In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 vermelde feiten. Deze komen, samengevat en voor zover in cassatie van belang, op het volgende neer.
(i) Op 21 oktober 2004 is een akte van ruiling (hierna: de Akte) verleden waarbij de Gemeente met [eiser] enkele percelen weiland heeft geruild met het oog op de ontwikkeling van het bedrijventerrein Gelkenes Oost.
In de Akte is overeengekomen dat de Gemeente de aan [eiser] over te dragen percelen bouwrijp maakt en dat zij in het openbare gebied van het bedrijventerrein Gelkenes Oost infrastructurele werken en riolering zal aanleggen. Voorts is bepaald dat [eiser] aan de Gemeente een bedrag van € 53.550,-- (inclusief btw) betaalt ter zake van het bouwrijp maken en een bedrag van € 408.600,-- als bijdrage in de exploitatiekosten voor de realisatie van de infrastructurele voorzieningen in het bedrijventerrein.
(ii) Op 4 november 2004 hebben partijen met betrekking tot de ontwikkeling van bedrijventerrein Gelkenes West, alwaar [eiser] een perceel grond met de bestemming ‘agrarisch’ in eigendom had, een tweede overeenkomst gesloten (hierna: de Overeenkomst). Hierin is overeengekomen dat de Gemeente haar medewerking zal verlenen aan wijziging van de bestemming van het perceel grond van ‘agrarisch’ in de bestemming ‘bedrijfsterrein’, zal zorgdragen voor het bouwrijp maken van het perceel grond, en tevens in het openbare gebied van het bedrijventerrein Gelkenes West infrastructurele werken en riolering zal aanleggen. Voorts is bepaald dat [eiser] aan de Gemeente een bedrag van € 35.700,-- (inclusief btw) betaalt ter zake van het bouwrijp maken van zijn perceel grond en een bedrag van € 327.189,75 als bijdrage in de exploitatiekosten voor de realisatie van de infrastructurele voorzieningen in het bedrijventerrein.
(iii) [eiser] heeft betaling van de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde bedragen achterwege gelaten.
(iv) Ten tijde van het passeren van de Akte en het sluiten van de Overeenkomst was de Exploitatieverordening 1996 (hierna: de Exploitatieverordening) van de Gemeente van kracht. De inhoud daarvan is, voor zover van belang, geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 achter (h).
3.2.1
Voor zover in cassatie van belang, vordert de Gemeente in dit geding in conventie betaling van de hiervoor in 3.1 onder (i) en (ii) vermelde bedragen (met dien verstande dat in plaats van het onder (ii) genoemde bedrag van € 35.700,-- een bedrag van € 22.799,60 is gevorderd), te vermeerderen met rente. [eiser] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat de Gemeente haar in de Akte en de Overeenkomst neergelegde aanspraken op betaling van een financiële bijdrage van in totaal € 735.789,75 (€ 408.600,-- en € 327.189,75) niet geldend kan maken en niet met succes een beroep kan doen op art. 6:210 lid 2 BW.
De rechtbank heeft bij eindvonnis de vordering van de Gemeente in conventie toegewezen. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de Gemeente haar in de Akte en de Overeenkomst neergelegde aanspraken op betaling van in totaal € 735.789,75 terzake infrastructurele werkzaamheden niet geldend kan maken op grond van de Akte en de Overeenkomst, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.2.2
Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank op een ondergeschikt punt vernietigd (het bedrag van € 22.799,60 is gewijzigd in € 20.000,--) en voor het overige bekrachtigd.