Oplichting door aannemen van valse hoedanigheid van medewerker van vaste klant van bedrijf bij ophalen van goederen bij dat bedrijf (meermalen gepleegd), art. 326.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten zich voordoen als “medewerker” van vaste klant en aannemen van valse hoedanigheid.
HR: Om redenen vermeld in CAG faalt het middel. CAG: Middel klaagt terecht dat uit bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte zich heeft voorgedaan als “medewerker” van vaste klant, maar dat hoeft niet tot cassatie te leiden. Hof heeft uit b.m. kunnen afleiden dat verdachte zich heeft voorgedaan als persoon die namens klant gerechtigd was spullen op te halen. Daarmee wordt bewezenverklaring, ook met weglating van gedeelte waarin staat dat verdachte zich heeft voorgedaan als “medewerker”, voldoende gedekt.
Bij aannemen valse hoedanigheid gaat het erom dat handelen van verdachte ertoe kan leiden dat bij ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen m.b.t. persoon van verdachte, diens naam of hoedanigheid met doel daarvan misbruik te maken. Verdachte heeft door zich voor te doen als vertegenwoordiger van klant doelbewust associatie met betrouwbare klant opgeroepen. Dat kan worden aangemerkt als aannemen van valse hoedanigheid. Het aannemen van valse hoedanigheid staat of valt niet bij opgeven van valse naam.
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 januari 2023, nummer 22-003634-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben P. van Dongen en M. Rasterhoff, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewijsvoering van de bewezenverklaarde oplichting.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 tot en met 2.3 en 3.2 tot en met 3.6.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 95 uren beloopt, subsidiair 47 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: