde rekeningen van een gemachtigde onmogelijk betaald kunnen worden.

2.18

Het Hof heeft op die basis geoordeeld dat het niet om een in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke relatie tussen belanghebbende en gemachtigde gaat, maar om een samenwerkingsverband gericht op het genereren van inkomsten, waarbij de vraag of de aangevochten naheffingsaanslagen vernietigd worden, van ondergeschikt belang is. Dat niet een no-cure-no-pay afspraak niet is komen vast te staan, staat volgens hem niet in de weg aan het aannemen van misbruik van procesrecht. Het Hof achtte zodanig evident dat de bevoegdheid om rechtsmiddelen in te stellen in alle zaken zonder redelijk doel is gebruikt dat kwade trouw is gebleken. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft daarom terecht geoordeeld dat de belanghebbende misbruik van procesrecht heeft gemaakt en het Hof heeft daarom van ambtswege ook in de zaken 21/00855 (rechtbank Oost-Brabant), 21/00345 en 21/00346 (rechtbank Limburg) geoordeeld dat misbruik van procesrecht is gemaakt. De overige vragen en overige stellingen van belanghebbende behoefden dan geen behandeling meer.

2.19

Het Hof heeft de beroepen tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-Wet-Brabant ongegrond verklaard en de beroepen in de andere zaken alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Hij heeft geen griffierecht doen vergoeden omdat het procesrecht werd misbruikt en hij zag om dezelfde reden evenmin aanleiding voor enige veroordeling van de ambtenaren in de proceskosten, die immers niet redelijkerwijs zijn gemaakt.

3 Het geding in cassatie

3.1

De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld in alle zaken die door het Hof zijn behandeld. Zijn gemachtigde stelt twee cassatiemiddelen voor in alle zaken:

(i) het Hof heeft ten onrechte misbruik van procesrecht aangenomen omdat:

“- Gemakshalve is gekozen voor een algemene volmacht (gelet op de veelheid aan

procedures);

- De wijze van parkeren vrijstaat voor belanghebbende als weggebruiker;

- Het feit dat sprake is van vele procedures niet meebrengt dat sprake is van misbruik;

- Het feit dat belanghebbende strak op de beslistermijnen zit niet meebrengt dat sprake is

van misbruik;

- Geen civielrechtelijke rechtsmiddelen zijn aangewend tegen de invorderingshandelingen

(zoals de rechtbank heeft geoordeeld);

- Als al sprake is van misbruik van recht (door het parkeren op deze wijze) dan kan dat

misbruik niet worden aangenomen ten aanzien van de rechtsmiddelen die zijn aangewend

tegen de invorderingshandelingen; en

- Geen sprake is van no cure, no pay tussen de gemachtigde en belanghebbende.”

3.2 (

(ii) het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat de naheffingen zijn uitgelokt. De keuze om op karakteristieke wijze te parkeren, telkens in strijd met een bepaling uit het RW1990, is juist ingegeven om géén naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd te krijgen. Niets wijst er op dat de belanghebbende in bezwaar en beroep is gegaan met een ander doel dan waarvoor de bezwaar- en beroepsprocedures in het leven zijn geroepen. Daarin ligt immers ook geen verdienmodel als de naheffingsaanslag parkeerbelasting rechtmatig is opgelegd. De belanghebbende kan niet van tevoren weten of heffings- en invorderingsambtenaren onrechtmatig handelen door beslistermijnen te negeren of onterecht vervolgingskosten in rekening te brengen hoewel is verzocht om uitstel van betaling. Ook voor de invorderingsprocedure geldt dat er geen ruimte is voor een kostenvergoeding, dwangsom of schadevergoeding als alles tijdig en rechtmatig verloopt. Ook daarin zit dus geen (voorzienbaar) verdienmodel. De belanghebbende acht niet relevant of hij er – gelet op het forfaitaire systeem – onderaan de streep al dan niet financieel beter van is geworden.

3.3

Namens vijf van de betrokken gemeenten is verweer gevoerd dat inhoudt dat de belanghebbende niets nieuws stelt en verwezen wordt naar de namens die gemeenten voor het Hof ingediende stukken, c.q. dat de uitspraak van het Hof volledig wordt onderschreven.

4 De regels

Misbruik van bevoegdheid

4.1

Art. 3:13 BW luidt:

“1. Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

2. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

3. Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.”

4.2

Art. 3:15 BW verklaart art. 3:13 BW ook buiten het vermogensrecht van toepassing, dus ook in het belasting(proces)recht:

“De artikelen 11-14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.”

4.3

Het tweede lid van art. 3:13 BW noemt niet-limitatief drie gevallen van misbruik van bevoegdheid. Er zijn dus ook andere gevallen van bevoegdheidsmisbruik, aldus ook de parlementaire geschiedenis van deze bepaling:14

“Zo wordt in de rechtspraak nogal eens als maatstaf gebezigd of voor het uitoefenen van de bevoegdheid een redelijk belang aanwezig was (…), een maatstaf die lijkt op die van artikel 3.11.8 (thans art. 303, red), dat voor de vraag of iemand een rechtsvordering toekomt, de eis stelt van ‘voldoende’ belang. Tegen deze achtergrond verdient het geen aanbeveling in artikel 3.1.1.14 (thans: art. 13, red) de mogelijkheid van verdere ontwikkelingen geheel af te snijden. Het tweede lid bepaalt daarom thans in welke gevallen in ieder geval van misbruik sprake is, maar sluit niet uit dat de rechtspraak dit daarnaast nog in andere gevallen gaat aannemen.”

4.4

Stein ziet de functie van de bepaling met name in voorkoming van onzekerheid over de criteria voor misbruik van bevoegdheid, omdat aan de rechtspraak van vóór de invoering van Boek 3 BW geen duidelijk misbruikcriterium viel te ontlenen. De bepaling voorziet de praktijk van een passende beoordelingsmaatstaf.15

4.5

De toelichting Meijers op het ontwerp van art. 3:13 BW vermeldt:16

“(Men) bedenke men wel dat in het burgerlijk recht niet iedere bevoegdheid voor een bepaald doel is gegeven. Bovendien kan wel de wetgever bij het geven van een bevoegdheid een bepaald doel hebben voor ogen gestaan, zonder dat nochtans behoeft aangenomen te worden, dat de wet de bevoegdheid uitsluitend voor dat doel heeft verleend.”

4.6

Stein meent dat het criterium ‘zonder redelijk belang’ in de (civielrechtelijke) praktijk vrijwel onbruikbaar is door de bewijsproblemen die het meebrengt, nu er volgens hem vrijwel altijd wel een of ander min of meer redelijk belang valt aan te wijzen.17

Misbruik van bevoegdheid in het bestuursprocesrecht

4.7

Uit art. 3:15 BW volgt dat het verbod op misbruik van bevoegdheid ook in het bestuurs(proces)recht geldt voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Mogelijk daarom is dat verbod niet ook opgenomen in de Awb of de AWR. Wel kennen die beide wetten de categorie ‘kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht’. Zo bepaalt art. 6:15(3) Awb:

“3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.”

En art. 8:75(1) Awb bepaalt dat de bestuursrechter een natuurlijke persoon alleen in de proceskosten kan veroordelen in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht:

“1. De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.”

4.8

Hoewel de Awb de term ‘kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht’ gebruikt, volgt uit de parlementaire geschiedenis van die wet dat de wetgever daarmee misbruik van procesrecht bedoelde:18

“De regering verwacht dat de administratieve rechter in de regel de burger slechts in gevallen van misbruik van procesrecht in de kosten zal veroordelen (nota naar aanleiding van het eindverslag, p. 45). Mede om de drempel naar de administratieve rechter niet te hoog te maken moet ook het procesrisico voor de burger niet te groot worden. Voorgesteld wordt dan ook, om genoemde verwachting als uitgangspunt in de wet vast te leggen. Gekozen is voor de formulering zoals gesuggereerd door de Minister van Justitie in de UCV d.d. 14 juni 1993.”

Uit het verslag van de in het citaat genoemde UCV (uitgebreide commissievergadering) volgt dat Minister van Justitie Hirsch Ballin de term ‘kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht’ voorstelde om de zware term ‘misbruik van procesrecht’ met juridische connotatie te vermijden. Het Kamerlid Jurgens wees de Minister er op dat iets wat kennelijke onredelijk is, toch misbruik is. Desalniettemin is de term van de Minister gekozen, die dus hetzelfde betekent als misbruik:19

“Minister Hirsch Ballin: (…) Ik wil hierover nog even een gedachte van mij aan de Kamer voorleggen. (…). Misbruik van procesrecht, van procesrechtelijke bevoegdheid is een wat ontkrachtend zware drempel om de reden die ik net aanvoerde.20 Bij mij kwam de vraag op of je kunt zeggen dat een proceskostenveroordeling van een natuurlijk persoon op haar plaats is bij een kennelijk onredelijk gebruik van de procesrechtelijke bevoegdheid. Ik geef dit als suggestie mee. Daarmee wordt de zware term met juridische connotatie vermeden dat het eigenlijk allemaal niet kan.

De heer Jurgens (PvdA): Iets wat kennelijk onredelijk is, is toch misbruik?

De heer Wolffensperger (D66): Ik vind het heel goed dat de minister dit naar voren brengt. Mag ik constateren dat de minister met die formulering tegen het amendement minder bezwaar heeft dan in de huidige formulering?

Minister Hirsch Ballin: Zo is dat!

De heer Wolffensperger (D66): Ik zal dit in mijn overwegingen betrekken.”

4.9

Art. 27e(2) AWR tenslotte bepaalt dat als de belastingrechter het beroep tegen een informatiebeschikking ongegrond verklaart, hij een nieuwe termijn stelt voor het alsnog voldoen aan de verzaakte informeringsverplichtingen:

“tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.”

Is daarvan sprake, dan wordt de informatiebeschikking definitief en staat vast dat de adressaat niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, hetgeen tot omkering van de bewijslast in de bodemprocedure leidt. Volgens de parlementaire geschiedenis van art. 27e(2) AWR is niet snel sprake van misbruik, maar doet het zich bijvoorbeeld voor bij evident kansloos bezwaar of beroep om tijd te winnen of om de fiscus te hinderen in zijn controletaak:21

“Opgemerkt moet worden dat van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht niet snel sprake zal zijn. Te denken valt aan bezwaar en/of beroepprocedures die evident kansloos zijn maar niettemin welbewust worden gevoerd om tijd te winnen of om de Belastingdienst te hinderen bij zijn controletaak. Indien dergelijke bedoelingen blijken, is er naar het oordeel van de indieners geen aanleiding om de informatieplichtige nogmaals in de gelegenheid te stellen om te voldoen aan een rechtmatig informatieverzoek.”

Ook hieruit volgt dat misbruik van procesrecht in elk geval détournement de pouvoir omvat in de vorm van gebruik van procesbevoegdheid voor geen redelijk doel, waaronder een vexatoir doel, of duidelijk voor een ander doel dan waarvoor het recht is gegeven.

5 Rechtspraak

De burgerlijke rechter

5.1

In verband met het recht op toegang tot de rechter is uw eerste kamer terughoudend in het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Zij overwoog als volgt in de zaak Duka/Achmea:22

“5.1 De hiervoor in 3.2 omschreven reconventionele vordering van Achmea komt erop neer dat Duka de onderhavige procedure zonder grond tegen haar heeft aangespannen en daarom gehouden is alle door Achmea in verband met deze procedure gemaakte kosten te vergoeden. Naar het hof terecht heeft geoordeeld, is deze vordering alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (rov. 11). Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.”

5.2

Van der Wiel (dissertatie 2004)23 concludeerde dat de omstandigheden van het geval, meer dan een keuze tussen criteria, centraal staan bij de toetsing of een procesbevoegdheid wordt misbruikt. Volgens Van der Wiel zijn per soort geval de typische omstandigheden van centrale betekenis en in de praktijk richtinggevend. Dat is een gevolg van het open karakter van de normatieve elementen “doel”, “redelijk” en “onevenredig”.

5.3

Ik citeer voor een indruk enige arresten van uw eerste kamer over misbruik van bevoegdheid door instelling van rechtsmiddelen. Uit de zaak NJ 1999/50724 volgt dat als een partij misbruik van procesrecht stelt wegens onevenredigheid van de afweging van de belangen betrokken bij de (niet-)uitoefening van de bevoegdheid, voor aanname daarvan vereist is dat de andere partij, die de bevoegdheid uitoefent, die onevenredigheid kent of behoort te kennen:

“3.4 Onderdeel 1 (…) strekt ten betoge dat het Hof ingevolge het bepaalde bij art. 3:13 lid 2 BW had dienen te onderzoeken of er een onevenredigheid bestond als in genoemde bepaling bedoeld tussen de belangen van Spoelstra bij weigering van het akkoord enerzijds en de belangen van KWI en haar schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord anderzijds. Daarbij voert het onderdeel aan dat het Hof, waar het overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat Spoelstra heeft moeten beseffen, dat de financiële situatie van KWI zozeer was verslechterd dat haar faillissement dreigde, is uitgegaan van een verkeerde maatstaf omdat het niet erop aankomt wat Spoelstra — subjectief — had behoren te beseffen maar of er objectief een onevenredigheid bestond tussen de belangen van Spoelstra en de belangen van derden zoals door KWI gesteld.

Waar in art. 3:13 lid 2 BW is bepaald dat van misbruik van bevoegdheid sprake is in een geval waarin men, in aanmerking nemend de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening heeft kunnen komen, heeft de wet het geval op het oog waarin degene die de bevoegdheid uitoefent, de bedoelde onevenredigheid kent of behoort te kennen. Dit heeft het Hof echter niet uit het oog verloren. Het heeft in zijn rov. 4.5 een, in cassatie niet bestreden, samenvatting gegeven van de belangen die volgens KWI worden geschaad door het onverkort door Spoelstra uitoefenen van diens vorderingsrecht. Daaruit volgt dat het Hof zich heeft begeven in een afweging van de op het spel staande belangen. Waar het Hof overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat Spoelstra 'heeft moeten beseffen' dat de financiële situatie van KWI was verslechterd, brengt het Hof tot uitdrukking dat zich hier niet het geval voordoet dat Spoelstra, op het daarvoor in aanmerking komende tijdstip, de onevenredigheid tussen zijn belang en dat van degenen die door de uitoefening ervan werden geschaad, kende of behoorde te kennen. Door op grond daarvan te oordelen dat Spoelstra zich niet aan misbruik van bevoegdheid heeft schuldig gemaakt, heeft het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde, mede in aanmerking genomen dat het hier om een kort geding gaat, geen nadere motivering. Het onderdeel faalt derhalve voorzover het al feitelijke grondslag heeft.”

5.4

In de zaak HR NJ 2016/9425oordeelde uw eerste kamer dat enkel het niet onderbouwen van de ingestelde eis niet als misbruik van procesrecht kan worden aangemerkt.

5.5

De in 5.1 al geciteerde zaak HR NJ 2012/23326 betrof schade door brand in een café van vennootschap A (de eiseres in cassatie). De verzekeraar Achmea weigerde uit te keren aan B, de enige bestuurder en aandeelhouder van A, omdat de brand volgens haar in opdracht van B zou zijn gesticht. A vorderde een verklaring voor recht dat Achmea verplicht was de schade te vergoeden. Achmea vorderde daarop in reconventie onder meer vergoeding van haar werkelijke proceskosten op grond van onrechtmatige daad of wanprestate. Volgens Achmea was B’s instelling van de vordering tot schadevergoeding misbruik van procesrecht. Het Hof heeft als volgt overwogen:

“11. Grief IV bestrijdt de veroordeling in de werkelijke kosten zoals door de rechtbank in reconventie toegewezen. Voor zover dit de kosten van de experts betreft wordt deze grief tevergeefs voorgesteld. Achmea heeft deze kosten moeten maken om haar aansprakelijkheid vast te stellen (art. 6:96 lid 2, aanhef en sub b, BW) tegenover de claim van A. Na het onderzoek is gebleken dat Achmea niet gehouden is de schade te vergoeden. De omvang van deze kosten en de redelijkheid van de omvang van deze kosten is in hoger beroep niet bestreden. Daarmee is een vergoeding voor deze kosten (€ 1377,90 + € 7840,79 + € 26.052,17 = € 35.270,86) toewijsbaar. Dit ligt anders voor de gevorderde werkelijke kosten van de procedure. Deze vordering is alleen toewijsbaar indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan kan sprake zijn indien het instellen van de vordering, gelet op de — voor eiser — evidente kansloosheid ervan, met het oog op de daarbij betrokken kenbare en zwaarwegende belangen van de wederpartij achterwege behoorde te blijven. Daarvan zou sprake zijn indien A. feiten of omstandigheden aan haar vordering ten grondslag had gelegd waarvan zij de onjuiste kende of behoorde te kennen of stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, NJ 2007/353). In het voorliggende geval kan niet worden gezegd dat het ontoelaatbaar was dat A. haar feitelijke standpunt — later onjuist gebleken, althans als onjuist beoordeeld — verdedigde, omdat B. in beginsel niet met haar vereenzelvigd kan worden en daden van B. niet zonder meer aan haar kunnen worden toegerekend. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan dat in dit geval wel zou kunnen zijn niet (voldoende) gesteld of gebleken. Dit leidt ertoe dat grief IV gedeeltelijk slaagt.”

Uw eerste kamer overwoog zoals hierboven in 5.1 weergegeven en oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat in dit geval niet kan worden gezegd dat het ontoelaatbaar was dat A. haar – later onjuist gebleken, althans als onjuist beoordeelde – feitelijke standpunt omtrent de brand verdedigde. De omstandigheid dat, hoewel daarover geen zekerheid is verkregen, aannemelijk is geacht dat de brand is gesticht in opdracht van B., bracht volgens u niet zonder meer mee dat ook de vereiste mate van zekerheid is verkregen over het gestelde misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van de procedure:

“5.2. Het hof heeft, uitgaande van de hiervoor vermelde maatstaven, geoordeeld dat in dit geval niet kan worden gezegd dat het ontoelaatbaar was dat A. haar — later onjuist gebleken, althans als onjuist beoordeelde — feitelijke standpunt omtrent de brand verdedigde (rov. 11). Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Aan het standpunt van Achmea ligt de opvatting ten grondslag dat het enkele feit dat, naar het oordeel van rechtbank en hof, in dit geding in het kader van het bewijs van de door Achmea gestelde merkelijke schuld voldoende aanwijzingen zijn gebleken om aan te nemen dat de brand is gesticht in opdracht van B., zonder meer meebrengt dat tevens moet worden aangenomen dat A., nu B. haar enig bestuurder en aandeelhouder was, voorafgaande aan de procedure wist dat de vordering was gebaseerd op feiten en omstandigheden die niet juist waren en dat reeds daarom sprake is van een onrechtmatig handelen van A. dat verplicht tot vergoeding van de integrale proceskosten van Achmea. Deze opvatting is onjuist. De omstandigheid dat, hoewel daarover geen zekerheid is verkregen, door rechtbank en hof voldoende bewezen is geacht dat de brand is gesticht in opdracht van B., brengt immers niet zonder meer mee dat ook de vereiste mate van zekerheid is verkregen over het gestelde misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van de onderhavige procedure, gelet op de hiervoor in 5.1 bedoelde terughoudendheid die in dat kader in acht dient te worden genomen. Dat geldt ook indien het handelen van B., anders dan het hof heeft geoordeeld, mede in dit verband kan worden toegerekend aan A.”

5.6

De zaak HR NJ 1999/53527 ging om een gemeenschappelijk verzoek van een echtpaar tot echtscheiding. De rechtbank had aan dat gezamenlijke verzoek voldaan. De man stelde daartegen niettemin hoger beroep in, dat door het hof niet-ontvankelijk werd verklaard omdat hoger beroep niet is bedoeld om de partij wier verzoek door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven om die beslissing ongedaan te maken omdat zij bij nader inzien dat verzoek niet gedaan wenste te hebben. U overwoog op het cassatieberoep van de man daartegen:

“3.2 De tweede klacht van het middel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de echtscheiding. Het middel voert aan dat het Hof de man in zijn hoger beroep had moeten ontvangen, nu van berusting in de beschikking van de Rechtbank geen sprake was en hoger beroep dus openstond.

Ook deze klacht faalt. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding ook op de wil van de man berustte en dat uit het standpunt van de man in hoger beroep valt af te leiden dat hij nu geen echtscheiding meer wil, hetgeen feitelijk neerkomt op een intrekking van zijn verzoek tot echtscheiding. Hiervan uitgaande heeft het Hof de man terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de uitspraak tot echtscheiding. Het rechtsmiddel van hoger beroep is niet gegeven om aan een partij wier verzoek tot echtscheiding door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven die beschikking ongedaan te maken omdat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien (vgl. HR 12 juni 1936, NJ 1936, 962; HR 29 oktober 1971, NJ 1972, 24; HR 6 mei 1983, nr. 12031, NJ 1984, 160).”

De bestuursrechter

5.7

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 19 november 2014 voor het eerst in het bestuursrecht consequenties verbonden aan de art. 3:13 en 3:15 BW. De gemachtigden van de appellant hadden zes Wob-verzoeken ingediend bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM - verantwoordelijk voor het behandelen van administratieve beroepen tegen verkeersboetes (‘Mulderzaken’)). De zaak kwam voor de Rechtbank omdat de gemachtigden beroep instelden tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een bezwaarschrift tegen de weigering zo’n verzoek in behandeling te nemen wegens het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van een deugdelijke machtiging. Er werden destijds veel oneigenlijke Wob-verzoeken gedaan, met geen ander doel dan inning van een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen ex art. 4:17 Awb. De CVOM ontving destijds duizenden Wob-verzoeken, honderden per dag.28 Het College van procureurs-generaal van het OM schreef de minister van Veiligheid en Justitie dat in het overgrote deel van de gevallen de gevraagde informatie niet kon dienen om de verkeersboeten aan te vechten. De wetgever greep in en bestempelde dit gebruik van de Wob als misbruik. Naast het probleem dat bestuursorganen zinloos dwangsommen verbeurden, was volgens de wetgever nóg belangrijker dat het misbruik bestuursorganen onevenredig en zinloos belastte.29 Er werd een eenvoudige oplossing gekozen: een bestuursorgaan verbeurt sinds 1 oktober 2016 geen dwangsom meer indien het te laat op een (bezwaar in het kader van een) Wob-verzoek beslist,30 maar ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014 was dat nog niet zo. De Afdeling overwoog als volgt:31

“6.1. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een door een burger tegen de overheid ingesteld rechtsmiddel, gelet op de - soms zeer verstrekkende - bevoegdheden waarover de overheid beschikt en welke een burger in de regel niet pleegt te hebben. In het licht daarvan en gelet op artikel 13, tweede lid, van Boek 3 van het BW en de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2003 in zaak nr. 200302497/1 (AB 2004, 9) zijn in geval van een dergelijk rechtsmiddel zwaarwichtige gronden onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Zoals volgt uit de uitspraak van 21 juli 2003, levert een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

6.2.

Ter beoordeling van de vraag of in dit geval het beroep terecht wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk is verklaard, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang

(…) (volgt een opsomming van correspondentie; PJW)”

Uit het gedrag van de adviseurs en hun kennis, ervaring en deskundigheid bleek volgens de Afdeling dat zij wisten dat hun handelingen een tijdige besluitvorming onnodig konden bemoeilijken, onder meer gegeven dat (i) zes Wob-verzoeken waren ingediend hoewel maar één verkeersboete was opgelegd, (ii) meer keren onverklaard om hetzelfde document werd gevraagd, (iii) tegen beter weten in gebruik werd gemaakt van algemene postadressen/ faxnummers van het CVOM in plaats van de coördinaten van diens Wob-afdeling en (iv) één van de WOB-verzoeken was opgenomen in een beroepschrift dat daardoor lastig te herkennen was. Voor deze gedragingen bestond volgens de Afdeling geen andere plausibele verklaring dan het oogmerk om ten laste van de overheid dwangsommen en proceskostenvergoedingen te incasseren, te meer nu de adviseurs op no cure no pay-basis werkten, waardoor zij een eigen belang hadden bij proceskostenvergoedingen en dwangsommen wegens niet tijdig beslissen. De Afdeling concludeerde dat de adviseurs de Wob-verzoekbevoegdheid kennelijk gebruikten met geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren, en dat zij daarmee die bevoegdheid gebruikten voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, en wel zodanig dat dit gebruik blijk gaf van kwade trouw. Dat is volgens de Afdeling misbruik van een wettelijke bevoegdheid. Dat gold evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep bij de Rechtbank in te stellen, omdat dat beroep niet los kon worden gezien van het doel waarmee de WOB werd gebruikt. Daaraan deed volgens de Afdeling niet af dat de indiener van een WOB-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, omdat de bevoegdheid tot het doen van WOB-verzoeken wel degelijk met een doel is gecreëerd en dat dat doel wel degelijk relevant kan zijn voor de beoordeling of die bevoegdheid wordt misbruikt.

5.8

Het geconstateerde misbruik van procesrecht bracht volgens de Afdeling niet-ontvankelijkheid van het beroep mee. De resulterende blokkering van de toegang tot de rechter achtte zij niet in strijd met art. 6 EVRM (recht op een fair hearing). Art. 47 van het EU-Handvest van de grondrechten (recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht) achtte zij niet van toepassing omdat het gestelde geschil geen EU-rechtelijke kant had:

“7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…), mag het recht op toegang tot de rechter worden beperkt en is dat niet in strijd met artikel 6 van het EVRM, mits de beperkingen niet in essentie het recht op toegang tot de rechter schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn. Niet-ontvankelijkverklaring van een rechtsmiddel dat misbruik van recht inhoudt, voldoet aan die eisen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM een rechterlijke procedure eerlijk dient te verlopen.

Ingevolge artikel 51 van het Handvest zijn de bepalingen van dit handvest gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Met het besluit van de minister van 22 februari 2013 is geen recht van de Unie ten uitvoer gebracht, aangezien met de regeling waarop dit besluit is gebaseerd het Unierecht niet wordt omgezet en zich ook anderszins geen juridische situatie voordoet die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Zie in dit verband de arresten van het Hof van Justitie van 6 maart 2014, C-206/13, Cruciano Siragusa, ECLI:EU:C:2014:126, punten 20, 21, 24, 25, 26 en 29, en van 8 mei 2014, zaak C-483/12, Pelckmans Turnhout NV, ECLI:EU:C:2014:304, punt 22). Derhalve valt het besluit niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest, zodat reeds daarom geen strijd met het Handvest aan de orde is.

Gezien het voorgaande, is de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep niet in strijd met artikel 6 van het EVRM of artikel 47 van het Handvest. Het betoog faalt.”

5.9

Misbruik van procesrecht kan volgens de Afdeling dus slechts op zwaarwichtige gronden worden aangenomen, die zich onder meer voordoen als rechten of bevoegdheden zodanig evident worden gebruikt zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor zij gegeven zijn, dat dat gebruik blijk geeft van kwade trouw.

5.10

Korzelius en Schuurmans (noot in JB 2014/246) wijzen erop dat de door de Afdeling aan art. 3:13(2) BW ontleende abstracte criteria voor misbruik van bevoegdheid (doelmiskenning en onevenredige belangenafweging) beperkt behulpzaam zijn, nu zij het niet eenvoudig achten om misbruik te onderscheiden van weliswaar hinderlijk, maar niet-onrechtmatig procesgedrag. Zij menen met Van der Wiel (zie 5.2) dat de specifieke omstandigheden van elk geval steeds bepalend zijn. De vaststelling en waardering van die omstandigheden leidt tot lange uitspraken.

De belastingrechter

5.11

HR NTFR 2019/190032 betrof een poging van een beroepsgemachtigde tot misbruik van procesrecht, met name van de boven genoemde doorzendplicht van bestuursorganen ex art. 6:15(3) Awb, door bezwaarschriften opzettelijk verkeerd bij de gemeente in te dienen om vertraging en termijnoverschrijdingen te bewerkstelligen en zich bij niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding bij de indiening van het bezwaar op die doorzendplicht te beroepen. Het Hof achtte dat kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. U overwoog op het cassatieberoep van de misbruiker:

“2.2.2 Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat op de achterzijde van het aanslagbiljet van de

naheffingsaanslag was vermeld dat schriftelijk bezwaar diende te worden gemaakt op het aldaar vermelde adres en dat op de website van de gemeente Haarlem was vermeld dat ook per fax bezwaar kan worden gemaakt met aanduiding van een ander faxnummer dan door belanghebbende is gebruikt. Het Hof heeft hieruit afgeleid dat de gemeente Haarlem op de voet van artikel 2:15 Awb de elektronische weg voor het maken van bezwaar heeft geopend en daaraan eisen heeft gesteld. Een dergelijke beperking tot een specifiek faxnummer is naar het oordeel van het Hof niet in strijd met artikel 2:15 Awb. Belanghebbende heeft daarom niet op voorgeschreven wijze, bij het bevoegde bestuursorgaan, bezwaar gemaakt. Als gevolg daarvan heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet tijdig ontvangen. Ten aanzien van belanghebbendes stelling dat de gemeente Haarlem het bezwaarschrift op grond van artikel 6:15 Awb had moeten doorzenden aan de heffingsambtenaar, heeft het Hof als volgt overwogen. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat de gemachtigde van belanghebbende, een professionele rechtshulp-verlener, het bezwaarschrift aan het faxnummer heeft gezonden met kennelijk geen ander doel dan om de ontvangst door de heffingsambtenaar en tijdige afhandeling van het bewaarschrift te bemoeilijken. Naar het oordeel van het Hof is sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, lid 3, Awb en geldt niet als tijdstip van indiening van het bezwaarschrift het tijdstip van ontvangst door het onbevoegde bestuursorgaan. Het bezwaar is daarom volgens het Hof terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.3

De klacht betoogt dat het oordeel van het Hof dat belanghebbende wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht geen beroep toekomt op de doorzendplicht van artikel

6:15 lid 3 Awb, onjuist en onbegrijpelijk is.

2.4.1

Met zijn hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het

voor belanghebbende ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift duidelijk moest zijn dat het bezwaar werd ingediend bij een andere instantie dan het bestuursorgaan dat tot beslissing op het bezwaar bevoegd is, en dat belanghebbende geen aanvaardbare verklaring heeft gegeven voor het ongebruikt laten van het adres dat is vermeld in de rechtsmiddelverwijzing als bedoeld in artikel 3:45 Awb.

2.4.2

Het hierop berustende oordeel van het Hof dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van

procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, lid 3, Awb geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is voorts niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet in verdergaande mate worden onderzocht. De tegen dit oordeel gerichte klacht faalt daarom.”

Literatuur

5.12

Jansen heeft recent in TFB 2023/0233 een overzicht gegeven van de rechtspraak over misbruik van procesrecht. Zij vat de rechtspraak van uw eerste kamer op dat vlak als volgt samen:

“De (civiele kamer van de) Hoge Raad is van oordeel dat met het aannemen van misbruik van procesrecht terughoudend moet worden omgegaan. Het gaat immers over het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.34 Zo levert de enkele omstandigheid

dat een vordering ook in hoger beroep niet voldoende is onderbouwd in ieder geval geen misbruik van procesrecht op.35 Daarentegen is wel sprake van misbruik van procesrecht als:

– het instellen van een vordering, gelet op de ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven; hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden;36

– de processuele bevoegdheid om de onbevoegdheid van de rechter in te roepen enkel wordt gebruikt om de andere partij processueel te schaden;37

– een partij om een voorlopig deskundigenonderzoek verzoekt en de inwilliging daarvan tot onevenredigheid leidt gelet op de over en weer betrokken belangen;38

– de advocaat van een partij zonder zijn cliënt ter zitting verschijnt met als doel een inhoudelijke behandeling onmogelijk te maken.39

Uit deze jurisprudentie blijkt dat de bewustheid van een

partij een cruciale rol speelt bij het beantwoorden van de

vraag of sprake is van misbruik van procesrecht.”

5.13

Zij vat de bestuursrechtspraak over misbruik van procesrecht als volgt samen:

“De bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, kan niet worden ingeroepen voor zover deze wordt misbruikt. Dan moet wel sprake zijn van zwaarwichtige gronden. Zwaarwichtige gronden zijn aanwezig als de rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven,40 dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.41 Dat is bijvoorbeeld het geval als een procedure wordt uitgelokt42 of beroep is aangetekend met het oog op het verkrijgen van een dwangsom, proceskostenvergoeding of immateriële schadevergoeding.43 Ook kan worden gewezen op gevallen waarin op voorhand duidelijk is dat van de ingestelde procedure geen positief resultaat te verwachten valt,44 bijvoorbeeld omdat dezelfde45 of een andere46 rechter al (meerdere keren)47 over dezelfde kwestie geoordeeld heeft.48 Of van dezelfde kwestie sprake is, kan afhangen van degene die belanghebbende is,49 de inhoud van de procedure50 en het jaar waar de procedure op ziet.51 Als het beroep gegrond is, is echter geen sprake van een duidelijk kansloze procedure52 of van misbruik van procesrecht.53 Het min of meer overmatig beroep doen op door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik op.54 Het staat een belanghebbende in beginsel namelijk vrij om de rechter opnieuw van zijn gelijk te overtuigen als hij wordt geconfronteerd met een besluit waar hij het niet mee eens is.55 Ook als daarvoor (nagenoeg) dezelfde argumenten worden aangevoerd als in eerdere procedures.56 Het in een relatief kort tijdsbestek aan de orde stellen van dezelfde rechtsvraag leidt in ieder geval niet tot misbruik.57 Anders is het als belanghebbende ondanks alle eerder gevoerde procedures geen nieuwe argumenten aanvoert maar blijft volharden in een ongewijzigd standpunt en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving onveranderd is.58 Daarnaast kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat misbruik heeft plaatsgevonden.59 Zo mag bij de beoordeling of misbruik heeft plaatsgevonden, rekening worden gehouden met de handelingen die de gemachtigde (eerder) namens andere belanghebbenden heeft verricht, aangezien die blijk geven van relevante kennis en ervaring en licht werpen op een algemene werkwijze.60 Het enkele feit dat een gemachtigde op basis van ‘no cure no pay’ werkt, levert overigens geen misbruik op.61 De houding van belanghebbende of zijn gemachtigde in de bezwaar- of beroepsfase kan voor het bestuursorgaan aanleiding zijn misbruik van procesrecht aan de orde te stellen. Het helpt daarbij (natuurlijk) niet als die houding in belangrijke mate is beïnvloed door het bestuursorgaan.62 Misbruik doet zich in ieder geval niet voor als belanghebbende niet terugbelt,63 niet ingaat op een uitnodiging om de zaak nogmaals te bespreken64 of een standpunt eerder had kunnen innemen.65 Dat geldt eveneens voor het niet afwachten van de uitkomst van een voorlopige voorziening,66 het (op summiere wijze)67 verzoeken om uitstel van de zitting of het niet verschijnen op de zitting.68 Er is wel sprake van misbruik als het handelen van (de gemachtigde van) belanghebbende erop is gericht verwarring te creëren, fouten uit te lokken en meer procedures te veroorzaken, om ook op die manier aanspraak op (proceskosten)vergoedingen te kunnen maken.69

Ook de inhoud van de processtukken kan voor het bestuursorgaan reden zijn om zich op misbruik van procesrecht te beroepen.70 Van misbruik is echter geen sprake als belanghebbende slechts algemene beroepsgronden indient,71 zijn beroep (summier)72 motiveert,73 een pleitbaar standpunt inneemt74 of de enkele omstandigheid dat er (tevens) andere geschilpunten zijn die wellicht zwaarder wegen.75 Misbruik is daarentegen wel aan de orde als valse stukken worden ingediend76 of bij grievend taalgebruik dat geen inhoudelijk verband houdt met de in geding zijnde beschikkingen,77 tenzij het gaat om veelvuldig geuite beledigingen en beschuldigingen die tamelijk krachteloos en ridicuul zijn geworden en daarom niet (meer) serieus te nemen zijn.78

Als het bestuursorgaan stelt dat belanghebbende misbruik van procesrecht maakt, moet het die stelling uiteraard wel voldoende onderbouwen of aannemelijk maken. Dat lukt vaak niet.79 Daarnaast mag de rechter belanghebbende niet overvallen met het oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht.80 In sommige procedures heeft het bestuursorgaan zich in de voorfase (al) op het standpunt gesteld dat sprake is van misbruik van recht. Het is dan in beginsel niet onredelijk om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het besluit waarin dat standpunt is ingenomen. Dit is mogelijk anders indien de bestuursrechter op grond van dezelfde of vergelijkbare feiten en omstandigheden reeds eerder heeft aangenomen dat belanghebbende misbruik van recht heeft gemaakt.81

5.14

Jansen verbaast zich erover (p. 17-18) dat bij geconstateerd misbruik van procesrecht de misbruiker niet automatisch in de werkelijke proceskosten wordt veroordeeld, hoewel dat volgens haar uitgangspunt zou moeten zijn, net zoals in het omgekeerde geval waarin het bestuursorgaan ernstig onzorgvuldig handelt of tegen beter weten in procedeert. Zij onderkent dat de maatschappelijke kosten van misbruik van procesrecht moeilijk te bepalen zijn en suggereert om daarvoor een forfait in het leven te roepen.

5.15

Ook Meijer82 en Djebali83 roepen op om vaker gebruik te maken van de mogelijkheid om de belastingplichtige in de proceskosten te veroordelen.

6 Veroordeling van een natuurlijke persoon in de proceskosten

6.1

Op grond van art. 8:75 Awb (zie 4.7 hierboven) kan de rechter een partij veroordelen in de proceskosten die de andere partij voor het beroep en het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, maar kan een natuurlijke persoon alleen in de proceskosten worden veroordeeld bij kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. U oordeelde in 2005 dat misbruik van procesrecht niet impliceert dat de proceskosten integraal moeten worden vergoed.84 Het komt weinig voor dat een natuurlijke persoon door de bestuursrechter in de proceskosten wordt veroordeeld. Als het al tot zo’n veroordeling komt, doet zich het probleem voor dat de kosten van het bestuursorgaan moeilijk bepaalbaar zijn en dat die bepaling veerlal achterwege wordt gelaten en alleen eventuele reiskosten in aanmerking worden genomen. In de jurisprudentie ben ik alleen veroordelingen tegengekomen in de reiskosten van de ambtenaar (€ 2085, € 1086, € 1687 en € 6,20 (onze zaak)), de kosten van een externe taxateur (€ 375)88 en in niet uit de gepubliceerde uitspraak te achterhalen kosten van een invorderingsambtenaar (€ 271).89 Die bedragen vallen in het niet bij de duizenden euro’s die foute volmachtronselaars ten onrechte deelachtig kunnen worden aan uitgelokte proceskostenvergoedingen, dwangsommen en immateriële schadevergoedingen en zijn dus onvoldoende om parasitaire verdienmodellen tegen te gaan zolang die overcompensatie bestaat.90

6.2

De inwerkingtreding per 1 januari 2024 van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm91 zal hopelijk het aantal gevallen doen afnemen waarin behoefte kan bestaan aan veroordeling van de belastingplichtige (of beter: de gemachtigde) in de proceskosten van de heffingsambtenaar c.q. de inspecteur.

7 Beoordeling

7.1

In HR BNB 2022/77 oordeelde u over het standpunt dat deze gemachtigde en deze belanghebbende nog steeds ten grondslag proberen leggen aan een door hen beoogd parasitair verdienmodel, nl. dat grotendeels, maar niet helemaal, parkeren op een betaald-parkeren-plaats géén parkeren zou zijn in de zin art. 225(2) Gemeentewet. Se non è vero, non è nemmeno ben trovato. U overwoog dan ook als volgt:

“3.2 Artikel 225, lid 2, Gemeentewet bepaalt – kort gezegd – dat onder parkeren in de zin van die wet wordt verstaan het doen of laten staan van een voertuig op binnen de gemeente gelegen voor openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Hierin ligt besloten dat parkeerbelasting ook is verschuldigd in een geval als dit, waarin het voertuig zo staat geparkeerd dat het zich weliswaar gedeeltelijk bevindt op een plaats waar dat is verboden, maar voor het overige op een voor betaald parkeren aangewezen plaats. In zo’n geval bevindt het voertuig zich immers voor dat overige op een plaats waar het laten staan niet is verboden. Wanneer die plaats op de voet van artikel 225 Gemeentewet is aangewezen voor betaald parkeren, is voor dat gebruik van die plaats parkeerbelasting verschuldigd. De door de middelen verdedigde uitleg vindt ook geen steun in de parlementaire geschiedenis van dit artikellid, weergegeven in de onderdelen 4.7 tot en met 4.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Volgens die parlementaire geschiedenis is bedoeld te voorkomen dat voor bepaalde plaatsen waar het verboden is te parkeren, ook parkeerbelasting (na)geheven zou kunnen worden. Dit betekent dat een plaats waar niet mag worden geparkeerd, niet door een gemeente kan worden aangewezen als plaats waar voor het parkeren belasting verschuldigd is.

3.3

Anders dan de middelen betogen, kan in een geval als dit dus niet slechts een sanctie wegens de overtreding van een parkeerverbod worden opgelegd. (…).”

7.2

Wat er zij van de pleitbaarheid van dit uiteraard verworpen standpunt vóór het moment van wijzen van dit arrest - mij is geen enkele uitspraak van enige feitenrechter bekend waarin dit standpunt wél enige kans had en het Hof heeft vastgesteld dat de samenspanners al hun procedures onverkort doorzetten “ondanks alle ongegrondverklaringen van de inhoudelijke beroepsgronden door de verschillende rechtbanken en hoven”, ná het wijzen van dit arrest is geen spoor van twijfel meer mogelijk dat het door de belanghebbende en de gemachtigde ingenomen standpunt volstrekt evident kansloos is.

7.3

Evidente kansloosheid van de eis is, als het ook voor de eiser zelf duidelijk moet zijn dat zijn eis kansloos is, grond voor het oordeel dat misbruik van procesrecht wordt gemaakt; zie 4.9, 5.1 en 5.5 hierboven. Hetzelfde geldt voor het gebruik van rechtsmiddelen evident voor andere (in belanghebbendes geval: parasitaire en vexatoire) doelen dan waarvoor zij gegeven zijn; zie het geciteerde art. 3:13 BW en de onderdelen 5.6, 5.7 en 5.11 hierboven. Het Hof heeft op grond van de vast staande feiten mijns inziens voorbeeldig gemotiveerd geoordeeld dat het uitgesloten moet worden geacht dat het de belanghebbende nog zou kunnen gaan om een rechterlijk oordeel over zijn kansloos verworpen standpunt en dat de vastgestelde omstandigheden geen andere conclusie toelaten dan dat hij naheffingsaanslagen parkeerbelasting uitlokt en daartegen stelselmatig procedeert met geen ander doel dan het genereren van inkomsten in de vorm van proceskostenvergoedingen, dwangsommen en immateriële schadevergoedingen.

7.4

Met Van der Wiel (zie 5.2 hierboven) en Korzelius en Schuurmans (zie 5.10 hierboven) kan ingestemd worden dat het bij het vaststellen van misbruik van procesrecht vooral om een elephant test gaat (het beest is niet zo makkelijk te omschrijven zonder te verwijzen naar de elementen die alleen dat beest kenmerken en die juist omschreven moeten worden, maar als je het ziet, herken je het meteen). Ik zou menen dat de olifant, gegeven ’s Hofs feitelijke vaststellingen, in dit geval wel heel prominent en onmiskenbaar in zowel ons gezichtsveld als uw kamer zit.

8 Weigering gemachtigde

8.1

In een vergelijkbaar geval van structurele samenspanning tot misbruik van procesrecht tussen gemachtigde en belanghebbenden bij een groot aantal procedures met het oog op een parasitair verdienmodel, in dat geval misbruik van WOB-verzoeken, was voor de Afdeling Bestuursrechtspraak voldoende grond om in te stemmen met de weigering van die gemachtigde als procesvertegenwoordiger (art. 2:2 Awb). In de zaak ABRvS AB 2018/29192 overwoog zij als volgt over een gemachtigde die stelselmatig Wob-verzoeken deed, niet om informatie te verkrijgen, maar om zoveel mogelijk proceskostenvergoedingen te ontvangen en die al eerder betrapt was:

“8. In beroep en hoger beroep heeft het college [van B&W; PJW] gesteld dat zich in de jaren 2013 tot 2015 een patroon heeft afgetekend van misbruik door [wederpartij] van het recht om Wob-verzoeken in te dienen en van het recht om tegen daarop genomen besluiten rechtsmiddelen aan te wenden. Het misbruik bestond daarin dat met de Wob-verzoeken niet werd beoogd om informatie te verkrijgen, maar om zo veel mogelijk proceskostenvergoedingen te verkrijgen. Voorts heeft het college gesteld dat de procedure waarin [wederpartij] in bezwaar als gemachtigde van [persoon] is geweigerd, kenmerken vertoonde die duidden op een voortzetting van voormeld patroon. Ter onderbouwing hiervan heeft het college uiteengezet dat het in voormelde jaren Wob-verzoeken heeft ontvangen die ondertekend waren door verschillende personen, waarbij [wederpartij] in bezwaar als gemachtigde van die personen optrad. Tezamen met het college van

Ridderkerk, met welke gemeente ambtelijk wordt samengewerkt, heeft het college in die jaren meer dan 100 van dergelijke verzoeken ontvangen. De betrokkenheid van [wederpartij] ging daarbij veel verder dan een zakelijke relatie tussen een rechtsbijstandverlener en zijn cliënten. Onder meer uit de metadata van elektronisch ingediende documenten is gebleken dat [wederpartij], anders dan de ondertekening van de Wob-verzoeken doet vermoeden, reeds vóór de indiening van de Wob-verzoeken bij de procedures betrokken was. [wederpartij] heeft voorts namens [persoon] onderhandeld met een bedrijf over het maken van de website ' [… ] .nl', waar in

het briefhoofd van het Wob-verzoek ook naar is verwezen. Verder was [wederpartij] zelf aanvankelijk als houder van het domein ' [… ] .nl' geregistreerd. Dat dit, naar gesteld, een fout was van het bedrijf dat de website heeft gemaakt en deze fout binnen enkele weken is hersteld, laat onverlet dat ook dit erop wijst dat [wederpartij] bij de inleidende Wob-verzoeken betrokken was. Verder heeft het college naar voren gebracht dat [persoon] zich reeds ten tijde van het indienen van de Wob-verzoeken in een schuldsaneringstraject bevond. Om die reden is het uiterst onwaarschijnlijk dat [wederpartij], zoals hij heeft gesteld, op grond van een overeenkomst van opdracht € 200 per uur in rekening bracht bij [persoon] voor de werkzaamheden die samenhangen met diens Wob-verzoek. Daarom moet worden aangenomen dat [persoon] niet voor de werkzaamheden van [wederpartij] behoefde te betalen en dat proceskostenvergoedingen en dwangsommen aan [wederpartij] ten goede kwamen.”

8.2

Ik geef u in overweging de gemachtigde in onze zaak mee te delen dat als hij nog eens langs komt met een van zijn vele door hem met zijn belanghebbende uitgelokte sjabloon-zaken waarvan de kansloosheid zeker na HR BNB 2022/77 evident is, hij ex art. 8:25 Awb voor een door u aan te geven periode zal worden geweigerd als gemachtigde in cassatie, uiteraard naast niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens cassatieberoep wegens misbruik van procesrecht.

8.3

Verder geef ik u in overweging de heffings- en invorderingsambtenaren van de betrokken gemeenten uit te nodigen u te berichten welke kosten zij hebben moeten maken in verband met de behandeling van de bezwaren, de beroepen, de hogere beroepen en de cassatieberoepen in deze zaken en de belanghebbende wegens diens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht van ambtswege te veroordelen tot vergoeding van die kosten, al dan niet volgens een door u te bepalen forfait per bestuursorgaan en per rechterlijke instantie.

9 Conclusie

Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de belanghebbende en diens gemachtigde ongegrond te verklaren en de belanghebbende wegens misbruik van procesrecht te veroordelen in de proceskosten in alle instanties die de heffings- en invorderingsambtenaren van de betrokken gemeenten hebben moeten maken.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 HR 22 maart 2022, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2022:156, BNB 2022/77 met noot Bosma.

2 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 maart 2021, nr. 19/4522, ECLI:NL:RBZWB:2021:1103, FutD 2021-0819 met noot redactie, Belastingblad 2021/147 met noot Eskes, NTFR 2021/1081 met noot Ameziane.

3 De Rechtbank verwees naar: “AG HR 29 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:702, ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ABRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:396.”

4 De Rechtbank verwees naar: “ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, r.o. 8.3 - 8.7, met noot T. Barkhuysen en L.M. Koenraad in Gst. 2015/33.”

5 De Rechtbank verwees naar: “ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:991, Gst. met noot Van der Sluis.”

6 De Rechtbank verwees naar: “ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en AG HR 29 mei 2019 ECLI:NL:PHR:2019:702.”

7 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 januari 2023, nrs. 21/00570 t/m 21/00597, 21/00855, 21/00345 en 21/00346, ECLI:NL:GHSHE:2023:256, NTFR 2023/1296 met noot Dijkstra en Belastingblad 2023/327 met noot Monsma.

8 Het Hof verwees naar HR 29 mei 2019, nr. 19/00298, ECLI:NL:PHR:2019:580, FutD 2019-1761 met noot.

9 Het Hof verwees naar HR 12 juli 2019, nr. 18/00806, ECLI:NL:HR:2019:1173, FutD 2019-1842 met noot, V-N 2019/34.24 met noot, NLF 2019/1680 met noot Nent, Belastingblad 2019/319 met noot Monsma, FED 2019/141 met noot Poelmann en NTFR 2019/1900 met noot Hageman, HR 12 juli 2019, nr. 18/05589, ECLI:NL:HR:2019:1185, FutD 2019-1842 met noot, NLF 2019/1679 met noot Nent, FED 2019/142 met noot Poelmann, AB 2019/444 met noot Stijnen en NTFR 2019/1901 met noot Hageman en HR 12 juli 2019, nr. 19/00298, ECLI:NL:HR:2019:1193, FutD 201901842 met noot, NLF 2019/1681 met noot Nent en NTFR 2019/1902 met noot Hageman.

10 Gerechtshof Amsterdam 28 oktober 2021, nr. 20/00489 t/m 20/00492, ECLI:NL:GHAMS:2021:3593, Belastingblad 2022/132 met noot Eskes.

11 Het Hof verwees naar: ABRvS 24 augustus 2022, nr. 20206960/1/A3, ECLI:NL:RVS:2022:2403.

12 HR 22 maart 2022, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2022:156, BNB 2022/77 met noot Bosma.

13 Het Hof verwees naar: AG HR 28 oktober 2021, nr. 20/03717, ECLI:NL:PHR:2021:1011, NLF 2021/2220 met noot Froentjes en NTFR 2021/3977 met noot Postema.

14 C.J. van Zeben, W.H.M. Reehuis & E.E. Slob (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering boeken 3, 5 en 6. Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, Deventer: Kluwer 1990, p. 1049.

15 P.A. Stein, ‘9 Functie en doel van de bepaling’, in: J. Hijma (red.), Groene Serie Vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer, digitaal.

16 Zie Van Zeben, Reehuis & Slob (red.), Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1038.

17 P.A. Stein, ‘43 Geen redelijk belang bij de uitoefening van de bevoegdheid’, in: J. Hijma (red.), Groene Serie Vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer.

18 Kamerstukken II, 1992/93, 22 395, nr. 32 (gewijzigd amendement van het lid Wolffensperger, ter vervanging van dat, gedrukt onder nr. 27, bij Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie).

19 Handelingen UCV 1992/93, 32, geraadpleegd via: https://pgawb.nl/pg-awb-digitaal/hoofdstuk-8/8-2-behandeling-van-het-beroep/8-2-6-uitspraak/artikel-875/.

20 Toevoeging PJW: De minister had daarvóór opgemerkt: “Ik geef de argumenten waarom ik denk dat het wetsvoorstel beter is zonder het amendement. Ik begrijp de redenering van de heer Wolffensperger. Hij heeft nauwgezet gevolgd de uitleg die wij zelf hebben gegeven aan artikel 8.2.6.9. Als het gaat om anderen dan de professionele, bedrijfsmatige bedrijvers van het beroepsrecht, mag je mensen niet zomaar met een kostenveroordeling overvallen. Het aannemen van misbruik van procesrecht pleegt door rechters echter als een zware stap te worden gezien. Die stap heeft ook andere gevolgen dan alleen de veroordeling tot de kosten. Bij misbruik van bevoegdheid strandt de uitoefening van die bevoegdheid. Zo zal ook de denklijn zijn voor een rechter bij het aannemen van misbruik van procesrecht. Indien dat niet is gebeurd, indien dus niet de bevoegdheidsuitoefening bij de rechter is gestrand, zal toch de mogelijkheid van een veroordeling in de proceskosten aan de orde moeten komen. Sterker nog, zou dat anders zijn, dan zou die rechter überhaupt niet aan de kostenveroordeling toekomen of alleen in een heel pril stadium van de procedure. Ik realiseer mij dat het een subtiele argumentatie is. Er zal evenwel ruimte moeten zijn voor de rechter om in het type kwalificaties dat hij geeft, een onderscheid te houden tussen het oordeel dat iemand misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid van procesrecht, en het oordeel dat iemand naar billijkheid, gegeven de manier, waarop hij met het procesrecht is omgegaan, voor de kosten moet opdraaien. Je moet dat niet in hetzelfde kwalificerende kader gieten. En daarom geef ik toch de voorkeur aan handhaving van de tekst van het wetsvoorstel, zoals die er op dit punt ligt.”

21 Kamerstukken II, 2008/09, 30645, nr. 14 (Tweede nota van wijziging), p. 11.

22 HR 6 april 2012, nr. 10/03206, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233.

23 B.T.M. van der Wiel, ‘De rechtsverhouding tussen procespartijen (diss. Leiden)’, Deventer: Kluwer 2004, p. 122.

24 HR 21 mei 1999, nr. 16855, ECLI:NL:HR:1999:ZC2905, NJ 1999/507.

25 HR 5 februari 2016, nr. 14/04910, ECLI:NL:HR:2016:198, NJ 2016/94.

26 HR 6 april 2012, nr. 10/03206, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233.

27 HR 4 juni 1999, nr. R98/005HR, ECLI:NL:HR:1999:BL8473, NJ 1999, 535.

28 De Wob is op 1 mei 2022 vervallen, vanaf deze datum geldt de Wet open overheid (Woo).

29 Kamerstukken II, 2014/15, 34106, nr. 3, p. 1-2.

30 Wet van 13 juli tot wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur in verband met aanvullingen ter voorkoming van misbruik, Stb. 2016, 301.

31 ABRvS 19 november 2014, nr. 210311752/1/A3, ECLI:NL:RVS:2014:4129, Gst. Met noot Van der Sluis en West, AB 2015/93 met noot Pietermaat, JB 2014/246 met noot Korzelius en Schuurmans, JG 2015/3 met noot Barkhuysen en Khatib en JIN 2015/45 met noot Schuurmans en Korzelius.

32 HR 12 juli 2019, nr. 18/00806, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2019:1173, FutD 2019-1842 met noot redactie, V-N 2019/34.24 met noot Redactie, Belastingblad 2019/319 met noot Monsma, FED 2019/141 met noot Poelmann, NTFR 2019/1900 met noot Hageman.

33 J.M.J.F. Jansen, ‘Misbruik van procesrecht’, TFB 2023/2, p. 13-15.

34 Voetnoot in origineel: “HR (civiel) 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366; HR (civiel) 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360; HR (civiel) 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.”

