2.1.1 Belanghebbende, een naar Duits recht opgericht Publikums-Sondervermögen, is een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid. Belanghebbende is opgericht bij een overeenkomst tussen drie partijen, namelijk de beheerder, de bewaarder en de deelnemers. De juridische eigendom van het in belanghebbende geïnvesteerde vermogen berust bij de bewaarder en de economische eigendom bij de deelnemers.
2.1.2 Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren (2006 tot en met 2014) dividend ontvangen op belangen van minder dan vijf procent in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen. Over dit dividend is – met inachtneming van artikel 13 van het belastingverdrag Nederland-Duitsland3 – door Nederland 15 procent dividendbelasting geheven.
2.1.3 Belanghebbende is in Duitsland subjectief vrijgesteld van een belasting naar de winst. De door belanghebbende behaalde beleggingswinsten werden in de onderhavige jaren niet aan zijn deelnemers uitgekeerd, maar deze winsten werden in die jaren in Duitsland wel bij de aldaar woonachtige deelnemers in de belastingheffing betrokken als waren zij door belanghebbende uitgekeerd. Bij niet in Duitsland woonachtige of gevestigde deelnemers waren zulke ‘fictieve’ – evenals daadwerkelijke – winstuitdelingen van belanghebbende niet in Duitsland belast, voor zover deze afkomstig waren uit (buitenlandse en dus ook) Nederlandse dividenden.
2.1.4 Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren verzocht om teruggaaf van de hiervoor in 2.1.2 bedoelde dividendbelasting. De Inspecteur heeft die verzoeken afgewezen. De Rechtbank heeft de daartegen gerichte beroepen ongegrond verklaard, met uitzondering van het beroep dat ziet op het jaar 2006. Bij separate uitspraak heeft de Rechtbank dat beroep gegrond verklaard in verband met een onjuiste toepassing van het belastingverdrag Nederland-Duitsland.
2.2.1 Voor het Hof was in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting op grond van het vrije verkeer van kapitaal als bedoeld in artikel 56 EG onderscheidenlijk artikel 63 VWEU, omdat belanghebbende in dit opzicht op dezelfde wijze moet worden behandeld als een entiteit met de status van fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: fbi, respectievelijk Wet Vpb).
2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, omdat belanghebbende niet objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde fbi. Het Hof is tot dit oordeel gekomen omdat de op belanghebbende toepasselijke Duitse regelgeving in de onderhavige jaren niet voorzag in enige belastingheffing van buiten Duitsland woonachtige of gevestigde deelnemers in het vermogen van belanghebbende, voor zover belanghebbende dividenden heeft ontvangen die uit Nederland afkomstig waren, en wel ongeacht of die dividenden door belanghebbende zijn (door)uitgedeeld. In het Duitse systeem was derhalve, anders dan in het Nederlandse fbi-regime, niet gewaarborgd dat alle door het beleggingsfonds behaalde winsten bij de deelnemers worden belast, aldus het Hof. Omdat volgens het Hof uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1674 (hierna: de beslissing van 23 oktober 2020), volgt dat een zodanige belasting van – al of niet daadwerkelijk uitgekeerde – winst bij de deelnemers van de fbi het hoofddoel is van het vereiste van de zogenoemde dooruitdelingseis, heeft het Hof belanghebbende niet afzonderlijk tegengeworpen dat belanghebbende niet dividenden aan zijn deelnemers heeft uitgekeerd.