Bij de beoordeling gaat de Hoge Raad uit van het volgende:
(i) De betrokkene is bij Koninklijk Besluit van 9 april 1999 benoemd tot rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Almelo (thans: Rechtbank Overijssel). Sinds 2012 is hij niet meer als zodanig ingezet. Vanaf 29 juli 2013 hebben de voormalige en de huidige president van de Rechtbank namens het gerechtsbestuur in meerdere gesprekken aan de betrokkene kenbaar gemaakt dat hij niet meer zou worden ingezet als rechter-plaatsvervanger.
(ii) De betrokkene was werkzaam als notaris. Bij beslissing van 3 december 2018, ECLI:NL:TNORARL:2018:58, heeft de Kamer hem in een klachtzaak een disciplinaire maatregel opgelegd. Deze zaak betrof de afwikkeling van een testament waarbij de erflaatster de betrokkene had benoemd tot afwikkelingsbewindvoerder. De namens één van de erfgenamen ingediende klacht hield onder meer in dat de betrokkene niet reageerde op berichten waarin hij werd verzocht een urenspecificatie te verstrekken ter onderbouwing van zijn declaratie met betrekking tot zijn werkzaamheden als notaris, ook niet nadat hem dit was opgedragen in een eerdere – in een tuchtrechtelijke procedure gegeven – beslissing van de Kamer van 8 mei 2018.
Tijdens een gesprek op 2 mei 2019 met de betrokkene heeft de president van de Rechtbank hem kenbaar gemaakt dat het onwenselijk was dat hij rechter-plaatsvervanger zou blijven indien de beslissing van 3 december 2018 in hoger beroep zou worden bekrachtigd.
De beslissing is door het Hof bekrachtigd bij beslissing van 9 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2242, waarbij het Hof heeft vastgesteld dat de betrokkene ook ter terechtzitting in hoger beroep is blijven volharden in zijn weigering om uitvoering te geven aan de beslissing van de Kamer van 8 mei 2018 betreffende het verstrekken van een urenspecificatie.
Op 13 november 2019 heeft de president de betrokkene in een telefoongesprek in overweging gegeven een ontslagrekest in te dienen. Dit heeft de betrokkene niet gedaan.
(iii) Naast de procedure die resulteerde in de beslissing van het Hof van 9 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2242, is de betrokkene verwikkeld geweest in de volgende tuchtprocedures in verband met zijn werkzaamheden als notaris.
- In 2018 is tegen de betrokkene wederom een klacht ingediend. In deze zaak was de betrokkene door een erflater benoemd tot executeur. De klaagster was enig erfgenaam van de erflater. De klachten betroffen onder meer een onzorgvuldige en niet voortvarende afwikkeling van de nalatenschap door onzorgvuldige en onheuse bejegening, het niet afleggen van rekening en verantwoording en het onnodig lang onder zich houden van gelden. De klacht leidde tot de beslissing van de Kamer van 15 januari 2019, ECLI:NL:TNORARL:2019:3, en de beslissing van het Hof van 17 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4353. Het Hof verklaarde de klachten gegrond en heeft aan de betrokkene de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee maanden opgelegd.
- In 2019 heeft het Bureau Financieel Toezicht (hierna: het BFT) een onderzoek ingesteld op het notariskantoor van de betrokkene. Op verzoek van het BFT heeft de voorzitter van de Kamer voor de duur van zes maanden een stille bewindvoerder naast de betrokkene benoemd bij beslissing van 4 juli 2019, ECLI:NL:TNORARL:2019:50. Deze maatregel is bekrachtigd door de Kamer bij beslissing van 22 juli 2019, ELCI:NL:TNORARL:2019:49, en daarna door het Hof bij beslissing van 19 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1244.
- Naar aanleiding van zijn onderzoek heeft het BFT een klacht ingediend tegen de betrokkene. Het BFT verweet de betrokkene een zorgwekkende financiële situatie, zowel zakelijk als privé, negatieve bewaringsposities, onzorgvuldigheden en achterstanden in de afwikkeling van nalatenschappen en achterstanden in het royeren van hypothecaire inschrijvingen. De Kamer heeft deze klacht gegrond verklaard in de beslissing van 19 februari 2020, ECLI:NL:TNORARL:2020:7, en aan de betrokkene de tuchtmaatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd. Het Hof heeft deze beslissing bevestigd in de beslissing van 23 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:485. Hoewel aan de betrokkene inmiddels op eigen verzoek ontslag was verleend als notaris, heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat hij tot zijn zeventigste jaar had willen doorgaan en dat hij nog werkzaamheden als notaris zou willen verrichten. Het Hof achtte dit niet wenselijk. Hierbij overwoog het Hof dat de maatregel van ontzetting uit het ambt ook een toekomstig optreden van de betrokkene als kandidaat-notaris verhinderde. Het Hof achtte deze consequentie passend en geboden.
- In het kader van de procedure die leidde tot ontzetting uit het ambt, heeft de voorzitter van de Kamer bij beslissing van 2 april 2020, ECLI:NL:TNORARL:2020:13, de betrokkene bij wijze van ordemaatregel geschorst in zijn ambt voor de duur van de rechtsgang tegen de beslissing van de Kamer van 19 februari 2020 en voor de duur van zijn schorsing een waarnemer van het notarisambt van de betrokkene benoemd. Deze beslissing is bekrachtigd door de Kamer bij beslissing van 24 april 2020, ECLI:NL:TNORARL:2020:14, welke beslissing van de Kamer in hoger beroep door het Hof bij beslissing van 23 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:486 is bevestigd.