[verzoeker], wonende te [plaats] (hierna: verzoeker)
betreffende het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad.
1 De procedure
1.1
Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 23/00749. Bij bericht van 22 januari 2025 is aan verzoeker meegedeeld dat op 7 februari 2025 in de hiervoor genoemde zaak uitspraak zal worden gedaan. Tevens is daarbij meegedeeld dat de beslissing wordt genomen door de leden van de Hoge Raad E.F. Faase, F.G.F. Peters en P.A.G.M. Cools.
1.2
Bij een op 5 februari 2025 ingediend verzoekschrift heeft verzoeker de wraking verzocht van de hiervoor in 1.1 vermelde leden van de Hoge Raad. Deze leden van de Hoge Raad hebben meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten en dat zij afzien van de mogelijkheid te worden gehoord.
1.3
Het verzoek is op 17 maart 2025 mondeling behandeld. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft verzoeker het verzoek toegelicht aan de hand van een pleitnota. De advocaat-generaal W.L. Valk heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld af te zien van het nemen van een conclusie. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2 Beoordeling van het wrakingsverzoek
2.1
Op grond van art. 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge art. 29 AWR is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.
2.2
Bij de beoordeling van het verzoek om wraking moet worden vooropgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.1
2.3
Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek in de kern het volgende ten grondslag. Verzoeker behandelt zaken waarbij hij onder meer aangifte heeft gedaan tegen twee personen die bij respectievelijk het hof Amsterdam en het hof Den Haag werkzaam zijn (geweest). Twee van de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek zich richt, zijn in het verleden als raadsheren werkzaam geweest bij deze gerechtshoven. Zij zijn derhalve (persoonlijk) bekend met de twee personen tegen wie verzoeker aangifte heeft gedaan. Daarnaast hebben twee van de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek zich richt in het verleden gewerkt bij het Ministerie van Financiƫn, een tegenpartij van verzoeker in de hoofdzaak, en is een van hen bovendien adviseur geweest bij een (advies)bedrijf dat een concurrent is van het bedrijf van verzoeker. Uit deze omstandigheden leidt verzoeker af dat bij de betrokken leden van de Hoge Raad onvoldoende distantie bestaat om het beroep in cassatie te kunnen behandelen en beoordelen, en een vooropgezette bedoeling om in zijn nadeel te beslissen.
2.4
De door verzoeker genoemde omstandigheden betreffende de functies die de gewraakte raadsheren in het (verre) verleden hebben uitgeoefend, rechtvaardigen niet de daaruit door verzoeker getrokken conclusie dat zij ten aanzien van hem vooringenomen zijn en evenmin dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat.
3 Beslissing
De Hoge Raad wijst het verzoek tot wraking van E.F. Faase, F.G.F. Peters en P.A.G.M. Cools af.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en F.J.P. Lock, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier S. Kousedghi, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025.
1 Zie o.a. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, rov. 4.2.1 en HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:87, rov. 3.4.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: