2.1
Deze prejudiciële procedure gaat over een overeenkomst tot kinderopvang. De prejudiciële vragen stellen aan de orde onder welke voorwaarden een dergelijke overeenkomst kan worden opgezegd of geannuleerd en of een opzeggings- of annuleringsvergoeding mag worden overeengekomen. Ook is aan de orde of een beding in algemene voorwaarden dat ten nadele van de consument afwijkt van art. 7:408 BW en art. 7:411 BW oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: Richtlijn 93/13)1 en, zo ja, wat de gevolgen zijn van het buiten toepassing laten van zo’n beding.
2.2
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:
(i) Op 1 februari 2020 hebben [eiseres] en de ouder een overeenkomst gesloten inzake de opvang van het kind van de ouder. Deze overeenkomst hield in dat [eiseres] een aantal dagdelen per week het kind van de ouder zou opvangen. De ouder zou hiervoor per maand een bedrag van € 1.305,72 betalen. De overeenkomst is aangegaan in een filiaal van [eiseres] en dus niet op afstand of buiten de verkoopruimte als bedoeld in art. 6:230o BW. De kinderopvang zou aanvangen op 12 februari 2020. In de overeenkomst is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“Opzegtermijn: 1 maand per de 1e van de maand
(...)
Ouder geeft bij ondertekening van dit contract eveneens aan de algemene voorwaarden en betalingsregels van [eiseres] te hebben ontvangen en hiermee akkoord te gaan. (...)”
(ii) In de algemene voorwaarden is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“ARTIKEL 1 - Definities
In deze Algemene voorwaarden wordt verstaan onder:
Aanvangsdatum:
De overeengekomen datum waarop de Kinderopvang aanvangt.
(...)
Ingangsdatum:
De datum waarop de overeenkomst is aangegaan.
(…)
ARTIKEL 7 - Annulering
1. De Ouder heeft het recht de Overeenkomst te annuleren vanaf de Ingangsdatum tot de Aanvangsdatum.
2. De Ouder is voor annulering kosten verschuldigd.
3. De hoogte van de annuleringskosten bedraagt nooit meer dan de verschuldigde
betaling over de voor de Ouder geldende opzegtermijn als bedoeld in artikel 10 lid 4
sub a.
(…)
ARTIKEL 10 - Einde van de overeenkomst
(...)
4. Opzegging vindt plaats (...)
a. met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, in geval van opzegging door de Ouder;
(...)”
(iii) De ouder heeft de overeenkomst geannuleerd voordat de kinderopvang een aanvang had genomen.
2.3.1
In deze zaak beroept [eiseres] zich onder meer op haar algemene voorwaarden en vordert zij op grond daarvan betaling van een bedrag gelijk aan de overeengekomen vergoeding voor de kinderopvang over de periode van 12 februari 2020 tot en met maart 2020 (€ 1.974,11).
2.3.2
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 11 september 20202, samengevat, geoordeeld als volgt. De ouder is de overeenkomst aangegaan als consument en de bedingen waarop partijen zich beroepen zijn opgenomen in algemene voorwaarden. De rechter moet op grond van Richtlijn 93/13 ambtshalve onderzoeken of de bedingen oneerlijk zijn. (rov. 4.3) Bij de beoordeling van de vraag of een beding oneerlijk is, moet de rechter onder meer betrekken welke rechten partijen zouden hebben in het geval het beding niet was overeengekomen. Van belang is dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht. De opdrachtgever die een natuurlijk persoon is en niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf kan de overeenkomst ingevolge art. 7:408 leden 1 en 3 BW te allen tijde opzeggen zonder aan de opdrachtnemer een schadevergoeding verschuldigd te zijn. De kantonrechter heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld zich erover uit te laten of het beding in haar algemene voorwaarden in strijd is met art. 7:408 leden 1 en 3 BW. (rov. 4.4)
2.3.3
Bij een volgend tussenvonnis heeft de kantonrechter geconstateerd dat bij de uitlating als hiervoor in 2.3.2 bedoeld principiële vragen zijn opgekomen, en een aantal voorgenomen prejudiciële vragen geformuleerd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.3
2.4
De kantonrechter heeft vervolgens op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld4:
1. Is een overeenkomst met betrekking tot kinderopvang zoals in deze zaak aan de orde een overeenkomst van opdracht zoals bedoeld in artikel 7:400 BW?
2. In hoeverre staan de artikelen 7:408 BW en 7:413 BW eraan in de weg dat een opdrachtnemer met een consument-opdrachtgever een opzegtermijn overeenkomt?
3. In hoeverre staan de artikelen 7:408 BW, 7:411 BW en 7:413 BW er bij duurovereenkomsten aan in de weg dat partijen een vergoeding overeenkomen voor het geval de overeenkomst door een consument-opdrachtgever wordt opgezegd, en in het bijzonder voor het geval waarin de opdrachtgever de overeenkomst opzegt voordat de uitvoering van de overeenkomst is aangevangen?
4. Moet de rechter een bepaling uit algemene voorwaarden die ten nadele van de consument afwijkt van een dwingende bepaling van Nederlands recht die strekt ter bescherming van consumenten, ambtshalve buiten toepassing laten omdat een dergelijke bepaling altijd (of in beginsel) oneerlijk is als bedoeld in Richtlijn 93/13/EEG?
5. Mag de rechter nadat hij een tussen partijen overeengekomen beding als oneerlijk heeft aangemerkt en het beding op die grond buiten toepassing heeft gelaten, semi-dwingend recht toepassen, en in het bijzonder artikel 7:411 BW?