Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2021:1996

Hoge Raad
24-12-2021
24-12-2021
21/03575
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1234
Civiel recht
Raadkamer

Uitspraak vierde kamer. Vordering Procureur-Generaal bij de Hoge Raad als bedoeld in art. 46o Wrra, op verzoek van functionele autoriteit, tot ontslag rechter-plaatsvervanger op grond van art. 46m, aanhef en onder d, Wrra. Volstaat voor ontslag van rechter-plaatsvervanger dat deze gedurende een termijn van twee jaar niet is opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden?

Rechtspraak.nl
RvdW 2022/74
NJ 2022/119 met annotatie van W.H. Vellinga

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Vierde Kamer

Nummer 21/03575

Datum 24 december 2021

BESLISSING

op een vordering, als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 7 oktober 2021, tot ontslag als rechterlijk ambtenaar van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboorteplaats] 1955, wonende te [plaats] ,

hierna: de betrokkene.

1 De vordering van de Procureur-Generaal

1.1

De Procureur-Generaal heeft op 7 oktober 2021 schriftelijk gevorderd dat de Hoge Raad de betrokkene op de voet van artikel 46m, aanhef en onder d, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra) zal ontslaan met ingang van 1 december 2021.

1.2

Bij de vordering heeft de Procureur-Generaal de volgende stukken overgelegd:
a. het Koninklijk Besluit van 9 april 1999, waarbij de betrokkene is benoemd tot rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Almelo (thans: Rechtbank Overijssel);
b. de brief van de president van de Rechtbank Overijssel (hierna ook: de Rechtbank) van 19 december 2019, aan de Procureur-Generaal, houdende een verzoek tot het instellen van een vordering tot ontslag van de betrokkene, met als bijlagen de beslissing van de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de Kamer) van 3 december 2018, ECLI:NL:TNORARL:2018:58, en de beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) van 9 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2242;
c. de brief van de Procureur-Generaal van 23 januari 2020 aan de betrokkene, waarin de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen alvorens de Procureur-Generaal beslist over het instellen van een vordering bij de Hoge Raad;
d. een afschrift van het definitief – en niet door betrokkene ondertekende – vastgestelde proces-verbaal van het gehoor als bedoeld in artikel 46o, lid 3, Wrra, gehouden ten kantore van de Procureur-Generaal op 19 februari 2020, met als bijlagen de correspondentie tussen de Procureur-Generaal en de betrokkene, waaronder de reactie per e-mail van de betrokkene van 27 maart 2020 op het proces-verbaal;
e. de e-mail van de Rechtbank van 31 maart 2021 aan de Procureur-Generaal, met als bijlagen drie beslissingen van het Hof van 23 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:485, ECLI:NL:GHAMS:2021:486 en ECLI:NL:GHAMS:2021:487;
f. de brief van de Procureur-Generaal van 23 juni 2021 aan de betrokkene, waarin de Procureur-Generaal enkele nieuwe ontwikkelingen vermeldt (de hiervoor vermelde drie beslissingen van het Hof van 23 maart 2021), waaronder het opleggen van de tuchtmaatregel van ontzetting uit het ambt (opgelegd door de Kamer in een beslissing van 19 februari 2020, ECLI:NL:TNORARL:2020:7, en bevestigd door het Hof in de beslissing van 23 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:485) en de betrokkene in de gelegenheid stelt zijn zienswijze schriftelijk naar voren te brengen alvorens de Procureur-Generaal overgaat tot het instellen van een vordering bij de Hoge Raad;
g. de e-mail van de betrokkene van 12 juli 2021 aan de Procureur-Generaal, waarin hij zijn zienswijze deelt;
h. de brief van de Procureur-Generaal van 14 juli 2021 aan de betrokkene, waarin hij reageert op de e-mail van 12 juli 2021 van de betrokkene en de betrokkene laat weten een vordering tot het ontslag van de betrokkene als rechter-plaatsvervanger te zullen instellen bij de Hoge Raad.

2 De raadkamer

2.1

Op 11 oktober 2021 heeft de Hoge Raad in raadkamer het onderzoek als bedoeld in artikel 46p, lid 1, Wrra ingesteld. De betrokkene en de president van de Rechtbank zijn bij brief van 31 augustus 2021 in kennis gesteld van het tijdstip van het onderzoek in raadkamer, en uitgenodigd bij dit onderzoek aanwezig te zijn. Beiden hebben aan de waarnemend griffier bericht niet aanwezig te zullen zijn.

2.2

De Procureur-Generaal heeft zijn vordering in raadkamer toegelicht aan de hand van een notitie die aan de Hoge Raad is overgelegd.

2.3

De betrokkene heeft aan de waarnemend griffier e-mails met zijn zienswijze gestuurd op 26 september 2021, 8 oktober 2021, 23 oktober 2021 en 26 oktober 2021. De Hoge Raad heeft hiervan kennisgenomen.

2.4

Van het onderzoek in raadkamer is proces-verbaal opgemaakt. De notitie van de Procureur-Generaal is aan het proces-verbaal gehecht.

3 De feiten waarvan de Hoge Raad uitgaat

Bij de beoordeling gaat de Hoge Raad uit van het volgende:

(i) De betrokkene is bij Koninklijk Besluit van 9 april 1999 benoemd tot rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Almelo (thans: Rechtbank Overijssel). Sinds 2012 is hij niet meer als zodanig ingezet. Vanaf 29 juli 2013 hebben de voormalige en de huidige president van de Rechtbank namens het gerechtsbestuur in meerdere gesprekken aan de betrokkene kenbaar gemaakt dat hij niet meer zou worden ingezet als rechter-plaatsvervanger.

(ii) De betrokkene was werkzaam als notaris. Bij beslissing van 3 december 2018, ECLI:NL:TNORARL:2018:58, heeft de Kamer hem in een klachtzaak een disciplinaire maatregel opgelegd. Deze zaak betrof de afwikkeling van een testament waarbij de erflaatster de betrokkene had benoemd tot afwikkelingsbewindvoerder. De namens één van de erfgenamen ingediende klacht hield onder meer in dat de betrokkene niet reageerde op berichten waarin hij werd verzocht een urenspecificatie te verstrekken ter onderbouwing van zijn declaratie met betrekking tot zijn werkzaamheden als notaris, ook niet nadat hem dit was opgedragen in een eerdere – in een tuchtrechtelijke procedure gegeven – beslissing van de Kamer van 8 mei 2018.

Tijdens een gesprek op 2 mei 2019 met de betrokkene heeft de president van de Rechtbank hem kenbaar gemaakt dat het onwenselijk was dat hij rechter-plaatsvervanger zou blijven indien de beslissing van 3 december 2018 in hoger beroep zou worden bekrachtigd.

De beslissing is door het Hof bekrachtigd bij beslissing van 9 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2242, waarbij het Hof heeft vastgesteld dat de betrokkene ook ter terechtzitting in hoger beroep is blijven volharden in zijn weigering om uitvoering te geven aan de beslissing van de Kamer van 8 mei 2018 betreffende het verstrekken van een urenspecificatie.

Op 13 november 2019 heeft de president de betrokkene in een telefoongesprek in overweging gegeven een ontslagrekest in te dienen. Dit heeft de betrokkene niet gedaan.

(iii) Naast de procedure die resulteerde in de beslissing van het Hof van 9 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2242, is de betrokkene verwikkeld geweest in de volgende tuchtprocedures in verband met zijn werkzaamheden als notaris.

- In 2018 is tegen de betrokkene wederom een klacht ingediend. In deze zaak was de betrokkene door een erflater benoemd tot executeur. De klaagster was enig erfgenaam van de erflater. De klachten betroffen onder meer een onzorgvuldige en niet voortvarende afwikkeling van de nalatenschap door onzorgvuldige en onheuse bejegening, het niet afleggen van rekening en verantwoording en het onnodig lang onder zich houden van gelden. De klacht leidde tot de beslissing van de Kamer van 15 januari 2019, ECLI:NL:TNORARL:2019:3, en de beslissing van het Hof van 17 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4353. Het Hof verklaarde de klachten gegrond en heeft aan de betrokkene de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee maanden opgelegd.

- In 2019 heeft het Bureau Financieel Toezicht (hierna: het BFT) een onderzoek ingesteld op het notariskantoor van de betrokkene. Op verzoek van het BFT heeft de voorzitter van de Kamer voor de duur van zes maanden een stille bewindvoerder naast de betrokkene benoemd bij beslissing van 4 juli 2019, ECLI:NL:TNORARL:2019:50. Deze maatregel is bekrachtigd door de Kamer bij beslissing van 22 juli 2019, ELCI:NL:TNORARL:2019:49, en daarna door het Hof bij beslissing van 19 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1244.

- Naar aanleiding van zijn onderzoek heeft het BFT een klacht ingediend tegen de betrokkene. Het BFT verweet de betrokkene een zorgwekkende financiële situatie, zowel zakelijk als privé, negatieve bewaringsposities, onzorgvuldigheden en achterstanden in de afwikkeling van nalatenschappen en achterstanden in het royeren van hypothecaire inschrijvingen. De Kamer heeft deze klacht gegrond verklaard in de beslissing van 19 februari 2020, ECLI:NL:TNORARL:2020:7, en aan de betrokkene de tuchtmaatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd. Het Hof heeft deze beslissing bevestigd in de beslissing van 23 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:485. Hoewel aan de betrokkene inmiddels op eigen verzoek ontslag was verleend als notaris, heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat hij tot zijn zeventigste jaar had willen doorgaan en dat hij nog werkzaamheden als notaris zou willen verrichten. Het Hof achtte dit niet wenselijk. Hierbij overwoog het Hof dat de maatregel van ontzetting uit het ambt ook een toekomstig optreden van de betrokkene als kandidaat-notaris verhinderde. Het Hof achtte deze consequentie passend en geboden.

- In het kader van de procedure die leidde tot ontzetting uit het ambt, heeft de voorzitter van de Kamer bij beslissing van 2 april 2020, ECLI:NL:TNORARL:2020:13, de betrokkene bij wijze van ordemaatregel geschorst in zijn ambt voor de duur van de rechtsgang tegen de beslissing van de Kamer van 19 februari 2020 en voor de duur van zijn schorsing een waarnemer van het notarisambt van de betrokkene benoemd. Deze beslissing is bekrachtigd door de Kamer bij beslissing van 24 april 2020, ECLI:NL:TNORARL:2020:14, welke beslissing van de Kamer in hoger beroep door het Hof bij beslissing van 23 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:486 is bevestigd.

4 Juridisch kader

4.1

Op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra kan de rechterlijk ambtenaar door de Hoge Raad worden ontslagen, indien hij als raadsheer- of rechter-plaatsvervanger (hierna ook: plaatsvervanger) gedurende een termijn van twee jaar niet is opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 5f, lid 2, Wrra en gedurende die termijn evenmin aangesteld is geweest of tijdelijk is aangewezen als bedoeld in artikel 5f, lid 1 of lid 3, Wrra. Een dergelijke beslissing tot ontslag dient te worden voorafgegaan door een vordering van de Procureur-Generaal als bedoeld in artikel 46o Wrra.

4.2

De functionele autoriteit van een raadsheer- of rechter-plaatsvervanger beslist op grond van artikel 5f, lid 2, Wrra over het al dan niet oproepen van de plaatsvervanger. Hiermee heeft de functionele autoriteit zelf in de hand of een plaatsvervanger door tijdsverloop voor een ontslagverzoek door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad in aanmerking komt.
Tijdens de parlementaire behandeling van de invoering van artikel 46m, aanhef en onder d (destijds: onder c), Wrra heeft de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) erkend dat een dergelijke bepalende invloed van de functionele autoriteit op gespannen voet kan komen te staan met de onafhankelijkheid van de rechter. Het enkele feit dat de functionele autoriteit een plaatsvervanger niet heeft opgeroepen, is volgens de minister dan ook niet voldoende grond voor een voordracht tot ontslag. Volgens de minister kan de Procureur-Generaal alleen dan gebruik maken van zijn discretionaire bevoegdheid om een verzoek tot ontslag bij de Hoge Raad in te dienen, wanneer door de functionele autoriteit gemotiveerd is vermeld dat ontslag op deze grond dient te geschieden en geen andere ontslaggrond aan de orde is. Zo kan artikel 46m, aanhef en onder d (destijds: onder c), Wrra volgens de minister uitkomst bieden wanneer de functionele autoriteit de plaatsvervanger regelmatig heeft opgeroepen en deze daaraan stelselmatig geen gevolg geeft, omdat hij bijvoorbeeld in het buitenland verblijft of anderszins geen gevolg wenst te geven aan de oproeping.1

