Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:PHR:2023:1027

Parket bij de Hoge Raad
14-11-2023
16-11-2023
21/04885
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:67
Strafrecht
-

Conclusie AG. Deels slagend middel over kwalificatie handelingen verdachte als witwassen (art. 420bis.1.a Sr): het verhullen van de werkelijke aard en de vervreemding van de naar haar bankrekening overgemaakte gelden en het verhullen wie de rechthebbende op dat geld is. Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Falend middel van de benadeelde partij over vergoeding proceskosten. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Rechtspraak.nl

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/04885

Zitting 14 november 2023

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte

1 Het cassatieberoep

1.1

De verdachte is bij arrest van 25 november 2021 door het gerechtshof Amsterdam vrijgesproken van (primair) “medeplichtigheid aan oplichting” en veroordeeld voor (subsidiair) “witwassen” tot een taakstraf voor de duur van 120 dagen, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Verder heeft het hof beslist op vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde] en [slachtoffer 3] .

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

1.3

Daarnaast heeft A.P. Stipdonk, advocaat te Leiden, namens de benadeelde partij [slachtoffer 3] één middel van cassatie ingediend.

2 Waar het in deze zaak over gaat

2.1

Door of namens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is aangifte gedaan van oplichting. Zij ontvingen van een goede bekende via WhatsApp een dringend verzoek om een geldbedrag over te maken; het zou gaan om een spoedgeval en het bedrag zou de volgende ochtend worden terugbetaald. De aangevers hebben aan dit verzoek gehoor gegeven en via een betaalverzoek geldbedragen overgemaakt naar een bankrekeningnummer die op naam stond van de verdachte. Na de betaling bleek dat zij waren opgelicht door iemand die zich had voorgedaan als een goede bekende van de aangevers.1

2.2

De verdachte heeft verklaard dat zij een bankrekeningnummer heeft geopend omdat zij in contact was gekomen met iemand die een rekeningnummer nodig had om geld door te sluizen. De bankpas die zij thuis heeft ontvangen is door twee jongens opgehaald. Er was haar verteld dat er een bedrijf failliet was gegaan, dat er geld overgeschreven zou worden naar het door haar geopende rekeningnummer en dat dit geld zou worden opgenomen door met haar betaalpas te pinnen. De verdachte zou voor haar handelen tien procent van het geldbedrag krijgen.

2.3

Het hof heeft de verdachte – na een wijziging van de tenlastelegging2 – vrijgesproken van de primair ten laste gelegde oplichtingshandelingen en veroordeeld voor (subsidiair) witwassen. Het namens de verdachte ingediende middel is gericht tegen deze bewezenverklaring.

2.4

Het middel richt zich tegen de kwalificatie van de handelingen van de verdachte als het verhullen van de werkelijke aard en de vervreemding van de naar haar bankrekening overgemaakte gelden en het verhullen wie de rechthebbende op dat geld is.

2.5

In het namens de benadeelde partij [slachtoffer 3] ingediende middel wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de gevorderde proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

2.6

Voor een goed begrip van het eerste middel zal ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering weergeven, alsmede het ten overstaan van het hof gevoerde verweer en de beslissing van het hof daarop.

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1

Ten laste van de verdachte is (subsidiair) bewezen verklaard dat:

“zij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 augustus 2019, in Nederland

van geld (€ 3.450,- en € 2.630,- en € 1.500,-), de werkelijke aard en de vervreemding heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op dat geld was (te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) terwijl zij wist dat dat geld geheel onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf”

3.2

Deze bewezenverklaring berust op de volgende, in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal aangifte (…).

Dit procesverbaal houdt in (…) de op 19 februari 2019 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Pleegdatum/tijd: tussen zondag 17 februari 2019 om 22:30 uur en zondag 17 februari 2019 om 23:10 uur.

Ik ben namens het slachtoffer gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe namens mijn moeder, [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] -1969, aangifte van oplichting cq fraude.

Op zondag 17 februari 2019, omstreeks 22:30 uur, ontving mijn moeder een WhatsApp berichtje op haar mobiele telefoon van een vriendin [benadeelde] . Het telefoonnummer van mijn moeder is 06- [telefoonnummer 1] . Ik zal [benadeelde] in de rest van mijn verklaring [benadeelde] noemen. In het berichtje dat mijn moeder ontving stond: “Kan jij 2850 euro missen tot morgenochtend. Spoedgeval ik kan nu niet bij mijn spaarrekening”. Mijn moeder heeft hierop bevestigend geantwoord. Even later ontving zij een betaalverzoek van [benadeelde] .

Mijn moeder heeft toen € 2850,- overgemaakt via het betaalverzoek van Rabobankrekening [rekeningnummer 1] naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] . Mijn moeder heeft [benadeelde] gebeld via WhatsApp. Zij kreeg geen goede verbinding met [benadeelde] .

Even later kreeg mijn moeder nogmaals een verzoek van [benadeelde] . [benadeelde] vroeg haar toen om €1750,-. Mijn moeder vroeg waar [benadeelde] het geld voor nodig had. Zij kreeg als antwoord dat [benadeelde] het later uit zou leggen, maar dat ze dringend geld nodig had en dat dit geld vóór 23:30 uur betaald moest zijn. Mijn moeder had echter dit geld niet op de rekening staan en ten slotte heeft mijn moeder nog 600 (het hof begrijpt € 600,-) overgemaakt van Rabobankrekening [rekeningnummer 3] naar hetzelfde rekeningnummer als waar zij de € 2.850,- naar had overgemaakt. (...) mijn moeder begreep dat ze was opgelicht door een persoon die zich uitgaf als [benadeelde] . De dader heeft door het aannemen van een valse naam/valse hoedanigheid, hetzij listige kunstgrepen, hetzij middels een samenweefsel van verdichtsels mijn moeder bewogen tot afgifte van in totaal € 3.450,-.

Later zag mijn moeder dat het rekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam stond van [verdachte] .

2 Een proces-verbaal aangifte(…).

Dit proces-verbaal houdt in (…) de op 20 februari 2019 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

Pleegdatum/tijd: Tussen zondag 17 februari 2019 om 23:23 uur en maandag 18 februari 2019 om 00:27 uur.

Ik doe aangifte van oplichting via WhatsApp. Doordat de verdachte een valse naam/valse hoedanigheid aannam, dan wel gebruik maakte van listige kunstgrepen, werd ik bewogen tot afgifte van geld.

Op 17 februari 2019 omstreeks 23:23 uur ontving ik op mijn mobiele telefoon een WhatsApp berichtje. Ik kon zien dat het bericht afkomstig was van [benadeelde] . Dat is een goede kennis van mij. In de app stond dat [benadeelde] aan mij vroeg of ik 2.850 euro kon missen tot morgenochtend 08:00 uur i.v.m. een spoedgeval. Ze gaf aan dat ze nu niet bij haar spaarrekening kon. Ik heb toen geprobeerd telefonisch in contact te komen met [benadeelde] , maar ik kreeg haar niet te pakken omdat ze in gesprek was. Ook via WhatsApp heb ik geprobeerd in contact te komen met [benadeelde] . Ook dit lukte niet. Ik kreeg toen een app van [benadeelde] waarin stond dat ze op dit moment mij niet kon bellen, maar dat ze straks contact met mij zou opnemen en uitleg zou geven. Vervolgens is er enig app verkeer geweest tussen [benadeelde] en mij. Zij smeekte mij om het geldbedrag van 2.850 euro over te maken. Dit moest voor 24:00 uur gebeuren.

Ik heb bij [benadeelde] aangegeven dat ik genoemd geldbedrag niet op mijn bankrekening had. Zij gaf toen aan dat 1.500 euro ook goed was. Ik heb aan [benadeelde] gevraagd wat haar bankrekeningnummer was. Ik kreeg toen van haar een betaalverzoek. Dit is een link die ik moest aanklikken. Ik heb toen 1.500 euro overgemaakt naar het bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] o.n.v. [verdachte] .

Ik heb nog aan [benadeelde] gevraagd mij te bellen om te bevestigen dat alles goed was gekomen. [benadeelde] bleef volharden dat ze mij niet kon bellen en smeekte mij min of meer nog meer geld over te maken. Ze zei dat zij het echt was en dat ze zich schaamde dit überhaupt aan mij te vragen. Ze vroeg toen aan mij of ik nog 800 euro wilde overmaken, dan zou alles voltooid zijn.

Ik kreeg toen weer van haar een betaalverzoek. Ik heb toen 800 euro overgemaakt naar hetzelfde bankrekeningnummer als waar ik 1.500 euro naar had overgemaakt.

We hebben toen nog wat appjes naar elkaar gestuurd. In een van deze appjes gaf [benadeelde] aan dat ze in paniek was, omdat het nog niet goed was. Ze vroeg toen aan mij of ik de laatste 330 euro ook nog naar haar wilde overmaken. Ik heb toen weer een betaalverzoek van haar gekregen en heb toen de 330 euro overgemaakt naar hetzelfde bankrekeningnummer.

Op 18 februari 2019 om 00:48 uur heb ik eindelijk [benadeelde] telefonisch aan de lijn gehad. Ik heb haar bovengenoemd verhaal verteld en zij zei toen tegen mij dat zij dit zelf niet was geweest en haar telefoon gehacked is. Er is dus iemand anders geweest die zich heeft voorgedaan als [benadeelde] .

Ik ben dus opgelicht voor 2630 euro.

3 Een geschrift, te weten een Details afschrijving Rabo Bankieren (…).

Dit geschrift houdt in (…):

Rekeninghouder: [betrokkene 2] EN OF [slachtoffer 2]

[rekeningnummer 4]

ING Bank €1.500,00 AF

Tegenrekening: [rekeningnummer 2]

Omschrijving: […]

0050003704847375 XXR775 betaling 3

Betaalverzoek x0628 pasnr.019

17-02-2019 23:510050003704847375

4 Een proces-verbaal aangifte (…).

Dit proces-verbaal houdt in (…) de op 2 maart 2219 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 3]:

Pleegdatum/tijd: Tussen zondag 17 februari 2019 om 16:20 uur en maandag 18 februari 2019 om 16:30 uur.

Ik doe aangifte van oplichting. Doordat de verdachte een valse naam/valse hoedanigheid aannam, dan wel gebruik maakte van listige kunstgrepen/samenweefsel van verdichtsels, werd ik bewogen tot afgifte van geld. Op 17 februari 2019, omstreeks 16.20 uur, ontving ik op mijn WhatsApp account, telefoonnummer [telefoonnummer 2] , een bericht van een goede vriendin. Deze vriendin heet [betrokkene 3] , haar telefoonnummer is [telefoonnummer 3] , (hof: zij) vroeg via WhatsApp aan mij of ik achtentwintighonderdvijftig (2.850) euro kon missen in verband met een spoedgeval. Zij kon nu niet bij haar spaarrekening. Ik vroeg eerst of het een grap was, dat het niet naar mij hoefde maar [betrokkene 3] appte terug dat het wel naar mij moest.

Ik zag dat zij vervolgens vijftienhonderd euro (1.500) euro vroeg. Ik zei dat dit wel zou lukken. [betrokkene 3] beloofde mij dat zij het geld de volgende morgen terug zou storten. [betrokkene 3] stuurde mij vervolgens een ING betaalverzoek via WhatsApp. Ik heb vijftienhonderd (1.500) euro, al mijn spaargeld, overgemaakt via het ING betaalverzoek. Ik merkte op dat de rekening niet op de naam van [betrokkene 3] stond maar op naam van [verdachte] .

Maandag 18 februari 2019 ontving ik een mail van [betrokkene 3] . In deze mail schreef zij dat ze mij niet via WhatsApp om geld had gevraagd.

5 Een proces-verbaal van bevindingen (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Naar aanleiding van een vordering verstrekking identificerende gegevens art. 126nc Sv op 9 april 2019 aan de ING Bank werden de navolgende gegevens verstrekt:

Initialen: [verdachte]

Achternaam: [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] )

Straatnaam: [a-straat 1]

Postcode: [postcode]

Woonplaats: [plaats]

Land: NL

6 Een proces-verbaal van verhoor verdachte (…)

Dit proces-verbaal houdt in (…) als (V) vraag van de verbalisant en als (A) de op 8 augustus 2019 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van verdachte:

V: Waar woon je?

A: In Rotterdam.

V:Van wie is het rekeningnummer [rekeningnummer 2] ?

A: Het rekeningnummer zegt mij niets. Maar er zal er wel een op mijn naam staan.

V: Wat bedoel je daarmee?

A: Ik heb vorig jaar een rekeningnummer geopend bij de ING.

V: Wat doe jij met d[at] rekeningnummer?

A: Niets.

V: Het gaat om rekeningnummer [rekeningnummer 5] , wat zegt jou die rekening?

A: Die heb ik dit jaar in januari of februari geopend.

V: Waarom heb je die geopend?

A: Omdat ik in contact ben gekomen met iemand die een rekeningnummer nodig had om geld door te sluizen. Ik heb toen een rekening geopend. Zo heb ik wat geld kunnen verdienen.

V: Hoeveel bankpassen had het rekeningnummer?

A: eentje.

V: Wat heb je met die bankpas gedaan?

A: Ik heb de bankpas thuis ontvangen en twee jongens zijn de bankpas op komen halen bij mij in de buurt. Dit is ongeveer in januari of februari gebeurd.

A: Ik wist wel dat er geld gestort zou worden. Mij werd verteld dat er een bedrijf failliet was gegaan. Er zou geld overgeschreven worden naar dat rekening nummer: [rekeningnummer 5] dan zouden zij dat pinnen. En dan zou ik er tien procent van krijgen.

V: Waarom heb je dit gedaan?

A: Ik heb het geld hard nodig.”

4 Het verweer en de beslissing van het hof hierop

4.1

In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2021 is te lezen dat de raadsman namens de verdachte het volgende heeft aangevoerd:

“De raadsman deelt mee:

Ik verzoek u mijn cliënte vrij te spreken. Mijn cliënte heeft niet verklaard dat er sprake van fraude zou zijn. Dat zegt ze niet. Voor een bewezenverklaring van opzetwitwassen, moet kunnen worden aangetoond dat de verdachte wist of had kunnen weten dat het geld van het misdrijf afkomstig was. Het kan niet bewezen worden dat mijn cliënte wist of had kunnen weten dat het geld dat op haar bankrekening werd gestort van een misdrijf afkomstig was, aangezien zij heeft verklaard dat zij die jongen vertrouwde en hem al jaren kende en dat zij ook nooit eerder aan iets heeft meegedaan waarvoor zij zou kunnen opdraaien. Bovendien zijn er geen medeverdachten en ook geen getuigen. Schuldwitwassen had eventueel kunnen worden bewezenverklaard, maar dat is niet tenlastegelegd. Opzetwitwassen kan niet bewezen worden verklaard met iemand die zij al jaren kent.”

4.2

Het hof heeft in het bestreden arrest dit verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:3

“De verdachte heeft bij de politie op 8 augustus 2019 verklaard dat zij rekeningnummer [rekeningnummer 5] in januari of februari heeft geopend omdat zij in contact was gekomen met iemand die het rekeningnummer nodig had om geld door te sluizen. De verdachte heeft verklaard dat zij de bankpas thuis heeft ontvangen en dat twee jongens de bankpas bij haar zijn komen ophalen. Volgens haar eigen verklaring wist zij dat er geld op haar rekening gestort zou worden. Zij heeft verklaard dat haar werd verteld dat er een bedrijf failliet was gegaan, dat er geld overgeschreven zou worden naar het door haar geopende rekeningnummer [rekeningnummer 5] en dat de twee jongens dat geld zouden opnemen door met haar betaalpas te pinnen. De verdachte zou voor haar handelen tien procent van het geldbedrag krijgen.

Gelet op de verklaring van de verdachte is het hof van oordeel dat vaststaat dat de verdachte wist dat het geld dat op haar rekening gestort zou worden van misdrijf afkomstig was.

Immers de gedragingen van de verdachte: het op verzoek van twee personen tegen een toegezegde betaling van 10% van de opbrengst openen van een rekening, het daarna activeren van deze rekening en vervolgens aan die personen de bankpas behorend bij die rekening overhandigen waardoor die personen geld dat op de rekening is gestort kunnen pinnen, enkel en alleen omdat er sprake zou zijn van een niet nader onderbouwd faillissement, zijn feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het geld een criminele herkomst heeft en dat het niet anders kan dan dat de verdachte dat wist, te meer nu de verdachte heeft verklaard dat de rekening nodig was om geld door te sluizen.”

5 Het namens de verdachte voorgestelde middel

5.1

In het middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van witwassen als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder a Sr, meer in het bijzonder dat de gedragingen van de verdachte kunnen worden gekwalificeerd als het verhullen van de werkelijke aard en de vervreemding van de naar haar bankrekening overgemaakte gelden en het verhullen wie de rechthebbende op dat geld is. Dat oordeel is, zonder nadere motivering die ontbreekt niet begrijpelijk, aldus de steller van het middel.

5.2

Voor de interpretatie van de bewezenverklaarde delictsgedragingen is de volgende wetsgeschiedenis van belang:

memorie van toelichting:

“De kern van het witwassen zoals omschreven in onderdeel a van artikel 420bis, eerste lid, is het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats enz. van bepaalde voorwerpen. Het effect van deze handelingen is dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken. Juist dit verhullende element maakt het bewijs van witwassen nogal eens moeilijk: of het voorwerp van de (vermoede) witwashandelingen inderdaad (direct of indirect) afkomstig is uit een misdrijf, is niet eenvoudig vast te stellen. Dit is overigens bij alle vormen van witwassen het geval, ook bij die vormen die als een gedraging in de zin van artikel 420bis of 420quater, eerste lid, onderdeel b, moeten worden gekwalificeerd. Het handelen van de witwasser zal er steeds op gericht zijn de criminele opbrengsten voor justitie te verbergen.”4

Verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. (eerste lid, onderdeel a)

Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben en geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo’n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (zie hierna).
Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen» en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» – volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» – zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Met het verbergen of verhullen van de «werkelijke aard» van het voorwerp wordt bedoeld het voorwenden van een andere aard dan de werkelijke (bijvoorbeeld gelden worden gepresenteerd als de winst uit een legaal bedrijf, terwijl ze in werkelijkheid uit drugshandel afkomstig zijn). Toegevoegd is het verbergen of verhullen van degene die het voorwerp voorhanden heeft. Hierbij gaat het om degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Vaak laten witwasconstructies er namelijk geen twijfel over bestaan wie in juridische zin rechthebbende op het voorwerp is, maar zijn ze er juist op gericht te verhullen wie feitelijk de beschikkingsmacht over het voorwerp heeft."5

nota naar aanleiding van het verslag:

"De doelgerichtheid waarvan in de memorie van toelichting sprake is, slaat niet op de subjectieve gesteldheid of bedoeling van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) - gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval - erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken."6

brief van de minister van justitie:

“Onderscheid moet worden gemaakt tussen de handelingen omschreven in onderdeel a van het eerste lid van de artikelen 420bis en 420quater Sr en de handelingen omschreven in onderdeel b. Laatstbedoelde handelingen («verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruik maken») veronderstellen inderdaad feitelijke zeggenschap ten aanzien van het voorwerp, al is niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid van de verdachte bevindt (zie ook de memorie van toelichting, Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 14/15).

Dit is anders bij het «verbergen of verhullen» als bedoeld in onderdeel a. Dit blijkt reeds hieruit dat hieronder ook valt degene die verbergt of verhult «wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft». Dan heeft niet de verdachte, maar juist een ander het voorwerp – in juridische of feitelijke zin – onder zich. Voor de uitleg van de termen «verbergen» en «verhullen» is van belang dat zij een zekere doelgerichtheid impliceren; de handelingen zijn erop gericht om het zicht op de aard, herkomst enz. van voorwerpen te bemoeilijken en zijn ook geschikt om dat doel te bereiken.”7

5.3

De bepaling in art. 420bis Sr lid 1 onder a Sr valt uiteen in twee delen: schuldig aan witwassen is (1) “hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult”, of (2) “verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf”.

5.4

De Hoge Raad heeft met betrekking tot het eerste deel van deze bepaling, uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat de begrippen “verbergen” en “verhullen” betrekking hebben op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing van een voorwerp te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken.8

5.5

Een gelijkluidende interpretatie heeft de Hoge Raad gegeven als het gaat om het tweede deel van art. 420bis lid 1 onder a betreffende gedragingen die verhullen of verbergen wie de rechthebbende op een voorwerp is.9

5.6

Wie daarbij als “rechthebbende” op een voorwerp moet worden aangemerkt volgt niet eenduidig uit de wetsgeschiedenis en voor zover ik heb kunnen nagaan heeft de Hoge Raad zich hier ook niet over uitgelaten. In de literatuur wordt benadrukt dat de wetgever kennelijk het oog heeft gehad op slachtofferloze misdrijven, zoals de handel in verdovende middelen: rechthebbende is in die gevallen degene die de opbrengst uit deze illegale handel opstrijkt. Wanneer wel sprake is van een slachtoffer (bijvoorbeeld bij vermogensmisdrijven) dan is dat slachtoffer weliswaar “rechthebbende” naar maatstaven van het civiele recht, maar niet in de zin van art. 420bis Sr: in die gevallen geldt de verkrijger te kwader trouw als “rechthebbende”.10

5.7

Steun voor deze opvatting wordt ook gevonden in het feit dat aan het verbergen en verhullen “wie de rechthebbende op een voorwerp is”, zijn toegevoegd de woorden “of het voorhanden heeft”. Met deze toevoeging werd beoogd duidelijk te maken dat ook het verbergen of verhullen van wie het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft binnen de delictsomschrijving van witwassen valt.11 In samenhang bezien met de reactie van de minister op een vraag van een Kamerlid, of de verdachte het voorwerp ook echt onder zich moet hebben of in zijn macht moet hebben om de verdachte voor witwassen te kunnen veroordelen,12 kan het tweede deel van art. 420bis lid 1 onder a Sr worden gelezen als handelingen waarmee de werkelijke zeggenschap over het voorwerp wordt verbloemd. Dan heeft niet de verdachte, maar juist een ander het voorwerp onder zich. Dat kan zowel in juridische als in feitelijke zin zijn: in het eerste geval is die ander de rechthebbende (de verkrijger te kwader trouw), in het tweede geval heeft die ander het voorwerp voorhanden.13

5.8

Uit de wetsgeschiedenis volgt verder dat de feitelijkheden die in art. 420bis lid 1 onder a Sr beschreven staan veelal zullen samenvallen in die zin dat ze tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing dikwijls neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Hoewel het in de meeste gevallen zal gaan om een reeks van handelingen die tezamen witwassen opleveren, betekent dit niet dat een enkele handeling geen verbergen of verhullen zou kunnen opleveren.14

5.9

Terug naar de onderhavige zaak. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen door (1) de werkelijke aard en de vervreemding van het geld (de geldbedragen die zijn gestort door aangevers) te verhullen en (2) te verhullen wie de rechthebbende op dat geld was, te weten de aangevers. Het middel richt zich tegen dit oordeel.

5.10

In het licht van het voorgaande wordt in de toelichting op het middel betoogd dat het aankomt op de vraag of de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte er op gericht waren het zicht op (1) de werkelijke aard en de vervreemding van het geld en (2) de rechthebbende op dat geld, te bemoeilijken én of die gedragingen geschikt waren om dat doel te bereiken.

5.11

Vervolgens wordt in de toelichting op het middel verwezen naar jurisprudentie waaruit volgt dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp.15 Die rechtspraak komt er – kort gezegd – op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.16

5.12

Deze jurisprudentie ziet in beginsel op de delictsgedragingen "verwerven" en "voorhanden hebben", zoals opgenomen in art. 420bis lid 1 onder b Sr en art. 420quater, lid 1 onder b Sr. Deze rechtspraak heeft dan ook geen betrekking op het verbergen en verhullen als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder a Sr.17 Dat neemt niet weg dat ook de bewezenverklaring van het verhullen van een voorwerp of van de rechthebbende voldoende moet worden gemotiveerd.18 Volgens de stellers van het middel is dat laatste hier niet het geval nu het hof de gedragingen van de verdachte (het “(slechts) aan anderen ter beschikking stellen van haar bankrekening en bankpas”, aldus de stellers van het middel) zonder nadere motivering die ontbreekt, ten onrechte als witwassen in de zin van art. 420bis lid 1 onder a Sr heeft gekwalificeerd.

5.13

Dat betoog is wat kort door de bocht nu daarmee wordt miskend dat het hof een breder pallet aan feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, te weten dat de verdachte:

- op verzoek van twee personen tegen een toegezegde betaling van 10% van de opbrengst een bankrekening heeft geopend,

- deze bankrekening heeft geactiveerd, en

- vervolgens aan die personen de bankpas heeft overhandigd waardoor die personen geld dat op de rekening is gestort werd konden pinnen,

- omdat er sprake zou zijn van een niet nader onderbouwd faillissement.

