Uitspraak vierde kamer. Vordering Procureur-Generaal bij de Hoge Raad als bedoeld in art. 46o Wrra, op verzoek van functionele autoriteit, tot ontslag rechter-plaatsvervanger op grond van art. 46m, aanhef en onder d, Wrra (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1995 en ECLI:NL:HR:2021:1996).
op een vordering, als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 23 december 2022, tot ontslag als rechterlijk ambtenaar van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1966, wonende te [plaats],
hierna: de betrokkene.
1 De vordering van de Procureur-Generaal
1.1
De Procureur-Generaal heeft op 23 december 2022 schriftelijk gevorderd dat de Hoge Raad de betrokkene op de voet van artikel 46m, aanhef en onder d, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra) zal ontslaan met ingang van 1 maart 2023.
1.2
Bij de vordering heeft de Procureur-Generaal de volgende stukken overgelegd: a. de brief van 25 juli 2019 van de president van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna ook: de Rechtbank) aan de Procureur-Generaal, houdende een verzoek tot het instellen van een vordering tot ontslag van de betrokkene, met bijlagen waarvan de inhoud is samengevat in de vordering van de Procureur-Generaal onder 3; b. de brief van 21 oktober 2020 van het kabinet van de Procureur-Generaal aan de P&O-adviseur van de Rechtbank, waarin de president van de Rechtbank wordt gevraagd het onder a vermelde verzoek tot het instellen van een vordering tot ontslag te verduidelijken; c. de brief van 16 november 2020 van de president van de Rechtbank aan de Procureur-Generaal, waarin die president stelt dat het onder a vermelde verzoek moet worden opgevat als een verzoek tot ontslag op de voet van artikel 46m, onder d, Wrra; d. de brief van 9 december 2020 van de Procureur-Generaal aan de betrokkene, waarin de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld haar zienswijze naar voren te brengen voordat de Procureur-Generaal overgaat tot het instellen van een vordering bij de Hoge Raad; e. de brief van 15 april 2021 van de Procureur-Generaal aan de betrokkene, waarin hij verwijst naar zijn brief van 9 december 2020 en de betrokkene nog eenmaal de gelegenheid biedt een afspraak te maken om haar zienswijze naar voren te brengen.
2 De raadkamer
2.1
Op 6 februari 2023 heeft de Hoge Raad in raadkamer het onderzoek als bedoeld in artikel 46p, lid 1, Wrra ingesteld. De betrokkene en de president van de Rechtbank zijn bij brief van 16 januari 2023 in kennis gesteld van de datum en het tijdstip van het onderzoek in raadkamer en uitgenodigd bij dit onderzoek aanwezig te zijn. De betrokkene is op 30 januari 2023 nogmaals over het onderzoek in raadkamer bericht. De bestuurssecretaris van de Rechtbank heeft de griffier van de Hoge Raad telefonisch meegedeeld dat de president van de Rechtbank het onderzoek in raadkamer niet zal bijwonen. Van de betrokkene is geen reactie ontvangen.
2.2
De Procureur-Generaal heeft zijn vordering in raadkamer toegelicht.
2.3
Van het onderzoek in raadkamer is proces-verbaal opgemaakt.
3 De feiten waarvan de Hoge Raad uitgaat
Bij de beoordeling gaat de Hoge Raad uit van het volgende, zoals daarvan blijkt uit de hiervoor in 1.2 vermelde stukken:
(i) De betrokkene is per 1 oktober 2015 begonnen met de opleiding tot rechter bij de Rechtbank. Zij is bij Koninklijk Besluit van 30 november 2015 benoemd tot rechter-plaatsvervanger.
(ii) De betrokkene is sinds januari 2018 niet meer ingezet als rechter-plaatsvervanger. Haar opleiding is in die maand bij besluit van 23 januari 2018 van het gerechtsbestuur beëindigd. Aan dit besluit lag ten grondslag dat het judicium van de eindbeoordeling onvoldoende was en dat de betrokkene niet zou worden voorgedragen voor benoeming tot rechter.
Aan de benoeming van de betrokkene tot rechter in opleiding kwam met ingang van 23 april 2018 een einde.
(iii) De betrokkene heeft bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2018 aangetekend bij het gerechtsbestuur. Dit bezwaar is ongegrond verklaard op 11 juni 2018. Hierop is de betrokkene in beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft het beroep van de betrokkene op 21 maart 2019 ongegrond verklaard.
(iv) De P&O-adviseur van de Rechtbank heeft de betrokkene op 2 april 2019 gevraagd een ontslagrekest te tekenen. Hieraan heeft de betrokkene geen gevolg gegeven. De president van de Rechtbank heeft de betrokkene op 13 mei 2019 bericht voornemens te zijn de betrokkene voor te dragen voor ontslag bij de Hoge Raad. Hierbij stelde hij de betrokkene nog eenmaal in de gelegenheid een ontslagrekest te tekenen en retourneren. De betrokkene heeft hierop niet gereageerd.
4 De vordering op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra
4.1
Op vordering van de Procureur-Generaal oordeelt de Hoge Raad over het verzoek van de functionele autoriteit om de betrokkene als rechter-plaatsvervanger te ontslaan op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra. Een zodanig ontslagverzoek dient niet alleen in te houden dat en waarom de plaatsvervanger gedurende een termijn van twee jaar niet is opgeroepen, aangesteld of aangewezen, maar dient ook een nadere motivering te bevatten waarin wordt uiteengezet waarom een voldoende zwaarwegende reden aanwezig is, gelegen in verklaringen of gedragingen van de rechter-plaatsvervanger of andere omstandigheden die hem betreffen, die de indiening en toewijzing van het ontslagverzoek rechtvaardigt.1
4.2
Uit het ontslagverzoek van 25 juli 2019 blijkt dat de betrokkene sinds januari 2018 niet meer is opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 5f, lid 2, Wrra en in die periode ook niet is aangesteld of tijdelijk aangewezen als bedoeld in artikel 5f, lid 1 of lid 3, Wrra. Daarmee is voldaan aan de in artikel 46m, onder d, Wrra genoemde voorwaarde dat de betrokkene gedurende een termijn van twee jaren niet is ingezet.
De in het ontslagverzoek genoemde reden om de betrokkene niet langer als rechter-plaatsvervanger in te zetten, is erin gelegen dat de opleiding tot rechter na een negatieve beoordeling is beëindigd.
4.3
De betrokkene is tot rechter-plaatsvervanger benoemd teneinde haar in staat te stellen de opleiding tot rechter te volgen, met het oog op benoeming tot rechter na succesvolle afronding van de opleiding. Deze grond voor de benoeming tot rechter-plaatsvervanger is weggevallen na de negatieve beoordeling en het beëindigen van de opleiding. Niet is gebleken van een andere beweegreden om de betrokkene niet langer als rechter-plaatsvervanger in te zetten. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de Hoge Raad sprake van een voldoende zwaarwegende reden als hiervoor in 4.1 bedoeld.
4.4
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat aan de voorwaarden voor ontslag op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra is voldaan en dat de betrokkene dient te worden ontslagen als rechterlijk ambtenaar.
5 Beslissing
De Hoge Raad ontslaat de betrokkene met ingang van 1 maart 2023 uit het ambt van rechter-plaatsvervanger.
Deze beslissing is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter, de vice-president M.J. Kroeze, en de raadsheren J. Wortel, A.L.J. van Strien en G.C. Makkink, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A. Woller-van Welie, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2023.
1 HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1995 en ECLI:NL:HR:2021:1996, rov. 4.1 t/m 4.4.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: