7.1
Vrijstellingen voor medische zorg en hun ratio
7.1.1
De Wet kent diverse vrijstellingen voor (leveringen en) diensten in de sfeer van de gezondheidszorg. In de onderhavige zaak komen twee van die vrijstellingen mogelijk in aanmerking, te weten die van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel c, van de Wet en die van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel g, sub 1, van de Wet. Deze bepalingen luid(d)en – voor zover hier van belang – als volgt:
“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:
(…)
c. het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen (…);
(…)
g.26 1º de diensten door beoefenaren van een beroep waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg; (…)”
7.1.2
Omtrent het doel en de strekking van deze bepalingen – althans voor zover voor deze zaak van belang – vertelt de parlementaire geschiedenis niet meer dan dat de vrijstellingen overeenkomen met de vóór de invoering van de Wet reeds bestaande ‘medische’ vrijstellingen in de Wet op de Omzetbelasting 1954.27
7.1.3
In die Wet gold op grond van artikel 23, nr. 1, een vrijstelling voor de leveringen en diensten van ziekenhuizen en dergelijke instellingen voor zover deze bestonden in de verstrekking van spijzen en dranken, geneesmiddelen en verbandmiddelen aan en de verzorging van de daarin opgenomen personen. In artikel 24, nr. 35, van de Wet op de Omzetbelasting 1954 was voor de diensten door – voor zover hier van belang – artsen en verpleegsters een vrijstelling opgenomen.
7.1.4
Een blik in J. Reugebrinks Omzetbelasting, FED, Amsterdam, 1962 leert dat de vrijstelling voor artsen en verpleegsters destijds:
“(…) in het leven [is] geroepen, omdat de wetgever het onjuist achtte belasting te heffen ter zake van ‘menselijk leed’ e.d.”
7.1.5
Met betrekking tot de ratio van de ‘oude’ vrijstelling voor ziekenhuisverzorging is in de memorie van antwoord bij de Wet op de Omzetbelasting 1954 onder meer vermeld28:
“(…) In verband met de omstandigheid, dat prestaties, welke in de gezinssfeer worden verricht, buiten de heffing van omzetbelasting blijven, zijn sedert 1 October 1938 ondernemers, die uit andere dan commerciële overwegingen inrichtingen exploiteren, waarin personen vertoeven, die om bepaalde redenen - te weten ziekte, gebrekkigheid of armoede - niet in een gezin kunnen verblijven, buiten de werkingssfeer van de omzetbelasting gehouden. Die overweging ligt ook ten grondslag aan artikel 24, no. 1, (oud), van het ontwerp, welke bepaling geheel overeenstemt met artikel 11, no. 1 van het thans van kracht zijnde Besluit op de Omzetbelasting 1940. Het is de ondergetekenden gebleken. dat die vrijstelling uitbreiding behoeft. Zij zijn van oordeel, dat het sociale belang aanzienlijk beter - en het karakter van de omzetbelasting als algemene verbruiksbelasting ten spijt niettemin op verantwoorde wijze - wordt gediend, indien de vrijstelling wordt uitgebreid tot meer gevallen, waarin de maatschappelijke functie van de exploitant niet op een lijn kan worden gesteld met die van andere ondernemers. (...)"
7.1.6
Van oudsher lijkt de ratio van de ‘Nederlandse’ medische vrijstellingen derhalve vooral gelegen te zijn geweest in de wens om de behandeling van ziek(t)en, ook als dat niet binnen de ‘gezinssfeer’ kan geschieden, doch noodzakelijkerwijs door instellingen wordt verricht, buiten de omzetbelasting te houden.
7.1.7
De hiervoor aangehaalde onderdelen c en g van artikel 11, lid 1, van de Wet vormen, naar mag worden aangenomen de nationale uitwerking van het bepaalde in artikel 132, lid 1, onder b en onder c, van de btw-richtlijn. Wat betreft onderdeel g is dat trouwens geen aanname, maar een zekerheid. In de memorie van toelichting bij de aanpassing van de Wet aan de Zesde richtlijn29 is namelijk uitdrukkelijk vermeld dat de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel g, moet worden geacht overeen te komen met het bepaalde in artikel 13, A, lid 1, onder c, e en p, van de Zesde richtlijn (thans artikel 132, lid 1, onder c, e en p30, van de btw-richtlijn). Op grond van bedoelde richtlijnbepalingen zijn – voor zover van belang – de volgende handelingen vrijgesteld.