35 Voetnoot in origineel: “HR (civiel) 5 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:198.”

36 Voetnoot in origineel: “HR (civiel) 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366; HR (civiel) 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360; HR (civiel) 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828; HR (civiel) 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516.”

37 Voetnoot in origineel: “HR (civiel) 7 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3651.”

38 Voetnoot in origineel: “HR (civiel) 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8610.”

39 Voetnoot in origineel: “HR (civiel) 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1290.”

40 Voetnoot in origineel: “Rb. Oost-Brabant 30 september 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:5587.”

41 Voetnoot in origineel: “CRvB 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:880; ABRvS 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:688; ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:128; Hof Amsterdam 28 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3593; CRvB 12 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:550; ABRvS 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4256; ABRvS 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1501; ABRvS 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1502; ABRvS 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2695; ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1255.”

42 Voetnoot in origineel: Hof Amsterdam 19 juli 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2178.

43 Voetnoot in origineel: ABRvS 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403; Rb. Gelderland 27 juli 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:3942; Rb. Noord-Nederland 20 mei 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1687; Rb. Noord-Holland 13 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11401; Hof ’s-Hertogenbosch 19 februari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:617; ABRvS 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2699.

44 Voetnoot in origineel: Rb. Gelderland 2 december 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:7067; Hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1754; ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:391; Hof ’s-Hertogenbosch 31 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3666; Hof Den Haag 22 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1840; Hof Arnhem-Leeuwarden 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6459; ABRvS 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:709; Hof ’s-Gravenhage 8 juni 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2927; Rb. Haarlem 29 juni 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BU3610; Rb. ’s-Gravenhage 13 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2680; Hof Amsterdam 7 mei 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AI1333; ABRvS 21 augustus 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6738.

45 Voetnoot in origineel: Rb. Almelo 12 januari 2007, ECLI:NL:RBALM:2007:AZ6732.

46 Voetnoot in origineel: CRvB 10 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3257.

47 Voetnoot in origineel: ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:96; CBb 6 oktober 2015, ECLI:NL:CBB:2015:348; CRvB 3 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4147; CBb 2 december 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG9584; Hof Arnhem 11 september 2001, ECLI:NL:GHARN:2001:AD3664.

48 Voetnoot in origineel: ABRvS 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2088; ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:96; CBb 30 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:114; ABRvS 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:709; CRvB 8 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP4777; CRvB 16 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9060; CRvB 24 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0923; CBb 22 december 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AV0077; CRvB 3 oktober 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6375.

49 Voetnoot in origineel: CRvB 3 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4147.

50 Voetnoot in origineel: CRvB 27 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2639; ABRvS 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3043; CBb 6 oktober 2015, ECLI:NL:CBB:2015:348; CBb 22 december 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BP0458; CRvB 26 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0667; CRvB 1 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC9888.

51 Voetnoot in origineel: CRvB 10 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:307; ABRvS 4 februari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO2890.

52 Voetnoot in origineel: Hof Amsterdam 2 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:23.

53 Voetnoot in origineel: Hof Arnhem-Leeuwarden 5 juli 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6030.

54 Voetnoot in origineel: CRvB 20 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1956; ABRvS 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5867.

55 Voetnoot in origineel: Hof Amsterdam 8 augustus 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2882; ABRvS 21 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU8434.

56 Voetnoot in origineel: Rb. Zeeland-West-Brabant 25 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2889; Hof Amsterdam 29 mei 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1929; Hof Amsterdam 19 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2104

57 Voetnoot in origineel: Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10323; Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10316.

58 Voetnoot in origineel: Rb. Oost-Brabant 27 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5684; Hof ’s-Hertogenbosch 29 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2790.

59 Voetnoot in origineel: CRvB 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:880; ABRvS 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:688; ABRvS 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1649; ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1779; ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157; CBb 4 februari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BH3303

60 Voetnoot in origineel: Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4701 t/m ECLI:NL:RBNNE:2022:4705; Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4708; Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4710 t/m ECLI:NL:RBNNE:2022:4712; Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4716; Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4717; Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4720; Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4729; Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4730; Rb. Noord-Nederland 5 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4718; Hof Amsterdam 22 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3722 t/m ECLI:NL:GHAMS:2022:3726; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6859; Rb. Oost-Brabant 12 juli 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2943; ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1255; CRvB 20 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC5177.

61 Voetnoot in origineel: Rb. Breda 25 maart 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ3834.

62 Voetnoot in origineel: CBb 18 januari 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ3253; Hof Amsterdam 27 september 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1.

63 Voetnoot in origineel: Hof Amsterdam 21 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1138.

64 Voetnoot in origineel: Rb. Arnhem 16 juli 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BN3868.

65 Voetnoot in origineel: Hof ’s-Hertogenbosch 14 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1427.

66 Voetnoot in origineel: Rb. Noord-Holland 4 maart 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:1497.

67 Voetnoot in origineel: Hof Arnhem 4 oktober 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BT7637.

68 Voetnoot in origineel: CBb 29 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:448; Hof ’s-Hertogenbosch 20 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4300.

69 Voetnoot in origineel: Rb. Noord-Holland 24 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:12295 t/m ECLI:NL:RBNHO:2021:12300; Rb. Noord-Holland 20 oktober 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9963; Rb. Noord-Holland 20 oktober 2021; ECLI:NL:RBNHO:2021:9964; Rb. Noord-Holland 15 oktober 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9975 t/m ECLI:NL:RBNHO:2021:9977..

70 Voetnoot in origineel: Hof Den Haag 14 december 2016, nr. 16/00264, ECLI:NL:GHDHA:2016:3885.

71 Voetnoot in origineel: Hof Arnhem-Leeuwarden 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:674; Hof Arnhem-Leeuwarden 22 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10106; Rb. Midden-Nederland 14 december 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6131.

72 Voetnoot in origineel: Hof Amsterdam 30 juni 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0349.

73 Voetnoot in origineel: Hof Arnhem-Leeuwarden 9 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1019; Rb. Den Haag 2 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14744; Hof ArnhemLeeuwarden 18 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2264.

74 Voetnoot in origineel: Hof Amsterdam 24 juli 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE6637; Hof Amsterdam 24 juli 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE6626.

75 Voetnoot in origineel: Hof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2615.

76 Voetnoot in origineel: CRvB 4 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1691

77 Voetnoot in origineel: Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6632.

78 Voetnoot in origineel: Hof Den Haag 14 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2810; Hof Den Haag 14 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1539

79 Ik liet deze voetnoot weg

80 Voetnoot in origineel: Hof ’s-Hertogenbosch 4 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2359.

81 Voetnoot in origineel: ABRvS 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1655; ABRvS 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3558; ABRvS 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1102.

82 J. Meijer, Pleidooi voor veroordeling burger in de proceskosten’, WFR 2019/206.

83 H N. Djebali, ‘Balanceren tussen rechtsbescherming en rechtsmisbruik’, NTFR 2019/69.

84 HR 23 september 2005, nr. 39968, ECLI:NL:HR:2005:AU3158, AB 2006,95 met noot Ortlep, BNB 2005/370 met noot Van Leijenhorst en V-N 2005/48.13 met noot redactie, r.o. 3.2.

85 Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2019, nr. 18/00764, ECLI:NL:GHARL:2019:6632.

86 Rechtbank Arnhem 10 mei 2012, nr. 11/4562, ECLI:NL:RBARN:2012:BW5620.

87 Rechtbank Haarlem 29 juni 2010, nr. 09/2214, ECLI:ML:RBHAA:2010:BU3610.

88 Rechtbank Noord-Holland 11 augustus 2023, nr. 22/1432, ECLI:NL:RBNHO:2023:7928.

89 Hof Arnhem-Leeuwarden, 17 oktober 2023, nr. 22/1680, ECLI:NL:GHARL:2023:8799.

90 Zie ook J.M.J.F. Jansen, ‘Misbruik van procesrecht’, TFB 2023/2, p. 15, waaruit ik hieronder nog zal citeren.

91 Kamerstukken II, 2023/24, 36427, nr. 2 (Wetsvoorstel) en Kamerstukken II, 2023/24, 36 427, nr.3 (MvT).

92 ABRvS 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1587, Belastingblad 2018/245 met noot Monsma, JB 2018/105 met noot Redactie, AB 2018/291 met noot Ortlep.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.