Belastingrenteberekening over perioden waarin het geld al bij de fiscus stond. Betekenis van 'verzuim'. Evenredigheidsbeginsel. Begunstigend beleid; intrekking daarvan; temporele compartimentering van beleid
Deze conclusie is onderdeel van een pakket van zes conclusies over asymmetrische belastingrenteberekening/vergoeding; vier BTW(-compensatie)zaken met rolnummers 20/03879, 21/03144, 21/03143 en 21/03147 en twee vennootschapsbelastingzaken met rolnummers 20/04379 en 21/00170. Bij de vier BTW-zaken gaat een gemeenschappelijke bijlage; ook bij de twee Vpb-zaken gaat een gemeenschappelijke bijlage.
Feiten: De belanghebbende heeft begin 2016 een voorlopige aanslag (VA1) Vpb 2016 naar een belastbaar bedrag ad € 12.833.998 betaald. In maart 2018 heeft zij aangifte Vpb 2016 gedaan naar een belastbaar bedrag ad € 11.455.622. Op basis daarvan is een VA VA2 over 2016 opgelegd, leidende tot teruggaaf ad € 344.593 zonder belastingrentevergoeding. Na een boekenonderzoek heeft zij in september 2018 haar aangifte Vpb 2016 herzien naar een belastbaar bedrag ad € 11.513.537, diezelfde maand leidende tot een VA3 Vpb 2016 met een te betalen bedrag ad € 14.478, waarbij € 1.553 belastingrente in rekening is gebracht vanaf 1 juli 2017 (zie art. 30fb(1) AWR) t/m 3 november 2018 (einde zesweeksbetalingstermijn; zie art. 30fb(1)AWR).
[schema]
De belanghebbende is dus ook rente in rekening gebracht van 1 juli 2017 tot 24 maart 2018, toen de belasting waarover die rente is berekend, aan de fiscus betaald was.
In geschil is of de bij VA3 in rekening gebrachte belastingrente deels (ik neem aan over de periode 1 juli 2017 tot 24 maart 2018) onrechtmatig is berekend.
De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep verworpen. De rente is volgens art. 30fb(1) AWR correct berekend. Redelijkheid en billijkheid noch doel en strekking van de wet bieden de rechter een basis om een eenduidige formele wet buiten toepassing te laten. Evenmin is art. 1 Protocol I EVRM geschonden. De publicatie van een verslag van de Landelijke vakgroep Formeel recht van de belastingdienst, vermeldend dat geen ruimte meer bestaat om belastingrente te matigen enkel omdat de belasting al betaald was, is de intrekking van begunstigend beleid. Nu de beschikking belastingrente dateert van na die intrekking, zodat de belanghebbende daar niet op kon vertrouwen.
Hof Den Haag: de rente is berekend conform art. 30fb AWR omdat de belanghebbende in maart 2018 een te lage aangifte 2016 deed. Dat er (bedrijfs)economisch geen rente kan zijn als er geen schuld is doordat het geld al bij de fiscus staat, betekent niet dat berekening ervan niet strookt met art. 30fb AWR, nu de AWR een eigen juridisch begrip ‘belastingrente’ kent. Renteberekening bij opwaartse herziening van een VA zonder rekening te houden met eerdere betaling(en), acht het Hof niet in strijd met doel en strekking van de wet omdat sinds 2013 niet meer compensatie, maar verzuim voorop staat. Ook verworpen werd het standpunt dat het begunstigende beleid niet is ingetrokken op 8 december 2017. Anders dat de rechtbank, meende het Hof echter, op basis van HR BNB 2014/128, dat geen rente berekend kan worden over het tijdvak vóór 8 december 2017 omdat begunstigend beleid niet terugwerkend kan worden ingetrokken:
Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld.
De Staatssecretaris (principaal) acht art. 30fb AWR geschonden omdat: a. (primair) ten tijde van de onterechte vermindering van de voorlopige aanslag het begunstigende beleid al was ingetrokken, zodat belanghebbende niet kon vertrouwen dat als die teruggaaf deels weer ongedaan zou worden gemaakt er geen wettelijke belastingrente in rekening zou worden gebracht; en b. (subsidiair) het vertrouwen al op 7 juni 2017 was ingetrokken, zodat geen grond bestaat voor beperking van de renteperiode, die pas aanvangt op 1 juli 2017. Bij erkent de Staatssecretaris dat onderdeel b. is verworpen bij in HR BNB 2021/95.
De belanghebbende (incidenteel) acht (i) de artt. 30fb en 30fc AWR geschonden door het oordeel dat redelijkheid en billijkheid noch doel en strekking van de wet in de weg kunnen staan aan renteberekening over de periode waarin de belasting al was betaald en (ii) het gelijkheids- en vertrouwensbeginselen en de redelijke wetstoepassing geschonden door het oordeel dat het begunstigende beleid in december 2017 zou zijn ingetrokken.
A-G Wattel merkt op dat de rechter van ambtswege de rechtsgronden moet aanvullen en dat de Hoge Raad buiten de aangevoerde middelen kan gaan, mits binnen het geschil. De tekst van de wet strookt niet met de toelichting voor wat betreft de betekenis van de term ‘verzuim’. De belastingrenteregeling ziet kennelijk op titelverzuimen en niet op betalings-verzuimen (waarop de invorderingsrente ziet), maar de wetgever wilde desondanks expliciet ‘aansluiting’ bij de verzuimrenteregeling in de Awb en de verzuimregeling in art. 6:81 BW, die beide uitsluitend over betalingsverzuimen gaan. Bovendien is het verzuim-begrip hybride omdat het effectief verschillende betekenissen heeft voor de fiscus en de belastingplichtige, zulks structureel in het nadeel van de belastingplichtige. Uit het wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2023 blijkt dat ook de medewetgever vindt dat situaties zoals die van de belanghebbende, waarin rente berekend wordt over bedragen die al betaald waren, “niet passen bij de verzuimgedachte die aan de regeling ten grondslag ligt”, dus kennelijk geen ‘verzuim’ inhouden in de zin van de belastingrenteregeling, en overigens “(zeer) indruisen tegen het rechtvaardigheidsgevoel”.
In de parlementaire geschiedenis ziet de A-G geen aanwijzing dat de wetgever ook bij niet-bestaan van een verschuldigde hoofdsom renteberekening zou hebben voorzien en aanvaard als ‘verzuim’, dat immers juist moest ‘aansluiten’ bij de Awb- en BW-regelingen die uitsluitend op betalingsverzuimen zien. Dergelijke renteberekening staat ook haaks op de parlementaire weerstand tegen de zeer hoge belastingrente. De stelling van de medewetgever dat belastingplichtigen het steeds ‘laagdrempelig’ zelf in de hand zouden hebben of zij al dan niet belastingrente belopen, acht de A-G onjuist. Ook onjuist lijkt hem de stelling van de regering dat niet langer het behalen van economisch voor- of nadeel centraal staat, zeker na het latere, in het nadeel van belastingplichtigen, om budgettaire redenen niet volgen van de dalende wettelijke rente.
De A-G concludeert dat voor de toepassing van de belastingrenteregeling een mogelijk titelverzuim niet (meer) relevant is voor zover en zolang de belasting al betaald is. Een titelverzuim kan weliswaar ook ondanks betaald zijn van de belasting relevant kan zijn door bemoeilijking van administratieve processen, maar voor aangifteverzuimen bestaat de verzuimboete al. In belanghebbendes geval, waarin onevenredige en onrechtvaardige gevolgen van het door de wetgever gebruikte tweeslachtige en asymmetrische ‘verzuim’-begrip mogelijk blijken die door hem niet zijn voorzien, moet daarom zoveel mogelijk aangesloten worden bij de betalingsverzuimregelingen in de Awb en het BW waarbij de wetgever expliciet wilde aansluiten, zodat de wet aldus uitgelegd moet worden dat de belanghebbende voor de toepassing van de belastingrenteregeling niet in ‘verzuim’ was in de periode waarin en voor zover de hoofdsom waarover rente is berekend niet bestond.
Subsidiair meent de A-G dat de AWR-bepaling die leidt tot renteberekening over perioden waarin geen hoofdsom bestond, in zoverre buiten toepassing moet blijven wegens schending van het evenredigheidsbeginsel waaraan ook de formele wet getoetst kan worden in geval van door de wetgever niet onder ogen geziene onevenredige en onredelijke individuele gevolgen van strikte wet(tekst)toepassing.
Meent de Hoge Raad dat de individuele gevolgen van strikte wet(tekst)toepassing in casu niet onredelijk en onvoorzien genoeg zijn om de formele wet wegens schending van ongeschreven algemene rechtsbeginselen incidenteel buiten toepassing te laten, dan meen de A-G dat het Hof terecht het beroep op het begunstigende beleid heeft gehonoreerd.
Conclusie: principaal beroep ongegrond; incidenteel beroep gegrond; verwijzing naar de feitenrechter om te bepalen hoeveel belastingrente teveel in rekening is gebracht.