7.1.8
Artikel 132, lid 1, onder b, van de btw-richtlijn, dat gelijkluidend is aan het ‘oude’ artikel 13, A, lid 1, onder b, van de Zesde richtlijn stelt vrij van btw (met mijn cursivering):
“ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of, (…) door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard;”.31
7.1.9
Op grond van artikel 132, lid 1, onder c, van de btw-richtlijn32 is vrijgesteld (wederom met mijn cursivering):
“medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat.”
7.1.10
Waarom de hier bedoelde medische verzorging en verpleging van btw is vrijgesteld, kan niet worden afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Zesde richtlijn, de voorganger van de btw-richtlijn.33 Dat heeft het HvJ er niet van weerhouden om aan de medische vrijstellingen een ratio legis toe te dichten. Ik verwijs naar het arrest van 11 januari 2001, Commissie/Frankrijk, C-76/99, punt 23 (cursivering MvH):
“Zoals de advocaat-generaal in punt 23 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vergt dit begrip echter geen bijzonder strikte interpretatie aangezien de vrijstelling van handelingen die nauw samenhangen met ziekenhuisverpleging of medische verzorging, ten doel heeft ervoor te zorgen dat medische verzorging en ziekenhuisverpleging niet ontoegankelijk worden vanwege de verhoogde kosten indien zij, of de handelingen die daarmee nauw samenhangen, aan BTW zou worden onderworpen.”34
7.1.11
Uit het arrest HvJ van 6 november 2003, Christoph-Dornier-Stiftung für Klinische Psychologie, C-45/01 (verder: arrest Dornier)35, moet voorts worden afgeleid dat aan het begrip ‘medische verzorging’ een ruime werkingssfeer toekomt:
“48. Voorts moet worden geoordeeld dat, gelet op het doel van vermindering van de kosten van de gezondheidszorg, het begrip “medische verzorging” in artikel 13, A, lid 1, sub b, veeleer ruim moet worden uitgelegd (…).”
7.1.12
Aangenomen moet derhalve worden dat het doel van de (beide) medische vrijstellingen gelegen is in het – populair gezegd – betaalbaar houden (dan wel het verlagen van de kosten) van de medische zorg. Uit het karakter van de Richtlijn vloeit voort dat deze ratio ook aan de overeenkomstige Nederlandse vrijstellingen ten grondslag moet worden geacht te liggen.36
7.2
Tweemaal vrijstelling voor ‘medische verzorging’; ‘dekking’ van de vrijstellingsbepalingen
7.2.1
Zowel artikel 132, lid 1, onder b, als artikel 132, lid 1, onder c, van de btw-richtlijn spreken over ‘medische verzorging’. In eerstgenoemde vrijstellingsbepaling gaat het daarbij om de verzorging die door ziekenhuizen en dergelijke instellingen wordt verricht (ik duid deze vrijstelling hierna – net als die van artikel 11, lid 1, onderdeel c, van de Wet – dan ook wel aan als ‘ziekenhuisvrijstelling’); in de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder c, van de btw-richtlijn draait het om medische zorg in het kader van (para)medische beroepen (hierna, evenals de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel g, onder 1, van de Wet, ook wel aangeduid als ‘artsenvrijstelling’).
7.2.2
Uit de rechtspraak van het HvJ moet worden afgeleid dat het begrip ‘medische verzorging’ in beide vrijstellingsbepalingen dezelfde betekenis heeft, en dat daaronder diensten moeten worden verstaan die de diagnose, de behandeling en, voor zoveel mogelijk, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen ten doel hebben. Verwezen zij bijvoorbeeld naar het arrest van het HvJ van 21 maart 2013, PFC Clinic AB, C-91/12, V-N 2013/25.22 (hierna: arrest PFC Clinic)37, punten 25 en 27, en de daarin aangehaalde (onder de werking van de Zesde richtlijn gewezen) rechtspraak.
7.2.3
De vrijstellingsbepalingen van punt b en punt c van artikel 132, lid 1, van de btw-richtlijn lijken elkaar dan ook te overlappen wat betreft de op grond daarvan vrijgestelde ‘medische verzorging’, met dien verstande dat blijkens de richtlijntekst de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder b, van de btw-richtlijn ziet op door een (ziekenhuis)instelling verleende medische zorg, terwijl de vrijstelling onder c ziet op de door een als zodanig in de desbetreffende lidstaat erkende (para)medicus verleende medische zorg.