4.3

De Hoge Raad stelt voorop dat de ontslaggrond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra niet mag worden aangewend op een manier die afbreuk kan doen aan de rechterlijke onafhankelijkheid. Zoals ook blijkt uit de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis is het enkele feit dat de functionele autoriteit een plaatsvervanger gedurende een termijn van twee jaar niet heeft opgeroepen, daarom niet voldoende reden om de ontslaggrond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra in te roepen. In aanvulling daarop moet sprake zijn van een voldoende zwaarwegende reden, gelegen in verklaringen of gedragingen van de plaatsvervanger of andere omstandigheden die hem betreffen, die de indiening en toewijzing van het ontslagverzoek rechtvaardigt.
Verder mist artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra blijkens de wetsgeschiedenis toepassing als de plaatsvervanger een voldragen andere ontslaggrond kan worden tegengeworpen.
In verband met de vereiste voldoende zwaarwegende reden kan betekenis toekomen aan de positie van plaatsvervangers. Het betreft veelal juristen die buiten de rechtspraak een andere hoofdfunctie vervullen en die, vanwege de specifieke expertise en maatschappelijke ervaring die zij vanwege die hoofdfunctie bezitten, door de functionele autoriteit op afroep worden ingezet voor zaken waarin die expertise en ervaring kunnen worden benut. Als in een dergelijk geval het functioneren in die hoofdfunctie heeft geleid tot procedures tegen de betrokkene waarin het ernstig tekortschieten in dit functioneren is komen vast te staan, kan dit tot gevolg hebben dat het gezag en de geloofwaardigheid van de betrokkene – zowel extern ten aanzien van rechtzoekenden, als intern ten aanzien van andere rechterlijk ambtenaren – zodanig is geschaad dat sprake is van een voldoende zwaarwegende reden als hiervoor bedoeld.

4.4

Het is aan de Hoge Raad, op vordering van de Procureur-Generaal, om te toetsen of het verzoek van de functionele autoriteit om de plaatsvervanger te ontslaan op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra, in het licht van het voorgaande voldoende is gemotiveerd. Om deze toetsing mogelijk te maken dient een ontslagverzoek dat op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra door een functionele autoriteit wordt ingediend niet alleen in te houden dat en waarom de plaatsvervanger gedurende een termijn van twee jaar niet is opgeroepen, aangesteld of aangewezen, maar dient het ontslagverzoek ook een nadere motivering te bevatten waarin wordt uiteengezet waarom een voldoende zwaarwegende reden als hiervoor in 4.3 is bedoeld, aanwezig is.

5 De vordering op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra

5.1

De betrokkene is sinds 2012 niet meer opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 5f, lid 2, Wrra en in die periode ook niet aangesteld of tijdelijk aangewezen als bedoeld in artikel 5f, lid 1 of lid 3, Wrra. Daarmee is voldaan aan de in artikel 46m, onder d, Wrra genoemde voorwaarden.
De functionele autoriteit van de betrokkene, de president van de Rechtbank, heeft in een nadere motivering de reden gegeven waarom de betrokkene in die periode niet is opgeroepen als rechter-plaatsvervanger. De rechtbankpresident heeft gewezen op de tuchtmaatregel van berisping, die op 9 juli 2019 door het Hof is bevestigd. De rechtbankpresident heeft de Procureur-Generaal later in kennis gesteld van andere tuchtmaatregelen die naar aanleiding van klachten aan de betrokkene zijn opgelegd, met als eindpunt de ontzetting uit het notarisambt.
Vanwege de hiervoor weergegeven, bij onherroepelijke beslissingen opgelegde orde- en tuchtmaatregelen ontbeert de betrokkene gezag en geloofwaardigheid, zowel extern ten aanzien van rechtzoekenden als intern ten aanzien van andere rechterlijk ambtenaren.
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de Hoge Raad sprake van een voldoende zwaarwegende,in verklaringen of gedragingen van de plaatsvervanger of andere omstandigheden die hem betreffen gelegen reden, die het ontslag rechtvaardigt. Dat oordeel wordt niet anders doordat de betrokkene heeft aangevoerd dat hij zelf meent nog steeds te kunnen worden ingezet als rechter-plaatsvervanger en zich niet kan vinden in de uitkomsten van de tuchtprocedures.

5.2

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat aan de voorwaarden voor ontslag op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra is voldaan en dat de betrokkene dient te worden ontslagen als rechterlijk ambtenaar.

6 Beslissing

De Hoge Raad ontslaat de betrokkene met ingang van de datum waarop deze beslissing wordt uitgesproken uit zijn ambt van rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Overijssel.

Deze beslissing is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vice-president C.A. Streefkerk, de vice-president V. van den Brink, de raadsheer E.N. Punt en de raadsheer A.L.J. van Strien, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A. Woller-van Welie, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2021.

1 Kamerstukken I 2011/12, 29 937, C, blz. 4-5.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.