HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03272
Datum 31 maart 2023
1. KWANTUM NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Tilburg,
hierna: Kwantum Nederland,
2. KWANTUM BELGIË B.V.,
gevestigd te Tilburg,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijke incidentele
cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: Kwantum c.s.,
advocaat: S.M. Kingma,
VITRA COLLECTIONS A.G.,
gevestigd te Muttenz, Zwitserland,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Vitra,
advocaat: B.T.M. van der Wiel.
3 Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
3.1
Onderdeel 1 van het middel in het principale beroep klaagt over de wijze waarop het hof de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC heeft toegepast. In onderdeel 1 van het middel in het incidentele beroep stelt Vitra zich op het standpunt dat deze materiële-reciprociteitstoets niet van toepassing is. Daarin ligt de klacht besloten dat het hof deze toets ten onrechte heeft toegepast. Hoewel het incidentele beroep voorwaardelijk is ingesteld, ziet de Hoge Raad aanleiding het incidentele beroep eerst te behandelen, omdat dit de verste strekking heeft.
3.2
Art. 2 lid 1 BC bepaalt dat de term ‘werken van letterkunde en kunst’ alle voortbrengselen omvat op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij. Daartoe behoren werken van toegepaste kunst. Ingevolge art. 2 lid 6 BC genieten werken van letterkunde en kunst bescherming in alle landen van de Unie van Bern.
3.3
Art. 5 lid 1 BC bepaalt dat de auteurs voor de werken waarvoor zij krachtens de Berner Conventie zijn beschermd, in de landen van de Unie van Bern die niet het land van oorsprong van het werk zijn, de rechten genieten, welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen, alsmede de rechten door de Berner Conventie in het bijzonder verleend (gelijkstellingsbeginsel). Art. 5 lid 2 BC bepaalt dat het genot en de uitoefening van die rechten aan geen enkele formaliteit zijn onderworpen (formaliteitenverbod) en dat het genot en die uitoefening onafhankelijk zijn van het bestaan van de bescherming in het land van oorsprong van het werk (onafhankelijkheidsbeginsel).
3.4
Art. 2 lid 7 BC bevat een bijzondere regeling voor werken van toegepaste kunst en voor tekeningen en modellen van nijverheid en bepaalt het volgende. Het is onverminderd de bepalingen van art. 7 lid 4 BC aan de wetgeving van de landen van de Unie van Bern voorbehouden om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid alsmede betreffende de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen. Voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, kan in een ander land van de Unie van Bern slechts de bijzondere bescherming worden ingeroepen die in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend (materiële-reciprociteitstoets); indien echter in dat land geen zodanige bijzondere bescherming wordt toegekend, worden deze werken beschermd als werken van kunst.
3.5
De bijzondere regeling van art. 2 lid 7 BC behelst dus voor werken van toegepaste kunst en voor tekeningen en modellen van nijverheid een uitzondering op de uitgangspunten die aan art. 5 BC ten grondslag liggen. Volgens de tekst van art. 2 lid 7 BC mogen Berner Unielanden zelf de vorm en inhoud van de bescherming van werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid bepalen (art. 2 lid 7, eerste volzin, BC, behoudens de in art. 7 lid 4 BC voorgeschreven minimumduur). De materiële-reciprociteitstoets houdt in dat Berner Unielanden werken die in het land van oorsprong slechts als tekeningen en modellen zijn beschermd, mogen discrimineren ten opzichte van werken van eigen bodem, door die buitenlandse werken slechts tekeningen- en modellenrechtelijke bescherming toe te kennen (art. 2 lid 7, tweede volzin, BC). Als minimumvoorwaarde geldt dat er een beschermingsregime voor de werken moet openstaan (art. 2 lid 7, slotzinsnede, BC).
Materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC
3.6
In dit geding staan de toepasselijkheid en de reikwijdte van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC centraal. Deze bepaling laat toe dat voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, in een ander land van de Unie van Bern slechts de bijzondere bescherming kan worden ingeroepen die in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend.
3.7
Het hof heeft in het bestreden arrest (rov. 106) overwogen dat de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC zich richt op de behandeling van het concrete, litigieuze voorwerp in het land van oorsprong. Het hof is vervolgens ingegaan op de vraag of de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC alleen eist dat het litigieuze voorwerp in het land van oorsprong wordt gekwalificeerd als een werk van toegepaste kunst dat in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming, of ook eist dat het litigieuze voorwerp in het land van oorsprong feitelijk auteursrechtelijke bescherming geniet. Het hof heeft geoordeeld (rov. 111-116) dat de materiële-reciprociteitstoets alleen betrekking heeft op de kwalificatie van het voorwerp. Vereist en tevens voldoende is volgens het hof dat het concrete voorwerp in het land van oorsprong wordt aangemerkt als werk van toegepaste kunst dat in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming. Het voorwerp behoeft dus niet feitelijk auteursrechtelijke bescherming te genieten in het land van oorsprong. Het oordeel van het hof komt erop neer dat een voorwerp dat in het land van oorsprong als werk van toegepaste kunst wordt aangemerkt, maar daar niet meer auteursrechtelijk wordt beschermd doordat bijvoorbeeld de beschermingsduur is verstreken, wel auteursrechtelijk wordt beschermd in het land waarvoor de bescherming wordt ingeroepen als in dat land de beschermingsduur niet is verstreken.
3.8
Vitra klaagt in onderdeel 1 van het middel in het incidentele beroep dat de materiële-reciprociteitstoets in deze zaak niet van toepassing is. De rechtsgrond die Vitra aanvoert ter onderbouwing van deze klacht kan niet ertoe leiden dat de materiële-reciprociteitstoets niet van toepassing is. De Hoge Raad verwijst in dit verband naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.8-5.12. De Hoge Raad ziet evenwel aanleiding om de stelling dat de materiële-reciprociteitstoets in deze zaak niet van toepassing is, te onderzoeken op een andere rechtsgrond dan in het middel is aangevoerd.
3.9
Het auteursrecht en de naburige rechten vallen binnen het toepassingsgebied van het VWEU.4 Art. 18 VWEU bepaalt dat binnen de werkingssfeer van het VWEU en het VEU en onverminderd bijzondere bepalingen, daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden is.5 Deze bepaling verplicht elke lidstaat van de EU een volledige gelijkheid van behandeling te verzekeren tussen eigen onderdanen en onderdanen van andere lidstaten van de EU die zich in een onder het recht van de EU vallende situatie bevinden.6 Uit art. 18 VWEU volgt dat de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC in een EU-lidstaat niet mag worden toegepast op een werk van toegepaste kunst dat als land van oorsprong een andere lidstaat van de EU heeft of waarvan de auteur een onderdaan is van een andere lidstaat van de EU.
3.10
Art. 18 VWEU is niet van toepassing als sprake is van een werk van toegepaste kunst dat als land van oorsprong een land van de Unie van Bern heeft dat geen lidstaat van de EU is (hierna: een derde land) en waarvan de auteur geen onderdaan van een lidstaat van de EU is. Hieruit volgt dat art. 18 VWEU niet in de weg staat aan toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC op een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is en waarvan de auteur geen onderdaan is van een lidstaat van de EU. Dit blijkt voor de materiële-reciprociteitstoetsen van art. 7 lid 8 BC (beschermingsduur) en art. 14ter BC (volgrecht) ook uit art. 7 Richtlijn 2006/116/EG7 respectievelijk art. 7 Richtlijn 2001/84/EG8. Daarin is voorgeschreven dat deze materiële-reciprociteitstoetsen moeten worden toegepast tegen (derdelands werken van) onderdanen van een derde land.
3.11
De EU is geen partij bij de Berner Conventie en voor de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC ontbreekt Europese regulering. Daaruit wordt wel afgeleid dat lidstaten van de EU zelf mogen bepalen of zij de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC al dan niet buiten toepassing laten ten aanzien van een werk waarvan het land van oorsprong een derde land is of waarvan de auteur een onderdaan van een derde land is. Uit het RAAP-arrest9 van het HvJEU zou echter kunnen worden afgeleid dat de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC binnen de EU ook niet mag worden toegepast ten aanzien van een werk of auteur uit een derde land, hoewel de Berner Conventie (anders dan het in het RAAP-arrest aan de orde zijnde WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen 199610 (hierna: WPPT)) geen deel uitmaakt van het recht van de EU. Wel heeft de EU zich in verdragen (TRIPS11 en WIPO-Auteursrechtverdrag (WCT)12) ertoe verbonden zich te voegen naar art. 1-21 BC. Het voorgaande wordt hierna toegelicht.
3.12
Aan het RAAP-arrest ligt het volgende ten grondslag. Art. 15 lid 1 WPPT kent uitvoerende kunstenaars het recht toe op één enkele billijke vergoeding voor een bepaald gebruik van fonogrammen. Deze enkele billijke vergoeding is een naburig recht. Art. 15 lid 3 WPPT maakt het mogelijk de toepassing van art. 15 lid 1 WPPT te beperken of uit te sluiten. Art. 4 lid 1 WPPT bepaalt dat iedere verdragsluitende partij onderdanen van andere verdragsluitende partijen moet behandelen als eigen onderdanen onder meer met betrekking tot de enkele billijke vergoeding. Art. 4 lid 2 WPPT bevat een materiële-reciprociteitstoets en bepaalt dat die verplichting tot gelijke behandeling niet van toepassing is voor zover een andere verdragsluitende partij gebruikmaakt van de voorbehouden die ingevolge art. 15 lid 3 WPPT zijn toegestaan. De EU en haar lidstaten zijn partij bij het WPPT. De enkele billijke vergoeding is in de EU gereguleerd in art. 8 lid 2 Richtlijn 2006/115/EG13.
In het RAAP-arrest is de toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 4 lid 2 WPPT jegens Amerikaanse uitvoerende kunstenaars aan de orde. Voor het onderhavige geding is van belang het antwoord van het HvJEU op de derde prejudiciële vraag. Deze vraag houdt in of art. 15 lid 3 WPPT en art. 8 lid 2 Richtlijn 2006/115/EG aldus moeten worden uitgelegd dat voorbehouden waarvan door derde staten krachtens art. 15 lid 3 WPPT kennis is gegeven en die tot gevolg hebben dat het in art. 15 lid 1 WPPT neergelegde recht op één enkele billijke vergoeding op hun grondgebied wordt beperkt, in de EU ertoe leiden dat elke lidstaat van de EU aan het in art. 8 lid 2 Richtlijn 2006/115/EG neergelegde recht ten aanzien van onderdanen van die derde staten beperkingen kan stellen. (punt 76)
Het HvJEU overweegt kort gezegd als volgt. De EU en haar lidstaten zijn niet gehouden om het in art. 15 lid 1 WPPT vastgestelde recht op één enkele billijke vergoeding onbeperkt toe te kennen aan de onderdanen van een derde staat die door middel van een voorbehoud de toekenning van een dergelijk recht op zijn grondgebied uitsluit of beperkt. Zij zijn evenmin gehouden om het recht op één enkele billijke vergoeding onbeperkt toe te kennen aan de onderdanen van een derde staat die geen partij is bij het WPPT. (punt 80-81) De noodzaak om een gelijk speelveld te bewaren voor deelname aan de handel in opgenomen muziek vormt een doelstelling van algemeen belang die een beperking van het in art. 8 lid 2 Richtlijn 2006/115/EG neergelegde naburige recht kan rechtvaardigen ten aanzien van de onderdanen van een derde staat