De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
Partijen delen het uitgangpunt dat tot een assurantieportefeuille van een assurantietussenpersoon in het algemeen, en tot die van de vof in dit geval, de samenwerkingsovereenkomsten behoren die een assurantietussenpersoon heeft gesloten met verzekeraars en de overeenkomsten van opdracht die hij heeft gesloten met zijn cliënten, de (potentiële) verzekeringnemers. (rov. 4.2)
ING Bank stelt dat de aan de overeenkomsten met de cliënten verbonden verwachting dat deze cliënten verzekeringsovereenkomsten in de toekomst ook zullen afsluiten via deze assurantietussenpersoon, meebrengt dat de waarde van de assurantieportefeuille de waarde van de vorderingen uit hoofde van provisies en bemiddelingsvergoedingen overstijgt. (rov. 4.3)
De curator betwist deze verwachtingswaarde op zichzelf niet, maar stelt dat die moet worden aangemerkt als goodwill die als zodanig niet voor verpanding vatbaar is. (rov. 4.4)
Gelet op de definitie in art. 3:2 BW (“zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten”) mag worden aangenomen dat een assurantieportefeuille geen zaak is. Daarmee resteert de vraag of een assurantieportefeuille als vermogensrecht kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de losse bouwstenen waaruit een assurantieportefeuille is opgebouwd, geldt dat overeenkomsten en goodwill op zichzelf geen vermogensrechten zijn, en vorderingsrechten wel. (rov. 4.5)
Art. 4:103 lid 4 Wft, waarin is bepaald dat een verzekeraar in beginsel medewerking moet verlenen als een assurantietussenpersoon zijn portefeuille geheel of gedeeltelijk aan een andere tussenpersoon wil overdragen, geeft een regeling voor de verbintenisrechtelijke verhouding tussen een verzekeraar en een assurantietussenpersoon. In die bepaling is echter niet een goederenrechtelijke overdracht van assurantieportefeuilles in het algemeen geregeld, zodat niet op grond van die bepaling kan worden gesteld dat assurantieportefeuilles een goederenrechtelijk rechtsobject zijn waarop een pandrecht kan worden gevestigd. Nu ook in geen andere wettelijke regeling de overdracht van assurantieportefeuilles is geregeld, moet worden aangenomen dat op een assurantieportefeuille als zodanig geen pandrecht kan worden gevestigd. Overdraagbaarheid is immers een essentiële voorwaarde om een pandrecht te kunnen vestigen (art. 3:228 BW). (rov. 4.7)
Daarmee is niet gezegd dat de term assurantieportefeuille verbintenisrechtelijk en in het economisch verkeer geen betekenis heeft. Men kan bij overeenkomst “een assurantieportefeuille” verkopen, op voorwaarde dat partijen het erover eens zijn wat onder die term moet worden verstaan. Daarbij kan goodwill in de overnameprijs worden verdisconteerd en in dat verband kunnen ook nadere afspraken worden gemaakt. Deze algemeenheid van goederen is echter geen goederenrechtelijke eenheid, zodat alleen de bouwstenen afzonderlijk, en voor zover dat volgens de wet mogelijk is, kunnen worden overgedragen. (rov. 4.8)