Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2024:804

Hoge Raad
04-06-2024
04-06-2024
22/04626
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:300
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2022:10319
Strafrecht
Cassatie

Faillissementsfraude in vastgoedmarkt. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr), feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk door rechtspersoon en medeplegen bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd (art. 341.a (oud) Sr). Aanhoudingsverzoeken op de grond dat verdachte kort voor geplande inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak door vertrouwensbreuk met zijn raadslieden geen rechtsbijstand meer had en dat hij zich daarvan opnieuw wilde voorzien. Kon hof verzoeken van verdachte tot aanhouding om zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien en effectieve verdediging te kunnen voeren afwijzen (art. 6.3.b en 6.3.c EVRM en art. 28 Sv)?

HR herhaalt relevante overwegingen van EHRM in zaak Galovic tegen Kroatië (nr. 45512/11) m.b.t. vraag of verdachte eerlijk proces heeft gehad. Op tz. in hoger beroep heeft hof aan afwijzing van verzoek ten grondslag gelegd dat procedure in h.b. al bijna 6 jaren duurde en ernstig was vertraagd doordat verdachte meermalen van raadsman is gewisseld en doordat hij, vlak voor geplande eerste regiezitting, stukken heeft ingebracht in verband waarmee hij inmiddels (zij het nog niet onherroepelijk) is veroordeeld wegens valsheid in geschrift. Daarnaast heeft hof erop gewezen dat verdachte zich uitvoerig heeft kunnen voorbereiden in jaren dat h.b. al duurde en dat omstandigheid dat het (om voor hof ondanks herhaalde vragen aan verdachte onbekend gebleven redenen) tot breuk kwam tussen verdachte en zijn raadslieden, voor zijn rekening moet blijven. Tegen die achtergrond heeft hof geoordeeld dat belang bij voortgang van zaak prevaleerde boven belang van verdachte bij aanhouding daarvan.

In eindarrest heeft hof, n.a.v. aanhoudingsverzoek van nieuwe raadsman, overzicht gegeven van verloop van procedure in h.b. en door (opvolgende) raadslieden telkens gedane verzoeken. Aan hiervoor genoemde gronden voor afwijzing heeft hof toegevoegd dat het “vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld” (te weten telkens net voor in overleg met verdediging lang tevoren geplande zittingen) zijn geweest die procedure hebben vertraagd. Hieruit, en uit hierop volgende (door wrakingskamer als misbruik van wrakingsprocedure aangemerkte) wrakingsverzoeken heeft hof afgeleid dat verdachte heeft geprobeerd ook inhoudelijke behandeling van zaak te frustreren. Verder heeft hof vastgesteld dat (toenmalige) raadsvrouw van verdachte bijlagen voor haar pleidooi al aan hof had toegestuurd en verdediging dus kennelijk al geheel was voorbereid. Geheel tijdverloop in aanmerking nemend heeft hof daaraan toegevoegd dat verdachte ruim voldoende tijd en gelegenheid had gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden, en geoordeeld dat zijn recht op eerlijk proces door afwijzing van aanhoudingsverzoek niet is geschonden.

Klacht dat hof in zijn oordeel over lange duur van procedure in h.b. ten nadele van verdachte heeft betrokken dat zijn (toenmalige) raadsman groot aantal stukken in geding heeft gebracht die hebben geleid tot veroordeling van verdachte voor valsheid in geschrift, terwijl deze veroordeling nog niet onherroepelijk was, faalt.

Klacht dat recht van verdachte op eerlijk proces is geschonden omdat hij onvoldoende tijd had om zijn verdediging voor te bereiden en omdat hij niet kon beschikken over rechtsbijstand van raadsman, faalt eveneens. HR is van oordeel dat (ondanks dat het een complexe zaak betreft) gezien bijzonderheden van zaak en met name gezien zijn proceshouding, verdachte niet zodanig is beperkt in zijn recht op voldoende tijd en faciliteiten voor voorbereiding van zijn verdediging of in zijn recht op rechtsbijstand, dat daardoor zijn recht op een eerlijk proces is geschonden.

Volgt verwerping. Samenhang met: 22/04642 en 22/04686.

Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2024-0114
RvdW 2024/600
NJ 2024/267 met annotatie van N. Jörg

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04626

Datum 4 juni 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 december 2022, nummer 21-000014-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof artikel 6 lid 3, aanhef en onder b en c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft geschonden doordat het hof verzoeken van de verdachte tot aanhouding van de behandeling van de zaak om zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien en een effectieve verdediging te kunnen voeren heeft afgewezen. Daarnaast klaagt het cassatiemiddel over de gronden waarop die afwijzing berust.

2.2.1

Het procesverloop in hoger beroep is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.2.

2.2.2

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022 houdt onder meer in:

“De voorzitter deelt mee dat het hof gisteren bericht heeft gekregen dat verdachte niet langer wordt bijgestaan door zijn (voormalige) raadslieden mr. R.E. van Zijl en mr. K.J. Zeegers en vraagt of verdachte daar iets over wil zeggen.

Verdachte verklaart:

Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van de zaak.

De voorzitter vraagt:

Kunt u iets meer zeggen over die breuk? En ik vraag dat hierom: in uw geval is het zo dat u aan uw derde advocaat of advocatenkoppel bezig was en we zitten een beetje met het probleem dat we die zaak een keer moeten afhandelen. We zijn nu zes jaar in hoger beroep bezig en we hadden het idee dat dit toch wel het moment zou zijn daarvoor. We kunnen niet aan de gang blijven met aanhouden. Ook hier geldt weer dat we een afweging moeten maken tussen uw belang om te worden bijgestaan door een advocaat, dat belang begrijpen we, en het belang dat de zaak een keer afgedaan moet worden en dat we niet tot in het oneindige kunnen doorgaan met het wisselen van advocaten. Wilt u daar nog iets over zeggen?

Verdachte verklaart:

Ik kan daar niets over zeggen. Het enige wat ik u kan zeggen is dat ik recht heb op rechtsbescherming. Klaar. Ingewikkelder is het niet. Ik heb recht op een advocaat.

De voorzitter vraagt het standpunt van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal voert het woord:

Ik verzet me tegen aanhouding. Ik heb het vorige week ook al bij zijn dochter gezegd: het begint toch op obstructie van de rechtsgang te lijken. Voordat we hier vijf dagen gepland hadden, kwamen er allerlei getuigenverzoeken. Toen heeft uw hof gezegd: die kunnen op de eerste dag behandeld worden, waarop het verzoek kwam van de advocaten van [verdachte] om toch een regiezitting te plannen en de behandeling uit te stellen met het argument “stel dat u onze verzoeken toewijst, dan hebben we voor niets ons pleidooi voorbereid”. Dat was al een eerste verzoek om te kijken of dit inhoudelijk niet door kon gaan. Vervolgens hebben we de wraking gehad. En ik zei het al, ik zat in de auto op weg naar de wrakingszitting en toen dacht ik: ‘Als de wraking wordt afgewezen, is het enige wat ze nog kunnen doen de verdediging neerleggen’. Het is gewoon obstructie van de rechtsgang. Het is een afweging van belangen en op dit moment is het van groot maatschappelijk belang, ook bijvoorbeeld voor de Rabobank die hier al jaren achteraan loopt (ik zie hier ook een vertegenwoordiger van de Rabo zitten), ook die mensen hebben er recht op dat er eens een einde komt aan de rechtsgang. Dus ik verzet me tegen aanhouding.

De voorzitter vraagt verdachte of hij daar nog op wil reageren.

Verdachte verklaart:

Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van deze zaak.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.

Na hervatting deelt de voorzitter mee:

Het hof heeft een belangenafweging te maken. We constateren dat nu in totaal drie verschillende raadslieden of hun kantoorgenoten zijn geweest. De reden van de laatste onttrekking is totaal niet duidelijk en we zijn nu zes jaar bezig in hoger beroep. Een belangrijk deel van die vertraging is ook veroorzaakt door inbreng van stukken vlak vóór de eerste geplande regiezitting in oktober 2018. Stukken waarvan de authenticiteit werd betwist en waardoor een nieuw opsporingsonderzoek en een nieuwe vervolging heeft plaatsgevonden tegen u. En in die zaak bent u inmiddels veroordeeld - zij het nog niet onherroepelijk - voor valsheid in geschrift. Er was destijds al uitstel verleend in verband met de stukken en een nieuwe advocaat. De regiezitting in 2019 had een heel beperkt karakter door al die ontwikkelingen en is uiteindelijk verschoven naar 2020. U heeft zich de afgelopen jaren, we hebben het over bijna zes (in ieder geval ruim vijfenhalf) jaar in hoger beroep, uitvoerig kunnen voorbereiden en dat het nu tot een breuk komt om onbekende redenen, is bij deze stand van zaken voor rekening van de verdachte. Want inmiddels prevaleert de voortgang van de zaak boven het belang van verdachte om een nieuwe advocaat, dat wil zeggen zijn vierde, te zoeken. We moeten ook de belangen van anderen afwegen en de procesgang die een keer afgerond moet worden. En daar komt bij, u bent zelf uitstekend in staat uw zegje te doen. Dat betekent dus dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen en wij gewoon doorgaan met behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak. Is dat duidelijk, [verdachte] ?

Verdachte verklaart:

Ik heb het recht op rechtsbescherming en ik heb het recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil graag aanhouding van deze zaak.

De voorzitter merkt op dat het hof dat verzoek net heeft afgewezen.

(...)

De voorzitter richt zich tot verdachte:

We hebben gezien dat u bij de rechtbank uitvoerig heeft verklaard, u heeft bij de FIOD verklaard, ook dat hebben we uiteraard allemaal gelezen. U heeft al eerder een schriftelijk stuk gemaakt met uw visie en ook in 2020 in de appelfase heel uitvoerig uw visie op de zaak gegeven. Ik begin zo met u de gelegenheid te geven - en dat is gewoon de wettelijke volgorde - uw bezwaren tegen het vonnis kenbaar te maken. Dat mag u wat het hof betreft kort doen want we hebben de appelmemorie ontvangen van uw raadsman, destijds nog mr. Sijbers, later aangevuld. Die bezwaren zijn het hof eigenlijk wel duidelijk maar als u daar nog iets op wilt toelichten, dan kan dat. Daarna zullen wij de zaken met u doornemen. Dat zal veel korter zijn dan bij de rechtbank. Niet omdat we uw zaak niet belangrijk vinden maar omdat het ons duidelijk is wat uw standpunt is en dat u daar bij blijft. Dat hebben we gezien in uw toelichting van begin 2020 die u heeft geschreven. We zullen wel op onderdelen wat vragen stellen. Dat zal soms ook wel eens een vraag zijn die eerder gesteld is, maar wat het hof toch nog een keer van u wil horen en er zullen ook wat nieuwe dingen aan de orde komen. Ik wil u straks in ieder geval ook de gelegenheid geven om nog eens duidelijk te maken, als u wilt, waarom u de waardering van het onroerend goed zo belangrijk vindt. Want u heeft in uw stukken steeds aangegeven dat u dat heel belangrijk vindt en daarom wil ik u de gelegenheid geven om dat punt nader toe te lichten omdat het hof wel duidelijk is dat dat punt u zwaar op de maag ligt.

Kunt u uw bezwaren tegen het vonnis nader toelichten en wilt u een aanvulling geven op wat u daar eerder over heeft geschreven?

Verdachte verklaart:

Ik heb recht op rechtsbescherming, ik heb recht op rechtsbijstand, ik wil graag een advocaat. Ik kan mijn rechten niet verdedigen. Ik begrijp de juridische merites niet of volstrekt onvoldoende. Dat is mijn standpunt.

De voorzitter vraagt:

En betekent dat ook dat u vragen van het hof niet zult beantwoorden?

Verdachte verklaart:

Ik het recht op rechtsbescherming, ik heb recht op rechtsbijstand, ik wil graag een advocaat.

(...)

De oudste raadsheer merkt op:

Voor de volledigheid is het misschien goed om nog wel aan de orde te stellen dat er verhoren zijn geweest op verzoek van de verdediging. De verklaringen die zijn afgelegd bevinden zich bij de stukken.

De voorzitter vraagt verdachte of hij wel iets wil zeggen over zijn persoonlijke omstandigheden.

Verdachte verklaart:

Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand. Ik wil graag een advocaat.

De voorzitter geeft het woord aan de advocaat-generaal voor het requisitoir.

(...)

De voorzitter informeert of verdachte wil reageren.

(...)

Verdachte verklaart:

Ik kan mijzelf niet verdedigen. Ik zit zonder advocaat. U weet niet waaraan dat ligt. Ik vind het onrechtvaardig. Ik verzoek u nogmaals een beslissing op het verzoek tot aanhouding te nemen zodat ik een advocaat kan nemen dan wel mijn eigen verdediging kan doen. Ik wil graag reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal, maar ik kan het nu niet.

Dus nogmaals verzoek ik u de zaak aan te houden totdat eerder genoemde punten zijn ingevuld, dus dat ik een advocaat kan nemen dan wel zelf proberen mijn verdediging te schrijven. Ik wil graag dat u daar een uitspraak over doet.

De advocaat-generaal geeft zijn standpunt:

Ik begrijp op zich het standpunt van [verdachte] . Ik moet ook constateren dat hij jarenlang overleg heeft gehad met zijn advocaat en ik kan me niet voorstellen, dat er vóór het moment dat de verdediging is neergelegd geen contact is geweest en dat [verdachte] niet beschikt over een concept van het pleidooi.

Ik begrijp ook dat hij wil reageren op mijn requisitoir en even de gelegenheid moet krijgen om dat te schrijven. Dat zou vanmiddag om vier uur kunnen. Dan heeft hij in ieder geval een paar uurtjes de tijd gehad om iets te schrijven. Eventueel kan dat nog komende vrijdag. Dat was ook een zittingsdag die voorzien was om deze zaak verder te behandelen.

De voorzitter vraagt verdachte of hij daar nog op wil reageren.

Verdachte verklaart:

Nou dat antwoord weet u beter dan wie dan ook als advocaat of jurist. Dat is onmogelijk. Daar heb je gewoon tijd voor nodig om dat goed en netjes te doen. Dat kan niet anders. Het gaat niet om niks, het is geen pak suiker. Het gaat om vrijheidsontneming voor een langere periode. Dus ik wil toch wel even heel goed en gedetailleerd - of met een advocaat of dat ik het zelf doe - de verdediging kunnen voeren.

De voorzitter stelt vast dat er geen vragen meer zijn en onderbreekt voor beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mee:

Vanochtend had u al aanhouding gevraagd omdat u een raadsman wilde inschakelen. Dat hebben we afgewezen. U voegt er nu aan toe dat u in dat geval ook uw eigen verdediging wilt voeren. Wij snappen dat het best lastig is om dat zelf te doen en in ieder geval willen we u, waar dat in het bestaande schema kan, zoveel mogelijk tegemoet komen door verder te gaan met uw zaak op de uitloopdag, vrijdag 24 juni aanstaande om 9.00 uur. Dan heeft u in ieder geval nog ruim een week om nog een raadsman of raadsvrouw te raadplegen en de verdediging wat beter voor te bereiden dan wanneer we dat bijvoorbeeld overmorgen zouden doen. Dat is waar u in tegemoet willen komen (...).

Verdachte verklaart:

Met alle respect, dat is natuurlijk in de praktijk onhaalbaar. U weet net zo goed als ik dat als je dat redelijk goed wil voorbereiden, met advocaat of dat je dat zelf doet, daar heb je gewoon een langere tijd voor nodig. Dat is onhaalbaar, dat is niet realistisch en dat weet u ook. Het is niet anders.

Mijn recht op een eerlijk proces wordt mij ontnomen. Ik moet mij kunnen verdedigen en begrijp het echt niet meer. Dan blijft er voor mij maar één ding over, dat ik dit gerechtshof wederom wraak, omdat mij de kans op een eerlijk proces wordt ontnomen.”

2.2.3

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2022 houdt onder meer in:

“De voorzitter vraagt verdachte:

Gisteravond tegen half tien ontvingen we een mailtje van mr. Van Gessel uit Amsterdam, die vroeg om overleg in deze zaak. Hij is er niet vandaag?

Verdachte antwoordt:

Nee, dat is correct.

De voorzitter vraagt:

De vraag aan u is: Weet u ook waarom, want vandaag is de zitting gepland en om te gaan overleggen met iemand als het mailtje de avond ervoor om halftien komt; dat wordt wat ingewikkeld.

Verdachte antwoordt:

Ik ben op zoek naar een advocaat, driftig en met gezwinde spoed, maar dat valt niet mee om een aantal redenen. Je zit in een situatie waarbij je richting vakanties gaat, dus dat is al een element. Meneer van Gessel gaat mij mogelijk bijstaan in het hele traject zoals het er nu uitziet en hij heeft u daarover bericht. Dat is het verhaal, volgende week hebben we daar verder contact over.

De voorzitter deelt mee:

Ja, maar we zitten vandaag met de behandeling en u weet, we hebben gezegd dat we vandaag willen doorgaan ondanks uw advocatenperikelen.

Verdachte reageert:

Dat is dan een keuze van het hof.

De voorzitter merkt op:

Ja, dat is heel duidelijk. En verleden keer waren we in uw zaak in het stadium dat er gerekwireerd is door de advocaat-generaal en dat u daarop mocht reageren. Toen heeft u opnieuw een aanhoudingsverzoek gedaan en na de afwijzing een wrakingsverzoek. Dat weten we allemaal. Dus ik wil u nu alsnog in de gelegenheid stellen om te reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal.

Verdachte verklaart:

Dank u wel. Ik kan mij als verdachte niet zelf verdedigen. Ik ben niet deskundig en in de verhouding geen partij voor het openbaar ministerie. Equality of arms. Een fair trial is vereist, voorzien van deskundige bijstand. Ik heb recht op rechtsbijstand. Ik wil graag een advocaat en ben bezig een advocaat te vinden die mij bijstaat. Uw hof is daarover geïnformeerd. Ik kan mijn rechten niet verdedigen. Ik begrijp de juridische merites niet. Blijkbaar vindt dit gerechtshof het niet van belang dat ik mij kan verdedigen. Ik verzoek u nogmaals om aanhouding van de zaak.

(...)

De voorzitter (...) schorst het onderzoek voor beraad.

De voorzitter hervat en deelt mee:

[verdachte] , het verzoek bevat niets nieuws ten opzichte van de vorige keer en de beslissing is ook niet anders dan de vorige keer. Wij blijven bij onze beslissing en de motivering daarvan. Dat betekent dat u nu de gelegenheid krijgt om of inhoudelijk te reageren of het laatste woord te hebben. Daar krijgt u nu opnieuw de kans voor en als u zegt ‘nou ik maak daar geen gebruik van’, daar mag u ook voor kiezen, maar u krijgt nu de gelegenheid om inhoudelijk te reageren.

Verdachte verklaart:

Inhoudelijk zijn de punten net door mij benoemd, dus dat is een herhaling van zetten. Het laatste woord dat kan ik u ook nog wel vertellen:

Geacht hof, het is vanuit het oogpunt van gelijkheid mijn wens om bijgestaan te worden door een advocaat. Deze heeft zich zeer onlangs teruggetrokken omdat sprake is van een vertrouwensbreuk, die ik u, gelet op het vertrouwelijke karakter van advocaat en cliënt niet hoef uit te leggen. Ik kan mij niet professioneel laten vertegenwoordigen, omdat u de ruimte daarvoor niet biedt. Dit is triest en doet verder af aan mijn vertrouwen in de rechtspraak. Ik had nog veel te zeggen, maar doe dit niet.

Simpelweg omdat ik niet weet of dit mijn zaak kan schaden of juist goed zal doen.

De voorzitter deelt mee:

Goed, dat was het. Dan wordt in uw zaak het onderzoek geschorst tot 22 september 2022, 13.30 uur in Arnhem voor de sluiting en dan zullen we mogelijk ook direct uitspraak doen, maar in ieder geval wordt de zaak voor vandaag gesloten.”

2.2.4

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2022 houdt onder meer in:

“Als gemachtigde raadsman van [verdachte] is ter terechtzitting aanwezig mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam.

(...)

De voorzitter deelt het volgende mee:

Het hof heeft ter terechtzitting van 24 juni 2022 meegedeeld dat het onderzoek in alle zaken op 22 september 2022 zou worden gesloten en dat dan ook in alle zaken arrest zou worden gewezen.

Op 6 september 2022 heeft mr. van Gessel zich gesteld als raadsman voor [verdachte] en op 7 september 2022 heeft mr. Zuketto zich gesteld als raadsman van [betrokkene 7] . Zij hebben beiden bij e-mail van 19 september 2022 het hof verzocht om geen arrest te wijzen op 22 september 2022, maar hen in de gelegenheid te stellen om op een later tijdstip de zaken van hun cliënten alsnog inhoudelijk te behandelen.

Het hof heeft daarop meegedeeld dat een andere zittingscombinatie de arresten zou wijzen en dat de verzoeken daarom niet op 22 september 2022 behandeld konden worden. Ter zitting van 22 september 2022 is het onderzoek geschorst tot vandaag, 18 november 2022.

(...)

