Het cassatiemiddel klaagt dat het hof artikel 6 lid 3, aanhef en onder b en c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft geschonden doordat het hof verzoeken van de verdachte tot aanhouding van de behandeling van de zaak om zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien en een effectieve verdediging te kunnen voeren heeft afgewezen. Daarnaast klaagt het cassatiemiddel over de gronden waarop die afwijzing berust.
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022 houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mee dat het hof gisteren bericht heeft gekregen dat verdachte niet langer wordt bijgestaan door zijn (voormalige) raadslieden mr. R.E. van Zijl en mr. K.J. Zeegers en vraagt of verdachte daar iets over wil zeggen.
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van de zaak.
De voorzitter vraagt:
Kunt u iets meer zeggen over die breuk? En ik vraag dat hierom: in uw geval is het zo dat u aan uw derde advocaat of advocatenkoppel bezig was en we zitten een beetje met het probleem dat we die zaak een keer moeten afhandelen. We zijn nu zes jaar in hoger beroep bezig en we hadden het idee dat dit toch wel het moment zou zijn daarvoor. We kunnen niet aan de gang blijven met aanhouden. Ook hier geldt weer dat we een afweging moeten maken tussen uw belang om te worden bijgestaan door een advocaat, dat belang begrijpen we, en het belang dat de zaak een keer afgedaan moet worden en dat we niet tot in het oneindige kunnen doorgaan met het wisselen van advocaten. Wilt u daar nog iets over zeggen?
Verdachte verklaart:
Ik kan daar niets over zeggen. Het enige wat ik u kan zeggen is dat ik recht heb op rechtsbescherming. Klaar. Ingewikkelder is het niet. Ik heb recht op een advocaat.
De voorzitter vraagt het standpunt van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal voert het woord:
Ik verzet me tegen aanhouding. Ik heb het vorige week ook al bij zijn dochter gezegd: het begint toch op obstructie van de rechtsgang te lijken. Voordat we hier vijf dagen gepland hadden, kwamen er allerlei getuigenverzoeken. Toen heeft uw hof gezegd: die kunnen op de eerste dag behandeld worden, waarop het verzoek kwam van de advocaten van [verdachte] om toch een regiezitting te plannen en de behandeling uit te stellen met het argument “stel dat u onze verzoeken toewijst, dan hebben we voor niets ons pleidooi voorbereid”. Dat was al een eerste verzoek om te kijken of dit inhoudelijk niet door kon gaan. Vervolgens hebben we de wraking gehad. En ik zei het al, ik zat in de auto op weg naar de wrakingszitting en toen dacht ik: ‘Als de wraking wordt afgewezen, is het enige wat ze nog kunnen doen de verdediging neerleggen’. Het is gewoon obstructie van de rechtsgang. Het is een afweging van belangen en op dit moment is het van groot maatschappelijk belang, ook bijvoorbeeld voor de Rabobank die hier al jaren achteraan loopt (ik zie hier ook een vertegenwoordiger van de Rabo zitten), ook die mensen hebben er recht op dat er eens een einde komt aan de rechtsgang. Dus ik verzet me tegen aanhouding.
De voorzitter vraagt verdachte of hij daar nog op wil reageren.
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van deze zaak.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting deelt de voorzitter mee:
Het hof heeft een belangenafweging te maken. We constateren dat nu in totaal drie verschillende raadslieden of hun kantoorgenoten zijn geweest. De reden van de laatste onttrekking is totaal niet duidelijk en we zijn nu zes jaar bezig in hoger beroep. Een belangrijk deel van die vertraging is ook veroorzaakt door inbreng van stukken vlak vóór de eerste geplande regiezitting in oktober 2018. Stukken waarvan de authenticiteit werd betwist en waardoor een nieuw opsporingsonderzoek en een nieuwe vervolging heeft plaatsgevonden tegen u. En in die zaak bent u inmiddels veroordeeld - zij het nog niet onherroepelijk - voor valsheid in geschrift. Er was destijds al uitstel verleend in verband met de stukken en een nieuwe advocaat. De regiezitting in 2019 had een heel beperkt karakter door al die ontwikkelingen en is uiteindelijk verschoven naar 2020. U heeft zich de afgelopen jaren, we hebben het over bijna zes (in ieder geval ruim vijfenhalf) jaar in hoger beroep, uitvoerig kunnen voorbereiden en dat het nu tot een breuk komt om onbekende redenen, is bij deze stand van zaken voor rekening van de verdachte. Want inmiddels prevaleert de voortgang van de zaak boven het belang van verdachte om een nieuwe advocaat, dat wil zeggen zijn vierde, te zoeken. We moeten ook de belangen van anderen afwegen en de procesgang die een keer afgerond moet worden. En daar komt bij, u bent zelf uitstekend in staat uw zegje te doen. Dat betekent dus dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen en wij gewoon doorgaan met behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak. Is dat duidelijk, [verdachte] ?
Verdachte verklaart:
Ik heb het recht op rechtsbescherming en ik heb het recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil graag aanhouding van deze zaak.
De voorzitter merkt op dat het hof dat verzoek net heeft afgewezen.
(...)
De voorzitter richt zich tot verdachte:
We hebben gezien dat u bij de rechtbank uitvoerig heeft verklaard, u heeft bij de FIOD verklaard, ook dat hebben we uiteraard allemaal gelezen. U heeft al eerder een schriftelijk stuk gemaakt met uw visie en ook in 2020 in de appelfase heel uitvoerig uw visie op de zaak gegeven. Ik begin zo met u de gelegenheid te geven - en dat is gewoon de wettelijke volgorde - uw bezwaren tegen het vonnis kenbaar te maken. Dat mag u wat het hof betreft kort doen want we hebben de appelmemorie ontvangen van uw raadsman, destijds nog mr. Sijbers, later aangevuld. Die bezwaren zijn het hof eigenlijk wel duidelijk maar als u daar nog iets op wilt toelichten, dan kan dat. Daarna zullen wij de zaken met u doornemen. Dat zal veel korter zijn dan bij de rechtbank. Niet omdat we uw zaak niet belangrijk vinden maar omdat het ons duidelijk is wat uw standpunt is en dat u daar bij blijft. Dat hebben we gezien in uw toelichting van begin 2020 die u heeft geschreven. We zullen wel op onderdelen wat vragen stellen. Dat zal soms ook wel eens een vraag zijn die eerder gesteld is, maar wat het hof toch nog een keer van u wil horen en er zullen ook wat nieuwe dingen aan de orde komen. Ik wil u straks in ieder geval ook de gelegenheid geven om nog eens duidelijk te maken, als u wilt, waarom u de waardering van het onroerend goed zo belangrijk vindt. Want u heeft in uw stukken steeds aangegeven dat u dat heel belangrijk vindt en daarom wil ik u de gelegenheid geven om dat punt nader toe te lichten omdat het hof wel duidelijk is dat dat punt u zwaar op de maag ligt.
Kunt u uw bezwaren tegen het vonnis nader toelichten en wilt u een aanvulling geven op wat u daar eerder over heeft geschreven?
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming, ik heb recht op rechtsbijstand, ik wil graag een advocaat. Ik kan mijn rechten niet verdedigen. Ik begrijp de juridische merites niet of volstrekt onvoldoende. Dat is mijn standpunt.
De voorzitter vraagt:
En betekent dat ook dat u vragen van het hof niet zult beantwoorden?
Verdachte verklaart:
Ik het recht op rechtsbescherming, ik heb recht op rechtsbijstand, ik wil graag een advocaat.
De oudste raadsheer merkt op:
Voor de volledigheid is het misschien goed om nog wel aan de orde te stellen dat er verhoren zijn geweest op verzoek van de verdediging. De verklaringen die zijn afgelegd bevinden zich bij de stukken.
De voorzitter vraagt verdachte of hij wel iets wil zeggen over zijn persoonlijke omstandigheden.
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand. Ik wil graag een advocaat.
De voorzitter geeft het woord aan de advocaat-generaal voor het requisitoir.
