In zijn noot bij het arrest van 28 november 2003 vraagt Arts zich af of de verwijzing van de Hoge Raad naar BNB 1960/79 in plaats van naar BNB 1958/57 meebrengt dat zij het criterium uit het laatste arrest – wat volgens Arts afwijkt van dat uit eerstgenoemd arrest – heeft verlaten. Daarnaast uit Arts kritiek:15
4 Opmerkelijk is ook dat de Hoge Raad niet verwijst naar het arrest dat de staatssecretaris in zijn cassatieberoepschrift aanhaalt. Dit arrest, HR 8 januari 1958, nr. 13 387, BNB 1958/57*, ging over de vraag of een accountant de kosten van een door hem gevolgde cursus belastingrecht als beroepskosten ten laste van zijn winst mocht brengen. De Hoge Raad verwees de zaak om te laten onderzoeken of het volgen van de cursus gericht was op het vermeerderen van de kennis op het gebied van het belastingrecht en het verhogen van de vakbekwaamheid van de belanghebbende. Indien dit het geval was, waren de kosten van de cursus niet aftrekbaar als beroepskosten.
Of de Hoge Raad door naar een ander arrest te verwijzen in het bovenstaande arrest impliciet afstand neemt van de beslissing in het door de staatssecretaris genoemde arrest, blijft gissen. Ik acht dit aannemelijk. Een verschil tussen beide arresten is dat de kosten in BNB 1960/79 niet aftrekbaar waren omdat zij leidden tot een duurzame verbetering van de persoonlijke uitrusting; in BNB 1958/57 waren de kosten niet aftrekbaar indien zij leidden tot een verhoging van de vakbekwaamheid. Uit het bovenstaande arrest zou dan volgen dat in dit laatste geval de kosten van een door de ondernemer zelf gevolgde studie of opleiding nu wel als ondernemingskosten aftrekbaar zijn.
Het had de Hoge Raad niet misstaan als hij zich in het bovenstaande arrest hierover duidelijker had uitgesproken. Nu moeten we het doen met een onduidelijke verwijzing naar een arrest uit 1960, waaruit de Hoge Raad een negatief geformuleerd criterium voor de aftrek van door een ondernemer voor zichzelf gemaakte scholingskosten als ondernemingskosten distilleert.
5 Naar mijn mening zouden kosten van een door een ondernemer zelf gevolgde studie steeds als ondernemingskosten aftrekbaar moeten zijn als zij kunnen bijdragen aan het vergroten of op peil houden van de winst van de huidige onderneming van de ondernemer. Dat scholingskosten niet aftrekbaar zijn als de ondernemer daardoor een belangrijker grotere vakkennis verwerft, acht ik een te eng criterium. Het is veelzeggend dat de door de staatssecretaris en de Hoge Raad in deze procedure genoemde jurisprudentie uit de jaren vijftig dateert. Toen kon men nog volstaan met het op peil houden van zijn vakkennis om een onderneming te laten voortbestaan. Tegenwoordig moet men voortdurend zoeken naar nieuwe wegen en mogelijkheden om het voortbestaan van een onderneming te verzekeren. Een ondernemer in de dienstensector die zich twintig of zelfs nog maar tien jaar geleden verdiept heeft in de mogelijkheden van de informatie- en communicatietechnologie, heeft nu een belangrijke voorsprong op zijn concurrenten. Wie zich daarin niet heeft verdiept, heeft zijn onderneming waarschijnlijk inmiddels moeten staken. Het is dan toch niet goed vol te houden dat de kosten die een innovatieve ondernemer voor zichzelf maakt, niet als ondernemingskosten aftrekbaar zijn omdat zij niet voldoen aan het daarvoor in de jurisprudentie gestelde criterium, dat nog dateert uit de jaren vijftig.
6 Dit klemt te meer daar, als de ondernemer die kosten niet voor zichzelf maar voor een van zijn werknemers zou maken, die kosten wel als ondernemingskosten aftrekbaar zijn. Ter rechtvaardiging van dit verschil wordt wel gewezen op de gelijkheid met werknemers die, in de systematiek van de Wet IB 1964, dergelijke kosten ook niet konden aftrekken als kosten van hun dienstbetrekking. Dit argument spreekt me echter niet zo aan. Ik zou eerder willen wijzen op de ongelijkheid met ondernemers die hun onderneming uitoefenen in de vorm van een BV. Aangezien het in dit geval de BV is die de scholingskosten heeft, zijn ze, als kosten van scholing van andere in de onderneming werkzame personen dan de ondernemer zelf, zonder meer als ondernemingskosten aftrekbaar. Of moeten we in dit geval aannemen dat de kosten ten behoeve van de directeur-grootaandeelhouder niet aftrekbaar zijn op grond van HR 8 maart 2002, nr. 36 292, BNB 2002/210c* en FED 2002/476* (Cessna II) en HR 14 juni 2002, nr. 36 453, BNB 2002/290c* en FED 2002/477* (renpaarden)?