Het hof heeft onder meer het volgende overwogen:
“De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep - kort samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat op grond van artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht een verjaringstermijn geldt van twaalf jaar. Nu het hoger beroep dient op 13 oktober 2020, zijn alle feiten gepleegd voor 12 oktober 2008 verjaard. De rechtbank heeft terecht aangenomen dat er sprake is van een voortdurend delict, maar is voorbij gegaan aan het feit dat per kind gekeken moet worden wanneer het nalaten gestopt is. [slachtoffer 1] blijkt voor 2008 het huis uit te zijn gegaan, namelijk in 2005, waardoor de hulpeloze toestand voor [slachtoffer 1] op dat moment is gestopt. Het feit voor hem is dan ook verjaard en ten aanzien van dit feit dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het openbaar ministerie is wel ontvankelijk in haar vervolging ten aanzien van de andere negen kinderen die op de tenlastelegging staan vermeld.
(...)
Oordeel hof
(...)
Aan verdachte is overtreding van artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) tenlastegelegd. De maximaal op te leggen straf bij overtreding van dit artikel is een gevangenisstraf van twee jaren.
Als ouder met gezag was verdachte op grond van artikel 1:247, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht tot het onderhouden en verzorgen van haar minderjarige kinderen. Deze doorlopende verplichting wordt, gelet op het bepaalde in artikel 255 Sr, voortdurend overtreden zolang kinderen in een hulpeloze toestand worden (aanvulling hof: gebracht en gelaten). Aan verdachte wordt niet een reeks van overtredingen van artikel 255 Sr ten aanzien van te onderscheiden kinderen naar aanleiding van verschillende mishandelingen/incidenten tenlastegelegd, maar een doorlopende overtreding daarvan gedurende een langere periode. De echtgenoot van verdachte is immers bij vonnis van 17 mei 2018, welk vonnis als bewijsmiddel in het dossier is gevoegd en op welk vonnis de onderhavige verdenking is gebaseerd, veroordeeld wegens het stelselmatig mishandelen van de kinderen gedurende deze gehele periode. De rechtbank is daarom met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van een in nalaten bestaand voortdurend delict waarvan kan worden aangenomen dat het pas is voltooid op het moment dat de dader niet langer in gebreke is. Daardoor is de verjaringstermijn in deze zaak pas gaan lopen op de dag dat verdachte is aangehouden, te weten op 27 september 2016. De officier van justitie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook ontvankelijk voor wat betreft de gehele tenlastegelegde periode.
Aanvullend hierop merkt het hof op dat het hof de echtgenoot van verdachte, net zoals de rechtbank, bij arrest van 27 oktober 2020 heeft veroordeeld wegens het stelselmatig mishandelen van de kinderen gedurende deze gehele periode.
Verder oordeelt het hof, als reactie op hetgeen de advocaat-generaal in hoger beroep heeft aangevoerd, dat op grond van artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht in dit geval een verjaringstermijn geldt van twaalf jaar, te rekenen vanaf de eerste daad van vervolging, welke in onderhavig geval plaatsvond op 27 september 2016. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat hierbij niet gekeken hoeft te worden naar het moment waarop de hulpeloze toestand per kind is gestopt en dat de datum van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep niet als uitgangspunt heeft te gelden. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is wat betreft de gehele tenlastegelegde periode.”