De voorzitter informeert of verdachte wil reageren.
Verdachte verklaart:
Ik kan mijzelf niet verdedigen. Ik zit zonder advocaat. U weet niet waaraan dat ligt. Ik vind het onrechtvaardig. Ik verzoek u nogmaals een beslissing op het verzoek tot aanhouding te nemen zodat ik een advocaat kan nemen dan wel mijn eigen verdediging kan doen. Ik wil graag reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal, maar ik kan het nu niet.
Dus nogmaals verzoek ik u de zaak aan te houden totdat eerder genoemde punten zijn ingevuld, dus dat ik een advocaat kan nemen dan wel zelf proberen mijn verdediging te schrijven. Ik wil graag dat u daar een uitspraak over doet.
De advocaat-generaal geeft zijn standpunt:
Ik begrijp op zich het standpunt van [verdachte] . Ik moet ook constateren dat hij jarenlang overleg heeft gehad met zijn advocaat en ik kan me niet voorstellen, dat er vóór het moment dat de verdediging is neergelegd geen contact is geweest en dat [verdachte] niet beschikt over een concept van het pleidooi.
Ik begrijp ook dat hij wil reageren op mijn requisitoir en even de gelegenheid moet krijgen om dat te schrijven. Dat zou vanmiddag om vier uur kunnen. Dan heeft hij in ieder geval een paar uurtjes de tijd gehad om iets te schrijven. Eventueel kan dat nog komende vrijdag. Dat was ook een zittingsdag die voorzien was om deze zaak verder te behandelen.
De voorzitter vraagt verdachte of hij daar nog op wil reageren.
Verdachte verklaart:
Nou dat antwoord weet u beter dan wie dan ook als advocaat of jurist. Dat is onmogelijk. Daar heb je gewoon tijd voor nodig om dat goed en netjes te doen. Dat kan niet anders. Het gaat niet om niks, het is geen pak suiker. Het gaat om vrijheidsontneming voor een langere periode. Dus ik wil toch wel even heel goed en gedetailleerd - of met een advocaat of dat ik het zelf doe - de verdediging kunnen voeren.
De voorzitter stelt vast dat er geen vragen meer zijn en onderbreekt voor beraad.
De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mee:
Vanochtend had u al aanhouding gevraagd omdat u een raadsman wilde inschakelen. Dat hebben we afgewezen. U voegt er nu aan toe dat u in dat geval ook uw eigen verdediging wilt voeren. Wij snappen dat het best lastig is om dat zelf te doen en in ieder geval willen we u, waar dat in het bestaande schema kan, zoveel mogelijk tegemoet komen door verder te gaan met uw zaak op de uitloopdag, vrijdag 24 juni aanstaande om 9.00 uur. Dan heeft u in ieder geval nog ruim een week om nog een raadsman of raadsvrouw te raadplegen en de verdediging wat beter voor te bereiden dan wanneer we dat bijvoorbeeld overmorgen zouden doen. Dat is waar u in tegemoet willen komen (...).
Verdachte verklaart:
Met alle respect, dat is natuurlijk in de praktijk onhaalbaar. U weet net zo goed als ik dat als je dat redelijk goed wil voorbereiden, met advocaat of dat je dat zelf doet, daar heb je gewoon een langere tijd voor nodig. Dat is onhaalbaar, dat is niet realistisch en dat weet u ook. Het is niet anders.
Mijn recht op een eerlijk proces wordt mij ontnomen. Ik moet mij kunnen verdedigen en begrijp het echt niet meer. Dan blijft er voor mij maar één ding over, dat ik dit gerechtshof wederom wraak, omdat mij de kans op een eerlijk proces wordt ontnomen.”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2022 houdt onder meer in:
“De voorzitter vraagt verdachte:
Gisteravond tegen half tien ontvingen we een mailtje van mr. Van Gessel uit Amsterdam, die vroeg om overleg in deze zaak. Hij is er niet vandaag?
Verdachte antwoordt:
Nee, dat is correct.
De voorzitter vraagt:
De vraag aan u is: Weet u ook waarom, want vandaag is de zitting gepland en om te gaan overleggen met iemand als het mailtje de avond ervoor om halftien komt; dat wordt wat ingewikkeld.
Verdachte antwoordt:
Ik ben op zoek naar een advocaat, driftig en met gezwinde spoed, maar dat valt niet mee om een aantal redenen. Je zit in een situatie waarbij je richting vakanties gaat, dus dat is al een element. Meneer van Gessel gaat mij mogelijk bijstaan in het hele traject zoals het er nu uitziet en hij heeft u daarover bericht. Dat is het verhaal, volgende week hebben we daar verder contact over.
De voorzitter deelt mee:
Ja, maar we zitten vandaag met de behandeling en u weet, we hebben gezegd dat we vandaag willen doorgaan ondanks uw advocatenperikelen.
Verdachte reageert:
Dat is dan een keuze van het hof.
De voorzitter merkt op:
Ja, dat is heel duidelijk. En verleden keer waren we in uw zaak in het stadium dat er gerekwireerd is door de advocaat-generaal en dat u daarop mocht reageren. Toen heeft u opnieuw een aanhoudingsverzoek gedaan en na de afwijzing een wrakingsverzoek. Dat weten we allemaal. Dus ik wil u nu alsnog in de gelegenheid stellen om te reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal.
Verdachte verklaart:
Dank u wel. Ik kan mij als verdachte niet zelf verdedigen. Ik ben niet deskundig en in de verhouding geen partij voor het openbaar ministerie. Equality of arms. Een fair trial is vereist, voorzien van deskundige bijstand. Ik heb recht op rechtsbijstand. Ik wil graag een advocaat en ben bezig een advocaat te vinden die mij bijstaat. Uw hof is daarover geïnformeerd. Ik kan mijn rechten niet verdedigen. Ik begrijp de juridische merites niet. Blijkbaar vindt dit gerechtshof het niet van belang dat ik mij kan verdedigen. Ik verzoek u nogmaals om aanhouding van de zaak.
De voorzitter (...) schorst het onderzoek voor beraad.
De voorzitter hervat en deelt mee:
[verdachte] , het verzoek bevat niets nieuws ten opzichte van de vorige keer en de beslissing is ook niet anders dan de vorige keer. Wij blijven bij onze beslissing en de motivering daarvan. Dat betekent dat u nu de gelegenheid krijgt om of inhoudelijk te reageren of het laatste woord te hebben. Daar krijgt u nu opnieuw de kans voor en als u zegt ‘nou ik maak daar geen gebruik van’, daar mag u ook voor kiezen, maar u krijgt nu de gelegenheid om inhoudelijk te reageren.
Verdachte verklaart:
Inhoudelijk zijn de punten net door mij benoemd, dus dat is een herhaling van zetten. Het laatste woord dat kan ik u ook nog wel vertellen:
Geacht hof, het is vanuit het oogpunt van gelijkheid mijn wens om bijgestaan te worden door een advocaat. Deze heeft zich zeer onlangs teruggetrokken omdat sprake is van een vertrouwensbreuk, die ik u, gelet op het vertrouwelijke karakter van advocaat en cliënt niet hoef uit te leggen. Ik kan mij niet professioneel laten vertegenwoordigen, omdat u de ruimte daarvoor niet biedt. Dit is triest en doet verder af aan mijn vertrouwen in de rechtspraak. Ik had nog veel te zeggen, maar doe dit niet.
Simpelweg omdat ik niet weet of dit mijn zaak kan schaden of juist goed zal doen.
De voorzitter deelt mee:
Goed, dat was het. Dan wordt in uw zaak het onderzoek geschorst tot 22 september 2022, 13.30 uur in Arnhem voor de sluiting en dan zullen we mogelijk ook direct uitspraak doen, maar in ieder geval wordt de zaak voor vandaag gesloten.”
2.2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2022 houdt onder meer in:
“Als gemachtigde raadsman van [verdachte] is ter terechtzitting aanwezig mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam.
(...)
De voorzitter deelt het volgende mee:
Het hof heeft ter terechtzitting van 24 juni 2022 meegedeeld dat het onderzoek in alle zaken op 22 september 2022 zou worden gesloten en dat dan ook in alle zaken arrest zou worden gewezen.
Op 6 september 2022 heeft mr. van Gessel zich gesteld als raadsman voor [verdachte] en op 7 september 2022 heeft mr. Zuketto zich gesteld als raadsman van [betrokkene 7] . Zij hebben beiden bij e-mail van 19 september 2022 het hof verzocht om geen arrest te wijzen op 22 september 2022, maar hen in de gelegenheid te stellen om op een later tijdstip de zaken van hun cliënten alsnog inhoudelijk te behandelen.
Het hof heeft daarop meegedeeld dat een andere zittingscombinatie de arresten zou wijzen en dat de verzoeken daarom niet op 22 september 2022 behandeld konden worden. Ter zitting van 22 september 2022 is het onderzoek geschorst tot vandaag, 18 november 2022.
(...)
De voorzitter deelt verder mee dat vandaag geen inhoudelijke behandeling van de zaken zal plaatsvinden, maar dat de raadslieden in de gelegenheid gesteld worden om hun verzoeken nader toe te lichten. Het hof zal op 2 december 2022 te 14.00 uur arrest wijzen in alle zaken bij tussenarrest of bij eindarrest.
Mr. Van Gessel voert het woord overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde ‘Toelichting op heropeningsverzoek’ (opmerking griffier: zowel het heropeningsverzoek van 19 september 2022 als de toelichting zijn aan dit proces-verbaal gehecht)
Hij voegt daar (inleidend) aan toe:
In de overgelegde toelichting worden geen nieuwe argumenten aangevoerd. Mr. Zuketto en ik zijn relatieve buitenstaanders, wij kennen het dossier nog niet zo goed. Ik heb de dag voor de zitting van 24 juni 2022 al contact met het hof opgenomen. Toen heb ik me niet als raadsman gesteld omdat ik nog niet van de zaak op de hoogte was. Uit het proces-verbaal van de zitting van 24 juni proefde ik wel al een polarisatie tussen het hof en cliënt. Cliënt heeft mij verteld dat hij toen het gevoel had er helemaal alleen voor te staan. Ik heb net, tijdens het wachten op het begin van de zitting, aan mijn collega's gevraagd waar het in dit proces is misgegaan. Het lijkt alsof het hof een stok zoekt om mee te slaan: ik zie dat het op zich een langdurig proces is, maar dat de procedure objectief gezien niet door de verdediging is vertraagd bijvoorbeeld door heel veel getuigen op te laten roepen. Ik zie niet in dat je met de vinger naar de advocaten of cliënt kan wijzen. Cliënt wordt al sinds 2018 bijgestaan door het kantoor Jebbink Soeteman, ik ben pas de derde advocaat. Dus een opmerking van het hof over de advocatenwissels doet er volgens mij niet toe. Dat argument wordt wel gebruikt als een verdachte het erg bont maakt, maar dat kun je hier toch niet zeggen. Ik begrijp dat het vervelend is voor u, u wilt het spoorboekje afwerken, maar ik zeg dan maar: Haal diep adem en zorg voor een eerlijk proces.
De voorzitter merkt op dat mr. Van Gessel al de vierde advocaat is.
Mr. Van Gessel reageert:
Dat is in - aanmerking genomen dat het over heel veel jaren en behandeling bij twee instanties gaat - niet veel.
De advocaat-generaal voert het woord als volgt:
Het hof heeft andermaal alle belangen af te wegen. Wat mij betreft heeft vandaag geen enkel nieuw inzicht opgeleverd. (...)
De voorzitter stelt de raadslieden in de gelegenheid het laatste woord te voeren.
De voorzitter sluit het onderzoek (...) en deelt mee dat volgens de beslissing van het hof de uitspraak (...) zal plaatsvinden op 2 december 2022 te 14:00 uur te Zwolle.”