die dit recht niet of slechts gedeeltelijk toekent. (punt 84) Het recht op één enkele billijke vergoeding is binnen de EU evenwel een naburig recht. Dit recht vormt bijgevolg een integrerend bestanddeel van het door art. 17 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) verankerde recht op de bescherming van intellectuele eigendom. (punt 85) Derhalve is krachtens art. 52 lid 1 Handvest vereist dat elke beperking op de uitoefening van dat naburige recht bij wet wordt gesteld, wat inhoudt dat de rechtsgrond die de inmenging in dat recht toestaat zelf op duidelijke en nauwkeurige wijze moet bepalen in hoeverre de uitoefening van dat recht wordt beperkt. (punt 86) Het voorbehoud waarvan naar behoren kennis is gegeven in overeenstemming met art. 15 lid 3 WPPT voldoet niet aan dat vereiste. Daartoe is een duidelijke regel van het recht van de EU zelf vereist. (punt 87). Aangezien art. 8 lid 2 Richtlijn 2006/115/EG een geharmoniseerde regel is, staat het uitsluitend aan de wetgever van de EU en niet aan de nationale wetgevers om te bepalen of de toekenning van dit naburige recht in de EU moet worden beperkt ten aanzien van onderdanen van derde staten en, zo ja, om deze beperking op duidelijke en nauwkeurige wijze vast te leggen. (punt 88)
Het HvJEU heeft de derde vraag als volgt beantwoord:
“Artikel 15, lid 3, van het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 moeten bij de huidige stand van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat voorbehouden waarvan door derde staten krachtens artikel 15, lid 3, van dat verdrag kennis is gegeven en die tot gevolg hebben dat het in artikel 15, lid 1, van het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen neergelegde recht op één enkele billijke vergoeding op hun grondgebied wordt beperkt, er in de Europese Unie niet toe leiden dat het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 neergelegde recht ten aanzien van de onderdanen van die derde staten wordt beperkt. Dergelijke beperkingen kunnen evenwel door de Uniewetgever worden ingevoerd mits zij voldoen aan de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 verzet zich er dus tegen dat een lidstaat het recht op één enkele billijke vergoeding beperkt ten aanzien van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van die derde staten.”
Betekenis van het RAAP-arrest voor de toepassing van art. 2 lid 7 BC in de EU
3.13
Art. 2, aanhef en onder a, van Richtlijn 2001/29/EG14 bepaalt dat de lidstaten ten behoeve van auteurs met betrekking tot hun werken voorzien in het uitsluitende recht de reproductie van dit materiaal toe te staan of te verbieden. Uit het Infopaq-arrest volgt dat het begrip ‘werk’ een geharmoniseerd Unierechtelijk begrip is.15 Het HvJEU overwoog in dat arrest dat de verschillende delen van een werk worden beschermd op grond van art. 2, onder a, Richtlijn 2001/29/EG op voorwaarde dat zij bepaalde van de bestanddelen bevatten die de uitdrukking vormen van de eigen intellectuele schepping van de auteur van dit werk. Als aan deze voorwaarde is voldaan, komt aan een werk auteursrechtelijke bescherming toe.
3.14
Uit het Cofemel-arrest volgt – naar het oordeel van de Hoge Raad zonder redelijke twijfel – dat ook auteursrechtelijke bescherming toekomt aan een werk van toegepaste kunst dat voldoet aan het werkbegrip van art. 2 Richtlijn 2001/29/EG.16 Het HvJEU overwoog in dat arrest dat voorwerpen als werken in de zin van Richtlijn 2001/29/EG moeten worden aangemerkt als zij voldoen aan het werkbegrip en dat zij in die hoedanigheid auteursrechtelijke bescherming moeten genieten overeenkomstig Richtlijn 2001/29/EG (zie punt 35 en 48).
3.15
Uit het voorgaande volgt dat ook het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst een integrerend bestanddeel vormt van het door art. 17 lid 2 Handvest verankerde recht op de bescherming van intellectuele eigendom. Daarvan uitgaand roept het RAAP-arrest de vraag op of het EU-recht, in het bijzonder art. 52 lid 1 Handvest, ook voor de beperking van de uitoefening van het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst door de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC, vereist dat deze beperking bij wet wordt gesteld, wat dan inhoudt dat de rechtsgrond die de inmenging in dat recht toestaat zelf op duidelijke en nauwkeurige wijze moet bepalen in hoeverre de uitoefening van dat recht wordt beperkt.17 Bovendien kan uit het RAAP-arrest worden afgeleid dat het uitsluitend aan de EU-wetgever is (en niet aan de nationale wetgevers) om te bepalen of het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst in de EU door toepassing van art. 2 lid 7 BC kan worden beperkt ten aanzien van een werk van toegepaste kunst dat afkomstig is uit een derde land waarvan de auteur geen onderdaan van een lidstaat van de EU is en, zo ja, om deze beperking op duidelijke en nauwkeurige wijze vast te leggen.18 De EU-wetgever heeft, bij de huidige stand van het EU-recht, niet voorzien in een dergelijke beperking van de uitoefening van het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst. Het gevolg daarvan zou kunnen zijn dat EU-lidstaten, zolang daarin niet is voorzien, ten aanzien van werken van toegepaste kunst uit derde landen waarvan de auteur geen onderdaan is van een lidstaat van de EU, geen toepassing mogen geven aan de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC.
De toepassing van art. 351 lid 1 VWEU
3.16
Bij de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in 1957 hebben de lidstaten geen afbreuk willen doen aan hun eerder aangegane internationale verplichtingen. Art. 351 lid 1 VWEU luidt daarom:
“De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór 1 januari 1958 (…) gesloten tussen één of meer lidstaten enerzijds en één of meer derde staten anderzijds, worden door de bepalingen van de Verdragen niet aangetast.”
3.17
Kwantum c.s. hebben naar voren gebracht dat de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC onder de reikwijdte van art. 351 lid 1 VWEU valt. In dat geval staat het Unierecht, wat er verder zij van het RAAP-arrest, niet aan de toepasselijkheid van art. 2 lid 7 BC in de weg.
3.18
Voorwaarde voor toepassing van art. 351 VWEU is dat de verdragsrechtelijke verplichting vóór 1 januari 1958 is aangegaan. De materiële-reciprociteitstoets van (de voorloper van) art. 2 lid 7 BC is op 26 juni 1948 (met de Brusselse herziening van de Berner Conventie) tot stand gekomen, en dus vóór 1 januari 1958.19 Nederland is op 16 november 1972 toegetreden tot de Brusselse herziening van de Berner Conventie, die voor Nederland op 7 januari 1973 in werking is getreden.20 Dit is na 1 januari 1958. Hieruit volgt dat art. 351 VWEU niet van toepassing is als het gaat om de materiële-reciprociteitstoets toegepast door Nederland. Het beroep van Kwantum c.s. op art. 351 VWEU gaat in zoverre niet op.
3.19
De vorderingen van Vitra strekken zich ook uit tot België. Voor België is de Brusselse herziening van de Berner Conventie wel vóór 1 januari 1958 in werking getreden. De Belgische ratificatie vond plaats op 15 juli 1951, met als datum van inwerkingtreding 1 augustus 1951. Dit kan betekenen dat het beroep van Kwantum c.s. op art. 351 lid 1 VWEU wel opgaat voor zover Vitra’s vorderingen zien op auteursrechtelijke bescherming in België.
3.20
De vraag is dan nog of het voor de auteursrechtelijke bescherming in België en de toepassing van art. 351 VWEU uitmaakt dat het land van oorsprong in deze zaak, de Verenigde Staten van Amerika, op 1 maart 1989 is toegetreden tot de Berner Conventie (Parijse versie), en de verplichtingen uit de Berner Conventie tegenover die specifieke verdragsstaat dus na 1 januari 1958 zijn ontstaan.
3.21
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.11 en 3.13-3.20 is overwogen, is redelijke twijfel mogelijk over het antwoord op de vragen of de situatie die in dit geding aan de orde is, valt binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht en of zonder daartoe strekkende EU-regeling, in Nederland of in België de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC mag worden toegepast ten aanzien van een werk van toegepaste kunst uit een derde land zoals de Verenigde Staten van Amerika waarvan de auteur geen onderdaan is van een lidstaat van de EU. De Hoge Raad zal hierover prejudiciële vragen aan het HvJEU voorleggen.
Behandeling van de overige klachten
3.22
In het tussenarrest van 23 september 2022 is bij wijze van eindbeslissing geoordeeld dat de klachten vervat in de onderdelen 4 en 5 van het principale beroep gericht tegen het oordeel van het hof over slaafse nabootsing (rov. 175-221), niet tot cassatie kunnen leiden.
3.23
De behandeling van de overige klachten van de middelen in het principale en in het incidentele beroep zal worden aangehouden.
4. Omschrijving van de feiten en uitgangspunten waarop de door het HvJEU te geven uitleg moet worden toegepast
De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor in 2.3 tot 2.7 vermelde feiten en uitgangspunten, waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan.
5 Vragen van uitleg
1. Valt de situatie die in dit geding aan de orde is, binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht?
Voor zover de hiervoor vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord, worden bovendien de hiernavolgende vragen voorgelegd.
2. Brengt de omstandigheid dat het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst een integrerend bestanddeel vormt van het door art. 17 lid 2 Handvest verankerde recht op bescherming van intellectuele eigendom, mee dat het EU-recht, in het bijzonder art. 52 lid 1 Handvest, voor de beperking van de uitoefening van het auteursrecht (in de zin van Richtlijn 2001/29/EG) op een werk van toegepaste kunst door toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC, vereist dat deze beperking bij wet wordt gesteld?
3. Moeten de art. 2, 3 en 4 van Richtlijn 2001/29/EG en de art. 17 lid 2 en 52 lid 1 Handvest, gelezen tegen de achtergrond van art. 2 lid 7 BC, aldus worden uitgelegd dat het uitsluitend aan de EU-wetgever (en niet aan nationale wetgevers) is om te bepalen of de uitoefening van het auteursrecht (in de zin van Richtlijn 2001/29/EG) in de EU door toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC kan worden beperkt ten aanzien van een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en waarvan de auteur geen onderdaan van een lidstaat van de EU is en, zo ja, om deze beperking op duidelijke en nauwkeurige wijze vast te leggen (vgl. HvJEU 8 september 2020, zaak C-265/19, ECLI:EU:C:2020:677)?
4. Moeten de art. 2, 3 en 4 Richtlijn 2001/29/EG, gelezen in samenhang met de art. 17 lid 2 en 52 lid 1 Handvest, aldus worden uitgelegd dat zolang de EU-wetgever niet heeft voorzien in een beperking van de uitoefening van het auteursrecht (in de zin van Richtlijn 2001/29/EG) op een werk van toegepaste kunst door toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC, de EU-lidstaten deze toets niet mogen toepassen ten aanzien van een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en waarvan de auteur geen onderdaan van een lidstaat van de EU is?
5. Is in de omstandigheden als in dit geding aan de orde en gezien het totstandkomingstijdstip van (de voorloper van) art. 2 lid 7 BC, voor België voldaan aan de voorwaarden van art. 351 lid 1 VWEU, zodat het België om die reden vrijstaat om de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC toe te passen, rekening houdend met het feit dat in deze zaak het land van oorsprong op 1 mei 1989 tot de Berner Conventie is toegetreden?