De voorzitter deelt verder mee dat vandaag geen inhoudelijke behandeling van de zaken zal plaatsvinden, maar dat de raadslieden in de gelegenheid gesteld worden om hun verzoeken nader toe te lichten. Het hof zal op 2 december 2022 te 14.00 uur arrest wijzen in alle zaken bij tussenarrest of bij eindarrest.

(...)

Mr. Van Gessel voert het woord overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde ‘Toelichting op heropeningsverzoek’ (opmerking griffier: zowel het heropeningsverzoek van 19 september 2022 als de toelichting zijn aan dit proces-verbaal gehecht)

Hij voegt daar (inleidend) aan toe:

In de overgelegde toelichting worden geen nieuwe argumenten aangevoerd. Mr. Zuketto en ik zijn relatieve buitenstaanders, wij kennen het dossier nog niet zo goed. Ik heb de dag voor de zitting van 24 juni 2022 al contact met het hof opgenomen. Toen heb ik me niet als raadsman gesteld omdat ik nog niet van de zaak op de hoogte was. Uit het proces-verbaal van de zitting van 24 juni proefde ik wel al een polarisatie tussen het hof en cliënt. Cliënt heeft mij verteld dat hij toen het gevoel had er helemaal alleen voor te staan. Ik heb net, tijdens het wachten op het begin van de zitting, aan mijn collega's gevraagd waar het in dit proces is misgegaan. Het lijkt alsof het hof een stok zoekt om mee te slaan: ik zie dat het op zich een langdurig proces is, maar dat de procedure objectief gezien niet door de verdediging is vertraagd bijvoorbeeld door heel veel getuigen op te laten roepen. Ik zie niet in dat je met de vinger naar de advocaten of cliënt kan wijzen. Cliënt wordt al sinds 2018 bijgestaan door het kantoor Jebbink Soeteman, ik ben pas de derde advocaat. Dus een opmerking van het hof over de advocatenwissels doet er volgens mij niet toe. Dat argument wordt wel gebruikt als een verdachte het erg bont maakt, maar dat kun je hier toch niet zeggen. Ik begrijp dat het vervelend is voor u, u wilt het spoorboekje afwerken, maar ik zeg dan maar: Haal diep adem en zorg voor een eerlijk proces.

De voorzitter merkt op dat mr. Van Gessel al de vierde advocaat is.

Mr. Van Gessel reageert:

Dat is in - aanmerking genomen dat het over heel veel jaren en behandeling bij twee instanties gaat - niet veel.

(...)

De advocaat-generaal voert het woord als volgt:

Het hof heeft andermaal alle belangen af te wegen. Wat mij betreft heeft vandaag geen enkel nieuw inzicht opgeleverd. (...)

De voorzitter stelt de raadslieden in de gelegenheid het laatste woord te voeren.

(...)

De voorzitter sluit het onderzoek (...) en deelt mee dat volgens de beslissing van het hof de uitspraak (...) zal plaatsvinden op 2 december 2022 te 14:00 uur te Zwolle.”

2.2.5

De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2022 gehechte ‘Toelichting op heropeningsverzoek’ houdt onder meer in:

“Cliënt (...) wijst (...) er nogmaals op dat er weliswaar sprake is geweest van bijstand (in twee instanties) door diverse advocaten maar dat hij sinds medio 2018 werd bijgestaan door kantoor Jebbink Soeteman in Amsterdam. Voorts wijst hij erop dat de wijziging in 2018 op geen enkele wijze van invloed is geweest op de vertraging van de behandeling in hoger beroep. Uw opmerking zoals hiervoor weergegeven dat uw Gerechtshof niet tot in het oneindige kan doorgaan (lees: aanhouden) omdat van advocaat wordt gewisseld, wordt niet onderbouwd door feiten en omstandigheden die direct voortvloeien uit de onderhavige strafzaak, maar wordt veeleer als een argument (pour besoin de la cause) gebruikt om te komen tot een voorgenomen afhandeling van de strafzaak.

In het schrijven van 19 september 2022 is uitgebreid ingegaan op het recht dat mijn cliënt heeft op effectieve rechtsbijstand en dat door de beslissing van uw Gerechtshof dit recht illusoir wordt gemaakt. Ik verwijs u nogmaals naar de jurisprudentie welke in het schrijven van 19 september 2022 wordt genoemd.”

2.2.6

Het arrest van het hof houdt over de afwijzing van het op de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2022 gedane verzoek in:

“Het hof zal het verzoek tot schorsing van het onderzoek afwijzen. Het overweegt daartoe als volgt:

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging niet valt te verwijten dat de procedure inmiddels al zo lang duurt. Objectief gezien zou het proces niet door de verdediging zijn vertraagd. Daar wreekt zich misschien het feit dat de raadsman het dossier nog niet zo goed kent. Het hof zal daarom nog kort recapituleren (...) welke handelingen van verdachte de procedure hebben vertraagd:

- De eerste regiezitting was gepland op 17 oktober 2018. Die zitting was gepland in overleg met mr. F.H.H. Sijbers, de toenmalige raadsman van verdachte. Hij had verzocht om 16 getuigen te horen.

- Kort voor de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 (die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden) heef mr. Vlaar zich gesteld in plaats van mr. Sijbers. Per brief heeft mr. Vlaar verzocht 75 getuigen te horen. Hij heeft een omvangrijk dossier ingediend dat deels bestond uit vervalste documenten, althans zo luidt de conclusie van de rechtbank Oost-Brabant. Omdat het hof geen beslissing kan nemen op verzoeken die (mogelijk) zijn gebaseerd op valse documenten, zou er eerst onderzoek naar die documenten worden uitgevoerd (het onderzoek-Maruoka). De eerste regiezitting in hoger beroep is daarom uitgesteld tot 6 februari 2019.

- Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 heeft de eerste regiezitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting hebben de raadslieden aangegeven dat zij hun onderzoekswensen nog niet konden toelichten omdat zij de zaak pas net hadden overgenomen. Bij tussenarrest is beslist dat de zaak in handen van de raadsheer-commissaris werd gesteld om de getuigenverhoren in de onderhavige zaak en de zaak-Maruoka te coördineren.

- Op 13 mei 2020 vond opnieuw een regiezitting plaats. Het hof heeft naar aanleiding van die zitting beslist dat onder meer acht van de gevraagde getuigen moesten worden gehoord. Vier van die getuigen bleken onvindbaar. Het zou medewerkers van de ING betreffen, maar de bank kon deze medewerkers niet in haar personeelsbestand terugvinden.

- In januari 2022 is begonnen met de planning van de zaak en in overleg met de raadslieden zijn daarvoor vijf dagen in juni 2022 uitgetrokken.

- Tussen januari 2022 en juni 2022 is twee keer door de verdediging verzocht een nieuwe regiezitting te plannen met het verzoek om getuigen te horen die eerder al (grotendeels) door het hof waren afgewezen.

- Tijdens de zittingen van de inhoudelijke behandeling in juni 2022 heeft verdachte het hof twee keer gewraakt en is een dag voor de inhoudelijke behandeling de relatie met mrs. Zeegers en Van Zijl beëindigd. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat er sprake was van misbruik van de wrakingsprocedure.

Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd. Verder is mr. Van Gessel nu de vierde advocaat die zijn belangen moet behartigen. En zelfs al zou dat gelet op de lengte van de procedure niet bezwarend hoeven te zijn, het zijn vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld die de procedure telkens hebben vertraagd. Twee keer net voor een geplande regiezitting en één keer net voor de dag van de inhoudelijke behandeling. Mr. Van Zijl had zelfs de bijlagen bij haar pleidooi al aan het hof gemaild, wat doet veronderstellen dat de verdediging op dat moment al geheel was voorbereid. Daarmee en met de daarop volgende (afgewezen) wrakingsverzoeken heeft verdachte ook de inhoudelijke behandeling in juni 2022 geprobeerd te frustreren.

De belangenafweging zoals het hof die eerder heeft gemaakt is niet anders geworden. Het recht op rechtsbijstand is zeer zwaarwegend, maar niet absoluut. Dat blijkt ook uit een uitspraak van het EHRM (EHRM 30 november 2021, Galović t. Kroatië, nr. 45512/11, rov. 80 en 90).

Verdachte heeft in hoger beroep in het algemeen en in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen, ruim voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden.

Het hof is van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijk proces niet is geschonden en wijst het verzoek om het onderzoek te schorsen af.”

2.3

De volgende bepalingen zijn van belang.

- Artikel 6 lid 3, aanhef en onder b en c, EVRM (in de Nederlandse vertaling):

“3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
(...)
b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.”

- Artikel 28 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.”

2.4.1

Artikel 6 lid 3, aanhef en onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Artikel 28 Sv geeft de verdachte het recht zich te doen bijstaan door een gekozen of aangewezen raadsman. Verder bepaalt artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM dat ieder die vervolgd wordt voor een strafbaar feit het recht heeft op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van zijn verdediging.

2.4.2

Het recht op effectieve rechtsbijstand is een fundamenteel recht van de verdachte en ook het recht op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van de verdediging is een van de kenmerken van het recht op een eerlijk proces. Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte een eerlijk proces heeft gehad, moeten echter alle omstandigheden van de zaak worden betrokken. Het gaat erom dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Galović tegen Kroatië (EHRM 31 augustus 2021, nr. 45512/11) houdt daarover onder meer in:

“79. The right to a fair trial under Article 6 § 1 is an unqualified right. However, what constitutes a fair trial cannot be the subject of a single unvarying rule, but must depend on the circumstances of the particular case. The Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (see, among many other authorities, Ibrahim and Others v. the United Kingdom [GC], nos. 50541/08 and 3 others, § 250, 13 September 2016).

80. Compliance with the requirements of a fair trial must be examined in each case, having regard to the development of the proceedings as a whole, and not on the basis of an isolated consideration of one particular aspect or one particular incident, although it cannot be excluded that a specific factor may be so decisive as to enable the fairness of the trial to be assessed at an earlier stage in the proceedings. In evaluating the overall fairness of the proceedings, the Court will take into account, if appropriate, the minimum rights listed in Article 6 § 3, which exemplify the requirements of a fair trial in respect of typical procedural situations which arise in criminal cases. They can therefore be viewed as specific aspects of the concept of a fair trial in criminal proceedings in Article 6 § 1. However, those minimum rights are not aims in themselves: their intrinsic aim is always to contribute to ensuring the fairness of the criminal proceedings as a whole (ibid., § 251).

81. Article 6 § 3 (b) guarantees the accused “adequate time and facilities for the preparation of his defence”, and therefore implies that the substantive defence activity on his behalf may comprise everything which is “necessary” to prepare the main trial. The accused must have the opportunity to organise his defence in an appropriate way and without restriction as to the ability to put all relevant defence arguments before the trial court and thus to influence the outcome of the proceedings (see Mayzit v. Russia, no. 63378/00, § 78, 20 January 2005; Moiseyev v. Russia, no. 62936/00, § 220, 9 October 2008; Gregačević v. Croatia, no. 58331/09, § 51, 10 July 2012; and Chorniy v. Ukraine, no. 35227/06, § 37, 16 May 2013).

82. When assessing whether the accused had adequate time for the preparation of his defence, particular regard has to be had to the nature of the proceedings, as well as the complexity of the case and the stage of the proceedings (see Gregačević, cited above, § 51, and Albert and Le Compte v. Belgium, 10 February 1983, § 41, Series A no. 58). In this connection, the Court notes that the guarantees of Article 6 § 3 (b) go beyond trials, and extend to all stages of court proceedings (see D.M.T. and D.K.I. v. Bulgaria, no. 29476/06, § 81, 24 July 2012, and Chorniy, cited above, § 38).

83. As regards the right to a lawyer, the Court reiterates that the right of everyone charged with a criminal offence to be effectively defended by a lawyer, assigned officially if need be, as guaranteed by Article 6 § 3 (c), is one of the fundamental features of a fair trial (see Salduz v. Turkey [GC], no. 36391/02, § 51, ECHR 2008; Dvorski v. Croatia [GC], no. 25703/11, § 76, ECHR 2015; and Simeonovi v. Bulgaria [GC], no. 21980/04, § 112, 12 May 2017 (extracts)). However, assigning counsel does not in itself ensure the effectiveness of the assistance counsel may provide to his client. Nevertheless, a State cannot be held responsible for every shortcoming on the part of a lawyer appointed for legal-aid purposes. It follows from the independence of the legal profession from the State that the conduct of the defence is essentially a matter between a defendant and his counsel, whether appointed under a legal-aid scheme or privately financed. The competent national authorities are required under Article 6 § 3 (c) to intervene only if a failure by legal-aid counsel to provide effective legal assistance is manifest or sufficiently brought to their attention in another way (see Czekalla v. Portugal, no. 38830/97, § 60, ECHR 2002-VIII, and Orlov v. Russia, no. 29652/04, § 108, 21 June 2011).”

2.5.1

Aan de aanhoudingsverzoeken op de terechtzittingen van 15 juni 2022 en 24 juni 2022 is (kort gezegd) ten grondslag gelegd dat de verdachte kort voor de geplande inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak door het hof door een vertrouwensbreuk met zijn raadslieden geen rechtsbijstand meer had en dat hij zich daarvan opnieuw wilde voorzien. Nadat zich opnieuw een raadsman had gesteld is op de terechtzitting van 18 november 2022 verzocht om uitstel tot een later tijdstip om de gelegenheid te krijgen een effectieve verdediging te voeren.

2.5.2

Het hof heeft deze verzoeken telkens afgewezen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022 heeft het hof daaraan ten grondslag gelegd dat de procedure in hoger beroep al bijna zes jaren duurde en ernstig was vertraagd doordat de verdachte meermalen van raadsman is gewisseld en doordat hij, vlak voor de geplande eerste regiezitting in oktober 2018, stukken heeft ingebracht in verband waarmee hij inmiddels (zij het nog niet onherroepelijk) is veroordeeld wegens valsheid in geschrift. Daarnaast wees het hof erop dat de verdachte zich uitvoerig heeft kunnen voorbereiden in de jaren dat het hoger beroep al duurde en dat de omstandigheid dat het – om voor het hof ondanks herhaalde vragen aan de verdachte onbekend gebleven redenen – tot een breuk kwam tussen de verdachte en zijn raadslieden, voor zijn rekening moet blijven. Tegen die achtergrond heeft het hof geoordeeld dat het belang bij voortgang van de zaak prevaleerde boven het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan.
In zijn eindarrest heeft het hof, naar aanleiding van het aanhoudingsverzoek van de nieuwe raadsman, een overzicht gegeven van het verloop van de procedure in hoger beroep en de door de (opvolgende) raadslieden telkens gedane verzoeken. Aan de hiervoor genoemde gronden voor afwijzing heeft het hof toegevoegd dat het “vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld” – te weten telkens net voor de in overleg met de verdediging lang tevoren geplande zittingen – zijn geweest die de procedure hebben vertraagd. Hieruit, en uit de hierop volgende – door de wrakingskamer als misbruik van de wrakingsprocedure aangemerkte – wrakingsverzoeken heeft het hof afgeleid dat de verdachte heeft geprobeerd ook de inhoudelijke behandeling van de zaak te frustreren. Verder heeft het hof vastgesteld dat de (toenmalige) raadsvrouw van de verdachte de bijlagen voor haar pleidooi al aan het hof had toegestuurd en de verdediging dus kennelijk al geheel was voorbereid. Het gehele tijdsverloop in aanmerking nemend heeft het hof daaraan toegevoegd dat de verdachte ruim voldoende tijd en gelegenheid had gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden, en geoordeeld dat zijn recht op een eerlijk proces door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet is geschonden.

2.5.3

In de eerste plaats klaagt het cassatiemiddel dat het hof in zijn oordeel over de lange duur van de procedure in hoger beroep ten nadele van de verdachte heeft betrokken dat zijn (toenmalige) raadsman een groot aantal stukken in het geding heeft gebracht die hebben geleid tot een veroordeling van de verdachte voor valsheid in geschrift, terwijl deze veroordeling nog niet onherroepelijk was.
Deze klacht faalt. Uit het hiervoor weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juni 2022 blijkt dat het hof expliciet onder ogen heeft gezien dat deze veroordeling nog niet onherroepelijk was. Die omstandigheid behoefde het hof er echter niet van te weerhouden ook de in die periode ontstane vertraging van de procedure in aanmerking te nemen, welke vertraging niet alleen ontstond doordat de (toenmalige) raadsman de verdediging niet voortzette, maar ook doordat nader onderzoek moest worden gedaan naar de authenticiteit van de namens de verdachte ingebrachte stukken.
In het verlengde hiervan en mede gelet op de hiervoor weergegeven vaststelling van het hof over de momenten waarop de opvolgende wisselingen van de raadslieden plaatsvonden, faalt ook de klacht dat deze wisselingen niet of nauwelijks tot vertraging van de procedure hebben geleid. Datzelfde geldt voor de klacht dat de – als misbruik aangemerkte – wrakingsverzoeken slechts een zeer beperkte vertraging hebben opgeleverd omdat daarop veelal binnen enkele dagen werd beslist. Ook in dit opzicht geldt immers dat mede van belang is het moment waarop dergelijke verzoeken worden ingediend, zeker als daarmee zittingsdagen verloren gaan die lang tevoren in overleg met de verdediging waren gereserveerd voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Dit alles brengt mee dat ook de algemene klacht over de begrijpelijkheid van de vaststellingen van het hof over de verschillende momenten en manieren waarop de verdachte de procedure in hoger beroep heeft vertraagd, faalt. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de verdachte op de terechtzitting van 15 juni 2022 op geen enkele vraag van het hof antwoord heeft gegeven, ook niet op de vraag om “iets meer (te) zeggen” over de breuk met zijn raadslieden. In het bijzonder heeft hij niet aangevoerd dat die breuk niet aan hem te wijten was, terwijl de vertrouwelijkheid van het overleg tussen de verdachte en zijn raadsman er niet aan in de weg staat dat de verdachte enig inzicht biedt in de oorzaak van de breuk en het ontbreken van rechtsbijstand.

2.5.4

Tegen deze achtergrond faalt ook de klacht dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden omdat hij onvoldoende tijd had om zijn verdediging voor te bereiden en omdat hij niet kon beschikken over rechtsbijstand van een raadsman. Het oordeel van het hof komt er in de kern op neer dat de verdachte het – na de hiervoor besproken voorgeschiedenis en de door de verdachte niet toegelichte breuk met zijn raadslieden na afwijzing van het eerste wrakingsverzoek – aan zichzelf te wijten had dat hij op het moment dat de zaak uiteindelijk inhoudelijk kon worden behandeld niet werd bijgestaan door een raadsman. Wat dat betreft is nog van belang dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022 blijkt dat het hof de verdachte na aanvang van de behandeling van de zaak heeft aangeboden deze behandeling aan te houden tot 24 juni 2022 om de verdachte de gelegenheid te bieden zijn verdediging – al dan niet met hulp van een nieuwe raadsman – verder voor te bereiden. De verdachte heeft daarop zijn tweede wrakingsverzoek gedaan en van deze geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt. Verder is van belang dat het hof, nadat een nieuwe raadsman zich had gesteld, de toen al geplande uitspraak heeft uitgesteld en het onderzoek opnieuw heeft geschorst om de raadsman in de gelegenheid te stellen zijn verzoek tot nader uitstel toe te lichten.
De Hoge Raad is van oordeel dat – ondanks dat het een complexe zaak betreft – gezien deze bijzonderheden van de zaak en met name gezien zijn proceshouding, de verdachte niet zodanig is beperkt in zijn recht op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van zijn verdediging of in zijn recht op rechtsbijstand, dat daardoor zijn recht op een eerlijk proces is geschonden.

2.5.5

In dat verband is nog het volgende van belang. De verdachte was gedurende de gehele behandeling van zijn zaak in eerste aanleg van rechtsbijstand voorzien. De toenmalige raadslieden hebben na de veroordeling in eerste aanleg een appelschriftuur ingediend waarin de argumenten van de verdachte tegen zijn veroordeling zijn weergegeven. Op die argumenten heeft de verdediging in hoger beroep, gezien wat aan de verzoeken tot het horen van getuigen ten grondslag is gelegd, voortgebouwd. Verder is het hof in zijn arrest uitvoerig ingegaan op de “bezwaren van de verdediging”, zoals het die heeft afgeleid uit (i) de pleitnota in eerste aanleg, (ii) de appelschriftuur, (iii) wat de verdediging op de terechtzittingen in hoger beroep van 6 februari 2019, 13 mei 2020 en 8 juni 2022 naar voren heeft gebracht, alsmede (iv) andere door de verdediging aan het hof overgelegde stukken, waaronder een uitvoerige schriftelijke verklaring van de verdachte. Op die manier heeft het hof compensatie geboden voor het ontbreken van rechtsbijstand tijdens de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting in hoger beroep.

2.5.6

Het voorgaande wordt niet anders doordat in deze zaak aan de verdachte in eerste aanleg wegens valsheid in geschrift en bedrieglijke bankbreuk een gevangenisstraf van drie jaren en zes maanden was opgelegd en dat daarom met rechtsbijstand in hoger beroep een wezenlijk belang was gemoeid. Daarbij neemt de Hoge Raad nog in aanmerking dat het hof in zijn belangenafweging mede heeft betrokken dat de verdachte vanaf de aanvang van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep ruim voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden. Daarover klaagt het cassatiemiddel ook niet.

2.6

Het cassatiemiddel faalt.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2024.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.