De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan;
in het incidentele beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 juni 2017 voor zover daarbij het meer of anders gevorderde is afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [eiseres] c.s. tot terugbetaling aan [verweerster] van een bedrag van € 27.661,95, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 augustus 2015 tot aan de dag van terugbetaling;
wijst af het anders of meer gevorderde;
verwerpt het beroep voor het overige;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] c.s. begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.100,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 30 november 2018.