Verkrachting van vrouw met wie verdachte een seksuele relatie heeft, art. 242 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht dwang en daarvoor vereist opzet van verdachte. 2. Kon hof voor bewijs gebruikmaken van (met telefoon van verdachte gemaakte) geluidsbestanden die hof buiten verband van tz. in raadkamer heeft beluisterd? 3. Eigen waarneming van rechter gedaan buiten verband van tz., art. 340 Sv. Kon hof de in bewijsmiddelen vermelde geluidsopnames aanmerken als zelfstandig b.m.?
Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Uit bewijsvoering volgt dat verdachte het slachtoffer in zo’n bedreigende situatie heeft gebracht (door de door hof bewezenverklaarde feitelijkheden) dat slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Hof heeft ook toereikend gemotiveerd waarom uit gedragingen van verdachte blijkt dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zodanige psychische druk op slachtoffer heeft uitgeoefend dat slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan zijn handelingen heeft kunnen onttrekken.
Ad 2. Hof heeft, naast geluidsbestanden, voor bewijs ook gebruik gemaakt van p-v van bevindingen dat transcriptie van die geluidsbestanden bevat. Gelet op inhoud van dat p-v moet worden geoordeeld dat bewezenverklaring ook met weglating van geluidsbestanden als b.m. toereikend is gemotiveerd.
Ad 3. Hof heeft miskend dat (met uitzondering van situatie waarin art. 567 Sv toepassing vindt) opname van beeld en/of geluid niet als wettig b.m. kan worden aangemerkt (vgl. art. 339.1 Sv). Zo’n opname kan wel meewerken tot bewijs via eigen waarneming van rechter a.b.i. art. 340 Sv. Die waarneming moet in beginsel plaatsvinden ttz. Onder omstandigheden mag eigen waarneming van rechter ook voor bewijs worden gebruikt als deze waarneming door rechter buiten verband van tz. is gedaan. Voorwaarden die daarvoor gelden zijn door HR uiteengezet in HR:2019:1414. O.g.v. art. 359.3 Sv moet bewezenverklaring steunen op inhoud van in uitspraak opgenomen b.m. “houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden”. Dit vereiste brengt met zich dat in het geval dat eigen waarneming van rechter voor bewijs wordt gebruikt, rechter in zijn uitspraak moet beschrijven wat betreffende waarneming inhoudt. Rechter kan niet (zoals hof heeft gedaan) volstaan met vermelding van vindplaats in dossier (vgl. HR:1927:167). In (zich i.c. niet voordoende) situatie dat overeenkomstig art. 575 Sv jo. art. 1.2 Besluit innovatie strafvordering art. 567 Sv toepassing vindt, kan opname van beeld en/of geluid wel zelfstandig als wettig b.m. voor bewijs worden gebruikt. Ook dan moet (zoals tevens in wetsgeschiedenis van art. 567 Sv naar voren komt) uitspraak een beschrijving van de door rechter gedane waarneming bevatten.
Volgt verwerping.
Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2024-0204 NJB 2024/1958 RvdW 2024/874 NJ 2025/22 met annotatie van J.M. Reijntjes
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 maart 2023, nummer 20-000997-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde wat betreft de dwang en het daarvoor vereiste opzet van de verdachte niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 16 tot en met 24.
3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs door het hof van twee geluidsbestanden die het hof buiten het verband van de terechtzitting heeft beluisterd.
3.2
De bewezenverklaring en de bewijsvoering zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4, 5 en 7. Het hof heeft hierbij onder meer als bewijsmiddelen aangemerkt:
“7. De inhoud van het geluidsbestand IMG_1465.MOV zoals deze zich in het dossier bevindt en door het hof in raadkamer is beluisterd.
8. De inhoud van het geluidsbestand IMG_1466.MOV] zoals deze zich in het dossier bevindt en door het hof in raadkamer is beluisterd.”
3.3
Het hof heeft, naast de als bewijsmiddelen 7 en 8 aangemerkte geluidsbestanden, voor het bewijs ook gebruik gemaakt van een proces-verbaal van bevindingen dat een transcriptie van die geluidsbestanden bevat. Deze transcriptie is opgenomen in bewijsmiddel 2, zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5. Gelet op de inhoud van dat proces-verbaal moet worden geoordeeld dat de bewezenverklaring ook met weglating van de bewijsmiddelen 7 en 8 toereikend is gemotiveerd. Het cassatiemiddel stuit daarop af.
3.4.1
De Hoge Raad overweegt ‑ ten overvloede ‑ dat het hof de in de bewijsmiddelen 7 en 8 vermelde geluidsopnames kennelijk als zelfstandig en wettig bewijsmiddel heeft aangemerkt. Het hof heeft daarmee miskend dat ‑ met uitzondering van de situatie waarin artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) toepassing vindt ‑ een opname van beeld en/of geluid niet als een wettig bewijsmiddel kan worden aangemerkt (vgl. artikel 339 lid 1 Sv). Zo’n opname kan wel meewerken tot het bewijs via de eigen waarneming van de rechter als bedoeld in artikel 340 Sv. Die waarneming moet in beginsel plaatsvinden op de terechtzitting. Onder omstandigheden mag een eigen waarneming van de rechter ook voor het bewijs worden gebruikt als deze waarneming door de rechter buiten het verband van de terechtzitting is gedaan. De voorwaarden die daarvoor gelden, zijn door de Hoge Raad uiteengezet in zijn arrest van 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1414. Op grond van artikel 359 lid 3 Sv moet de bewezenverklaring steunen op de inhoud van in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen “houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden”. Dit vereiste brengt met zich dat in het geval dat een eigen waarneming van de rechter voor het bewijs wordt gebruikt, de rechter in zijn uitspraak moet beschrijven wat de betreffende waarneming inhoudt. De rechter kan niet ‑ zoals het hof in deze zaak heeft gedaan ‑ volstaan met de vermelding van de vindplaats in het dossier (vgl. HR 9 mei 1927, ECLI:NL:HR:1927:167).
3.4.2
In de ‑ zich in deze zaak niet voordoende ‑ situatie dat overeenkomstig artikel 575 Sv in samenhang met artikel 1 lid 2 Besluit innovatie strafvordering artikel 567 Sv toepassing vindt, kan een opname van beeld en/of geluid wel zelfstandig als wettig bewijsmiddel voor het bewijs worden gebruikt. Ook dan moet ‑ zoals tevens in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 567 Sv naar voren komt (vgl. Kamerstukken II 2020/21, 35869, nr. 3, p. 65-66) ‑ de uitspraak een beschrijving van de door de rechter gedane waarneming bevatten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2024.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: