2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Het UMCG is een aan de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: RUG) verbonden academisch ziekenhuis. Het biedt in samenwerking met de RUG de bachelor- en masteropleiding geneeskunde aan. Daarnaast biedt het UMCG de mogelijkheid tot het uitvoeren van promotieonderzoek. Dat vindt binnen het UMCG plaats onder de Graduate School of Medical Sciences (hierna: GSMS).
(ii) Sinds (in ieder geval) 2001 biedt het UMCG aan studenten de mogelijkheid de masterfase van hun studie te combineren met het uitvoeren van een promotieonderzoek. Dit wordt het MD/PhD-traject genoemd. Doel was en is dat onderzoek af te sluiten met een promotie.
(iii) Tot oktober 2016 werden de tot het doen van promotieonderzoek toegelaten studenten aangesteld als student-assistent. Dat was, omdat het UMCG een overheidsinstelling is, een ambtelijke aanstelling.
(iv) Op 23 december 2015 is het Besluit experiment promotieonderwijs1 in werking getreden. In dat besluit staat, voor zover van belang:
“Artikel 1 Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
(…)
c. promotieonderwijs: onderwijs, in het kader van dit experiment, dat niet in de vorm van een opleiding wordt verzorgd en dat is gericht op onderzoeksvaardigheden en generieke vaardigheden van een promovendus ten behoeve van zijn promotie en zijn positie op de arbeidsmarkt;
(…)
Artikel 2. Doel van het experiment
Het doel van het experiment is te onderzoeken of met een nieuw promotietraject als derde
cyclus in het bachelor-mastersysteem (…) het aantal gepromoveerden aan universiteiten wordt vergroot, de mogelijkheid voor promovendi om eigen onderzoeksvoorstellen in te dienen en te realiseren toeneemt en de positie van gepromoveerden op de arbeidsmarkt wordt verbeterd en daarmee de kennissamenleving verder kan worden ontwikkeld.
(...)
Artikel 4. Duur van het experiment
Het experiment duurt van 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2024.
(...)
Artikel 9. Rechten en plichten vormgeving promotieonderwijs en financiële ondersteuning
(…)
3. Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van
promotiestudenten uit het profileringsfonds.”
(v) Het profileringsfonds is een fonds ter ondersteuning van studenten in bijzondere gevallen.
(vi) De beurspromovendi, destijds allen student, zijn in de periode van oktober 2016 tot oktober 2018 toegelaten tot het doen van promotieonderzoek. Zij werden niet meer aangesteld als student-assistent, maar met hen werd een overeenkomst gesloten. In die overeenkomst zijn zij aangeduid als ‘promotiestudent’.
(vii) In de considerans van deze overeenkomst staat onder meer:
“overwegende dat:
- de bedoeling van zowel het UMCG als de promotiestudent is gericht op het aangaan van een verbintenis waarbij het UMCG zich verplicht tot een zo goed mogelijke begeleiding van de promotiestudent bij het volgen van de promotieopleiding, met als belangrijk onderdeel de uitvoering van wetenschappelijk onderzoek en het schrijven van een proefschrift en de promotiestudent zich ertoe verbindt zich naar beste weten en kunnen in te zetten voor het volgen van de promotieopleiding en het behalen van een academische promotie;
- Partijen uitdrukkelijk niet beogen om een aanstelling dan wel een arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 en verder van het Burgerlijk Wetboek) aan te gaan, dat evenwel titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (overeenkomsten) in beginsel onverkort van toepassing is;”
(viii) De overeenkomst bevat onder meer bepalingen over het doel (promotie), de inspanningen van het UMCG zoals vastgelegd in het Training and Supervision Plan, de duur en de opzegging van de overeenkomst, de beurs, de geheimhoudingsverplichting, nevenactiviteiten en de inhouding van loonbelasting en premies.
(ix) Vanaf oktober 2018 is het systeem van de promotiestudent met beurs verlaten en zijn studenten die tot het doen van promotieonderzoek werden toegelaten weer aangesteld als student-assistent met ambtelijke aanstelling. Na invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (hierna: Wnra) per 1 januari 2020 zijn deze ambtelijke aanstellingen omgezet in arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht of zijn met nieuwe MD/PhD-studenten arbeidsovereenkomsten gesloten.
(x) In januari 2019 hebben de beurspromovendi het UMCG verzocht hun ‘bursaalpromovendus-contracten’ met terugwerkende kracht om te zetten naar ‘werknemerscontracten’. Dat verzoek heeft het UMCG in een brief van 25 juni 2019 afgewezen. Daarop zijn een bezwaarprocedure en een beroepsprocedure bij de bestuursrechter gevolgd.
(xi) In de beroepsprocedure heeft de rechtbank op 30 maart 2021 de beurspromovendi niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat de afwijzende brief van 25 juni 2019 niet een besluit is. In een overweging ten overvloede heeft de rechtbank geoordeeld dat de beurspromovendi destijds geen ambtenaar waren, dat slechts ambtenaren bezwaar konden maken tegen een weigering tot aanstelling en dat het UMCG hun bezwaar dus, indien al van een besluit sprake was geweest, om die reden niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Deze uitspraak van de rechtbank is onherroepelijk.
2.3.1
De beurspromovendi vorderen – kort weergegeven – voor recht te verklaren dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen hen en het UMCG, en betaling van achterstallig loon en wettelijke verhoging.
2.3.2
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hof2 heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en voor recht verklaard dat tussen de beurspromovendi en het UMCG een arbeidsovereenkomst is tot stand gekomen. Aan zijn beslissing heeft het hof – kort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.
Volgens het UMCG stellen de beurspromovendi dat zij door de Wnra werknemers zijn geworden als gevolg van een omzetting die voortvloeit uit een ambtelijke aanstelling. De bestuursrechter heeft echter onherroepelijk geoordeeld dat de beurspromovendi geen ambtenaar waren. Die uitspraak heeft gezag van gewijsde. Dus kan van omzetting via de Wnra geen sprake zijn, aldus het UMCG. Bovendien kende het UMCG in de periode 2016-2018 niet de mogelijkheid werknemers in dienst te nemen op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Het personeel was ambtenaar, aldus nog steeds het UMCG. (rov. 4.6)
De beurspromovendi hebben in deze zaak niet de stelling betrokken dat zij door ‘een omzetting die voortvloeit uit een ambtelijke aanstelling’ werknemer zijn geworden. Het verweer van het UMCG berust in zoverre op een onjuiste feitelijke grondslag. (rov. 4.7)
Tot 1 januari 2020 werd de aanname van personeel bij het UMCG geregeerd door de Ambtenarenwet (oud). Uitgangspunt was dan ook aanstelling van personeel als ambtenaar. Een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht was echter niet uitgesloten of verboden. In art. 134 lid 1 Ambtenarenwet (oud) is de mogelijkheid van een dergelijke arbeidsovereenkomst voorzien. Bovendien gold art. 7:610 BW ook vóór 1 januari 2020. Van de gestelde onmogelijkheid voor het UMCG om een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht te hebben met de beurspromovendi was dus geen sprake. (rov. 4.8)
Het hof heeft vervolgens beoordeeld of de beurspromovendi werkzaam waren op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Aan de hand van het juridisch kader zoals weergegeven in het Participatieplaats-arrest (HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746) en het Deliveroo-arrest (HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443) heeft het hof vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarna heeft het beoordeeld of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. (rov. 4.12-4.43)
Het hof is tot de slotsom gekomen dat in de feitelijke verhouding tussen de beurspromovendi en het UMCG sprake was van het gedurende zekere tijd verrichten van loonvormende arbeid door de beurspromovendi in dienst van het UMCG en derhalve van een arbeidsovereenkomst. (rov. 4.44)