13 november 2018
Strafkamer
nr. S 17/01521
IV/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 november 2016, nummer 20/003898-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.
3 Juridisch kader
In cassatie zijn de volgende bepalingen van belang.
● Wet wapens en munitie:
- art. 2, eerste lid, aanhef en onder 7°:
"Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.
Categorie I
(...)
7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn."
● Regeling wapens en munitie (hierna: RWM):
- art. 3, aanhef en onder a:
"Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:
a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG."
● Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (hierna: de Richtlijn of Speelgoedrichtlijn):
- art. 2, eerste lid:
"Deze richtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (hierna "speelgoed" genoemd).
De in bijlage I vermelde producten worden niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn beschouwd."
- art. 3, aanhef en onder 16:
"Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
16. "CE-markering": een markering waarmee de fabrikant aangeeft dat het speelgoed in overeenstemming is met alle toepasselijke eisen van de communautaire harmonisatiewetgeving die in het aanbrengen ervan voorziet."
- art. 4, tweede lid:
"Fabrikanten stellen overeenkomstig artikel 21 de vereiste technische documentatie op en voeren overeenkomstig artikel 19 de toepasselijke beoordelingsprocedure ten behoeve van overeenstemming uit of laten deze uitvoeren.
Wanneer met die procedure is aangetoond dat het speelgoed aan de toepasselijke eisen voldoet, stellen de fabrikanten een EG-verklaring van overeenstemming, zoals bedoeld in artikel 15, op en brengt hij de in artikel 17, lid 1, beschreven CE-markering aan."
- art. 12:
"De lidstaten mogen op hun grondgebied het op de markt aanbieden van speelgoed dat aan deze richtlijn voldoet, niet belemmeren."
- art. 16, eerste lid:
"Speelgoed dat op de markt wordt aangeboden, is voorzien van de CE-markering."
- art. 17, eerste lid:
"De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het speelgoed, op een daaraan bevestigd etiket of op de verpakking aangebracht. (...)"
● Bijlage I bij de Richtlijn: Lijst van producten die, met name, niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn worden beschouwd (als bedoeld in artikel 2, lid 1):
"2. Producten voor verzamelaars, mits op het product of de verpakking ervan zichtbaar en leesbaar is aangegeven dat het bestemd is voor verzamelaars van 14 jaar en ouder. Voorbeelden van deze categorie zijn:
(...)
e) imitaties van echte vuurwapens."
4 Beoordeling van het middel
4.1.
Het middel klaagt, mede gelet op de toelichting, over de verwerping door het Hof van het verweer dat het in de bewezenverklaring vermelde (nagebootste) pistool een speelgoedvoorwerp is in de zin van art. 3 RWM in verbinding met de Speelgoedrichtlijn.
4.2.
Het Hof heeft voormeld verweer verworpen op de grond dat het pistool geen speelgoedvoorwerp is in de zin van de Speelgoedrichtlijn omdat het niet is voorzien van de CE-markering die ingevolge art. 16 van de Richtlijn vereist is om als speelgoed in de zin van die Richtlijn te worden aangemerkt.
4.3.
In het Besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993, 93/465/EEG, PbEG L 200/23, is een aantal procedures vastgesteld voor de beoordeling van de overeenstemming van industrieproducten, waaronder op grond van de Speelgoedrichtlijn speelgoed, met de eisen van de richtlijnen voor technische harmonisatie. Het Besluit beoogt de waarborging van overheidsbelangen zoals de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers van producten. Ingevolge dat Besluit geeft de C(onformité)E(uropéenne)-markering aan dat het desbetreffende product voldoet aan de communautaire verplichtingen die de fabrikant van het product zijn opgelegd en dat het voldoet aan alle communautaire bepalingen met betrekking tot het aanbrengen van de markering.
4.4.
Gelet op het doel en de strekking van de CE-markering zoals daarvan blijkt uit voormeld Besluit en uit art. 3 onder 16 van de Speelgoedrichtlijn, heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat ingevolge art. 16 van de Speelgoedrichtlijn een voorwerp als het onderhavige eerst kan worden aangemerkt als speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn als het is voorzien van een CE-markering, nog daargelaten dat art. 17, eerste lid, van de Speelgoedrichtlijn de mogelijkheid openlaat dat deze markering niet is aangebracht op het speelgoed zelf, maar op een daaraan bevestigd etiket of op de verpakking.
4.5.
De gegrondheid van het middel leidt echter niet tot cassatie om de volgende reden. Gelet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering - waaronder de vaststelling van het Hof dat het voorwerp dat de verdachte voorhanden had, naar vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen van het merk Beretta model 92 - moet in cassatie het ervoor worden gehouden dat de verdachte een imitatie van een echt vuurwapen voorhanden had. Indien een imitatie van een echt vuurwapen is vervaardigd voor verzamelaars en dat voorwerp (of de verpakking ervan) is voorzien van een zichtbare en leesbare aanduiding dat zij is bestemd voor verzamelaars van veertien jaar en ouder, kan dat voorwerp reeds op grond van art. 2, eerste lid tweede volzin, van de Speelgoedrichtlijn in verbinding met Bijlage I, sub 2 aanhef en onder e, niet worden beschouwd als speelgoed. Daarbuiten geldt op grond van art. 2, eerste lid eerste volzin, van de Speelgoedrichtlijn dat een voorwerp slechts dan als speelgoed kan worden aangemerkt in het geval dat het is ontworpen of bestemd om door kinderen jonger dan veertien jaar bij het spelen te worden gebruikt. Weliswaar is namens de verdachte aangevoerd dat sprake is van een "speelgoedpistool", maar niet is aangegeven dat en waarom aan die specifieke, in de Speelgoedrichtlijn gestelde voorwaarde zou zijn voldaan. Gelet daarop en daarnaast in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de (uiterlijke) kenmerken van het voorwerp dat de verdachte voorhanden had, heeft het Hof het verweer dan ook terecht verworpen.