Goed koopmansgebruik; matchingbeginsel; afkoop interest rate swap en beëindiging onderliggende variabel rentende lening; gelijktijdig aangaan van lening met vaste lagere rente; afkoopsom aftrekbaar of geheel of deels activeren en amortiseren? In het laatste geval: welk deel en over welke periode?
Feiten: de belanghebbende is een woningbouwcorporatie die door overheidsmaatregelen genoopt voor haar ongunstig uitwerkende langlopende interest rate swaps (IRSs) af te kopen omdat haar uit die IRSs voortvloeiende collateral-verplichtingen (margin calls) als gevolg van de zeer lage markrente een zodanige last op haar liquiditeiten legde dat zij dreigde niet meer door een verplichte stresstest te komen. De leningen met variabele rente voor de renterisicobeheersing waarvan de IRSs waren afgesloten, zijn tegelijk met de afkoop van de IRSs vervangen door leningen met vaste rente met dezelfde hoofdsommen en dezelfde looptijden.
In geschil is of de afkoopsom ad circa € 20 miljoen in het jaar van afkoop (2014) ineens ten laste van de winst komt of geactiveerd en geamortiseerd moet worden. De Inspecteur meent dat resultaten van de afkoop van de IRSs moeten worden bezien in samenhang met de daarmee samengaande vervanging van de variabel rentende leningen door vastrentende leningen. De afkoopsom neemt de plaats in van de rente die anders in de toekomst betaald zou moeten worden en is dus te beschouwen als vooruitbetaalde rente. De belanghebbende meent dat goedkoopmansgebruik aftrek ineens toelaat omdat de last ineens wordt gedragen en de variabel rentende leningen niet zijn voortgezet, zodat van een voornemen tot voortzetting geen sprake kan zijn. De leningen waarop de beëindigde IRSs zagen, zijn immers eveneens beëindigd.
Prejudiciële vragen: de Rechtbank Noord-Nederland vraagt zich met name af of de nieuwe vastrentende leningen moeten worden beschouwd als voortzettingen van de vroegere variabel rentende leningen met IRS-hedges, waardoor de IRSs-afkoopsom beschouwd zou moeten worden als de rente die de belanghebbende zich tijdens de looptijd van die nieuwe leningen bespaart. Gegeven HR BNB 2014/116 (market maker) en HR BNB 2020/13 (IRS: een voldoende samenhangende IRS en variabel rentende lening worden tezamen behandeld als een vastrentende lening), is de vraag wat rechtens is als de looptijd van de swap en de daaraan gekoppelde variabele-rente-lening niet wordt uitgezeten, maar (vermoedelijk) wél de looptijd van de vervangende vastrentende lening. De rechtbank heeft de HogeRaad daarom bij tussenuitspraak van 9 februari 2021 de volgende vragen gesteld:
“1. Vloeit uit goed koopmansgebruik een algemeen geldende rechtsregel voort, die inhoudt dat de belastingplichtige die een meerjarig financieringscontract voor het einde van de looptijd beëindigt en in samenhang daarmee een nieuw meerjarig financieringscontract afsluit, de lasten die (al dan niet rechtstreeks) met de voortijdige beëindiging van het oude financieringscontract verband houden, steeds moet activeren en daarop moet afschrijven?
2. Verplicht goed koopmansgebruik ertoe, al dan niet vanwege het bestaan van de bij 1. bedoelde rechtsregel, om de bij afkoop betaalde afkoopsom ter zake van een interest rate swap (hierna: IRS) die – in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1721 - samenhangt met een variabel rentende lening, te activeren en te amortiseren, als in verband met de afkoop van de IRS de onderliggende variabel rentende lening wordt geherfinancierd door middel van een nieuwe vastrentende lening?
3. Is voor de beantwoording van vraag 1. en/of vraag 2. van belang:
a. wat het motief tot afkoop van de IRS is? Zo ja, in welke zin? Dient er onderscheid te worden gemaakt tussen de situatie waarin het motief alleen, dan wel mede is gelegen in overheidsvoorschriften die tot de afkoop nopen, en de situatie dat het motief louter is gelegen in eigen afwegingen, zoals bijvoorbeeld:
- van financiële aard;
- van bedrijfseconomische aard;
- van risicobeheersing.
b. of de nieuwe vastrentende lening wordt aangegaan bij een andere bank dan de bank die de oorspronkelijke variabel rentende lening verstrekte en/of de bank met wie het IRS-contract was afgesloten?
c. of de nieuwe situatie (vastrentende lening):
- uitsluitend wat rentelasten betreft een financieel voor- dan wel nadeel oplevert voor de belastingplichtige ten opzichte van het uitzitten van de oude, variabel rentende lening in combinatie met de IRS; dan wel
- per saldo een financieel voor- dan wel nadeel oplevert?
4. Dient in geval van een positieve beantwoording van vraag 1. en/of vraag 2.:
- de volledige afkoopsom te worden geactiveerd en geamortiseerd? Zo niet, welk deel van de afkoopsom moet worden geactiveerd en hoe moet dat deel worden bepaald?
- (het gedeelte van) de te activeren afkoopsom te worden geamortiseerd over de (resterende) looptijd van de:
- afgekochte IRS; of
- oude variabel rentende lening; of
- nieuwe vastrentende lening?”
A-G Wattel geeft de Hoge Raad in overweging om vraag 1 niet te beantwoorden omdat die hem te algemeen en te abstract lijkt.
Op de vragen 2 en 4 ware zijns inziens te antwoorden dat als (i) een IRS/variabele-rente-lening-combinatie feitelijk fungeert als vastrentende lening zoals bedoeld in het IRS-arrest HR BNB 2020/13, (ii) die combinatie wordt vervangen door een vastrentende lening, en (iii) de daaruit voortvloeiende IRS-afkoop plus herfinanciering feitelijk gelijk staat aan oversluiting van een (feitelijk) vastrentende lening naar een nieuwe vastrentende lening met dezelfde hoofdsom en een vergelijkbare (resterende) looptijd als de afgewikkelde combinatie, goed koopmansgebruik ertoe verplicht om het deel van de IRS-afkoopsom dat toegerekend moet worden aan het renteverschil te activeren en te amortiseren tot aan het einde van de periode waarin de IRS/variabelerentelening-combinatie zou hebben gelopen als niet was afgekocht/geherfinancierd of, als dat (iets) korter is, tot het (iets) eerdere moment van afloop van die vervangende vastrentende lening. Het resterende deel van de afkoopsom moet volgens de A-G toegerekend worden aan de beëindiging van liquiditeitsrisico’s door mogelijke margin calls of breaks en kan zijns inziens ineens ten laste van de winst komen.
Op vraag 3 ware volgens de A-G te antwoorden (a) dat het motief tot afkoop slechts ter zake doet voor zover het invloed heeft op de naar alle relevante feiten en omstandigheden te beoordelen vraag welk deel van de afkoopsom toegerekend moet worden aan de ‘boeterente’ en welk deel aan de beëindiging van het liquiditeitsrisico van de IRS; (b) dat niet ter zake doet bij welke bank de vervangende vastrentende lening wordt aangegaan; en (c) dat de afkoopsom gesplitst moet worden zoals bij de vragen 2 en 4 aangegeven.
Op vraag 4a (‘hoe moet dat deel worden bepaald?’) moet zijns inziens geantwoord worden dat als uit de berekening van de afkoopsom niet blijkt welk deel ervan beschouwd moet worden als te activeren boeterente, dat deel berekend moet worden op dezelfde wijze als de boeterente bij oversluiting van vergelijkbare vastrentende leningen pleegt te worden berekend.