Belanghebbende, een woningcorporatie, is ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Haar activiteiten bestaan uit de vrijgestelde verhuur van woningen, de ontwikkeling, en de (belaste) verkoop van nieuwbouwprojecten. Daarnaast heeft zij voormalige huurwoningen verkocht en geleverd. Ter zake van die leveringen is de vrijstelling van omzetbelasting van toepassing. In geschil is het antwoord op de vraag of de omzet die belanghebbende heeft behaald met de verkoop van de voormalige huurwoningen, moet worden opgenomen in de noemer van de pro rata breuk, aan de hand waarvan de aftrek van voorbelasting op de zogenoemde algemene kosten wordt vastgesteld.
In deze conclusie bespreekt A-G van Hilten de pro rata regeling en de voor deze zaak relevante omzetcategorieën die op grond van de btw-richtlijn buiten de pro rata breuk moeten blijven, te weten de ‘omzet met betrekking tot de levering van investeringsgoederen die door de belastingplichtige in het kader van zijn onderneming worden gebruikt’ en de ‘omzet met betrekking tot bijkomstige handelingen ter zake van onroerende goederen’. Zij bespreekt hiertoe de ter zake relevante jurisprudentie van het HvJ.
A-G Van Hilten merkt op dat de onderdelen a en b van artikel 174, lid 2, van de btw-richtlijn overlap vertonen, hetgeen de vraag oproept of de omzet uit de levering van een in het bedrijf gebruikt onroerend goed die niet op grond van onderdeel a buiten de pro rata breuk blijft, op grond van onderdeel b wel uit de pro rata breuk geweerd kan worden, dan wel of de omzet uit de levering van een onroerende zaak die in de onderneming is gebruikt, en die op grond van onderdeel b niet als ‘bijkomstig’ kan worden aangemerkt (en daarom op grond van onderdeel b niet buiten de pro rata blijft), dan wellicht toch op grond van onderdeel a buiten de pro rata kan blijven.
Het lijkt A-G Van Hilten dat dit niet het geval is. Uit de ratio van artikel 174, lid 2, van de btw-richtlijn volgt haars inziens dat het niet zo kan zijn dat de levering van een in het bedrijf gebruikte onroerende zaak (die dus voldoet aan de omschrijving in onderdeel a), op grond van onderdeel a wel, maar op grond van onderdeel b niet uit de pro rata breuk wordt geweerd.
In casu moet beoordeeld worden of de omzet uit de verkoop door belanghebbende van voormalige huurwoningen moet worden aangemerkt als de omzet uit leveringen van in de onderneming gebruikte investeringsgoederen, welke leveringen geen (integraal) onderdeel uitmaken van de gebruikelijk bedrijfsactiviteiten van belanghebbende. Bij deze beoordeling is, aldus A-G Van Hilten, een rol weggelegd aan de vaststelling door de Rechtbank dat belanghebbende in 2007 een contingent van 1.900 huurwoningen voor de verkoop heeft bestemd en dat de Rechtbank bij zijn oordeel dat de omzet uit de verkoop van voormalige huurwoningen in de pro rata moet worden opgenomen, belang hecht aan de omstandigheid dat de verkoop van de woningwetwoningen in meer jaren plaatsvindt en dat de opbrengst daaruit niet incidenteel is.
De A-G meent uit de uitspraken van de Rechtbank en het Hof te mogen afleiden dat in cassatie ervan kan worden uitgegaan dat de verkoop van voormalige huurwoningen geen ‘incident’ in 2009 is, maar ook in andere jaren geschiedt. Voorts staat vast dat belanghebbende ook nieuwbouwwoningen verkoopt. Gezien de uitlegging die naar mening van A-G Van Hilten moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 174, lid 2, onderdeel a, van de btw-richtlijn, respectievelijk artikel 14 van de Uitvoeringsbeschikking, meent zij dat de omstandigheid dat de verkoop van (ex)-huurwoningen kennelijk een terugkerend gebeuren is in belanghebbendes bedrijfsvoering, erop duidt dat geen sprake is van een ongebruikelijke handeling binnen de bedrijfsvoering van belanghebbende. De verkoop van onroerend goed als zodanig is dat kennelijk sowieso niet, gezien de regelmatige verkoop van nieuwbouwprojecten.
Het Hof gaat met zijn oordeel dat alleen sprake kan zijn van een (niet in de pro rata mee te wegen) ongebruikelijke levering van gebruikte bedrijfsmiddelen indien tevoren vaststaat dat en wanneer de bedrijfsmiddelen worden afgestoten en/of verkoop onvermijdelijk is, naar de mening van A-G Van Hilten uit van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de uitlegging van (artikel 174, lid 1, onder a, van de btw-richtlijn, zoals geïmplementeerd in) artikel 14 van de Uitvoeringsbeschikking. Wanneer het Hof een juiste rechtsopvatting aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, is het oordeel in het licht van belanghebbendes bedrijfsvoering, de (commerciële) doelstelling van belanghebbende, en het regelmatige karakter van de verkoop van huurwoningen – en mitsdien van de inkomsten daaruit – zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk .
Het komt A-G Van Hilten voor dat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de verkoop van voormalige huurwoningen door belanghebbende niet een afstoten van goederen in de zin van artikel 14 van de Uitvoeringsbeschikking inhoudt, zoals deze bepaling in het licht van de Europese regelgeving en jurisprudentie moet worden uitgelegd. Verwijzing voor nader feitenonderzoek is niet noodzakelijk.
De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris.