Het hof heeft ter zake het volgende overwogen.
Aangezien tussentijds hoger beroep van het eerste tussenvonnis expliciet was toegelaten, is de uitzondering op de schorsende werking van art. 350 lid 2 Rv in dit geval niet aan de orde (rov. 3.2).
De akte die Invinco in eerste aanleg op 4 december 2013 heeft genomen wordt getroffen door de schorsende werking. Op dezelfde voet als de in art. 225 lid 3 Rv geregelde gevallen is deze akte nietig. Invinco heeft in deze akte voor de rechtbank ook ten onrechte verzwegen dat zij tussentijds appel heeft ingesteld. Het tweede tussenvonnis is als zodanig evenwel niet nietig. (rov. 3.3)
Vaste jurisprudentie is dat bij een tussentijds appel ook tegen eerdere tussenvonnissen mag worden geappelleerd (HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3168, NJ 2006/229) en dat in incidenteel appel ook mag worden geappelleerd tegen eerdere tussenvonnissen dan het vonnis waartegen het principaal appel zich richt (HR 19 december 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5351, NJ 1976/574). De spreiding van de beslissingen van de rechter over die vonnissen is volgens de constante jurisprudentie van de Hoge Raad min of meer toevallig en veelal afhankelijk van het procesbeleid van de rechter. Daaruit volgt dat de partij die hoger beroep instelt, zelfs kan volstaan met het richten van grieven tegen het [eerdere] tussenvonnis (vgl. HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0344, NJ 2004/23). In dit licht acht het hof het passend dat in dit geval ook het tweede tussenvonnis in het appel kan worden betrokken door de incidenteel appellant. Dat in deze procedure sprake is van een later tussenvonnis dan het vonnis waarvan het principaal appel is ingesteld, is het gevolg van een procesrechtelijke fout van vooral Invinco. Aangezien het tweede tussenvonnis er in beginsel niet had mogen zijn, is het onduidelijk hoe [verweerder] dit vonnis in de rechtsstrijd dient te betrekken indien hij niet zelf voornemens was zelfstandig, los van Invinco, tussentijds appel in te stellen, maar wel – als het geschil dan toch bij wege van tussentijds appel door Invinco aan het hof wordt voorgelegd – ook het oordeel van het hof wil horen op zijn punten van kritiek op de beslissingen van de rechtbank in het tweede tussenvonnis. Volgens Invinco had [verweerder] binnen drie maanden na het tweede tussenvonnis zelfstandig appel dienen in te stellen en de rechtbank moeten verzoeken ook tussentijds appel open te stellen van dat vonnis. Invinco heeft evenwel zelf eerst haar ingestelde tussentijds appel doorgezet door op 29 juli 2014 van grieven te dienen, op een moment dat de appeltermijn tegen het tweede tussenvonnis reeds twee maanden was verstreken.
Het hof acht het in strijd met de eisen van een goede procesorde dat Invinco in dit geval de gevolgen van door haar eigen onjuiste optreden en de daardoor veroorzaakte onduidelijkheid zou kunnen afwentelen op [verweerder] . Zonder tussentijds appel zijdens Invinco en onterecht doorprocederen harerzijds hadden deze problemen zich immers niet voorgedaan. Door [verweerder] toe te staan ook het tweede tussenvonnis in de rechtsstrijd in appel te betrekken, wordt ook voorkomen dat een gedeelte van het geschil in eerste aanleg achterblijft, waarbij de status van hetgeen in de nietige akte van Invinco is vermeld het proces zou blijven belasten, ingeval het hof het oordeel van de rechtbank overneemt dat Invinco in enige mate aansprakelijk moet worden geacht. Door ook het tweede tussenvonnis in de rechtsstrijd in appel te betrekken kan het hof voorts mogelijk de zaak zelf afdoen, hetgeen ook aan de efficiëntie van de rechtsgang bijdraagt. (rov. 3.4)