HR BNB 1983/25915 betrof een BV die op haar terrein rails had liggen voor een mobiele transporteur langs een loswal. Aan de weg, aan drie kanten omsloten door het bedrijfsterrein van de belanghebbende BV, stonden twee aaneengebouwde woonhuizen, waardoor de rails aan weerszijden van die woonhuizen niet rechtstreeks met elkaar in verbinding stonden en de transporteur niet langs de hele loswal verrijdbaar was. De belanghebbende kocht in 1976 een van de woonhuizen en nam het in gebruik als kantoor van een dochtermaatschappij. In 1977 kocht zij ook het andere woonhuis. Na verkrijging van sloopvergunningen brak zij beide woonhuizen af. Op het vrijgekomen terrein werden later de rails van de transporteur doorgetrokken, waarna de transporteur langs de gehele loswal verrijdbaar was. De belanghebbende wilde wegens de sloop van de gekochte panden fl. 203.946 extra afschrijven wegens “de nog niet verbruikte nutsprestaties van de panden”. U overwoog:
“dat het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende de beide door haar aangekochte woonhuizen aan de a-dijk heeft gesloopt ten einde de oorspronkelijk onderbroken rails van de transporteur over de volle breedte van het opslagterrein met elkaar te verbinden tot een lange kraanbaan en dat daarmee werd beoogd het gebruik van de overslaginstallatie en de loswal te verbeteren en te verruimen;
dat in deze vaststelling ligt besloten dat belanghebbende met de sloop van de bedoelde woonhuizen primair heeft beoogd de ondergrond van die woonhuizen voor de uitoefening van haar bedrijf vrij te maken;
dat dit met zich brengt dat belanghebbende de boekwaarde van de opstallen - naar uit hetgeen het Hof als vaststaand heeft aangemerkt valt af te leiden ten tijde van de sloop f 203 946 - heeft opgeofferd om die grond vrij te maken, zodat die boekwaarde geheel aan de aangekochte grond moet worden toegerekend;”
Slot annoteerde in BNB 1983/259:
“Het gaat de ondernemer (…) niet om de grond, maar om een bedrijfsmiddel - gebouw, installatie - inclusief de (onder)grond. Dat bedrijfsmiddel wil hij verbeteren of uitbreiden. Het lijkt dan ook niet vanzelfsprekend dat het offer dat met de sloop van opstallen wordt gebracht moet worden toegerekend aan enkel de grond, dan wel de opstallen. In de regel, zoals ook in dit geval, beschouwt belanghebbende de kosten van de grond als absurd, indien daarin de waarde van de gesloopte opstallen en de sloopkosten worden opgenomen. Het gaat echter niet om de vaststelling van de waarde, maar om de bepaling van het bedrag dat de ondernemer aan de grond ten koste heeft gelegd. De dwaze verhouding tussen beide zou echter minder extreem zijn, als men het gebrachte offer toerekende aan het bedrijfsmiddel als geheel en ponds-pondsgewijs - bijvoorbeeld naar verhouding van de marktwaarden - zo nodig toerekende aan de samenstellende delen.
Hier staat tegenover dat in de regel opstallen en installaties vervangbaar zijn tegen marktprijzen en dat in een concrete situatie de grond de schaarse factor is. Het is dan onaannemelijk dat de ondernemer aan zo'n opstal of installatie meer zal willen besteden dan de prijs waartegen deze zaken overal verkrijgbaar zijn. Aldus bezien kan de beslissing van de Hoge Raad worden geacht overeen te stemmen met het feitelijk handelen van de ondernemer. Hem wordt als het ware een spiegel voorgehouden. Aanschouwt hij in die spiegel dan een dwaas die grond aanschaft ver boven de marktprijs? Hij zal hebben afgewogen de kosten van de grond tegen de besparing op exploitatie-uitgaven en tot de conclusie zijn gekomen dat hij het beste af is als hij de grond verwerft al is het dan tegen een prijs die de marktwaarde ver te boven gaat. Dus toch niet dwaas.”
De redactie van V-N 1983/1127, 18, tekende aan:
“Het Hof wees de primair door belanghebbende geclaimde verliespost als zijnde in strijd met goed koopmansgebruik van de hand. Eveneens verwierp het Hof de stelling van de inspecteur dat de desbetreffende boekwaarde diende te worden toegerekend aan de grond, aangezien ,,er ... niet van kan worden uitgegaan, dat belanghebbende van meet af aan heeft voorzien en beoogd dat de beide panden zouden worden gesloopt.'' Met betrekking tot het pand a-dijk 1 (in gebruik genomen als kantoor) een niet onbegrijpelijke vaststelling. Wel plaatsen wij in dit verband wat vraagtekens bij die vaststelling voor wat het pand a-dijk 2 betreft, dat in 1977 werd gekocht, niet in gebruik werd genomen en nog dat zelfde jaar werd gesloopt. Hoe dit ook zij, het Hof kwam vervolgens terecht in de ,,voortbrengingskostenbenadering'', waarover wij reeds spraken in onze aantekening bij het eerder opgenomen arrest van 4 mei 1983 [zie 4.10 hierboven; PJW]. De waarde van de gesloopte opstallen was volgens het Hof te beschouwen als voortbrengingskosten ter zake van de (verbetering van de) overslaginstallatie. Niet aldus de Hoge Raad, die uit de vaststelling van het Hof, dat de sloop van de woonhuizen ten doel had onderbroken rails met elkaar te verbinden (…), afleidde, dat belanghebbende primair beoogde de ondergrond van die woonhuizen voor de uitoefening van haar bedrijf vrij te maken. Volgt toerekening van de boekwaarde van de gesloopte opstallen aan de grond! Evenals in het eerdere arrest van 4 mei 1983 [zie 4.10 hierboven; PJW] een isolatie van de waarde van de gesloopte opstallen van de nieuwbouw- of (in casu) verbeteringswerkzaamheden, maar dan nu tevens met een beslissing omtrent de vraag waar de boekwaarde van die opstallen naar toe moest. Een beslissing die, gelet op de vrij algemeen gestelde bewoordingen van de overwegingen, nog wel eens de nodige deining kon veroorzaken. Er was immers ook sprake van een woonhuis dat als kantoor in gebruik was! Of heeft de Hoge Raad in het onderhavige geval ten aanzien van laatstbedoeld pand ook een bedoeling tot sloop aangenomen op het tijdstip van de verwerving daarvan?”