2.2.6
Het arrest van het hof houdt over de afwijzing van het op de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2022 gedane verzoek in:
“Het hof zal het verzoek tot schorsing van het onderzoek afwijzen. Het overweegt daartoe als volgt:
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging niet valt te verwijten dat de procedure inmiddels al zo lang duurt. Objectief gezien zou het proces niet door de verdediging zijn vertraagd. Daar wreekt zich misschien het feit dat de raadsman het dossier nog niet zo goed kent. Het hof zal daarom nog kort recapituleren (...) welke handelingen van verdachte de procedure hebben vertraagd:
- De eerste regiezitting was gepland op 17 oktober 2018. Die zitting was gepland in overleg met mr. F.H.H. Sijbers, de toenmalige raadsman van verdachte. Hij had verzocht om 16 getuigen te horen.
- Kort voor de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 (die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden) heef mr. Vlaar zich gesteld in plaats van mr. Sijbers. Per brief heeft mr. Vlaar verzocht 75 getuigen te horen. Hij heeft een omvangrijk dossier ingediend dat deels bestond uit vervalste documenten, althans zo luidt de conclusie van de rechtbank Oost-Brabant. Omdat het hof geen beslissing kan nemen op verzoeken die (mogelijk) zijn gebaseerd op valse documenten, zou er eerst onderzoek naar die documenten worden uitgevoerd (het onderzoek-Maruoka). De eerste regiezitting in hoger beroep is daarom uitgesteld tot 6 februari 2019.
- Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 heeft de eerste regiezitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting hebben de raadslieden aangegeven dat zij hun onderzoekswensen nog niet konden toelichten omdat zij de zaak pas net hadden overgenomen. Bij tussenarrest is beslist dat de zaak in handen van de raadsheer-commissaris werd gesteld om de getuigenverhoren in de onderhavige zaak en de zaak-Maruoka te coördineren.
- Op 13 mei 2020 vond opnieuw een regiezitting plaats. Het hof heeft naar aanleiding van die zitting beslist dat onder meer acht van de gevraagde getuigen moesten worden gehoord. Vier van die getuigen bleken onvindbaar. Het zou medewerkers van de ING betreffen, maar de bank kon deze medewerkers niet in haar personeelsbestand terugvinden.
- In januari 2022 is begonnen met de planning van de zaak en in overleg met de raadslieden zijn daarvoor vijf dagen in juni 2022 uitgetrokken.
- Tussen januari 2022 en juni 2022 is twee keer door de verdediging verzocht een nieuwe regiezitting te plannen met het verzoek om getuigen te horen die eerder al (grotendeels) door het hof waren afgewezen.
- Tijdens de zittingen van de inhoudelijke behandeling in juni 2022 heeft verdachte het hof twee keer gewraakt en is een dag voor de inhoudelijke behandeling de relatie met mrs. Zeegers en Van Zijl beëindigd. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat er sprake was van misbruik van de wrakingsprocedure.
Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd. Verder is mr. Van Gessel nu de vierde advocaat die zijn belangen moet behartigen. En zelfs al zou dat gelet op de lengte van de procedure niet bezwarend hoeven te zijn, het zijn vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld die de procedure telkens hebben vertraagd. Twee keer net voor een geplande regiezitting en één keer net voor de dag van de inhoudelijke behandeling. Mr. Van Zijl had zelfs de bijlagen bij haar pleidooi al aan het hof gemaild, wat doet veronderstellen dat de verdediging op dat moment al geheel was voorbereid. Daarmee en met de daarop volgende (afgewezen) wrakingsverzoeken heeft verdachte ook de inhoudelijke behandeling in juni 2022 geprobeerd te frustreren.
De belangenafweging zoals het hof die eerder heeft gemaakt is niet anders geworden. Het recht op rechtsbijstand is zeer zwaarwegend, maar niet absoluut. Dat blijkt ook uit een uitspraak van het EHRM (EHRM 30 november 2021, Galović t. Kroatië, nr. 45512/11, rov. 80 en 90).
Verdachte heeft in hoger beroep in het algemeen en in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen, ruim voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden.
Het hof is van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijk proces niet is geschonden en wijst het verzoek om het onderzoek te schorsen af.”