7.2.4
Tezamen lijken de beide vrijstellingsbepalingen derhalve het totaal van de (erkende) medische zorg te omvatten. Dat lijkt ook wel te volgen uit de eerste volzin van punt 24 van het arrest PFC Clinic, waar het HvJ overweegt dat de punten b en c van artikel 132, lid 1 strekken:
“tot regeling van alle vrijstellingen van medische diensten in strikte zin (…)”.38
7.2.5
Twijfel omtrent de juistheid van de aanname dat de onderdelen b en c, van artikel 132, lid 1, van de btw-richtlijn de gehele (erkende) medische verzorging ‘dekken’, rijst evenwel, omdat het HvJ de met de in 7.2.4 aangehaalde zin gesuggereerde ‘dekkingsgraad’ van de medische vrijstellingen direct openbreekt door in het vervolg van voormeld punt 24 het onderscheid tussen de beide bepalingen louter te zoeken in de plaats waar de diensten worden verricht en de overweging te vervolgen met (cursivering MvH):
“(…) Artikel 132, lid 1, sub b, van deze richtlijn ziet namelijk op in ziekenhuizen verrichte diensten, terwijl datzelfde lid 1, sub c, betrekking heeft op medische diensten die buiten een dergelijk kader worden verricht, zowel op het particuliere adres van de dienstverrichter thuis bij de patiënt of op elke andere plaats (…).”
7.2.6
De in 7.2.5 aangehaalde overweging suggereert dat de diensten die een arts of andere erkende (para)medicus – die niet kan worden aangemerkt als ‘ziekenhuis of een inrichting van dezelfde aard’ – in het ziekenhuis verricht, niet is vrijgesteld: de ‘ziekenhuisvrijstelling’ is niet van toepassing omdat de betrokken (para)medicus geen ziekenhuis is, en de ‘artsenvrijstelling’ lijkt niet van toepassing, omdat de diensten niet elders (d.w.z. buiten een ziekenhuis) worden verricht.
7.2.7
Dát gaat mij te ver. Het kan niet zo zijn dat (erkende) medische zorg die in een ziekenhuis wordt verleend door een ander dan dat ziekenhuis39, niet onder een vrijstelling kan vallen. Dát kan niet de bedoeling van de richtlijn zijn. Een dergelijke uitlegging zou met zich brengen dat volstrekt gelijke prestaties afhankelijk van de plaats waar zij worden verricht, zijn vrijgesteld of niet. Dat leidt niet alleen tot strijd met de door het HvJ geformuleerde ratio van de vrijstellingen voor medische verzorging (zie punten 7.1.10 en 7.1.11 van deze conclusie), maar is ook volstrekt contrair aan doel en strekking van de omzetbelasting op basis waarvan een bijzondere behandeling (zoals een vrijstelling) aan de hand van de aard van de prestatie behoort te worden verleend, en op grond waarvan gelijksoortige prestaties op dezelfde wijze moeten worden behandeld. Ik wijs hier op de punten 32 en 36 van het arrest van het HvJ 8 juni 2006, L.u.P. GmbH, C-106/05, V-N 2006/33.17 (hierna: arrest L.u.P.). De cursiveringen zijn van mijn hand:
“32. Deze uitlegging [MvH: dat medische analyses medische verzorging in de zin van (thans) artikel 132, lid 1, onder b en c, van de btw-richtlijn kunnen vormen] is (…) in overeenstemming met het beginsel van fiscale neutraliteit, dat zich ertegen verzet dat soortgelijke diensten, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de BTW ongelijk worden behandeld (…). Dit beginsel zou niet in acht worden genomen wanneer voor door huisartsen voorgeschreven medische analyses een BTW-regeling zou gelden die verschilt al naar gelang de plaats waar zij worden uitgevoerd, (…).
(…)
36. Zoals voor het overige blijkt uit de punten (...) en 32 van het onderhavige arrest, verzetten zowel het in artikel 13, A, lid 1, sub b en c, van de Zesde richtlijn beoogde doel, de kosten van de gezondheidszorg te verminderen, als het beginsel van de fiscale neutraliteit zich ertegen dat medische analyses worden onderworpen aan een BTW-regeling die verschilt al naar gelang de plaats waar zij worden uitgevoerd, wanneer hun kwaliteit gelet op de opleiding van de betrokken dienstverleners gelijkwaardig is.”
7.2.8
Uit de arresten Dornier en L.u.P. meen ik echter te mogen afleiden dat de soep niet zo heet wordt gegeten als de suggestie uit punt 7.2.6 doet vrezen, en dat ook een door een lidstaat erkende (para)medicus die zijn (be)handelingen in het ziekenhuis verricht, is vrijgesteld.
7.2.9
In het arrest Dornier ging het – kort gezegd – om de vraag of de diensten van gediplomeerde psychologen die in de door Dornier geëxploiteerde polikliniek psychotherapeutische behandelingen verstrekten, hetzij als ‘nauw met ziekenhuisverpleging en medische verzorging samenhangende diensten’ in de zin van (thans) artikel 132, lid 1, onder b, van de btw-richtlijn waren vrijgesteld, dan wel onder de artsenvrijstelling konden worden gebracht. Het HvJ oordeelde dat de ziekenhuisvrijstelling van onderdeel b niet van toepassing was, omdat de psychotherapeutische behandelingen in de polikliniek voor de patiënten een doel op zich vormden en geen nevenprestaties waren bij ziekenhuisverpleging. Vervolgens verklaarde het HvJ voor recht dat de in geding zijnde dienstverlening op zichzelf beschouwd wel in aanmerking kwam voor de (‘artsen’)vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder c, van de btw-richtlijn. Het HvJ liet de toepasbaarheid van de ziekenhuisvrijstelling dus niet afketsen op de overweging dat de polikliniek geen ziekenhuis of dergelijke inrichting was. Daaruit kan mijns inziens met enige voorzichtigheid worden afgeleid, dat de polikliniek wel als een zodanige instelling zou kunnen worden aangemerkt. Ik meen dan ook uit de verklaring voor recht met betrekking tot de artsenvrijstelling van (thans) artikel 132, lid 1, onder c, van de btw-richtlijn, te mogen afleiden dat een arts die in een ziekenhuis zijn medische verzorging verleent, ‘gewoon’ onder de artsenvrijstelling kan vallen.
7.2.10
In het arrest L.u.P. loste het HvJ het punt van de hoedanigheid van de dienstverrichter (geen arts, maar een laboratorium) eenvoudigweg op door het begrip ‘ziekenhuis (…) of inrichting van dezelfde aard’ op te rekken, en aan de vaststelling dat sprake was van medische verzorging, reeds het gevolg te verbinden dat de presterende ondernemer ‘dus’ een instelling als bedoeld in artikel 132, lid 1, onder b, van de btw-richtlijn (toen nog artikel 13, A, lid 1, sub b van de Zesde richtlijn) was (cursivering MvH):
“35. Dit betoog [MvH: van de Commissie, inhoudende dat het laboratorium dat op voorschrift van een huisarts voor die huisarts medische analyses uitvoert, geen ziekenhuis is] kan niet worden aanvaard. Omdat medische analyses gelet op hun therapeutische doel vallen onder het begrip „medische verzorging” van artikel 13, A, lid 1, sub b, van de Zesde richtlijn, moet een laboratorium (…) worden beschouwd als een inrichting „van dezelfde aard” als „ziekenhuizen” en „centra voor medische verzorging en diagnose” in de zin van deze bepaling.”40
7.2.11
Kortom: ik meen dat een (para)medicus die niet als ‘ziekenhuis of instelling van dezelfde aard’ kan worden aangemerkt, voor zijn in een ziekenhuis verrichte medische zorg, aanspraak kan maken op toepassing van de vrijstelling voor medische verzorging, zo niet met toepassing van de ziekenhuisvrijstelling, dan toch met toepassing van de artsenvrijstelling van artikel 132, lid 1, onder c, van de btw-richtlijn.
7.2.12
Gezien het voorgaande concludeer ik dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan bij zijn in punt 5.2 van zijn uitspraak gegeven oordeel dat het bepaalde in artikel 11, lid 1, onderdeel g, van de Wet (de artsenvrijstelling) geen toepassing kan vinden bij prestaties die in een ziekenhuis plaatsvinden. Deze conclusie noopt overigens nog niet tot de slotsom dat cassatie moet volgen: of dat het geval is, hangt af van het antwoord op de vraag of de door belanghebbende verleende diensten als ‘medische verzorging’ in de zin van artikel 132, lid 1, onder b en c, van de btw-richtlijn kunnen worden aangemerkt, en daarmee onder het bereik van artikel 11, lid 1, onderdeel c, dan wel onderdeel g, van de Wet kunnen worden gebracht.
7.3
Verleent belanghebbende medische zorg?
7.3.1
Wat betreft de kwalificatie van belanghebbendes werkzaamheden als ‘medische verzorging’ merk ik op dat de Rechtbank hieromtrent heeft vastgesteld (punt 4.8 van haar uitspraak) dat deze ‘een in beginsel onontbeerlijk onderdeel van de medische verzorging binnen het ziekenhuis’ vormen. In punt 5.3 van zijn uitspraak formuleert het Hof dat iets minder sterk (‘deze diensten dragen ertoe bij dat het ziekenhuis een totaalprestatie, in casu het verrichten van operaties kan aanbieden’), maar hij weerspreekt de overweging van de Rechtbank ook niet.
7.3.2
Met name de vorenbedoelde overweging van de Rechtbank roept herinneringen op aan de omschrijving van medische verzorging door het HvJ in zijn arrest van 18 november 2010, Verigen Transplantation Service International AG, C-156/09, (hierna: arrest Verigen), NTFR 2010, 2723 m.nt. Sanders, V-N 2010/59.22. Het HvJ kwam in dit arrest tot het oordeel dat de door Verigen – in opdracht van artsen of ziekenhuizen (zie punten 10-11 van het arrest) – verrichte diensten, die een onderdeel vormden van een procedé dat als geheel beschouwd als medische verzorging kon worden aangemerkt, het stempel ‘medische verzorging’ moesten krijgen:
“26. De door [Verigen] verrichte specifieke diensten vormen weliswaar alleen een onderdeel van dit procedé in zijn geheel. Zoals de advocaat-generaal in punt 23 van haar conclusie heeft opgemerkt, zijn zij evenwel een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel van het procedé, waarvan de ene fase niet kan slagen zonder de andere.”
7.3.3
Hieruit trok het HvJ de conclusie (punt 27 van het arrest) dat de handelingen van Verigen gezondheidskundige verzorging van de mens in de zin van de artsenvrijstelling41 vormden en mitsdien onder de vrijstelling vielen. Hieraan deed niet af dat niet als arts opgeleid laboratoriumpersoneel de diensten verrichtte:42
“28 (…) daar gezondheidskundige verzorging van therapeutische aard niet in alle onderdelen door medisch personeel hoeft te worden verricht (…).”
7.3.4
Voorts volgt uit het arrest Verigen dat voor de toepasbaarheid van de medische vrijstelling niet is vereist dat de zorg rechtstreeks aan de zieke wordt verleend. In het arrest Verigen werden immers de (voor een behandeling wezenlijke) diensten aan de arts of het ziekenhuis verricht.
7.3.5
In zijn arrest van 19 april 2013, nr. 12/00243, LJN BY1252, V-N 2013/20.16, ‘vertaalde’ de Hoge Raad het arrest Verigen naar de nationale vrijstellingsbepalingen en oordeelde hij dat de werkzaamheden die een medisch tatoeëerder in opdracht van een chirurg in het ziekenhuis verrichtte, onder de (ziekenhuis)vrijstelling vielen:
“3.3.3. Reeds omdat de onderhavige specifieke werkzaamheden van belanghebbende een wezenlijk deel vormen van door chirurgen in ziekenhuizen uitgevoerde gezondheidskundige behandelingen, en de werkzaamheden van belanghebbende op die grond in aanmerking komen voor toepassing van de vrijstelling van artikel 11, lid 1, aanhef en letter c dan wel letter f, van de Wet (…).”
7.3.6
Het voorgaande in aanmerking nemende, ga ik ervan uit dat de werkzaamheden van de maten van belanghebbende in de operatiekamer een wezenlijk onderdeel vormen voor het welslagen van de operatie. De conclusie ligt dan voor de hand dat die werkzaamheden onder de noemer ‘medische verzorging’ kunnen worden gebracht. Dat betekent dat de werkzaamheden onder de vrijstelling kunnen vallen, zo niet onder die van artikel 132, lid 1, onder b, van de btw-richtlijn (vgl. artikel 11, lid 1, onderdeel c, van de Wet) dan toch onder die van artikel 132, lid 1, onder c, van de btw-richtlijn (c.q. artikel 11, lid 1, onderdeel g, sub 1, van de Wet).
7.3.7
De vraag is nu of belanghebbende (de maatschap) kan worden geacht die medische verzorging te verlenen.
7.3.8
Daartoe zij allereerst opgemerkt dat de omstandigheid dat belanghebbende geen natuurlijk persoon is, maar in de rechtsvorm van een maatschap wordt gedreven, niet relevant is voor de beantwoording van deze vraag, ook niet als het gaat om de toepasbaarheid van de artsenvrijstelling van artikel 132, lid 1, onder c, van de btw-richtlijn. Hoewel de tekst van de artsenvrijstelling op het eerste gezicht een aan de beroepsbeoefenaar zelf – de arts of paramedicus – gebonden vrijstelling lijkt te zijn, moet uit de rechtspraak van het HvJ worden afgeleid dat dit een misvatting is. Zo overwoog het HvJ in het arrest Kügler (met mijn cursivering):
“29. De vrijstelling van medische diensten welke door rechtspersonen worden verricht, strookt immers met de doelstelling, de kosten van medische verzorging te verlagen (…), alsmede met het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijk BTW-stelsel en dat bij de toepassing van de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn moet worden geëerbiedigd (…).
30. Het beginsel van fiscale neutraliteit verzet zich er namelijk (…) tegen, dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten verschillen worden behandeld bij de BTW-heffing. (…).
31. Derhalve moet (…) worden geantwoord dat de in artikel 13, A, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstelling niet afhangt van de rechtsvorm van de belastingplichtige die de aldaar genoemde medische of paramedische diensten verricht.”
7.3.9
De toepasbaarheid van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder c, van de btw-richtlijn is derhalve niet afhankelijk van de rechtsvorm waarin de desbetreffende prestaties worden verricht.43 Het HvJ heeft zulks uitdrukkelijk herhaald in het eerder vermelde arrest Dornier (punten 19-20), terwijl ook uit het arrest Verigen volgt dat voor de toepasbaarheid van de artsenvrijstelling de rechtsvorm waarin de diensten worden verricht, niet van belang is (Verigen was immers een vennootschap – een AG).44
7.3.10
Bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende medische zorg verleent, dient dan ook te worden beoordeeld of – vrij naar overweging 19 van het arrest Dornier45 – de verrichte werkzaamheden voor de vrijstelling in aanmerking komen indien zij door zelfstandige verpleegkundigen waren verricht.
7.3.11
De te beantwoorden vraag is derhalve of de maten van belanghebbende, zo zij als zelfstandig verpleegkundige (‘ZZP-er’) werkzaam zouden zijn, een beroep op (een van) de vrijstelling(en) voor medische zorg zouden kunnen doen.
7.3.12
In dit verband dringt een vergelijking met de onderwijsvrijstelling(en) zich op. Die vrijstellingen vertonen enige gelijkenis met de medische vrijstellingen in die zin dat ook in de sfeer van het onderwijs zowel een vrijstelling geldt voor instellingen die onderwijs verzorgen (artikel 132, lid 1, onder i, van de btw-richtlijn46) als voor docenten die particulier lessen geven (artikel 132, lid 1, onder j, van de btw-richtlijn47). Bovendien kent het HvJ aan de onderwijsvrijstelling – althans die van artikel 132, lid 1, onder i, van de btw-richtlijn – een vergelijkbare ratio toe als aan de medische vrijstelling: het betaalbaar houden van de dienstverlening. Ik wijs op punt 47 van het arrest van 20 juni 2002, Commissie/Duitsland, C-287/00 waarin het HvJ omtrent de uitlegging van het begrip ‘nauw met onderwijs samenhangende diensten’ zegt:
“Dit begrip vergt niettemin geen bijzonder strikte uitlegging aangezien de vrijstelling van diensten die nauw samenhangen met het universitair onderwijs, moet verzekeren dat het volgen van universitair onderwijs niet ontoegankelijk wordt vanwege de verhoogde kosten indien het onderwijs zelf, of de dienstverrichtingen (…) die daarmee nauw samenhangen, aan BTW zouden worden onderworpen (…).”
7.3.13
Wat betreft de ‘docentenvrijstelling’ van (thans) artikel 132, lid 1, onder j, van de btw-richtlijn, volgt uit het arrest van 14 juni 2007, Haderer, C445/0548 (hierna: arrest Haderer), dat de voorwaarde van die vrijstelling dat de lessen ‘particulier’ worden gegeven, niet betekent dat er een rechtstreekse contractuele band bestaat tussen de leerlingen en de docent. Voor de toepasbaarheid van die vrijstelling achtte het HvJ doorslaggevend dat de activiteiten ‘lessen vormen die een docent voor eigen rekening op eigen verantwoordelijkheid geeft’. Een zodanig docent kan overigens ook, zo volgt uit het arrest van 28 januari 2010, Ingenieurbüro Eulitz Gbr, C-473/0849 (hierna: arrest Eulitz) ook een vennootschap zijn waarvan de vennoot activiteiten als docent verricht. Eulitz viel overigens uit de boot van de vrijstelling, niet zozeer omdat zijn activiteiten niet als onderwijs waren te duiden, of omdat hij ter beschikking werd gesteld aan de opdrachtgever, maar omdat hij die activiteiten niet ‘particulier’ verrichtte.50
7.3.14
Over activiteiten van een onderwijsinstelling bestaande in het ter beschikking stellen van leerkrachten aan een andere onderwijsinstelling waar zij werkzaam waren onder verantwoordelijkheid van de inlenende instelling, oordeelde het HvJ in zijn arrest van 14 juni 2007, Horizon College, C-434/0551 (hierna: arrest Horizon). Die activiteit vormde naar het oordeel van het HvJ geen onderwijs52 omdat:
“20. (…) de in artikel 13, A, lid 1, sub i, van de Zesde richtlijn bedoelde onderwijsactiviteit immers [bestaat] uit een geheel van elementen die, naast elementen betreffende de relaties die tussen docenten en studenten tot stand komen, ook die omvatten welke het organisatiekader van de betrokken instelling vormen.
21. Zoals in punt 7 van dit arrest is aangegeven, diende volgens de in het hoofgeding aan de orde zijnde detacheringovereenkomst de inlenende instelling de taken van de betrokken leraar te bepalen, rekening houdend met de duur van die terbeschikkingstelling en de functie waarin hij bij Horizon College was benoemd. De inlenende instelling was bovendien verplicht, de docent voor de periode gedurende welke hij haar ter beschikking was gesteld te verzekeren.
22. Onder dergelijke voorwaarden kan de terbeschikkingstelling van een docent aan de inlenende instelling als zodanig dus niet worden aangemerkt als een activiteit die onder hebt begrip „onderwijs” in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub i, van de Zesde richtlijn kan vallen. (…)”
7.3.15
Hoewel het op het eerste gezicht verleidelijk is de rechtspraak van het HvJ over de onderwijsvrijstelling naar analogie toe te passen op de medische vrijstelling, meen ik dat deze verleiding moet worden weerstaan.
7.3.16
In de eerste plaats wijs ik op de rechtspraak van het HvJ waaruit volgt dat verschillende vrijstellingen zeker niet automatisch (ver)gelijk(baar) moeten worden uitgelegd. Ik roep in dit verband in herinnering punt 37 van het arrest L.u.P. (cursivering MvH):
“37. Het betoog van de Commissie dat blijkens de rechtspraak ter zake van vrijstellingen handelingen die zijn verricht vóór die van de laatste dienstverlener niet zijn vrijgesteld (arresten van 11 juli 1985, Commissie/Duitsland, 107/84, (…) punt 20; 8 maart 2001, Skandia, C-240/99, (…) punten 40 en 41; 13 december 2001, CSC Financial Services, C-325/00, (…) punten 39 en 40, en 3 maart 2005, Arthur Andersen, C-472/03, (…) punt 39), zodat alleen medische analyses die door laboratoria voor rekening van de patiënt worden uitgevoerd in het kader van een rechtstreekse contractuele relatie met deze laatste, onder artikel 13, A, lid 1, sub b van de Zesde richtlijn vallen, moet eveneens van de hand worden gewezen, aangezien deze rechtspraak betrekking heeft op de uitlegging van andere vrijstellingen, waarvan zowel de bewoordingen als de doeleinden verschillen van die van voornoemde bepaling (zie in die zin arrest van 11 juli 1985, Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 13).”
7.3.17
Hoewel in casu niet kan worden gezegd dat de ratio van de onderwijsvrijstelling verschilt van die van de medische vrijstelling – zie de punten 7.1.10-7.1.11 en 7.3.12 van deze conclusie – zijn de bewoordingen van de vrijstelling zodanig verschillend dat een analoge toepassing mijns inziens niet aan de orde is. Zo meen ik in de eerste plaats dat in casu niet de ‘instellingsvrijstelling’ (ziekenhuis/onderwijsinstelling) aan de orde is, maar de ‘persoonsvrijstelling ’ (arts/docent), zodat het arrest Horizon reeds daarom relevantie mist, dit nog afgezien van het gegeven dat ‘medische verzorging’ door het HvJ anders is ingevuld dan het begrip ‘onderwijs’. Wat betreft de vergelijking met de docentenvrijstelling merk ik op dat die vrijstelling, anders dan die voor ‘medische verzorging’ de eis stelt dat de vrijgestelde activiteit (de lessen) ‘particulier’ wordt verricht.
7.3.18
Ik meen dan ook dat de vrijstelling voor medische verzorging geheel op eigen merites moet worden beoordeeld, en dat – naar ik reeds aangaf in punt 7.3.11 – in casu (slechts) beoordeeld moet worden of de door de maten verrichte activiteiten, zo zij niet in maatschapsverband, maar ‘zelfstandig’ (zeg maar: als ZZP-er) waren verricht, als medische verzorging kunnen worden aangemerkt. Indien dit het geval is, is mijns inziens uitgesloten dat sprake is van ‘uitlenen’ of ‘ter beschikking stelling’.53
7.3.19
Tegen het als ‘medische verzorging’ kwalificeren van de werkzaamheden van de maten spreekt dat de maten hun werkzaamheden in de operatiekamer in zoverre niet autonoom verrichten dat zij deze uitvoeren onder leiding van de arts die in de operatiekamer de kapitein op het schip is (vgl. punt 5.4 van deze conclusie).54 Anderzijds moet bedacht worden dat een verpleegkundige, hoezeer ook BIG-geregistreerd en medische handelingen verrichtend, nimmer de kapitein in de operatiekamer – of elders in het ziekenhuis – zal zijn. Dat is nu eenmaal eigen aan het zijn van verpleegkundige. Het vereisen van volledige autonomie bij de werkzaamheden zou met zich brengen dat een verpleegkundige die zelfstandig is in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet en die werkzaamheden in een ziekenhuis verricht, nimmer een vrijstelling deelachtig kan worden.
7.3.20
Gelet op de ruime uitlegging die naar het oordeel van het HvJ, met het oog op de ratio van de vrijstelling, aan de term ‘medische verzorging’ ten deel valt – ik verwijs naar de arresten die in het voorgaande de revue zijn gepasseerd, en met name het arrest Dornier (zie de in 7.1.11 aangehaalde overweging) – lijkt mij dat niet de bedoeling. Ik zou zeggen dat bij de beantwoording van de vraag of een (zelfstandig) verpleegkundige medische verzorging geeft – en daarmee een medische vrijstelling deelachtig kan worden – bepalend is of de desbetreffende verpleegkundige BIG-geregistreerd is en of de verrichte werkzaamheden behoren tot het gamma van ‘medische werkzaamheden’. Ook omstandigheden als het zelfstandig mogen nemen van beslissingen, al is dat binnen het kader van het door de (operatie)arts vastgestelde en onder zijn verantwoordelijkheid vallende beleid, spelen daarbij een rol.
7.3.21
Al het voorgaande in aanmerking nemende en gezien de vaststaande feiten en de aannames die ik in onderdeel 5 heb gemaakt ten aanzien van de in casu verrichte werkzaamheden, zou ik de weegschaal van de duiding van de in geding zijnde prestaties willen laten doorslaan naar de toepasbaarheid van de vrijstelling.
7.3.22
Ik meen derhalve dat de activiteiten die belanghebbende via haar maten verricht jegens de ziekenhuizen, kunnen worden gekenschetst als het verlenen van medische verzorging in de zin van de artikelen 11, lid 1, onderdelen c dan wel g, sub 1, van de Wet. ’s Hofs andersluidende oordeel berust mijns inziens hetzij op een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.