In de feitenrechtspraak is na het hiervoor genoemde arrest van uw Raad meermalen aan de orde gekomen of de koper van een onroerende zaak wegens belemmeringen die voortvloeiden uit publiekrechtelijke regelingen, een beroep kon doen op art. 7:15 lid 1 BW. Zie bijvoorbeeld de volgende uitspraken, waarin het arrest van uw Raad van 27 februari 2004 tot richtsnoer is genomen.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 8 oktober 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AR6054, waarin het gaat om de verkoop van een appartementsrecht met een uit het vigerende bestemmingsplan voortvloeiende beperking in dier voege dat het appartement slechts als bedrijfswoning mag worden gebruikt. In aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat in Nederland niet voor alle woningen, respectievelijk alle appartementsrechten een beperking als de onderhavige van toepassing is, dient geoordeeld te worden dat het hier gaat om een beperking waarop art. 7:15 BW van toepassing is. Aldus het hof.
Gerechtshof Arnhem 21 oktober 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BH1293, NJF 2009/93; RN 2009/35, waarin het gaat om de verkoop van een woning die op grond van het gemeentelijk bestemmingsplan de bestemming als dienstwoning heeft. Het hof beantwoordt de vraag of sprake was van een bijzondere last of beperking als bedoeld in art. 7:15 lid 1 BW bevestigend onder verwijzing naar het arrest van uw Raad, overwegende dat op de woning een bijzondere beperking of last rust die niet op alle woningen in Nederland rust. Dat er in het tijdens de koop geldende bestemmingsplan meer dienstwoningen zijn aan te wijzen, maakt dat niet anders en is onvoldoende om het bijzondere karakter weg te nemen, aldus het hof.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 8 september 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ7534, RN 2009/113, waarin zijdelings aan de orde komt of het streekplan Zuid-Holland West 1997 als een publiekrechtelijke last of beperking in de zin van art. 7:15 BW dient te worden aangemerkt nu een dergelijk streekplan beleid bevat waarvan onder omstandigheden kan worden afgeweken. Het hof overwoog dat het beroep op art. 7:15 lid 1 BW reeds faalt omdat de kopers in die zaak bekend waren met het feit dat het geldende bestemmingsplan aan bebouwing in de weg stond en dat voor vrijstelling van het bestemmingsplan de medewerking van GS vereist was.
Rechtbank Alkmaar 30 maart 2011, ECLI:NL:RBALK:2011:BQ0475, waarin het gaat om verkoop van een boerderij die wegens het bestemmingsplan uitsluitend mag worden bewoond als bedrijfswoning behorende bij een stoeterij. De rechtbank oordeelt dat de boerderij niet is geleverd vrij van lasten en beperkingen als bedoeld in art. 7:15 BW.
Rechtbank Rotterdam 20 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ6200, waarin het gaat om de verkoop van drie appartementen die als gevolg van publiekrechtelijke voorschriften niet als afzonderlijke woningen mogen worden gebruikt. De rechtbank oordeelde dat in casu sprake is van een bijzondere beperking wat betreft de appartementen 1 en 3 omdat de onttrekking van appartement 3 aan de bestemming als woning en de samenvoeging daarvan met appartement 1 ertoe heeft geleid dat de twee appartementen niet zonder in strijd te komen met publiekrechtelijke regelgeving als afzonderlijke woningen gebruikt kunnen worden, althans niet zonder het (met vergunning) verrichten van bouwkundige aanpassingen.
Gerechtshof Leeuwarden 26 april 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ3533, NJF 2011/245, waarin het gaat om een perceel met een agrarische bestemming, waardoor bewoning van de op het perceel gelegen boerderij alleen mogelijk is indien op het perceel een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend. Het hof stelt voorop dat het publiekrechtelijk karakter van een last of beperking niet bepalend is voor de toepasselijkheid van art. 7:15 BW, doch dat het erom gaat of de last of beperking op de onroerende zaak in het bijzonder rust. Het hof verwerpt de stelling dat een publiekrechtelijke bestemming geen bijzondere last of beperking kan inhouden omdat nu eenmaal op elke onroerende zaak in Nederland een publiekrechtelijke bestemming zou rusten. Het oordeelt dat van een last of beperking in bedoelde zin sprake is wanneer de publiekrechtelijke bestemming afbreuk doet aan het bij partijen bekende gebruik dat de koper van de onroerende zaak wil maken en komt tot de slotsom dat gelet op het in de koopovereenkomst omschreven doel, de onderhavige (agrarische) bestemming een beperking is in bedoelde zin.
Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY7686, RN 2013/26, waarin het gaat om de verkoop van een woning waarop krachtens het bestemmingsplan de bestemming tot dienstwoning rust. Het hof overweegt dat in het onderhavige geval sprake is van een bijzondere beperking nu krachtens het bestemmingsplan de bestemming tot dienstwoning specifiek deze woning betreft. Indien in het plangebied op alle bij bedrijven gelegen woningen de beperking “dienstwoning” ligt, doet dat niet aan het voorgaande af nu die beperking immers geldt voor gebouwen waarin gewoond wordt en ter zake van die gebouwen alleen de bijzondere, specifieke binding met het nabijgelegen bedrijf geldt, aldus het hof.
Gerechtshof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY7700, waarin het ging om de vraag of de beperkingen die voortvloeien uit de keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, een bijzondere last of beperking zijn als bedoeld in art. 7:15 BW. Krachtens art. 15 van deze keur is het verboden werkzaamheden te verrichten in, op, onder of boven waterstaatswerken. Krachtens de keur kan ontheffing worden verleend onder het stellen van voorwaarden die het belang van de waterkering beschermen. Het hof oordeelt dat de beperkingen die uit de keur voortvloeiden niet zijn aan te merken als bijzondere lasten en beperkingen als bedoeld in art. 7:15 lid 1 BW. Niet gemotiveerd bestreden is immers, aldus het hof, dat de keur een door de overheid in het algemeen belang van de veiligheid in het gehele potentiële overstromingsgebied opgelegde beperking is die, binnen een beperkte beschermingszone (het waterstaatswerk) voor alle percelen aan het openbaar water van het kanaal ter plaatse geldt, zodat het geen last of beperking betreft die in het bijzonder op de verkochte zaak rust.
Rechtbank Overijssel 28 mei 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:3425, waarin de rechtbank oordeelde dat de ligging in een landinrichtingsgebied een bijzondere last of beperking is als bedoeld in art. 7:15 BW. De rechtbank overwoog in dat verband dat zij uit het feit dat uw Raad heeft geoordeeld dat ruilverkavelingslasten onder art. 7:15 BW vallen, afleidt dat ook een ruilverkaveling zelf voldoende specifiek is om onder het bereik van art. 7:15 BW te vallen.