5.14

Het hof heeft uit voornoemde feiten en omstandigheden afgeleid “dat het geld een criminele herkomst heeft en dat het niet anders kan dan dat de verdachte dat wist, temeer nu de verdachte heeft verklaard dat de rekening nodig was om geld door te sluizen”. De term ‘herkomst’ is hier wat ongelukkig gekozen nu dit één van de feitelijkheden betreft uit art. 420bis lid 1 onder a die niet is bewezen verklaard in onderhavige zaak. In zoverre vind ik de motivering van het hof niet zonder meer begrijpelijk: de ‘herkomst’ van een voorwerp verhullen heeft betrekking heeft op het gronddelict waaruit dat voorwerp afkomstig is, terwijl het bij het verhullen van de (bewezenverklaarde) ‘werkelijke aard’ en de ‘vervreemding’ gaat om handelingen die ten aanzien van het voorwerp worden verricht.19

5.15

Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden nu de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, onmiskenbaar duiden op het creëren van een ‘mistgordijn’ als omschreven in de wetsgeschiedenis, waardoor het zicht op de rechthebbende op de tegoeden op die bankrekening wordt verhuld, zij het dat – anders dan in de bewezenverklaring tussen haakjes staat vermeld – niet wordt verhuld dat de aangevers rechthebbende op het geld zijn. Wat dat betreft hebben de steller van het middel ook een punt. De verdachte heeft een bankrekening geopend terwijl zij wist dat deze zou worden gebruikt om geld op te laten storten en dat dit geld vervolgens zou worden opgenomen door de personen aan wie zij het (enige) bankpasje had overgedragen. Door het (enige) bankpasje over te dragen aan anderen heeft zij de beschikkingsmacht over de bankrekening en de daarop gestorte geldbedragen overgedragen aan anderen en daarmee verhuld wie die anderen, de rechthebbenden (te kwader trouw) zijn op de door de aangevers gestorte gelden.20 Ik meen echter dat met de schrapping van de tussen haakjes opgenomen zinsnede waarin de namen van de aangevers staan vermeld en die volgt op “wie de rechthebbende op dat geld was’ geen afbreuk doet aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde die er in de kern op neer komt dat de verdachte door haar handelen criminele opbrengsten aan het zicht van justitie heeft onttrokken (terwijl in dit verband niet is aangevoerd dat en waarom de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van het arrest en een nieuwe behandeling).

5.16

Het middel faalt.

6 Het namens de benadeelde partij [slachtoffer 3] voorgestelde middel

6.1

Het middel houdt in dat sprake is van “een schending van het recht en/of verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO”, omdat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de advocaatkosten van de benadeelde partij niet voor vergoeding in aanmerking komen.

6.2

Het hof heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] het volgende overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,00 materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Daarnaast heeft de benadeelde partij in hoger beroep vergoeding van haar advocatenkosten ad € 605,00 (inclusief BTW) verzocht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering integraal zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatrel. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de advocatenkosten zullen worden gematigd.

De raadsman heeft de advocatenkosten betwist. Niet blijkt welke werkzaamheden de advocaat zou hebben verricht en welk uurtarief is toegepast.

Het hof overweegt – gezien het hiervoor geschetste kader – als volgt.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde witwassen.

Kort gezegd heeft zij haar bankrekeningnummer beschikbaar gesteld en is die bankrekening gebruikt om geld van de benadeelde afhandig te maken. Als de verdachte dat niet had gedaan, had het geld van de benadeelde niet afhandig kunnen worden gemaakt. Het hof is derhalve van oordeel dat de door benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezenverklaarde dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks door dat feit te zijn toegebracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

De raadsman heeft de advocatenkosten onderbouwd betwist. Het hof is van oordeel dat de advocatenkosten onvoldoende zijn onderbouwd. Door de raadsman van de benadeelde partij is een factuur ingediend maar niet is aangegeven Welke werkzaamheden concreet zijn verricht. Deze kosten komen naar het oordeel van het hof- gelet op de ontbrekende motivering - niet voor vergoeding in aanmerking.

(…)

BESLISSING

Het hof: (…)

”Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.”

6.3

Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden leid ik met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] de volgende feiten en omstandigheden af:

(i) [slachtoffer 3] heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,00 materiële schade, zijnde het bedrag dat zij heeft gestort op de rekening van de verdachte, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.21

(ii) A.P. Stipdonk heeft zich in eerste aanleg gesteld als advocaat van [slachtoffer 3] . Bij de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting van de politierechter op 24 september 2020 zijn [slachtoffer 3] en haar advocaat niet verschenen. Ten tijde van die behandeling lijkt er nog geen concreet bedrag aan proceskosten te zijn gevorderd.22

(iii) [slachtoffer 3] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Daarnaast heeft de benadeelde partij in hoger beroep vergoeding van haar advocatenkosten ad € 605,00 (inclusief BTW) verzocht.23 Deze proceskosten zijn onderbouwd met een nota van de advocaat gericht aan [slachtoffer 3] d.d. 5 juli 2021. Op deze factuur staat vermeld: “Vaste prijsafspraak rechtsbijstand benadeelde partij in de strafzaak tegen [verdachte] /OM, hoger beroep Hof Amsterdam. Hierbij verzoek ik u om de nota van Euro 500,00 + Euro 105,00 BTW = Euro 605,00 binnen 14 dagen over te maken op bankrekeningnummer (…) t.n.v. Alex P. Stipdonk, advocaat te Leiden (…)”.24

(iv) Bij de behandeling in hoger beroep zijn [slachtoffer 3] en haar advocaat wederom niet verschenen.

6.4

Het hof is van oordeel dat de gevorderde proceskosten van de benadeelde partij – die door de verdediging worden betwist – niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd: zonder nadere motivering die ontbreekt, blijkt niet welke werkzaamheden de advocaat zou hebben verricht.

6.5

In de toelichting op het middel wordt primair aangevoerd dat die onderbouwing er wel degelijk is nu op de factuur staat vermeld “Vaste prijsafspraak rechtsbijstand benadeelde partij in de strafzaak tegen [verdachte] /OM, hoger beroep Hof Amsterdam”. Subsidiair is betoogd dat het hof aan de hand van het zogenoemde ‘Liquidatietarief kanton’25 (tarief 2021) de proceskosten had kunnen begroten op 2,5 punt x € 187,- derhalve in totaal op € 467,50.

6.6

Op zichzelf is de enkele prijsafspraak geen onderbouwing van de werkzaamheden die zijn verricht. Dat neemt niet weg dat aan een prijsafspraak inherent is dat geen urenspecificatie wordt overgelegd omdat een vast bedrag is afgesproken voor de te verrichten werkzaamheden. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht ik het oordeel van het hof in dit geval echter niet onbegrijpelijk nu op geen enkele wijze uit de stukken volgt welke werkzaamheden de advocaat zou hebben verricht. Immers de vordering is op zichzelf overzichtelijk (te weten € 1.500, zijnde het bedrag dat [slachtoffer 3] heeft overgemaakt aan de verdachte) en van enige bijstand ter terechtzitting (in eerste en tweede aanleg) is niet gebleken. Gelet hierop was het hof evenmin gehouden het liquidatietarief kanton toe te passen.26

7 Ambtshalve beoordeling van de redelijke termijn in cassatiefase

7.1

Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte is op 25 november 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf. Ik zal hiertoe concluderen al kan ik mij ook voorstellen dat gelet op de geringe overschrijding van de redelijke termijn en de hoogte van de opgelegde straf kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

8 Conclusie

8.1

Het namens de verdachte voorgestelde middel faalt.

8.2

Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid1 RO ontleende motivering.

8.3

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8.4

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde taakstraf, en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In het geval van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] was die goede bekende hun gezamenlijke vriendin [benadeelde] (in de aangiftes aangeduid als [benadeelde] ). [benadeelde] – wier telefoonnummer door een onbekende is misbruikt – heeft vanuit een morele verplichting de door haar vriendinnen geleden schade vergoed en een vordering als benadeelde partij ingediend.

2 De ‘vordering wijziging tenlastelegging’ is toegewezen ter terechtzitting in hoger beroep op 22 juli 2021. In eerste aanleg is (enkel) “witwassen” ten laste gelegd. De politierechter heeft bij mondeling vonnis van 24 september 2020 dit feit bewezen verklaard en de verdachte bij verstek veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 dagen/60 dagen hechtenis. Daarnaast zijn de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Uit de appelmemorie d.d. 29 september 2020 en de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep op 22 juli 2021 en 11 november 2021 volgt dat de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld in verband met de beslissingen van de politierechter op de vorderingen van de benadeelde partijen.

3 Met weglating van voetnoten.

4 Kamerstukken II, 1999/00, 27 159, nr. 3, p. 8.

5 Kamerstukken II, 1999/00, 27 159, nr. 3, p. 14-15.

6 Kamerstukken II, 2000/01, 27 159, nr. 5, p. 17.

7 Kamerstukken II, 2000/01, 27 159, nr. 7 (Brief van de Minister van Justitie), p. 1-2.

8 HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236, NJ 2017/377, m.nt. B.F. Keulen, rov. 2.8 (verbergen en verhullen van de herkomst van een geldbedrag); HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:462, rov. 2.3 en 2.4 (verbergen en verhullen van de vindplaats van geld). In beide arresten wordt door de Hoge Raad de inhoud aangehaald van de hiervoor weergegeven memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag. Ten behoeve van de bespreking van het middel heb ik de inhoud van de memorie van toelichting iets uitgebreider weergegeven dan de Hoge Raad in zijn arresten heeft gedaan. Tevens heb ik melding gemaakt van de inhoud van de brief van de minister in reactie op een vraag van een Kamerlid.

9 HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:474, NJ 2019/164, rov. 3.3.3 (verbergen en verhullen wie de rechthebbende op een geldbedrag, is).

10 P.C. van Duyne & D. van der Landen, ‘De “kennelijke” oorsprong van Sneeuwwitje’, Nederlands Juristenblad 1999, afl. 35, p. 1685. Vgl ook: J.W. Ouwerkerk in haar noot onder HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:474, AA 2019/0487, p. 489.

11 Kamerstukken II, 1999/00, 27 159, nr. 3, p. 15.

12 Zie onder noot 7.

13 J.W. Ouwerkerk in haar noot onder HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:474, AA 2019/0487, p. 489 waarin zij verwijst naar de hiervoor geciteerde memorie van toelichting en brief van de minister van justitie. Vgl. ook: F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen, Deventer 2016, p. 66 en 68.

14 Zie hiervoor passages uit de memorie van toelichting.

15 In de schriftuur wordt gewezen op HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169, NJ 2016/83, m.nt. B.F. Keulen waarin de bewezenverklaring was toegesneden op art. 420bis lid 1 onder b Sr. Hieruit volgt dat het enkele storten van door eigen misdrijf verkregen geldbedragen op eigen bankrekeningen onvoldoende is om te kunnen gelden als gedragingen die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen, ook als dat ‘voor ‘reguliere’ uitgaven’ gebeurt.

16 De steller van het middel wijst op de volgende arresten waarin de gedragingen van de verdachte wel voldoende waren om tot een bewezenverklaring van witwassen te komen: HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:898, waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof m.b.t. een bewezenverklaring van art. 420bis lid 1 onder b Sr in stand liet voor zover dat inhield dat de verdachte in een aantal jaren contante geldbedragen van ruim € 255.000,- heeft gestort op een bankrekening, maar dat die rekening nadien een debetstand heeft bereikt en dat nader onderzoek niet of nauwelijks heeft geleid tot het terugvinden van die gestorte bedragen; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2499, NJ 2019/102, m.nt. J.M. Reijntjes waarin sprake was van medeplegen van witwassen (art. 420bis lid 1 onder b Sr) door uit (eigen) misdrijf afkomstige verzekeringsgelden te laten storten op bankrekeningen op naam van een ander, die feitelijk aan verdachte ter beschikking stonden.

17 HR 13 december 2016, ECLI:NL:2016:2842, NJ 2017/218 m.nt. Mevis, rov. 2.4.1.

18 Vgl. In HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:14 waarin de bewezenverklaring was toegesneden op art. art. 420bis lid 1 onder a, oordeelde de Hoge Raad dat de bewezenverklaring wat betreft het “verhullen” van de herkomst van het geldbedrag, niet naar de eis der wet met redenen was omkleed. De bewijsvoering hield slechts in dat in de auto een tas met geld was aangetroffen.

19 Vgl. F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen, Deventer 2016, p. 68.

20 Vgl. HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:838 (art. 81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee onder randnr. 43 waarin ook sprake was van geld dat was gestort op een bankrekening, terwijl een ander dan de rekeninghouder daar feitelijk over kon beschikken.

21 In de vordering d.d. 6 september 2019 is nog geen concreet bedrag aan proceskosten opgenomen.

22 Blijkens het proces-verbaal in hoger beroep is er geen proces-verbaal opgemaakt van het verhandelde in eerste aanleg. Wel bevindt zich bij de stukken een document met aantekeningen van de behandeling in eerste aanleg op 24 september 2020 “t.b.v. hoger beroep”. Uit het feit dat blijkens deze aantekeningen [slachtoffer 3] en haar advocaat niet zijn verschenen en de officier van justitie in zijn eis niets zegt over de proceskosten van [slachtoffer 3] (en wel over die van de vordering van [benadeelde] ) leid ik af dat er in eerste aanleg nog geen concreet bedrag aan proceskosten is gevorderd.

23 Dit volgt uit de vaststellingen van het hof in het bestreden arrest.

24 Bij de stukken bevindt zich een emailbericht van de advocaat aan het openbaar ministerie en de griffie van hof d.d. 21 juli 2021 waarin hij melding maakt van het feit dat [slachtoffer 3] de proceskosten als vermeldt in de factuur wil verhalen op de verdachte.

25 In de toelichting op het middel staat enkel vermeld ‘het liquidatietarief voornoemd’ daarmee verwijzend naar passage uit een arrest van de Hoge Raad waarin wordt gewezen op rechtspraak.nl gepubliceerde ‘Liquidatietarief kanton’ en het ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’. Uit de berekening die vervolgens in de toelichting wordt gemaakt leid ik af dat de steller van het middel doelt op het Liquidatietarief kanton. Dat lijkt mij juist nu in de feitenrechtspraak aansluiting wordt gezocht bij de competentieregels voor vorderingen in een civielrechtelijke procedure, wat betekent dat voor vorderingen tot en met € 25.000 het Liquidatietarief Kanton wordt gehanteerd en voor vorderingen boven € 25.000 het Liquidatietarief Rechtbanken en Gerechtshoven (zie: J. Candido (red.), Slachtoffer en de rechtspraak; Handleiding voor de strafrechtspraktijk, uitgave in opdracht van het LOVS en de Raad voor de rechtspraak, (2017), p. 174.

26 En als dat al wel het geval zou zijn geweest, dan zou dat voor de behandeling in eerste aanleg betekenen dat het tarief uit 2020 moet worden gehanteerd en niet dat van 2021 en zie ik niet in waarom zou moeten uitgegaan van 2,5 punt, nu er enkel sprake is van een (zoals gezegd overzichtelijke) vordering (= 1 punt) en geen rechtsbijstand ter zitting is verleend.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.